dinsdag 20 augustus 2019

De boekenkast van Jeff Tweedy

De Amerikaanse rocker Jeff Tweedy begin ik nu toch wel een beetje te kennen. In de blog is hij hier en daar al zijdelings ter sprake gekomen, in stukjes waarin ik ook Walt Whitman, Woody Guthrie, Bob Dylan, Billy Bragg en zelfs Hugo Claus’ nichtje laat aandraven. Meer: ik heb Jeff Tweedy, en zijn groep Wilco, al twee keer in levende lijve zien optreden, zoals dit jaar nog in de AB.
Aan dat laatste heb ikzelf geen verdienste; al wat ik moet doen is mijn vriendin vergezellen. Zij zorgt niet alleen voor de tickets, ze schaft zich daar ook een T-shirt aan en een boek waarin deze Tweedy ons zijn leven vertelt.
’t Is over die memoires dat ik hier iets kwijt wil. (°)
Vooraf dit. De kaft, de papiersoort en -tint, de druk, het lettertype, de bladschikking, de interlinie … Alles zorgt ervoor dat dit boek een tactiel genoegen is. Ik zeg dat met nadruk omdat ik van mening ben dat uitgevers zich vandaag ter zake weinig inspannen. Is dat tactiele genoegen niet een van de weinig resterende pluspunten die het papieren boekbedrijf in deze digitale tijden aanbrengt? Wel dan, dames & heren uitgevers, u kunt beter! (Maar niet beter dan wat Penguin hier doet.)
Ik vermoed dat Tweedy daar zelf voor iets tussen zit, want hij is hetzelfde soort boekenmens als ik. Ook dit delen we: ‘Ik denk dat het even inspirerend kan zijn om in te beelden waarover het boek gaat. Ik kan het openbreken en een tweetal zinnen lezen om de taal te proeven, maar ik heb niet altijd een bredere context nodig. Ik vind het niet nodig om ze van het begin tot ’t einde te lezen. Mijn verwantschap ermee is meestal mijn verbeelding van hun potentie. (…)’  Ik herken daar de broederschap van de barbaren in, maar inmiddels weet ik dat het ook bij lieden van de highbrow voorkomt, dat heeft Lydia Davis me in Een andere manier van lezen geleerd. 
Bij Jeff Tweedy vinden zo’n zinnen soms hun weg naar zijn songs. Hij haalt in zijn boek concrete inspiratiebronnen aan: William H. Gass en Henry Miller. De passage waarin hij over die schrijvers spreekt, is interessant, want ze verheldert de manier waarop zijn songteksten tot stand komen.
Ik heb nog iets met Jeff Tweedy gemeen: ‘Ik vermoed dat bijna iedereen die beweert Finnegans Wake te hebben gelezen een leugenaar is, maar het is zeker een leuk boek om met je mee te dragen, alleen al omwille van het gewicht in je handen. ‘t Is een krachtig ding om aan je vingertoppen toegang James Joyces geest te hebben. Ik heb niet alles nodig. Het is al spannend genoeg om het op een willekeurige bladzijde open te slaan, daar een gekke lange zin te vinden en te zien welke betekenis je daaraan kunt geven.’  Godver ja, dat is zó wáár! Waarom heb ik anders van Finnegans Wake een integraal Engels exemplaar staan, naast een verkorte Engelse en een integrale Nederlandse vertaling? Al twintig jaar haal ik deze of gene Wake uit de kast om er even van te proeven. Deugd dat dat doet, ge hebt daar geen gedacht van!
Flor Vandekerckhove

(°) Jeff Tweedy. Let’s go (so we can get back) A memoir of recording and discording with Wilco, etc. 2018. NewYork. Uitg. Dutton, An Imprint of Penguin Random House LLC. 293 pp.

Geen opmerkingen: