vrijdag 27 maart 2026

Modernist Delmore Schwartz en de politiek


’T WAS VIA een omweg dat ik de Amerikaanse auteur-dichter Delmore Schwartz (°1913 - 1966†) leerde kennen en die omweg was Lou Reed. Dat vertelde ik al in een inleiding. Daarna haalde ik ’s mans biografie in huis, The Life of an American Poet (°). Ik vertaalde ook een gedicht van Schwartz, postte iets over de band tussen de dichter en Lou Reed en liet me door Delmore inspireren in Gisteren op de Spinoladijk, een handpalmverhaal. Nog was ik met die mens niet klaar, maar ik hield er toch mee op. 
In de biografie had ik nochtans de krasse uitspraak ‘Always apolitical’ onderstreept en me voorgenomen om die te confronteren met wat Alan Wald over Schwartz schrijft in Marxism and the Modernist Poet. Dat opent met een citaat van Schwartz: ‘De revolutie is een beroep op zichzelf, dat de schrijver als mens moet ondersteunen, maar zonder op te houden een volwaardig schrijver te zijn.’ Is dat apolitical? ’t Is in elk geval iets om over na te denken. 
Wald vindt tal van tekenen die aantonen dat Delmore de goede zaak steunt: ‘De naam van Delmore verschijnt in elke verklaring van de League for Cultural Freedom and Socialism (LCFS), Amerikaanse afdeling van de Internationale Federatie van Revolutionaire Kunst, aangekondigd door Trotski, André Breton en de Mexicaanse muralist Diego Rivera.’ Wat weet Wald nog? ‘Zijn eigen relatie tot het marxisme werd genuanceerd door zijn nadrukkelijke afkeer van elke vorm van zelfomschrijving, behalve die van dichter (…)’
Tussen ’t begin van de jaren dertig en ’t einde van veertig wordt het culturele leven in de Verenigde Staten almaar rechtser, een verrechtsing die ook af te lezen valt in Partisan Review, cultureel blad waaraan Delmore Schwartz participeert: ‘Enkele jaren later zouden ze geld ontvangen van het door de CIA gefinancierde American Committee for Cultural Freedom, (…). Daarna was hun reputatie binnen links voorgoed besmeurd; alle herinnering aan de inspirerende, onafhankelijke marxisten die ze ooit waren geweest, werd achtergelaten (…).’ En de dichter? ‘(…) Delmore zat politiek gezien gevangen in een keurslijf dat hij zelf had gecreëerd. Hij had al te lang geworsteld met zijn eigen ambigue motieven en probeerde de tegenstrijdige aspecten van zijn identiteit met elkaar te verzoenen. Onder de ondraaglijke omstandigheden van de Koude Oorlog kon hij de onvermijdelijke botsing daarvan simpelweg niet overleven. Hij beweerde soms dat zijn standpunten niet waren veranderd, maar zijn naam prijkte nu prominent op het briefpapier van het American Committee for Cultural Freedom, een grimmige stem van anticommunistisch liberalisme (…)’ (°°°)


(°) James Atlas. Delmore Schwartz. The Life of an American Poet. 1977. Uitg. Farrar, Straus & Girox. 417 p. Over de poëzie van Delmore Schwartz staat een vrij in te zien essay op ’t net: Rediscovering Delmore Schwartz: A Journey Through His Poetic Legacy. De Revisor plaatste in 1983 een Nederlandstalig essay Over Delmore Schwartz.
(°°) Alan Wald. Marxism and the Modernist Poet. In Against the Current. No.212, May June 2021.
(°°°) Over de werking van dat comité bestaat een magistrale studie. Frances Stonor Saunders, Who Paid the Piper, The CIA and the Cultural Cold War. 1999.

 

Geen opmerkingen: