vrijdag 6 maart 2020

Karel, de stichter van Bredene Duinen

Wie het gedicht niet wil lezen, kan naar de declamatie ervan luisteren op YouTube: 
https://www.youtube.com/watch?v=Xe3QF9Sns3g
 

we hadden die dag een tante begraven en een van haar dochters bracht me 
achteraf met de auto naar huis omdat ik haar in mijn wijk het standbeeld van
karel vandekerckhove wilde tonen dat door het gemeentebestuur vlak naast
de fontein in een indrukwekkende waterpartij op een plein was geplaatst

ze zei dat ze van dat standbeeld nooit eerder gehoord had maar dat kwam 
volgens mij doordat ze al lang niet meer in de wijk woonde en wat ze 
trouwens evenmin wist was dat karel vandekerckhove met zo’n sculptuur
vereerd werd omdat hij een van de stichters van de wijk bleek te zijn

dus nam ik haar mee naar het duinenplein waar onz’ beider overgrootvader 
karel vandekerckhove medestichter van bredene duinen te midden van 
een indrukwekkende waterpartij en vlak naast de fontein te pronk stond in 
een kolossaal groot bronzen standbeeld van misschien wel drie meter hoog

toen ze dat beeld zag vielen haar ogen van verbazing bijna uit d’r oogkassen
vooral omdat ze zag dat het beeld dat op het duinenplein van mijn wijk te 
midden van een kolossale waterpartij en vlak naast de fontein stond het  
beeld van een naakte vrouw met overdadig veel krulhaar bleek te zijn

nadat ze enigszins van de emotie bekomen was nam ze me bij de arm en zei 
met gedempte stem dat ze zich onze overgrootvader karel vandekerckhove 
nooit had kunnen voorstellen als een vrouw die vanuit roksem naar bredene 
kwam afzakken om daar de nieuwe wijk te stichten waar we nu stonden

ze vroeg me waarom de stichter van de wijk naakt afgebeeld werd met de 
handen achter het hoofd en de ellebogen gespreid en ik antwoordde dat ik 
vermoedde dat zo’n pose de beeldhouwer een kans gaf om zodoende de 
opwippende borsten van het model beter tot recht te laten komen

wat ze ook zei was dat ze nooit had kunnen vermoeden dat onze 
overgrootvader een jonge vrouw met zoveel krulhaar geweest was en ik zei 
dat ze nogal zou opkijken mocht ze een blik kunnen werpen op het haar van 
al de mensen die ons voorgegaan zijn en waarvan we geen beeld hebben 

zelf was ik vooral blij dat ik nu eindelijk van de zware last verlost was die al 
zoveel jaren als een zwaar bronzen beeld op mijn borstkas drukte omdat ik 
de enige was die wist dat de drie meter hoge jonge vrouw die daar op het 
duinenplein afgebeeld werd niemand minder dan karel vandekerckhove was

voor de rest hadden mijn nicht en ik elkaar niet zoveel te vertellen en nadat 
we afscheid genomen hadden keek ik haar na tot ze verdwenen was in 
nevelen die sterk op deze van avalon leken en daarna haalde ik mijn fiets
uit de berging om vóór sluitingstijd nog vlug mijn boodschappen te doen


[Karel Vandekerckhove werd op 5 december 1852 in Roksem geboren. Hij trouwde op 19 mei 1880 met Leonia Grosseel (waarschijnlijk Rosseel) uit Bredene.]

