dinsdag 27 februari 2018

Filosofie voor de gewone man


— Van links naar rechts: een Duits, een Frans en een Angelsaksisch toilet. Leert het verschil ons iets over de filosofische tradities? —

 De filosoof Slavoj Žižek is een intellectueel waarover zoveel te vertellen valt dat ik er niet eens aan begin. Laat het volstaan dat ik hier zijn bijnaam vermeld: de Elvis van de culturele theorie.
In onderstaand fragment, uit The Plague of Fantasies, draait hij voortdurend rond de pot. Ik ben zo vrij geweest om het stukje te vertalen, zodat je weet waarmee ik me tijdens deze vriesdagen onledig houd.

— Slavoj Žižek denkt na over toiletpotten. —
 ‘In een traditioneel Duits toilet bevindt het gat, waarin de stront na het doorspoelen verdwijnt, zich vooraan, zodat de stront eerst voor ons ligt om er aan te ruiken en hem op ziektesporen te onderzoeken. In het typische Franse toilet daarentegen bevindt het gat zich achteraan, d.w.z. dat de stront verondersteld wordt zo rap mogelijk te verdwijnen. Het Amerikaanse (Angelsaksische) toilet tenslotte vertegenwoordigt een synthese, een bemiddeling tussen die tegengestelden: de toiletkom staat vol water, zodat de stront erin drijft, zichtbaar, maar niet om onderzocht te worden. […] Het is duidelijk dat geen van die versies in louter utilitaire termen uitgelegd kan worden: elk houdt een bepaalde ideologische perceptie in van hoe het subject zich tot zijn stoelgang verhoudt. Hegel behoorde tot de eersten om in de geografische triade van Duitsland, Frankrijk en Engeland een uitdrukking van drie verschillende existentiële gedragingen te zien: reflectieve doordachtheid (Duits), revolutionaire gehaastheid (Frans), utilitair pragmatisme (Engels). In politieke termen kan deze triade gelezen worden als Duits conservatisme, Frans revolutionair radicalisme en Engels liberalisme. […] Het toilet heeft het voordeel dat we deze triade niet alleen in haar meest intieme gebied kunnen waarnemen, maar ook het onderliggende mechanisme kunnen benoemen van de verschillende houdingen tegenover overtolligheid: een tweeslachtige contemplatieve fascinatie; een wens om er zo vlug mogelijk vanaf te geraken; een pragmatische beslissing om het als iets gangbaars te beschouwen en het op een passende manier te verwijderen. Het is gemakkelijk voor een academicus om aan een ronde tafel te stellen dat we in een postideologisch universum leven, maar wanneer hij, na de verhitte discussie, het toilet bezoekt, bevindt hij zich weer kniehoog in ideologie.’
Daar valt echt niets aan toe te voegen, behalve misschien dit citaat van drs. P., uit De gezusters Karamazov. Ik wil het al lang gebruiken, maar kon er geen plaats voor vinden, tot nu: En de kanarie sprak: Tjiep tjiep tjiep tjiep.’

