donderdag 1 november 2018

’t Kan wreed waaien op de kaaien (7)

Curator — Heel de bemanning wordt weggekocht, de stuurman trekt naar hier, de motorist naar daar, de scheepsjongen naar ginder, een matroos vindt links vaart en een andere rechts. Het schip blijft liggen. Dat is erg, want dat is roestend kapitaal, dat is een lening die niet afgelost wordt, dat is de bank die meedeelt dat het vaartuig aan de ketting gelegd zal worden. Dat is een schipper die aan de drank gaat. Zo’n vaartuig dat aan de kant blijft liggen, dat is ook een curator die met het faillissement van de rederij belast wordt en er met de redersvrouw vandoor gaat.


Boevenwagen — De rederij had niemand gevonden die Pincket wilde vervangen. Die was overboord gegaan en werd sindsdien vermist. Daardoor lag het vaartuig tegen de kaai. Omdat een schip moet varen werd koortsachtig naar een oplossing gezocht en die werd ook gevonden.
Het gebeurde in de jaren zestig wel meer dat veroordeelde vissers daarvoor uit de cel gehaald werden. Op de kaai stopte dan ook een boevenwagen die de ontbrekende matroos vanuit de gevangenis naar ’t schip bracht. De ploeg was nu compleet. Eindelijk kon het schip zee kiezen. En toen we weer naar huis kwamen stond die boevenwagen er al weer.


Kruwer — Een onverklaarbare tristesse daalde over me neer. ’t Moet zijn dat het me aan te zien was, want de waardin zei: ‘Ach, we hebben het allemaal meegemaakt. ’t Komt doordat je de eeuwige kruwer ontmoet hebt.’ 
Ik protesteerde‘Het was een meisje’. Daar moest ze hard om lachen. ‘Soms een kraai, soms een man, soms een oude vrouw, soms een meisje’ zei de waardin, ‘maar altijd leiden ze je naar de dieperik.’ Het meisje had me inderdaad geleid en ik was gevolgd. Ze had een val gezet. Ik besefte dat ik, net als iedereen in dat visserscafé, reddeloos verloren was.


[Bovenstaande verhalen vinden hun oorsprong in ‘vissersverhalen’ die ik in 2015-16 geschreven heb. Die schenken me geen voldoening meer. Al lang zoek ik naar een manier om ze te herschrijven. Die manier heb ik nu gevonden in wat in ’t Engels a drabble heet, een verhaal van exact honderd woorden, niet meer, niet minder.]

woensdag 31 oktober 2018

Waarom plaats ik hier leesnotities als u die toch niet leest

Minst bekeken in deze blog zijn stukjes die het over woorden hebben die me elders opvallen, beklijvende passages in een boek, merkwaardige plotwendingen … Ik verzamel ze onder het weinig wervende lemma leesnotities. Vroeger deed ik dat in schriften, maar in de blog kan ik ze gemakkelijker weervinden. Aan die leesnotities hebt u niet veel, dat begrijp ik wel, maar voor mij zijn het hebbedingetjes.
Momenteel lees ik Het voyeurshotel (°), een proeve van New Journalism. Ik hou wel van het genre, maar niet van dit boek. Toch is het een leesnotitie waard. De voyeur bespiedt een triootje, de auteur beschrijft het seksspel van die drie en vlak daarna staat: ‘Ze lagen nog een poosje ontspannen met zijn drieën op het bed en praatten over de verkoop van stofzuigers.’ Wat een formulering! Tussen het naspel en die stofzuigers staat zelfs geen punt. Sterk! Zoiets verdient een leesnotitie.
Ik hou van journalistiek die leest als een roman, maar ook van het omgekeerde: een roman die leest als verslaggeving.
Zo’n ervaring bezorgt Goldberg (°°) van Bert Natter me. Minstens honderd bladzijden lang denk ik: die Natter heeft dat allemaal zelf beleefd, dat kan niet anders.
Pas op pagina 135 slaat de twijfel toe: ‘Bij een bank wissel ik Nederlandse nieuwe guldens voor Saksische talers.’ Ha, denk ik eerst nog onachtzaam, het gebeurt vóór ’t bestaan van de euro. Maar op bladzijde 165 ontkurkt hij een fles wijn uit 2017. In een boek dat in 2015 verschijnt valt dat zelfs een slordige lezer als ik op. Het duurt nog tot pagina 264 voor ik te weten kom dat het verhaal zich in 2020 afspeelt: pure fictie, verzinsel, een leugenachtige vertelling.
Hoe het met die nieuwe guldens van bladzijde 135 zit kom ik pas op pagina 311 te weten: ‘Tijdens een of ander actualiteitenprogramma had ik een paar jaar geleden mijn licht mogen laten schijnen over de toestanden in voormalig Duitsland, het losmaken van de Friezen, de deling van België en Spanje, de terugkeer van gulden, frank, mark en talloze andere idiote valuta, grenscontroles, oorlogsdreiging, de algemene teloorgang van de Europese Unie, het uiteenvallen van Europa (…)’ Dat Bert Natter zoiets pas in ’t midden van zijn boek kenbaar maakt, en niet in de eerste bladzijden waardoor de fictie me meteen duidelijk was geweest, da’s een staaltje van vakmanschap dat ik wil onthouden: leesnotitie.
Flor Vandekerckhove

(°) Gay Talese. Het voyeursmotel. Vertaald door Jan Sietsma en Hennie Volkers. 2016. Lebowski Publishers, Amsterdam. 208 blz. 
(°°) Bert Natter. Goldberg. 2015 Uitgeverij Thomas Rap. 629 blz.

dinsdag 30 oktober 2018

Familiegeheimen

Hubert — Margriete laat haar kinderen achter en trekt naar Brussel. Niemand kan me zeggen waarom. Haar moeder krijgt de zorg over Margrietes nageslacht. De dochter, Christine, komt uiteindelijk in een instelling terecht en eindigt haar leven ergens in Eeklo, in een project van begeleid wonen. Margrietes zoon, Hubert, gaat, zoals veel Vandekerckhoves, in Frankrijk in de bieten werken. Daar leert hij een Frans meisje kennen. Hij brengt haar mee naar Oudenburg, waar ze een café opent. Hubert, die sigaretten smokkelt, trekt uiteindelijk weer de grens over, nu op de vlucht voor het gerecht. Hij verdwijnt en laat de Française hier achter.

DorsenIn onze straat bevond zich het woonerf van boer Jerome Lagast. Jaarlijks werd daar graan gedorst (koren, gierst of rogge, daar wil ik vanaf zijn). Voor ons, kinderen, was dat een grote gebeurtenis, want op het erf van Lagast stond dan een grote landbouwmachine die met veel lawaai zijn ding deed. Overal stro. ’t Was een uniek moment van tewerkstelling, want er kwam ook handwerk aan te pas. Nonkel Camiel was daar dan dagloner. Over hem wist mijn moeder te vertellen dat hij altijd de laatste was om aan ’t werk te gaan en de eerste om ermee te stoppen.

Clementine — Uit de Franse bietenstreek brengt Hubert Vandekerckhove zijn Clementine mee naar België, waardoor die Clementine verre aangetrouwde familie van me wordt. Hubert en Clementine heb ik nooit gekend, maar van Georgette weet ik dat ze vlakbij de steenbakker van Oudenburg een café uitbaatten. Dat is niet blijven duren. Hubert, die sigaretten pleegt te smokkelen, moet de vlucht naar Frankrijk nemen. Waarna de familie nooit nog iets van hem verneemt. Na enige tijd vertrekt ook Clementine, terug naar haar vaderland. Ze leert een man kennen die bij haar intrekt. Op een dag vindt ze hem op de zolder aan een koord.