[In DLVuurtorenwachter dateert deze post van 2020. In 2025 redigeer ik het stuk opnieuw, ten behoeve van de FB-groep Bredene Retro.]

woensdag 4 maart 2020

Variante op de steppingstonetheorie

— Jeff Tweedy (hier met zijn levensgezellin Susie) schrijft in zijn memoires hoe hij van de ene drug op de andere overtapte. Of hoe de ene stapsteen naar de volgende leidt, en neen, het begint helemaal niet met cannabis. Over de memoires van Jeff Tweedy postte ik hier al een stukje, dat ging toen over zijn boekenkast (en ook wel over de mijne.) — 

‘Ik herinner me eerlijk gezegd niet dat er een tijd in mijn leven geweest is waarin ik géén hoofdpijn had.’ Deze verschrikkelijke mededeling staat in de memoires (°) van Jeff Tweedy, frontman van Wilco: ‘Mijn theorie (…), is dat migraines, althans de mijne, met stemmingsstoornissen verbonden zijn.’ Het is ook de kip of ei kwestie: ‘Wie weet waar de stemmingsstoornissen stopten en de migraines begonnen? Ze konden elkaar voeden en alles erger maken.’ En verder: ‘De migraines waren echt en dat waren ook de paniekaanvallen. Maar welke kwamen eerst?’ Ook elders in de familie zijn er ‘tal van gediagnosticeerde en niet-gediagnosticeerde stemmingstoornissen en de manier om ermee om te gaan was meestal alcohol.’ Jeffs vader deed het dagelijks met een twelve-pack. Hij stopte ermee toen hij 81 was: ‘Toen begon hij paniekaanvallen te krijgen, voor het eerst sinds hij jong was.’
Alcohol is ook het eerste waarmee Jeff de paniekaanvallen te lijf gaat. Als hij 23 is schakelt hij over op weed, want hij heeft de alcohol te veel ravage zien maken. Maar marihuana is geen partij voor zijn stoornis, net zomin als cola of sigaretten dat zijn. Hij is 30 als hij op een versnelling hoger gaat: opiaten als Valium, Vicodin, Percocet, Lortab, Norco … ‘Ik heb echte migraines, ik heb echte paniekaanvallen. En het getuigt alleen maar van verantwoordelijkheid dat ik manieren zoek om die te controleren, zodat ik mijn job kan blijven doen.’ Dat is wat hij zichzelf wijsmaakt, maar wat echt gebeurt is dat hij in een maalstroom terechtkomt die hem almaar dieper naar beneden trekt.  
Eerst probeert hij er op zijn eentje mee te stoppen, met catastrofale gevolgen. Dan volgt een hospitaal, waar men hem zowel voor zijn angststoornissen als voor zijn verslaving behandelt. En ‘t is niet in zo’n modieuze kliniek waar the rich & famous zich aan het zicht onttrekken, maar in ‘a very hard-core city hospital in an underserved neighborhood.’ Tijdens zijn maandenlange opname zijn er periodes waarin hij de enige blanke patiënt is. Het zijn zwarte medepatiënten die hem het goede voorbeeld geven en Jeff Tweedy slaagt er uiteindelijk in om nuchter te blijven.
Het boek bevat een dialoog tussen Jeff en zijn gezellin Susie, waarin hij haar vraagt of hij helemaal eerlijk is in de beschrijving van zijn verslavingsproblemen. Dat gesprek opent met een zin die beter dan wat ook zegt wat een verslaving is: Susie: ‘Ik kan nog altijd niet geloven dat je vermeldt dat je mijn moeders kankermedicijn gestolen had.’
Flor Vandekerckhove

(°) Jeff Tweedy. Let’s go (so we can get back) A memoir of recording and discording with Wilco, etc. 2018. NewYork. Uitg. Dutton, An Imprint of Penguin Random House LLC. 293 pp.

De laatste roker

maandag 2 maart 2020

Haha zegt de clown

— De clown is een triest-komische figuur. Dat is in het kader van de klimaatcatastrofe niet anders. Maar moeten we hem daarom in huis nemen? En zijn vrouwtje ook? Over deze vraag handelt dit enigszins geëngageerd gedicht. Met dank aan de popgroep Manfred Mann voor de inspiratie. —


Er is iets gaande op de schaal van Richter want overal dollen rondtollende
Haast niet te ontwijken doorzichtig blauwe plasticzakken gevuld met vooral 
Petflessen in het rond terwijl Tania haar auto zigzaggend een weg laat
Zoeken tussen colablikken en losgerukte straatstenen richting cinema.

