zaterdag 12 augustus 2017

Het vierspan van de hippodroom


— Natuurgebied D’Heye, waar eertijds de hippodroom van Bredene gevestigd was. Op de achtergrond zien we de kerk en de watertoren van Bredene Dorp.—

'Hier is ’t gebeurd’, zegt hij, ‘hier vlak voor je neus.' Ik luister naar de oude man die ik in zijn rolwagen tot hier geduwd heb. We bevinden ons op D’Heye in Bredene en meer bepaald in de bocht waar de Koerslaan zich naar de Batterijstraat slingert. We kijken uit over een weiland waarin grote brokstukken liggen, restanten van wat ooit de tribune van een paardenrenbaan geweest is.
Ik heb de man in café Krugerhof ontmoet. Daar ben ik heen gefietst om meer te vernemen over een kwestie die ik in onderstaande alinea probeer samen te vatten.
Op 29 maart 2001 krijgt volksvertegenwoordiger Gilbert Vanleenhove antwoord op een parlementaire vraag. Het betreft natuurgebied D’Heye. Dat antwoord bevat een intrigerende passage: ‘De ruiters van de voormalige hippodroom (…) kunnen als historische relicten (…) in het gebied behouden blijven.’ (°) Hoezo, de ruiters kunnen behouden blijven?
De waardin van Krugerhof heeft me de man aangewezen als iemand die er alles van weet. ‘In die tijd was ik een verwoed stroper en ik had overal stroppen staan’, zo gaat hij van start ‘en hier stonden er vier.’ Zijn arm wijst in vier verschillende richtingen. ‘Ik kwam mijn strikken inspecteren en ja, het bleek vier keer raak te zijn. Vier grote konijnen. Haast te schoon om waar te zijn, nietwaar?’
— Detail uit het ministeriële antwoord op de vraag 
van Vlaams volksvertegenwoordiger Vanleenhove. —
Zijn verhaal neemt een wending. ‘Er was nog iets,’ zegt hij, ‘Toen ik de eerste strop opende hoorde ik een stem die zei: “Kom en zie!” en dat herhaalde zich bij de tweede, derde en vierde. Telkens was er dat “Kom en zie!”. Het was best akelig. Ik wilde er meteen weer vandoor gaan.’
Terwijl zijn blik over D’Heye dwaalt vertelt hij verder: ‘Nu zag ik in de verte een vierspan naderen. Eerst traag, daarna vlug en op den duur razendsnel. De paarden waren bedekt met een doek, ze trokken een lijkwagen, en de koetsier gaf ze flink de zweep. Vluchten kon niet meer. De paarden vertrappelden me alsof het niets was, waarna ik ook de lijkwagen over me heen kreeg. De wielen waren als messen en ze sneden me beide benen af.’
Ik kijk naar de deken die de plaats bedekt waar ’s mans benen plachten te zitten en ik ben erg onder de indruk. Maar het verhaal is hiermee niet afgelopen.
Ik lag daar te midden van een plas bloed en zag dat het vierspan achter die brokstukken,’ en hij wijst me de restanten van de hippodroomtribune aan, ’een bocht maakte en langs de andere kant terugkwam. De koetsier liet de paarden naast me stoppen, nam mijn twee benen onder de arm, legde ze in de corbillard en ging er te vierklauw weer vandoor. Toen ik weer bij bewustzijn kwam lag ik in het hospitaal.’
Ik zie dat de man uitgeput is en ik beslis hem naar het Krugerhof terug te duwen. Daar vraagt de waardin me of hij het verhaal van het vierspan verteld heeft. Ik knik.
‘Ik weet nog altijd niet wat ik ervan moet denken’, zegt ze, ‘maar een ding is zeker. Telkens als het volle maan is horen we hier het draven van de paarden over D’Heye.’ En ze wijst in de richting van de plek waar de man me zijn verhaal verteld heeft.
Flor Vandekerckhove

(°) Vraag nr. 136 van 29 maart 2001 van de heer Gilbert Vanleenhove. Te lezen op https://docs.vlaamsparlement.be/docs/bva/atomiseringen/ato2000-2001/nr13/dua/136.pdf.
Een reactie posten