Drenkeling — Georgette is een oude achter-achter-achternicht van mij. Ze verblijft hier ferm tegen haar goesting in ’t woonzorgcentrum. Ik probeer in extremis nog enkele familieverhalen uit haar te halen, zoals deze. Een van haar nonkels — ze herinnert zich zijn naam niet goed, ze denkt Camiel — is verdronken. Dat gebeurt tussen Gistel en Snaaskerke, waar hij van een brug gesmeten wordt. De jonge Camiel had zijn oog op een meisje laten vallen, wat door andere jongemannen niet gewaardeerd werd. Ze wilden hem een lesje leren en wachtten hem op aan die brug. Wat dat meisje daarvan vond is niet meer te achterhalen.

Zestien — Om te vieren dat ik juist zestien geworden was ging ik een glas drinken bij Trio’s. Aan de toog stond mijn nonkel te ouwehoeren. Ik ging naast hem staan. Hij was verwonderd me daar te zien. Ik zei naar waarheid: ‘Ik ben hier nog nooit geweest’. Daar moest hij schamper om lachen. ‘Hoe oud ben je nu?’ vroeg hij. Ik zei: ‘Zestien.’ Ik zag de spot in zijn ogen toen hij me vroeg: ‘Wat heb je nu eigenlijk al gedaan in je leven?’ Ik boog het hoofd, want ik wist dat hij gelijk had. Alreeds zestien en nog niets gedaan.

[Een drabble is altijd honderd woorden lang, niet 99, niet 101, exact honderd, titel niet inbegrepen. Een drabble is bijgevolg een extreem kort handpalmverhaal dat aan die strenge honderd woorden regel voldoet. (Flor Vandekerckhove)]


zondag 28 oktober 2018

België voelbaar aanwezig in Frans bergdorp


Men zegt dat je overal in Europa op Hollanders stoot. Dat is waar. Maar wie goed kijkt vindt alom ook tekenen van een sterke Belgische aanwezigheid.
De houtstapel links op bovenstaande fotomontage maakt me daar bewust van. Hij bevindt zich in het Franse bergdorpje Vabre. Onder de stapel staat een kist: EIGENDOM VISMIJN ZEEBRUGGE 1986. ’t Schijnt dat je zo'n viskisten overal in Europa aantreft, merkwaardig genoeg ook in bergstreken waar er in de verste verte geen zee te bekennen valt.
De hakker van dat hout bezit wel meer Belgische objecten. Op de middenfoto zit ik broederlijk naast hem, maar ’t is het schilderij boven de fauteuil dat uw aandacht trekt. Het werk verbeeldt een vrouwenfiguur die, als een Belgische leeuwin, vanaf de berg naar het dorp in het dal klauwt. U herkent meteen het Vlaamse neo-expressionisme. Trouwe lezers herkennen zelfs de hand van de maker ervan, Luc Martinsen, waarover De Laatste Vuurtorenwachter zo nu en dan een stukje schrijft.
Ook lijfelijk kent Vabre een sterke Belgische aanwezigheid, bijvoorbeeld in de figuur van Jules van camping Le Roussy. Dat het een Belgische uitbater betreft verraadt de wegwijzer al, rechts in de fotomontage. In de lente ga ik daar eens frieten eten, wat ongetwijfeld zal resulteren in nieuwe verhalen over Vabre, en ware ’t niet dat het zo melig klinkt dan zou ik nu afronden met: waar Belgen thuis zijn.

Flor Vandekerckhove

vrijdag 26 oktober 2018

Vijf tips om in Vlaanderen een klein Trumpje te worden


Instructie  Achteraan zitten de malcontenten. Altijd. De plaatsen achteraan, dat zijn altijd broeihaarden van verzet. Altijd. Kijk ernaar. U maakt iets mee daar achteraan. U moet dat goed in de gaten houden, daar achteraan. Dat is daar niet stil te krijgen. Dat schorem luistert niet eens, dat zit daar maar te grijnzen en cynisch te wezen. Die daar achteraan, die houden een glas vast en vallen op door extreem baldadig wangedrag. Juist die troep, daar achteraan, dat zootje, dat wordt de basis van uw nieuwe meerderheid, daar moet u mee leren werken. Ga er dus meteen tussen zitten. Doe eraan mee!

Details — Let vooral goed op de details. Klein, maar belangrijk. Op het dashboard van uw wagen hebt u een krant liggen. Niet zomaar een krant, maar Le Monde. Denk maar niet dat ze dat niet opmerken!  Ze zien u aankomen met uw wagen of ze zien u ermee parkeren of ze zien hem daar staan, uw wagen, midden op het plein, recht tegenover de zaal, vlak onder het licht van die ene lantaarn. Godver, zeggen ze, da’s iemand die Le Monde leest. Het is een detail, maar niet onbelangrijk.  Die leest Le Monde, denken ze, en ze worden met vrees overvallen.

Woordkramer — Beheers het woord! Uw woorden moeten gevreesd worden, bewonderd, gehaat, verguisd, opgehemeld, genoteerd, bewaard, doorgegeven en overgenomen. Uw woorden moeten gedragen worden, van de ene vergadering naar de andere. Op den duur zult u ze ergens weer tegenkomen, uw eigen woorden, uw bloedeigen woorden. U zult ze uit de bek van anderen horen komen. Dan zijn ze niet vruchteloos geweest, die woorden van u, neen dat zijn ze niet. Niemand zal er nog iets aan toevoegen, niemand zal iets vertellen wat u niet wist. Rest u alleen nog goedkeurend te knikken als u iemand anders uw eigen woorden hoort uitspreken.

Spaander ­— U hebt hen zopas weer eens de volle laag gegeven. Allemaal. Keihard! Ze hebben gesidderd en ze sidderden nog steeds. Spaar nooit iemand. Gebruik doorslaande argumenten. Noem de dingen bij hun naam. Een kat een kat. Zodra u uitgesproken bent, gaat u weer zitten. U luistert al niet meer. U weet immers wat er gaat komen. U kent het vervolg. U kent ze immers, uw tegenstrevers. U kent ze allemaal, stuk voor stuk. Samen vormen ze het apparaat. Laat het apparaat nooit aan de praat. Luister nooit naar argumenten. Nooit! Geef nooit een spaander toe. Nooit, zeg ik u, nooit!

Poppen — Gaan we met de bus of met de trein? Onbelangrijk probleem? Zij zeggen trein. Dan zegt u bus! Zeker weten!  Niet twijfelen. Maar stel dat ze de bus verkiezen, dan wordt het trein! En er wordt samen gereisd. Geen compromis.  Nooit. U beslist. Stel, gewoon voor de vorm, dat u zegt: ‘Laat ons niet bekvechten over treinen en bussen, voor mij is het eigenlijk allemaal om het even.’ Stel! Dan zou dat hun overwinning geworden zijn. De poppen gaan opeens aan het dansen, zoals dat heet. En de volgende vergadering is het zover.  Pats!  Dan krijgt u de volle laag.


[Naar de inhoud zijn bovenstaande stukjes aforismen, korte, bondige uitspraken. Aforismen zijn vaak grappig, paradoxaal en/of absurd en bevatten vaak een boodschap van wijsheid. U hebt begrepen dat het in dit geval pseudowijsheden betreft. Bovenstaande aforismen zijn ook iets langer dan we ze thans gewoon zijn (dat was ooit wel anders hoor), en dat komt doordat ze qua vorm drabbles zijn, dus exact 100 woorden lang.  (Flor Vandekerckhove)]

woensdag 24 oktober 2018

Erger dan een café zonder bier

Het Franse bergdorp Vabre. Bovenaan, tegen de bergwand, staan vijf huisjes: de Rue du Pénèry. 
Inzet links beneden: de inmiddels gesloten bar-tabac Café du Pont. (Eigen foto)



Begin 1992 eigen ik me in het Franse bergdorpje Vabre een bouwval toe. Ramen noch deuren. Geen plafonds, geen vloeren. Er groeit een struik uit de muur. De straat heet Pénèry, Occitaans voor Pénurie, in ’t Nederlands Schaarste. Zeer toepasselijk, in 1992 sta ik me in die Schaarstestraat af te vragen hoe ik met mijn schaarse middelen zo'n ruïne bewoonbaar kan maken. Daar vind ik niet meteen een antwoord op en daardoor sta ik er nog als de duisternis me plotsklaps overvalt.
Wat me tegelijk ook overvalt is het besef dat ik zonder tabak zit. Ik daal de berg af en schrijd voor het eerst de bar-tabac binnen, het Café du Pont. Onder het nuttigen van een petit café noir constateer ik tevreden dat de zaak me aan mijn roltabak kan helpen. Dat is dus in 1992.
Inmiddels hebben de uitbaters het dorp verlaten, Café du Pont is gesloten. De gevolgen zijn groot: alleen een bar-tabac mag in Frankrijk rookwaar verkopen. In het enig resterende café: geen tabak! Bij de kruidenier: geen tabak! In de krantenwinkel: geen tabak! Nergens nicotine! Ook niet onder de toog, wat voor Vlamingen erg moeilijk te begrijpen is.
Ik zou het me niet moeten aantrekken, ik ben inmiddels van de tabak af. Maar toch. Stel dat ik in 1992 van die berg kom en beneden moet bestatigen dat niemand me aan tabak kan helpen. Dan moet ik in ’t pikkedonker vijftien kilometer ver rijden, naar een plek waar ze wél een café-tabac hebben. Langs onverlichte wegen! En ge kent de streek niet. En die weg loopt langs ravijnen, kolkende rivieren, barrages, bergen, dalen, smalle bruggetjes, haarspeldbochten, ronddwalende everzwijnen, weerwolven, kollen, kobolten en poliepen die neervallen als kometen, gezeten op de rug van een raaf. En dan opeens zit hij daar, vlak achter zo’n scherpe bocht, de duivel wiens kont is gelikt en die zich nu tegoed doet aan het vlees van verkoolde kinderen. Boudewijn de Groot maakt daar nog meer indringende woorden aan vuil, maar ook die leiden naar een en dezelfde conclusie: elk Frans dorp heeft een eigen bar-tabac nodig!
Flor Vandekerckhove

maandag 22 oktober 2018

Jeugd, de toekomst lacht u toe


HET REGISTER TER rechterzijde van deze blog bevat het label Vabre. Wie het aantikt wordt naar tientallen posten geleid. Ik vertel graag over dat bergdorpje in de Languedoc. In maart publiceerde ik in die reeks een stukje over twee ferme vrouwmensen, Christine en Florence, steunpilaren van de plaatselijke gemeenschap. Op ’t einde maakte ik een belofte: Over Vanessa, de jonge coiffeuse, ga ik het een volgende keer hebben.’
Van Vanessa weet ik dat ze een piercing heeft. Ook weet ik dat ze jong & dynamisch is en actief in de plaatselijke middenstandsbond. In de bingo heeft ze een Amerikaanse koelkast gewonnen en ze runt een eigen kapperszaak. Ik ben een van haar klanten. Ze is single.
Over haar seksuele voorkeuren weet ik niets, het is niet omdat ze me knipt dat we intiem zijn. Waarom begin ik er dan over? Wel, ik wil iets terugdoen voor de geneugten die het dorp me al zoveel jaren bezorgt. Ik wil de gestage commerciële neergang van Vabre een halt toeroepen. Vandaar een oproep.
Mochten er jonge lezers zijn (m/v/x) die een amoureuze verbintenis nastreven en 't elders zo’n beetje uitgekeken zijn, raad ik hun aan om eens in de kapperszaak van Vanessa binnen te wippen, ze lijkt me een goede partij te zijn. 
— De Laatste Vuurtorenwachter wil de gestage
demografische neergang van Vabre een halt toeroepen. —
Allemaal goed & wel, zegt ge, maar wat moet een mens daar hele dagen doen, terwijl Vanessa andere mensen aan ’t knippen is? Wel, ook wat dat betreft weet ik raad.
Vier huizen verder, in dezelfde straat, bevindt zich de krantenwinkel. Die is over te nemen, de uitbaters gaan met pensioen. Zou dat niets voor u zijn? De zaak is ook bekend voor zijn plastiek bloemen en 't ook een filiaal van Phildar: Vanessa, gazetten, fikfak, blommen, sjette… Dat kan niet misgaan.
Een alternatief voor de krantenwinkel biedt de leegstaande bar-tabac, Café Du Pont, maar daarover schrijf ik straks een apart stukje. Eerst eten.

zaterdag 20 oktober 2018

Vrouwen in opmars in weerwolvengemeenschap

Ze zullen katers hebben
en geruïneerde nagels.’



Vlak voor ik, met de winter in zicht, naar mijn Franse koterij trok om er de watertoevoer af te sluiten, nam ik hier een gedicht met me mee: een splinternieuw poëem van de Canadese Margaret Atwood. U kent haar van A Handmaid’s Tale dat op haar boek gebaseerd is. Ze schrijft ook mooie poëzie.
Daarna geschiedde dit. In een gebergte van de Languedoc ontstopte ik met veel moeite de dakgoot, doordrenkte het hout in de woonkamer tegen de vervaarlijk oprukkende houtwormpopulatie en isoleerde de randen van de slaapkamermuren, zodat de op de zolder residerende slangenfamilie Couleuvre niet langer aan mijn tenen komt kietelen.
Alsof dat nog niet genoeg was, zette ik me tijdens nachtelijke, televisieloze uren aan het werk om onderstaand weerwolvengedicht te vertalen. Dat was geen kattenpis, want bij gebrek aan internet moest ik het met enkele vergeelde Prismawoordenboekjes uit de jaren zestig doen en met een nog oudere Petit Larousse Illustré die ook al geen hulp bleek te zijn. Maar kijk, dit is wat ik, als een soort Mozes, van de berg meegebracht heb.
Ik ben er zeker van dat u aan onderstaande vertaling indrukwekkende verbeteringen kunt aanbrengen. En nu ik weer over Google Translation beschik kan ik dat misschien zelf ook. Maar omdat ik, over mijn verblijf aldaar, nog tal van avonturen te vertellen heb, reken ik in eerste instantie op uw gewaardeerde bijdrage. Want: Eendracht maakt Macht! en United We Stand! en Samen Sterk! en Twee Kunnen Meer Dan één! en Teamwork Is Our Motto! en Stel Niet Uit Tot Morgen Wat Ge Vandaag Kunt Doen! Vooral dat laatste.
Flor Vandekerckhove