We draaien de hoek om en botsen bijna tegen een clown aan die daar te
Midden van de weg armenzwaaiend luid haha staat te roepen en die aan
Zijn neus draait als om zich te onderscheiden van kletterend leeggoed van
Pizza’s en losgerukte bomen en pillendoosjes en sterkedrankflessen.

We weten niet goed wat we met die clown moeten aanvangen maar het is wel
Duidelijk dat we hem daar niet kunnen laten staan terwijl niemand anders nog 
Op straat is in dit weer dat ons leert dat het kompas het noorden kwijt is en
De meetlat langs de Meridiaan van Parijs niet langer uitgerekt kan worden.

En we nemen hem tussen ons in mee in Tania’s camionette op weg naar de
Cinema en terwijl hij weer aan zijn neus draait vraagt hij ons of de koning zijn
Kroon verloren is en ik antwoord dat het er inderdaad zo uitziet maar dat het
Ons toch niet belet om naar de film te gaan waarin hij ons gelijk geeft en zelfs

Vraagt of hij met ons mee naar de cinema mag gaan wat we node toestaan
Want ja zegt Tania wat moet een mens anders doen in deze tijd waarin
Alle zekerheden het begeven en er geen maat meer op de dingen staat en
Een autobus ons voorbijsteekt waarin geen mens zit zelfs geen chauffeur.

Dus nemen we hem mee naar de cinema en daar zit hij dan neusdraaiend
Tussen ons in commentaar te geven op de film en vooral op de muziek
Die volgens hem van Manfred Mann is en neusdraaiend maakt hij ons
Duidelijk dat die Manfred meer met dit gedicht te maken heeft dan we denken.

Als de film ten einde is trekken we onze jassen aan en zet ik mijn baret weer
Op en alsof ’t nooit anders geweest is gaan we gearmd als een trio naar
Buiten waar een wervel van plastic flessen en metalen verpakkingen ons
Haha zegt de clown hoog boven de door ’t weer fel gehavende parking zuigt.

En pal in ‘t midden in de absolute rust van het oog van de plastic storm zien
We bij de camionette een meisje dat geduldig staat te wachten tot de wind
Ons voor haar neerzet en terwijl ze een theatrale buiging maakt stelt ze zich
Neusdraaiend aan ons voor als de rechtmatige echtgenote van de clown.

De storm neemt toe en zo ook het aantal bevingen en plastic drankbekers en 
Huizen die instorten en advertentiebladen en wagens die de lucht ingezogen
Worden en ’t wordt echt wel tijd om weer naar huis te gaan ware het niet dat
Het valies dat mevrouw de clown me aanreikt me daar sterk van weerhoudt.

Flor Vandekerckhove



Het gedicht Haha zegt de clown werd opgenomen in de bundel De man die sneller schijt dan zijn schaduw. De bundel (e-boek, PDF) is gratis voor wie erom vraagt: mail naar liefkemores@telenet.be.

zaterdag 29 februari 2020

Schildpad citeert Plato

In het pikkedonker, zonder schoeisel, mijn voeten onder de bloedzuigers, kom ik bovenop de heuvel bij een desolaat huis. Voor het venster een fiets. Binnen, onder de lamp, een man. Verwrongen gezicht, handen als klauwen, het soort mens dat achterblijft nadat iedereen weggetrokken is. Hij drinkt absint. In mijn dromen drinkt altijd wel iemand absint. Ik maak een verkeerde beweging en de fiets gaat tegen de grond. Verdwaasd kijkt de man op. Hij staat recht en grijpt het houweel. In mijn dromen staat altijd een houweel bij het vuur. Dreigend stapt hij naar de deur. Ik panikeer, neem de fiets en rij in volle vaart de heuvel af. In het schijnsel van de maan zie ik iets wat beneden traag de weg oversteekt. Een beestje. In mijn dromen hebben fietsen nooit remmen. Uit volle borst slaak ik een kreet. Het beest blijft staan, kijkt me aan en zegt klaar & duidelijk: Heb de maan als doel want ook als je hem niet raakt, dan nog zal je je tussen de sterren bevinden.’ Ik bots bovenop het dier dat een schildpad blijkt te zijn en ga over kop. Ik grijp verkeerdelijk naar de maan en zie mezelf een mooie salto maken. Vijf meter verder kom op mijn hoofd terecht. Overal sterren.

Flor Vandekerckhove


Enige tijd geleden heb ik een nieuw experiment aangevat. Ik neem een gedicht uit mijn recent verschenen bundel 'De man die sneller schijt dan zijn schaduw', voeg er muziek aan toe, plaats er beelden bij en maak er een filmpje van dat ik op youtube plaats. Kijk hierboven maar naar De laatste roker op https://www.youtube.com/watch?v=FTWVV8Mxnhw.
De dichtbundel (e-boek, PDF) is gratis voor wie erom vraagt: mail naar liefkemores@telenet.be.

donderdag 27 februari 2020

Leren schrijven met Maggie Nelson

Het is via Eileen Myles dat ik Maggie Nelson leer kennen. Inmiddels heb ik De argonauten uit de bib gehaald, een boek dat zowel roman als memoires is. Aan de berg recensies ga ik er niet nog een toevoegen, u vindt die gemakkelijk hier, daar en elders. Maar ik wil er toch iets over zeggen. Zelf heb ik in die recensies lang gezocht naar iets wat me bij ’t lezen meteen opgevallen was: de eenheid die het boek structureert is niet het hoofdstuk, zoals een mens verwacht, Maggie Nelson doet het met de paragraaf. Na enig zoeken vind ik toch een recensent die het daar uitdrukkelijk over heeft. Ik vertaal uit The Guardian:

‘De Nelsoniaanse gedachtegang is niet het hoofdstuk maar de paragraaf, een modus die diepe zwenkingen en nevenschikkingen mogelijk maakt voor het door elkaar plaatsen van anekdotes en analyses.’ Nelson doet het ‘om door oordeelkundige gelaagdheid een complexiteit te bereiken die anders ongrijpbaar is. Dit wordt versterkt door de gewoonte van Nelson om haar tekst aan elkaar te rijgen met cursieve verklaringen van andere schrijvers, bronnen die in de marges zijn vastgelegd. Het effect is muzikaal, polyfoon, een gesprek tussen meerdere deelnemers in plaats van een narcistische aria.’

Zo kan het natuurlijk ook: per paragraaf. En, waarom niet, denk ik daarbij, per alinea; zelfs per zin, lach niet: er bestaat wel degelijk twitterature en er is ook de monostich. Tal van experimenten dienen zich aan. Wat dacht u bijvoorbeeld van deze monoku van Jim Kacian (een haiku, maar dan een met slechts één regel, zonder punt op ‘t einde.): i hope i'm right where the river ice ends  (Ja, hopen we dat niet allemaal?)
Flor Vandekerckhove

Maggie Nelson – De Argonauten. Vertaald door Nicolette Hoekmeijer. 2015. Uitgeverij Atlas /Contact. 186 blz.

maandag 24 februari 2020

Bijna historische foto

Bijna een jaar nadat ik in De Laatste Vuurtorenwachter een eerste ‘folkfoto’ publiceerde, vindt Patrick Aernout een tweede beeld van dezelfde fotoshoot. Voor de volledige namenlijst verwijs ik naar het onderschrift van de eerste foto. De jongeman die extreem links staat, en waarop ik nu het nummer 23 kleef, vind ik op de eerst gepubliceerde foto niet weer. Op die eerste staat dan weer een nummer 3, een jongen die ik hier niet meer vind. Over dat nummer 3 was er destijds discussie: is dat Roland Major of Renaud Vermote? Hun kunnen we het niet meer vragen. En wie is 23? Maar kijk, inmiddels is ’t al opgelost. De 3 van de eerst gepubliceerde foto is zeker Roland Major, zegt Aernoudt me nu, die 3 piept op bovenstaande foto tussen Mong en Greet in, en de 23 van de tweede foto is Marc Gyselen.



