dinsdag 12 maart 2013

De onzichtbare haak


De onzichtbare hand van de markt wordt in de piraterij
de onzichtbare haak.
Peter T. Leeson is een bekende Amerikaanse econoom met een apart gevoel voor humor en een grote interesse in piraten. Van dat laatste getuigt The Invisible Hook (*), een boek over de pirateneconomie. Van het eerste getuigt de opdracht in dat boek waarin hij zijn geliefde publiekelijk een huwelijksaanzoek overmaakt: ‘Ania, I love you; will you marry me?
Of Ania op ’s mans aanzoek ingegaan is weet ik niet. Wel weet ik dat Leeson een mooi, interessant en inspirerend werk afgeleverd heeft.
Leeson ziet in de pirateneconomie de theorie van Adam Smith (1723-1790) bevestigd. Die ijkte destijds de theorie van de ‘onzichtbare hand van de markt’ die de zaken naar behoren zou regelen.
Smith ging van twee vooronderstellingen uit. Ten eerste zoekt elke mens zijn profijt, de mens wordt gedreven door hebzucht. Ten tweede zouden mensen rationele wezens zijn die dat eigenbelang efficiënt nastreven, op de wijze die hun het minste kost.  Het is een theorie die na elke economische crisis veel vragen oproept, maar die desalniettemin in economen als Leeson verdedigers vindt.
Ook piraten worden door diezelfde zaken gedreven, zegt Leeson. Ook zij functioneren volgens de wetten van de onzichtbare hand. Omdat ’t piraten zijn, maakt Leeson, geïnspireerd door de fictieve piraat kapitein Haak, er een onzichtbare haak van.
De econoom ziet zijn theorie bevestigd in historische piratengemeenschappen. Die bestonden hier en daar aan land (Madagascar, Salé, New Providence…), maar toch vooral aan boord van schepen waarop vele tientallen (soms wel 300!) mannen het vele maanden met elkaar moesten uithouden.  Hoe slaagden die erin orde op zaken te houden?
Het is een terechte vraag, want dat waren jonge, bronstige mannen, bommen van testosteron, los van God en vaderland; outlaws, mannen die de wettelijkheid verlaten hadden en dus niet door de staat onder controle gehouden werden.
Het is bekend dat die gemeenschappen veel democratischer georganiseerd waren dan dat het geval was in de landen die de piraten achter zich gelaten hadden. Aan boord van het piratenschip was de macht gelijk verdeeld, wat schril afstak tegen de koopvaardij waar de kapitein over een dictatoriale macht beschikte. De piratengemeenschap was van een ongeziene vrijheid, de broederschap was oprecht en de eenheid sterk. Er was gelijk loon voor gelijk werk en er bestond een systeem van sociale zekerheid!
Een eenvoudige matroos aan boord van een piratenschip kon bovendien rijk worden. Leeson haalt een voorbeeld aan uit 1695. De vloot van kapitein Henry Every kaapt een schip met aan boord juwelen en edele metalen ter waarde van £ 600.000. Elk van de kapers kreeg 1.000 £, dat is evenveel als een regulier zeeman in de koopvaardij kreeg in… veertig jaar. Zo’n prijs werd uiteraard niet dagelijks veroverd, maar een uitzondering was dat evenmin.
Koopvaardijschepen waren streng hiërarchisch georganiseerd. Aan de top bevond zich de kapitein, daaronder de officieren, nog daaronder de gewone zeelui en helemaal onderaan de zwarte slaven. De kapitein werd door de reder aangesteld.  Hij had veelal een belang in het schip en zijn wil was wet.
Dat heeft een reden. Wie zal er op zee over het kapitaal van de reder waken? Dat is wat in de economie het ‘principal-agent problem’ genoemd wordt. Om dat probleem op te lossen stuurt de reder soms zijn zoon mee. Die waakt dan over het familiekapitaal. Of de reder maakt de kapitein tot een kleine deelgenoot. Die wordt dan mede-eigenaar en waakt over het schip alsof dat het zijne is. Het zijn economische tactieken die beletten dat de bemanning lichtzinnig met het kapitaal omspringt. Moet hieraan toegevoegd worden dat de almacht van de kapitein bron van veel misbruiken was?
De situatie van het piratenschip is anders. Hier is geen reder. Het schip is eigendom van al de piraten die het op zee veroverd hebben. Het ‘principal-agent problem’ bestaat hier niet.
Op het piratenschip wordt de kapitein ook door de eigenaars verkozen. Alleen zijn die eigenaars tegelijk matrozen. De eigenaars varen mee en kunnen de kapitein onderweg ook weer afzetten. Leeson haalt het voorbeeld aan van een schip dat tijdens dezelfde reis dertien keer van kapitein veranderde.
Maar waarom kiezen die matrozen dan een gezagvoerder? Ook dat valt licht te begrijpen. Het veroveren van een prooi vraagt om eenheid in bevel. Zowel het achtervolgen als het gevecht laat niet toe dat daar een democratische en dus tijdrovende discussie over gevoerd wordt. Er moet snel beslist worden. Dus kiezen de mannen iemand aan wie ze die taak delegeren.
De kapers wisten uiteraard ook dat zo’n kapiteinspositie aanleiding tot machtsmisbruik kan geven, want de meesten komen uit de koopvaardij. Ze komen uit een situatie die economen de ‘machtsparadox’ (‘the paradoxe of power’) noemen: wie controleert de controleurs? Die paradox werd in 1788 voor het eerst beschreven door James Madison, een van de stichters van de USA. Merkwaardig is dat de piraten er honderd jaar eerder al originele oplossingen voor bedacht hadden. Een van die oplossingen was hoger vermelde democratie: één man, één stem. Een andere was… de scheiding der machten.
Om de macht van de kapitein in te perken kozen de piraten een kwartiermeester die over hun belangen waakte. Hij zorgde voor de verdeling van eten & drank en hij waakte over de piratencode.
In tegenstelling tot wat daarover gedacht wordt verliep het piratenleven bijgevolg ordentelijk. En ze deden dat zonder gevangenissen, zonder rechtbanken, zonder politie…
Om te begrijpen hoe dat kon gebeuren, maakt Leeson een onderscheid tussen de begrippen ‘overheid’ en ‘bestuur’ (‘government’ en ‘governance’). De overheid is de staat, een macht die gebaseerd is op dwang.
Er zijn evenwel andere manieren om een gemeenschap te besturen. In tegenstelling tot de staat is ‘governance’ een vrijwillige overeenkomst. Dat gebeurt bijvoorbeeld in een flatgebouw waar de bewoners bepaalde afspraken maken waaraan elkeen zich te houden heeft. Op dezelfde manier maakten de piraten onderlinge overeenkomsten. Die beletten conflicten of ze schakelden bijkomende kosten uit die door slecht gedrag (bijvoorbeeld roken in de nabijheid van munitie) konden veroorzaakt worden. in de economie spreekt men over ‘negative externalities’.
Om dat alles te regelen werden er piratencodes opgesteld. Die werden door elke piraat goedgekeurd. Die consensus werd niet omwille van idealistische motieven nagestreefd, maar door wat economen de ‘Tiebout competition’ noemen: wanneer mensen ‘kunnen stemmen met hun voeten’ dan moet het bestuur erover waken dat de reglementen door iedereen gedragen worden, zoniet poetsen teveel mensen de plaat richting concurrentie.
Elk bestuur brengt kosten met zich mee. Ten eerste zijn er ‘decision making costs’. Hoe meer mensen er betrokken worden bij de beslissingen, hoe duurder die zijn. Het goedkoopste is één persoon die alles beslist.
Maar er zijn daarnaast nog andere kosten, ‘external costs’. Die worden gedragen door degenen die het niet eens zijn met de beslissing. Wanneer de dictator beslist om de toegelaten snelheid in de dorpskom van dertig km/uur naar 100 km/uur op te trekken, dan wegen die externe kosten bijzonder hoog, bijvoorbeeld voor alle ouders die een kind verliezen in een auto-ongeval. Beslissingen die in unanimiteit genomen worden zijn qua externe kosten daarentegen extreem laag, want ieders belang is daarin vervat.  Vandaar dat de piratenwetten in consensus genomen werden. Ze verzekerden iedereen van een gelijke verdeling van de buit.
Net zoals de hedendaagse merken dat doen, hechtten piraten veel belang aan het imago. Wie het logo van Mercedes ziet, denkt aan hoge kwaliteit. Mercedes doet dat niet voor de show. Bedoeling is de winst te vergroten. Ook de piratenvlag was er niet voor de show. De beruchte Jolly Roger, heeft krek dezelfde bedoeling als de vector van Mercedes.
Wanneer de piraten de doodskop hijsen, dan weten de bemanningen op de geviseerde schepen wat hun te wachten staat. Gevolg is dat de tegenstanders zich veelal zonder slag of stoot gewonnen geven. De buit wordt dan met een minimum aan kosten verworven. Bovendien wordt op die manier verhinderd dat het te kapen schip (en zijn lading) schade oploopt.
Sommige kapers gingen heel ver in hun imagebuilding. Dat is bijvoorbeeld het geval van Zwartbaard, wiens uitzicht niet weinig bijdroeg tot zijn imago van meedogenloze kaper.
En hoe zat het eigenlijk met de slaven? Op piratenschepen lag het aantal zwarte bemanningsleden doorgaans hoog, soms overtrof het de helft. Soms droegen die zwarten wapens, soms klommen ze op tot vooraanstaande posities. En dat alles in een maatschappij waarin slavernij de regel was. Waren piraten principiële tegenstanders van de slavernij? Geenszins.
De Jolly Roger, of de kracht van een logo.
Het hebben van een slaaf is economisch alleen maar interessant als je er de enige eigenaar van bent. Aangezien kapers allemaal eigenaar zijn, vervalt dat voordeel: de opbrengst van de slaaf moet verdeeld worden over heel de bemanning. Omgekeerd: één slaaf die de boel tegenwerkt kan de dood van heel de bemanning bewerkstelligen. Economisch is het dus veel interessanter om van de slaaf een vrije piraat te maken, iemand die zich ten volle inzet. En dat is dan ook wat in veel gevallen gebeurd is.
Leeson heeft zijn punt gemaakt: hebzucht werkt! De hebzucht van de piraten heeft naar progressieve instituties en praktijken geleid, bijvoorbeeld naar een grondwettelijke democratie, een systeem dat elders in de XVIIde en XVIIIde eeuw onbekend was.
Zelf leer ik uit dat boek dat het wel degelijk mogelijk is een samenleving te organiseren zonder kapitaalbezitters en zonder staat. En dat die samenleving veel democratischer kan zijn dan deze die we vandaag kennen.
Misschien past het wel dit stuk af te sluiten met het slotvers van The last Buccaneer, een gedicht van Charles Kingsley (1819-1875). De laatste boekanier denkt met weemoed aan zijn piratennest van weleer: And now I'm old and going I’m sure I can’t tell where; / One comfort is, this world’s so hard I can’t be worse off there: / If I might but be a sea-dove I’d fly across the main, / To the pleasant Isle of Avès, to look at it once again.
Flor Vandekerckhove

(*) Peter T. Leeson. The Invisible Hook. The Hidden Economics of Pirates. Princeton University Press. Princeton & London. 2009. 271 ps. ISBN 978-0-691-13747-6.
Een reactie plaatsen