vrijdag 19 oktober 2018

Oud-Zuid

DEZE MAAND leer ik drie steengoede schrijvers kennen, drie Nederlanders, en drie parels van boeken: Auke Hulst met Motel Songs, Onno Blom met Memoires van een biograaf en Robert Vuijsje met Alleen maar nette mensenOver dat laatste boek wil ik nu iets schrijven.
Alleen maar nette mensen opent met een bladzijde citaten vol lof, gesprokkeld uit besprekingen. En ik moet zeggen: ’t is allemaal waar, zelfs dit: ‘Alleen al de eerste drie pagina’s maken het de moeite waard dat u dit boek in huis haalt.’
Vuijsje schrijft over het milieu van intellectuele joden in Amsterdam, meer bepaald in de wijk Oud-Zuid. Voor mij is dat prettig lezen, ik heb daar nog gewoond, althans verbleven: ‘In Oud-Zuid lezen ze ingewikkelde boeken, rijden ze in kleinere Zweedse auto’s en zijn ze niet geobsedeerd door geld, maar door de meaning of life.’ Dat gold allemaal ook voor het gebouw waarin ik verbleef, daar huisde de kaderschool van de Vierde Internationale↗︎, het International Institute for Research and Education.
Daar kan ik leuke anekdotes over vertellen, zoals over die keer dat ik met mijn camionette van ’t vliegveld kwam, waar ik enkele Zuid-Amerikanen had opgepikt. Om hen te plezieren passeerde ik een wijk waar krakers de lakens uitdeelden. Had ik beter niet gedaan, mijn gezelschap dacht dat de revolutie uitgebroken was. Ik kon hen nauwelijks overtuigen om in de camionette te blijven zitten.
Dat er trotskisten waren zonder geld wist ik al uit mezelf, maar dat er ook waren die niet op een frank moesten kijken heb ik in die kaderschool geleerd. Zo kwam Ernest uit Parijs overgevlogen om in Amsterdam met Charles te overleggen. Vier uur later nam hij al een terugvlucht. In één dag over en weer naar Parijs, dat vroeg om enige welstand, Rayonair bestond nog niet. (Ook waar: bijna had hij ‘t vliegtuig gemist, omdat ik met zijn jonge lief een glas was gaan drinken in ’t café op de hoek; Ernest kon daar niet mee lachen.)
Charles was van Zwitserland en hij was zo te zien niet onbemiddeld, hij had een mooie old timer, Volvo — zei Vuijsje het al niet? Dat Charles met zo'n auto reed had ik nooit geweten, ware ’t niet dat hij in 't midden van Amsterdam in panne viel en me dringend nodig had om hem daar weg te helpen. U hebt moeite om het te geloven, maar ik heb hem wel degelijk uit de nood geholpen, ’t was iets met de Delco.
Heb ik u al gezegd dat ik ooit, om politieke en dus moeilijk uit te leggen redenen, een herscholing gevolgd heb en me sindsdien automecanicien mag noemen? Het bewijs, een getuigschrift waarop dat te lezen staat, ben ik spijtig genoeg verloren. ’t Is dan ook al lang geleden, zolang zelfs dat ik niet eens meer weet wat een Delco is.
Robert Vuijsje. Alleen maar nette mensen. Uitg. Nijgh & van Ditmar. 32ste druk. 2012. 288 pp.

zaterdag 13 oktober 2018

De fik erin (°)


Burning (°°) is de verfilming van het verhaal Verbrande schuren (1987) van Haruki Murakami. Een bespreking van de film vind je hier. De film is, vind ik, ook aan te prijzen als inleiding in het literaire oeuvre van Murakami.
Dat besefte ik toen ik een reisboek van Auke Hulst aan ’t lezen was. De Nederlandse reisschrijver trekt in een van de daarin gebundelde verhalen naar Tokio en hoopt daar meer inzicht te krijgen in het succes van Murakami. Daartoe bezoekt hij onder meer een boekhandel waarvan de uitbaatster getrouwd is met een Amerikaan. Steve Kott legt hem uit waarom Japanners zoveel aan Murakami’s boeken hebben: ‘Murakami, zei hij, schrijft al zijn hele carrière over ontwortelde mensen — freelancers en werklozen, vrijwel zonder vrienden en wars van familiebanden. Onjapanse individuën. “Traditioneel was dit een land waar trouw aan een werkgever absoluut was. Je werkte je hele leven voor één bedrijf, waar je stap voor stap door de rangen ging. Niet op basis van kwaliteit, maar op basis van anciënniteit. Maar dat is de laatste vijftien jaar onder druk komen te staan.” De staatschuld, het te lage geboortecijfer, de langdurige economische malaise, ze hadden geresulteerd in de opkomst van kortlopende contracten en schoolverlaters zonder baan. Zo sloten de romans steeds beter aan bij wat met name jonge Japanners ervoeren. Murakami was hun gids in de nieuwe werkelijkheid.’ (°°°) De film Burning situeert zich dan wel niet in Japan, wel in Zuid-Korea, maar het is daar, zo te zien, niet anders, of het zou moeten zijn dat het er nog erger is.
Flor Vandekerckhove


(°) Dit stukje verscheen, enigszins gewijzigd, ook in Snapshots. Tijschrift van de Vlaamse Filmpers.
(°°) Lee Chang-dong. Burning. Drama 148 minuten. 2018. Zuid-Korea. 
(°°°) Auke Hulst. Buitenwereld, binnenzee. De reis als verhaal, het verhaal als reis. 2014. Ambo Anthos A’dam. 152 pp.