De foto staat op de FB-pagina van Stefaan Margory. We zien cliënteel en toenmalige uitbaters van de legendarische bruine kroeg Folk, afkorting van Folk, Blues & Jazz House, Brabantstraat Oostende. Patrick Aernoudt laat ons weten dat de foto met zijn toestel gemaakt werd door een toevallige voorbijganger. Het beeld dateert van 1973. Leuk is wat Margory over het jaartal zegt: 'De 11 11 11 affiche aan de ruit is van de 1971 campagne. Tja, ben je niet veel mee hè: ware het niet dat het gebouw onder de sloophamer sneuvelde, betreffende affiche hing er nog.' Ja, dat is waar.
Over afzienbare tijd is de foto historisch: het gebouw werd vele jaren geleden al afgebroken en over pakweg twintig jaar is geen der betrokkenen nog in leven. Ik dacht: laat ons dit momentum vereeuwigen, ik nummer de figuren, en vraag aan iedereen om er de namen bij te plaatsen. Da's goed gelukt. Voortschrijdend inzicht en vereende krachten brengen ons tot dit eindresultaat: 1. Michel Casteleyn, zegt men, maar Philip Dockx weet zeker dat het Roel Van de Velde is; 2. Men zegt Bert Moenaert, maar Bennie Simoens herkent wel zichzelf onder dat nummer, dus: Bennie Simoens; 3. Roland Major, zegt men, maar Renaud Vermote meent er zichzelf in te herkennen; 4. Mieke Verhulst; 5. Annick Lingier; 6. Ronny Morlion, zo bevestigt me diens dochter Kate; 7. Patrick Rys; 8. Patrick Gyselen; 9. Ronny Deconinck, aka Keun, Jean-Pierre Boentges is er zeker van; 10. Mong Ruysschaert; 11. Greet Moerman; 12. Jean-Pierre Boentges; 13. Joris Roose dachten we eerst, maar Patrick Aernoudt houdt staande: 'Dat is Paul Vandecasteele, bassist Frecleface en lief van Greet op (11)'; 14. Philip Dockx; 15. Frank Lingier; 16 Maarten De Herdt; 17. Frank Zonnekeyn; 18. Frank Pauwels, wat evenwel resoluut tegengesproken wordt door Patrick Aernoudt die met gezag mag spreken, want de foto is met Aernoudts toestel gemaakt; 19. Dominiek Vervaecke; 20 Dit is zeker ‘Toine’ Allary, zegt Renaud Vermote, en als gezagsargument voegt hij eraan toe dat hij verre familie van Antoine is; 21. Patrick Aernoudt; 22. Patrick Laforce.  
[Terwijl we toch bezig zijn: wie is in staat om me een lijstje van de opeenvolgende uitbaters te bezorgen, gekoppeld aan jaartallen waarop ze de Folk uitbaatten? Volgens mij startend met Françoise
, zelf denk ik vanaf 1969, vlak nadat de Chèvre folle gesloten werd, over Luc Couck, daarna Maarten De Herdt & Raymond Russchaert en eindigend met Willy Pozzolo. (Vergeet ik er?) Heeft iemand foto’s van het interieur? Heeft iemand een foto van de iconische geit die eerst buiten aan de gevel van de Chèvre Follehing en later binnen in de Folk in een nis stond? ]
Misschien is dit ook wel de geschikte gelegenheid om onderstaand filmpje te plaatsen, een poëtisch antwoord op het nostalgische Oostende bonsoir van Arno.

https://www.youtube.com/watch?v=23K6A6vOnWY

Het gedicht staat in de bundel 'De man die sneller schijt dan zijn schaduw'. 
De bundel (e-boek, PDF) is gratis voor wie erom vraagt.

Mail naar liefkemores@telenet.be.

zaterdag 22 februari 2020

Minor writer vindt lezer in Vuurtorenwijk


— Stefaan Pennynck en Flor Vandekerckhove in de O.666, Oostende. (Foto Eric Stuckmann) —

Vlak na de jaarwisseling publiceer ik een dichtbundel (°) en kort daarna word ik erover geïnterviewd. (°°) Zou ik ook schrijven, vraagt Marc Loy me, mocht niemand me lezen, fenomeen dat Victor Serge schrijven voor de bureaulade noemt. Ik denk wel dat ik dat zou doen, ja, maar het resultaat zou onaf werk blijven; in de kast zou het nooit geschaafd en geslepen worden, wat wel gebeurt als je het op de wereld loslaat. Bovendien zou het onaf blijven omdat het geschrevene nooit af is als niet minstens één lezer er zijn ding aan toevoegt. Dat geldt trouwens voor alle vormen van kunst, ook een beeldhouwwerk is pas af wanneer het gezien wordt.

Voor een minor writer als ik kan dat al eens een probleem zijn. (°°°) In mijn poëtica stel ik nuchter: Niemand is in die verhalen geïnteresseerd, en in die gedichten zo mogelijks nog minder, niemand leest ze. Je publiek bestaat nauwelijks en onder critici is het zelfs onbestaande. Veel van wat ik schrijf blijft daardoor onaf.

Een enkele keer gebeurt het dan toch.

Daar kan ik een mooi voorbeeld van geven. Stefaan Pennynck leest de bundel. (°°°°) Over het titelgedicht schrijft hij: De sympathie voor de kleine man komt in De man die sneller schijt dan zijn schaduw tot uiting in het afzetten van de knecht van James Ensor (Guustje) tegenover Karl Lagerfeld, waarbij de rol van het masker ons ook meteen tot het werk van Ensor zelf brengt, en tot de maskerade die de wereld voor de dichter is.

Ik besef al schrijvend zelf wel dat het gedicht over de maatschappelijke maskerade gaat, thematiek die ook Ensor erg inspireert. Wat me naar de entourage van James Ensor leidt: Guustje, winkel, maskers. Wat ik tijdens het schrijven níet besef is dat de verplaatsing van Lagerfeld naar Guustje mijn sympathie voor de kleine man uitdrukt. Het is lezer Pennynck die me daar creatief op wijst, en wel door een poep-equivalent bij Ensor bloot te leggen: Belgique en 1889: Alimentation doctrinaire. (°°°°°) Op de gravure zien we vijf figuren poepen, schijten dus. Centraal zit koning Leopold II, aan zijn rechterkant een gendarme en een parlementslid, links een bisschop en een pastoor. En dan merkt Pennynck op dat het proletarische Guustje in mijn gedicht al deze door Ensor alzo getypeerde elitaire muilentrekkers blijkt te overtreffen: hij schijt sneller dan zijn schaduw! Waardoor ik inderdaad, onbewust maar gezien mijn militante verleden ook niet erg verwonderlijk, sympathie voor de kleine man uitdruk. Scherp gezien van lezer Pennynck en het gedicht is alzo veel meer waard geworden dan het was toen ik er een punt achter zette. Eindelijk een lezer!


(°) Flor Vandekerckhove. De man die sneller schijt dan zijn schaduw en andere gedichten. e-boek. 82 pp. Uitg. De Lachende Visch Bredene. 2020. Het boekje wordt gratis verspreid, u kunt erom mailen: liefkemores@telenet.be

(°°) Marc Loy interviewt Flor Vandekerckhove. ‘Flor Vandekerckhove is sinds 1988 literair aan de slag’, met als quote: ‘Ik schrijf elke dag, dat maakt me gelukkig. In De Zeewacht dd. 7 februari 2020.

(°°°) Er bestaat een boek van een minor writer dat de problematiek behandelt. Gail Gilliland. Being a Minor Writer (1994) University of Iowa Press- 262 pp. Ik heb het niet gelezen, maar vermeld het toch, zodat ik het kan opsporen, mocht ik alsnog de intentie hebben om dat te doen. T.S. Eliot heeft een interessant essay over de ‘minor poet’ geschreven. T.S. Eliot. what is minor poetry. In The Sewanee Review. Vol. 54, No. 1 (Jan. - Mar., 1946), pp. 1-18. Uitg. The Johns Hopkins University Press. Via Jstor kun je het gratis lezen op ‘t net.

(°°°°) Stefaan Pennynck: De man die sneller schijt dan zijn schaduw, een essay. 22 januari 2019. 

(°°°°°) Xavier Tricot: Doctrinal Nourishment by James Ensor↗︎. In James Ensor. An online museum. Dirk Beirens stuurt me daarbij een interessante opmerking: "Inzake de Ensor-ets 'Doctrinaire voeding' dacht ik vroeger ook dat er 'op het volk gescheten werd', maar dat klopt niet ... het zijn de AANHANGERS van de vijfledige machten die met graagte het schijt oppeuzelen. Ze worden doctrinair gevoed zoals alle kritiekloze volgers van vergif spuiende machthebbers vroeger en nu.”

donderdag 20 februari 2020

Een blik in de kelders van De Laatste Vuurtorenwachter

— De filmaffiche van 30 miljoen kilometer van de aarde (links) was uitermate geschikt als cover voor de poëziebundel (rechts.) —

Heden neem ik u mee naar een pijler van mijn ongelezen oeuvre. We bezoeken het bureau Reclame Is Onze Enige Kwaliteit. De kantoren bevinden zich in de Laatste Vuurtorenkelders. De reclamejongens en -meisjes van Reclame Is Onze Enige Kwaliteit zitten daar op een welhaast onmetelijk archief van posters, billboards, bierkaartjes en folders, waaruit ze maar te kiezen hebben om mijn oeuvre de bekendheid te bezorgen die het, weliswaar alleen maar volgens mij, verdient. Een voorbeeld. Zoals u bovenaan dit stukje ziet, blijkt een kleine aanpassing van een filmaffiche uitermate geschikt als omslagbeeld van de dichtbundel De man die sneller schijt dan zijn schaduw. (°) 
Afronden doe ik, zoals steeds, met een ethische kwestie. Is het fatsoenlijk om het artwork van overleden reclamemakers voor zo’n doel te gebruiken? Ik leg de vraag voor aan het kelderteam, dat me als uit één mond antwoordt: ‘Wij kennen niets van ethiek, reclame is onze enige kwaliteit!’ Ze hebben hun naam niet gestolen, de olijkerds.


(°)

— De Weggeefwinkel van De Laatste Vuurtoren beheerst perfect de e-commerce. Vandaag besteld, vandaag geleverd! Doe de test en bestel nu de gratis dichtbundel. Mail naar liefkemores@telenet.be, en ge zult het zien. —

woensdag 19 februari 2020

De Laatste Vuurtorenwachter is een groep

— Map van de imaginaire gemeenschap van De Laatste Vuurtorenwachter. —

Ook om te benadrukken dat een dichter een groep is, trekt Peter Holvoet-Hanssen graag Jan en alleman binnen in zijn merkwaardige poëziewereld. Heb ik dat niet op overtuigende wijze aangetoond in Peter Holvoet-Hanssens Blauwboek is een reuzenomweg? Wel dan.
Op mijn eigen manier doe ik iets soortgelijks, ’t zelfde maar anders, want ik ben niet zo’n mensenvriend als Peter. Mijn groep is iets wat alleen maar in mijn verbeelding bestaat.
Halverwege De Laatste Vuurtorentrap heb ik plaats geruimd om daar de olijke uitgeversbende van De Lachende Visch (A op de tekening) onder te brengen en op de benedenverdieping treft De Laatste Vuurtorenbezoeker de immer bereidwillige juffrouwen van De Weggeefwinkel (B) aan. Zodoende heb ik productie en distributie op de meest efficiënte plaatsen gekazerneerd: op de begane grond zorgt het distributieteam ervoor dat de bezoekers geen trappen moeten doen; en dat ik de productie halverwege de vuurtorentrap onderbreng, is scherp gezien van mij, want de uitgevers navigeren voortdurend tussen mij, auteur-producent, en de winkelende literatuurconsument.
Er zijn er nog die deel uitmaken van de groep, zo blijkt uit bijgaande situatieschets. De zeldzame keren dat ik me in de analoge wereld begeef is dat in het gezelschap van De Laatste Pianoman (op de tekening links boven, C) en naar huis laat ik me voeren door De Laatste Roodharige Punkster (rechts boven, D). Maar dat zijn echte mensen, die tellen in dat schema niet echt mee.
Ook onder de grond heb ik imaginaire medewerkers (E). Over hen zal ik het in een apart stukje hebben, want ze zijn zeer belangrijk: mijn literaire oeuvre zou u nimmer bereiken ware er die onderaardsen niet.  Nu bereikt mijn oeuvre u evenmin, antwoordt u, en ook daarin hebt u gelijk.

Flor Vandekerckhove

maandag 17 februari 2020

De weg kwijt


Mijn vrouw was haastig uit de auto gesprongen en ik had haar nageroepen
Dat ik niet heel de tijd in die wagen zou zitten wachten maar dat ik in de buurt
Zou kuieren ook omdat daar een galerie was met grote ruiten via dewelke ik
Een wijle naar het recente oeuvre van Jan Deconynck zou kunnen kijken.

Daar ging ik dan ook meteen henen en daar zag ik niet alleen de tableaus
Van Deconynck maar ook de Mystery Man die me wenkte als om me uit te
Nodigen om met hem mee te gaan wat ik niet deed want ik had geen zin in
Een freudiaans avontuur met de helden uit Lost Highway van David Lynch.

Ik stapte vlug verder met de bedoeling het blokje om te lopen en daarom ging
Ik op ‘t einde weer rechts in een andere straat met een naam die ik vergeten
Ben maar waarvan ik me wel herinner dat daaronder Westerkwartier
Stond en die me normaliter probleemloos terug naar de auto zou leiden.

Ik zag mannen die een huis aan ’t verbouwen waren en die had ik eerder ook
Al gezien en ik dacht daardoor dat ik op goede weg was tot ik bij hen kwam
En zag dat het andere mannen waren die een ander huis aan ’t opknappen
Waren en terwijl ik naar die werkzaamheden keek geraakte ik zowaar in

Paniek want ik herkende de tekenen waarmee de geheugenziekte van ouder
Wordende mannen aanvangt en in mijn paniek sloeg ik weer rechtsaf en weer
En weer en weer en op ’t einde van zo’n straat zag ik een kinderfietsje tegen
De gevel staan en dat tweewielertje bracht me gelukkig weer tot rust want

Het fietsje met van die heel kleine wieltjes was ongetwijfeld het kleinste model
Op de markt maar de ketting die het aan de gevel vastklonk was belachelijk
Groot waardoor ik besefte dat mijn paniek ongegrond was en ik niets te
Vrezen had omdat ik me gewoon in het mij vertrouwde surrealisme bevond.

Wat een blokje om had moeten worden in het Westerkwartier duurde ten slotte
Drie kwartier en toen ik eindelijk weer op de plaats kwam waar de auto moest
Staan zag ik dat mijn vrouw er alweer mee vandoor was gegaan en op die plek
Stond weer die Mystery Man die wéér wilde dat ik met hem mee zou gaan.