Flor Vandekerckhove

zondag 25 februari 2018

Ik bespaar u de details

Mong moet een maagdelijk bewijs van goed gedrag & zeden afleveren en dat heeft hij niet. Ik bespaar u de details. Om het bord schoon te vegen trekt hij naar meneer Delanghe die zoiets kan regelen.
’t Is iets uit de vorige eeuw. Het valt me te binnen omdat meneer Delanghe me onlangs een mail gestuurd heeft. Ik bespaar u de details.
Na het bezoek aan meneer Delanghe gaat Mong een glas drinken. Dat loopt een beetje uit de hand en wanneer hij thuiskomt vindt hij daar al een brief, ondertekend door meneer Delanghe. Die klus heeft hij vlug geklaard, denkt Mong. Blijkt helaas dat de brief alleen een bede bevat. Mong leest die met tegenzin, maar betaalt toch het voorschot dat meneer Delanghe vraagt om aan de slag te gaan. Vervolgens verneemt Mong niets meer.
Het is een verhaal uit de vorige eeuw. We zijn allemaal maten in die tijd, mijnheer Delanghe, Mong, ik, wij, iedereen. We vinden dat verhaal een goeie grap. Typisch meneer Delanghe, zegt iedereen, en we slaan een bladzijde om in het boek dat we aan ’t lezen zijn.
Vele maanden later wordt Mong op het politiebureau ontboden. Het bord, zegt de hoofdflik, is nog steeds niet schoongeveegd. Dat komt, zegt hij ook, doordat meneer Delanghe de aanvraag verknoeid heeft. ‘Was het hier gewoon zelf komen vragen’, zegt de flik aan Mong, ‘dan was de zaak al lang geregeld.'
Meneer Delanghe heeft zijn werk niet goed gedaan, maar naar zijn voorschot kan Mong fluiten. Ook dat vinden we een goeie grap. Typisch meneer Delanghe, zegt iedereen, en we lezen verder in ons boek.
Tot zover de vorige eeuw. Intussen zijn we al lang geen maten meer, meneer Delanghe, Mong, ik, iedereen. Soms heeft dat met voorschotten te maken, soms met aflossingen, soms met tegoeden, afrekeningen en facturen. Of 't gaat over achterstallen. Ik bespaar u de details. We lezen haastig verder, want we naderen het laatste hoofdstuk van ons boek.
Flor Vandekerckhove

vrijdag 23 februari 2018

Twee meisjes op de stoep


De fotomontage verzamelt vier keer het huis van de Bredense familie Rosseel, op de hoek van de Duinen- en de Golfstraat. De twee zwart-witfoto’s dateren uit de vroege jaren vijftig, de kleurfoto’s heb ik nu pas gemaakt. Boven neemt het toestel het huis telkens van links in het vizier, onderaan doet het dat van rechts.
Dat huis ruimt nu plaats voor een bouwproject van vastgoedgroep Degroote. Tegen de tijd dat u dit leest rest er van dat oude gebouw niets meer, behalve… foto’s en de herinneringen die ze oproepen.
Zelf heb ik dat huis en zijn bewoners goed gekend. Ik herinner me Camiel en Jozef — a.k.a. Tsjeppen — Rosseel die in dat huis woonden. Hun echtgenotes herinner ik me dan weer niet, misschien komt dat wel doordat die zich vooral binnenshuis ophielden en ik dat huis alleen van buiten ken. Ik herinner me hun kinderen, die al volwassen waren toen ik klein was: Georgette, Georges, Gerard, Agnes en Yolande. Die laatste bleef alleen in dat huis wonen, tot vlak voor haar dood.
Destijds was het een plek van grote bedrijvigheid. De Rosseels waren vrachtvoerders. Georges, Gerard en Jozef waren vrachtwagenchauffeurs, Camiel coördineerde de zaak. Rechts van het hoekhuis was een plein waar de vrachtwagens op- en afreden. Achteraan bevonden zich de garages. Ik denk dat er ook een dieselpomp stond.
Op de hoek, onder de uitbouw van de eerste verdieping, plachten de mannen uit de buurt al eens te verzamelen om er de voorbije dag te bespreken. Werd die stek een leugenaarshoekje genoemd?
Terug naar de fotomontage. Net naast die hoek zitten twee meisjes op de stoep. Misschien staan hun vaders twee passen verder te palaveren. Het kind met het hoedje is mijn nicht Nadine Vansieleghem. We weten niet wie het andere meisje is. Eerst dacht ik aan Marie-Claire De Boerderé, want die woonde daar vlak naast. Dat was verkeerd gedacht van mij, want Marie-Claire ontkent met klem.
Vandaar mijn oproep: mocht u dat kind herkennen, laat het me dan weten, zodat we ook die herinnering van onder het stof halen dat altijd met zo’n afbraakwerken gepaard gaat.

Flor Vandekerckhove

woensdag 21 februari 2018

Natte zenuwen


Ik had de bui wel zien aankomen, maar dacht dat ik hem te vlug af zou zijn. Dat was een deerlijke misrekening en ik kwam in een stortvlaag terecht. Haastig zette ik mijn tocht voort naar de meest nabije tramhalte die helaas niet echt nabij was. Tegen de tijd dat ik er aankwam was ik compleet doorweekt.
In het wachthokje stonden twee kurkdroge vrouwen, met tegengestelde meningen, luidruchtig over de klimaatverandering te discussiëren. Iets wat ik in mijn doorweekte toestand geenszins wilde aanhoren.
Niets is zo gevoelig als mijn natte zenuwen. Daarom wenste ik vurig dat de tram me gauw van dat gesprek zou verlossen. De vrouwen keken ook telkens in mijn richting als verwachtten ze om beurten mijn steun. Zelf bleef ik naar de bocht kijken waaruit de tram moest komen.
Terwijl we daar veel te lang samen stonden, zij allebei kurkdroog en ik kletsnat, kwam een van die vrouwen opeens in mijn gezichtsveld staan. Ze wilde weten wat ik ervan dacht, van de klimaatverandering. Dat was meer dan mijn natte zenuwen konden verdragen. Ik zei: ‘Madam, madam…’ en geraakte niet meer uit mijn woorden.
Ik nam de vlucht voorwaarts. Terwijl de regen met bakken op mijn alreeds doorweekte wezen neerviel, vervolgde ik mijn natte weg naast de tramsporen, verwensingen uitend aan het droge deel der mensheid, het openbaar vervoer, het weer, de sompige ondergrond, de klimaatverandering in ’t algemeen en het daarmee gepaard gaande debat in ‘t bijzonder.
Tweehonderd meter verder raasde de tram me voorbij. Daarin zag ik de twee vrouwen zitten die ik ontvlucht was. Ze zwaaiden. Een bliksemschicht doorkliefde het zwerk. Die raakte helaas de tram niet.

Flor Vandekerckhove

maandag 19 februari 2018

Herinneringen aan Herman Vermeulen


— Herman Vermeulen (°1948 - †2003) —
Hij had het eerst in Antwerpen geprobeerd en nu deed hij dat in Gent. Daar leerde ik hem kennen terwijl hij om een lief aan ’t treuren was. We werden dronken en we werden maten.
Het was 1968 en we genoten van het leven en van de meisjes die onze weg kruisten. We leefden rijk als ’t kon en arm als ’t moest en Herman was daarin mijn leidsman. Hij wist bijvoorbeeld dat we ons op zondagavonden naar de uitgangsbuurt moesten begeven omdat de coiffeuses — maandag rustdag ­— dan op pad waren. Rijk leven was iets voor ’t begin van de week. Dan verorberden we het eten dat we van thuis meekregen. Arm leven deden we als dat op was.
We zijn elkaar ook na onze studententijd blijven zien. Achter het station had hij een hofje met eigen kweek. Van hem kreeg ik mijn eerste joint te smoren. Van hem kreeg ik ook mijn eerste Lenin te lezen, Staat en revolutie, waarin ik las dat Lenin de economie naar het voorbeeld van de posterijen wilde reorganiseren. Voor mijn geestesoog verscheen het postkantoor van Bredene, waar het altijd heel lang wachten was. Dat leek me niet iets om na te streven. Misschien werd mijn lezing beïnvloed door de joint, want ik moest er ook hard om lachen; iets wat anders zelden gebeurt als je Lenin leest.
We hebben samen aan menig betoging geparticipeerd. De laatste waar we samen naartoe trokken was deze in Brussel, tegen de Spaanse dictator Franco. Die had in 1975, vlak voor hij — eindelijk! — stierf, nog vijf mensen laten executeren. Ik herinner me dat Herman en ik erg kwaad waren, net als al de anderen die aan die betoging deelnamen. Mijn echtgenote, die ons daar naartoe gevoerd had, wist niet goed wat ze meemaakte.
Was Herman toen al bij Amada? Of was hij er daar al weer weg? Werkte hij toen nog als interimarbeider of was hij al de vaste filmoperateur van Studio Skoop? Woonde hij toen al/nog in de Kozijntjesstraat, waar hij het hoekhuis deelde met een activist van de scholierenbeweging, die we Zotte Eric noemden? Al die beelden hebben een plaats in mijn geheugen, maar er staat helaas geen jaartal bij.
Ondernam hij toen al reizen naar Turkije, waarvan hij telkens terugkeerde met een tapijt op zak? Feit is dat hij op den duur zoveel tapijten liggen had dat hij er een winkeltje kon op nahouden. Dat winkeltje werd trouwens een commercieel succes.
Herman is in 2003 overleden, maar het winkeltje bestaat nog altijd. Het ligt in de Gentse Kraanlei, dicht tegen de hoek met het Veerleplein. Al wandelend loop ik er voorbij. Tot mijn vreugde zie ik zijn naam nog op de etalage staan: Herman Vermeulen — Kelims — Oosterse tapijten.
Net voordat ik dit stukje afsluit zie ik dat er ook een website is. Die staat hier: Na zijn overlijden,’ lees ik, ‘beheert Nadine Engels, zijn echtgenote, met deskundigheid en begeestering de door Herman opgebouwde collectie tapijten en kelims.’  That’s the spirit!

Flor Vandekerckhove


— In mei 1978 is er in Gent protest tegen de militaire steun die België de Zaïrese dictator Mobutu verleent. Herman Vermeulen neemt eraan deel. We herkennen (1) Eddy Decreton; (3) Anne Louagie; (4) An Apostel (†); (5) Anni Van Landeghem; (6) Herman Vermeulen (†). (Foto collectie Willie Panhuis.) —

zaterdag 17 februari 2018

Het Moment


— Links op de achtergrond het restaurant Plassendale, rechts mijn sigarettendoosje. —

Dit is wie ik ben! Zo zit de wereld in elkaar! Daar ligt mijn toekomst! In het leven van elke mens komt er een moment waarop alles duidelijk wordt. De Amerikaanse schrijfster Joy Williams noemt dat moment anamnesis, ‘teweeggebracht door het ingrijpen van de Heilige Geest’, maar ik weet niet of dat waar is.
Dat moment komt altijd onverwacht en soms ook heel ongelegen. Mij overkwam het in een gehucht dat Plassendale heet, in een restaurant dat, omdat het daar gelegen is, eveneens Plassendale heet.
In die tijd mocht je in een restaurant nog roken, er werd nog in Belgische franken afgerekend. Je kunt je voorstellen hoe lang ’t geleden is.
Ik was er gaan eten op kosten van meneer Delanghe, en helaas ook in diens gezelschap. De borden waren afgeruimd, ’t was tijd voor de koffie en daar hoorde een sigaret bij. 
Omdat kant & klare sigaretten voor mij onbetaalbaar waren rookte ik shag. Ik had zo’n doosje waarin een voorraadje zat en vloeitjes, en met dat doosje kon je een sigaret draaien. Klap, zei het dekseltje, en er sprong een welgevormde sigaret uit. Als ik al iets mis van ’t roken, dan is ’t dat doosje.
Ik zette het op tafel en wilde aan het ritueel beginnen, maar meneer Delanghe onderbrak me met deze sissend uitgesproken woorden: ‘Steek dat weg! ’t Zit hier vol met klanten van me.’ Verschrikt keek ik om me heen. Hij stak me vlug een Marlboro toe en ja, toen was het daar opeens: mijn moment!
Terwijl niet alleen ik, maar ook meneer Delanghe, alsmede al zijn klanten in dat restaurant een filtersigaret opstaken, werd alles me duidelijk. Dat ik mijn tijd aan het verdoen was bijvoorbeeld, dat meneer Delanghe een luxueus blok aan mijn been was, dat ook de shag voor mij onbetaalbaar duur zou worden, dat er een witte kassa in restaurants zou komen, dat het klimaat zou veranderen en dat de GB op den duur Carrefour zou heten, dat ik moest ophouden met roken, dat bosbranden, files en overstromingen dagelijkse kost zouden worden, dat Russische vrouwen zich op ‘t internet aan mij zouden presenteren in de hoop er een frank aan over te houden, dat Bob Dylan de Nobelprijs zou winnen, dat koning Boudewijn geen lang leven beschoren was en zijn opvolger wel, dat Stefan Hertmans in ‘t Engels vertaald zou worden, dat de goden wel degelijk kosmonauten waren en dat Google dit verhaal tot bij u zou brengen. Zo’n moment was dat!
Flor Vandekerckhove

donderdag 15 februari 2018

Een oude discussie over schoonheid

Onlangs kreeg ik een bericht van Joris Van der Borght, een man die veel tegelijk is, maar in mijn computer toch vooral de bevlogen animator van de Bruthausgallery.
In die galerie wordt op 17 februari een kunstboek van Haider Jabbar voorgesteld en tegelijk toont Joris er werk van deze Iraakse kunstenaar. Vroeger zou ik daar zeker naartoe gaan kijken zijn, want Van der Borght is een toffe pee met het hart op de juiste plaats. Maar sinds ik met pensioen ben claim ik het recht op luiheid en kies ik ervoor om er, vanuit mijn zetel bij het raam, iets over te schrijven.
Hij kondigt het als volgt aan: Bruthausgallery toont, verdedigt en volgt het werk van Haider Jabbar nauwgezet op, omdat ook deze kunstenaar de Bruthausgallery visie illustreert. Kunst dient immers niét mooi te zijn, kunst dient vragen op te roepen en moet ons laten stilstaan bij de tijd waarin we leven. Kunst dient een actuele blik op authentieke wijze weer te geven op wat is. En dit wars van alle trends.’
Het is mooi gezegd, maar betekent het ook iets? Kan ik de ‘Bruthausgallery visie’ bijvoorbeeld ook op iets projecteren wat geen kunst is, op journalistiek bijvoorbeeld? Journalistiek dient immers niét mooi te zijn, journalistiek dient vragen op te roepen en moet ons laten stilstaan bij de tijd waarin we leven. Journalistiek dient een actuele blik op authentieke wijze weer te geven op wat is. En dit wars van alle trends.’
Of op verhalen? Verhalen dienen immers niét mooi te zijn, verhalen dienen vragen op te roepen enzovoort.’
Of op een bril? Een bril dient immers niét mooi te zijn. Een bril dient een actuele blik op authentieke wijze weer te geven op wat is. En dit wars van alle trends.’
Het is allemaal waar, maar is het niet even waar dat kunst, journalistiek, verhalen en een bril wel degelijk mooi dienen te zijn? En zou schoonheid de visie van de Bruthausgallery in de weg staan?
Op het internet speur ik naar werk van Haider Jabbar. De opgeroepen beelden laten me inderdaad stilstaan bij de tijd waarin we leven enzovoort. Maar het valt tegelijk niet te ontkennen dat Jabbars werk, hoe wreed het ook oogt, van een ontzettende schoonheid is.
Flor Vandekerckhove


° De galerie bevindt zich in de Molenstraat 84 te Waregem. Alle info betreffende het boek en de tentoonstelling vind je op Bruthausgallery.

dinsdag 13 februari 2018

69


— Deze sculptuur uit een van de tempels van Khajuraho wordt dit jaar mijn totem. —

Op 12 februari heb ik het onvermeld gelaten, maar op die dag ben ik wel 69 geworden.
Voor de gelegenheid had ik een stukje klaarliggen dat rond de fameuze soixante-neuf-positie cirkerde. Dat wilde ik op mijn verjaardag evenwel niet posten omdat het er dan op geleken had dat ik naar uw verjaardagsfelicitaties aan ’t hengelen was.
Vandaag publiceer ik het evenmin, omdat het bij nader inzien te melig is. Meligheid is absoluut te mijden eens je 69 bent. Wat van het standje niet gezegd kan worden, want dat is uitermate geschikt voor alle leeftijden en zeker voor al de mijne.
Het stukje, dat ik klaarliggen had, bestaat nu niet meer, ik heb het in de prullenmand gegooid. Ik behoud wel de afbeelding, een sculptuur uit een van de tempels van Khajuraho. Daar maak ik dit jaar mijn totem van.
Helaas heb ik nu geen tekst meer liggen om mijn nieuwverworven leeftijd te verwoorden. Dat is een beetje spijtig, want ik heb in die 69 jaar veel zelfkennis vergaard. Die wil ik graag met u delen.
Omdat ik zelf niets liggen heb, neem ik mijn toevlucht tot het oeuvre van Willem Elsschot die niet alleen Het Huwelijk pijnlijk schoon beschreven heeft, maar ook de ouderdom.
De Klacht van den Oude is een monoloog in verzen, waarin een mens op leeftijd klaagt dat hij het oud-zijn niet gewoon raakt. Zelf heb ik daar geen last van, want ik voel me al heel mijn leven een zestigplusser. Wellicht komt het ook daardoor dat de laatste negen jaar de mooiste van mijn leven zijn.
Maar wat ik me afvraag: is het zo dat u me gadeslaat? Wanneer ik langs de huizen trek / loert men mij na, als ware ik gek, / alsof mijn plannen en mijn zonden / op mijnen rug te lezen stonden. Dat zou wel eens kunnen, want ik voel me enigszins verwant met den Oude uit de slotverzen van Elsschots vreselijke gedicht:

Ik ben een schurk, ik ben een hond,
geen rustplaats waard in heil’gen grond,
en ‘k wil een hoog rantsoen betalen
voor elken bundel zonnestralen:

Maar laat mij doen met eigen vuur
wat ik verkies, zoolang ik duur.
En terg ons niet: mij armen stakker,
en Satanlief, mijn laatsten makker.


Flor Vandekerckhove

maandag 12 februari 2018

Whisky en Ricola

Meneer Delanghe is een hoerenloper die geld en smetvrees heeft. Het eerste helpt als je een hoerenloper bent, het tweede werkt dat eerder tegen. Vandaar dat je meneer Delanghe alleen in etablissementen aantreft die proper zijn, de hoeren en de bedden. En dan mag het ook iets kosten.
Meneer Delanghe vertelt me over een bordeel dat hem met twee hoeren naar een studio leidt. Uit de gelagzaal neemt hij een fles whisky mee. Chique studio, chique hoeren. Rollebollen in het salon, stoeien op de divan. Vlak voor het moment suprême laat meneer Delanghe de halflege fles achter de sofa staan, want de roep van het hemelbed is onontkoombaar.
Na afloop wassen ze zich gedrieën in de gesofistikeerde douche en thuis schrobt meneer Delanghe alles nog eens extra van zich af.
De daaropvolgende dagen moet meneer Delanghe een tandje bijsteken om de in dat bordeel gemaakte put te dempen, maar tegen het einde van de maand staat alles weer op punt. Dat viert meneer Delanghe in datzelfde bordeel en weer begeeft hij zich met twee (andere) madammen naar de ons alreeds bekende studio.
Terwijl hij in de sofa van het schouwspel geniet dat die twee voor hem op het tapijt ontvouwen stoot zijn arm op de halflege whiskyfles die hij een maand eerder, achter de sofa, achtergelaten heeft.
Meneer Delanghe ziet er, wellicht terecht, het bewijs in dat het bordeel niet zo proper is als de prijs het laat vermoeden. Hem zullen ze daar niet meer zien.
Zelf ga ik niet naar bordelen, maar ik ga wel naar de cinema. Daar nuttigen mijn lief en ik telkens snoepjes van het merk Ricola. En weet je wat ik doe als zo’n pakje leeg is? Dan leg ik het daar half uit ’t zicht, op een lichtbak of een armatuur. 
Wanneer we later nog eens in die zaal zijn, kijk ik altijd of mijn pakje daar nog ligt. Dat heb ik van meneer Delanghe geleerd.

Flor Vandekerckhove

zaterdag 10 februari 2018

Had Hotel Prison een klusjesman?

Erik, een oud-schoolmakker, maakt in Bredene deel uit van toneelkring De Klisse. Binnenkort voert dat gezelschap daar De klusjesman op, een stuk waarin hij de titelrol speelt.
Hij stuurt zijn oude maten een mail, zeggende dat het een onderhoudende voorstelling wordt, met een mooie cast, maar, voegt hij eraan toe: ‘niet zo mooi als de cast van Hotel Prison indertijd.’ Waarmee hij naar een toneelstuk verwijst dat pakweg een halve eeuw geleden door jeugdclub Patro opgevoerd werd.
Zelf houd ik daar geen herinneringen aan over. Of het zouden deze moeten zijn: gingen de repetities door in de danszaal Tijl? Speelde er een meisje mee waarvan de naam me nu ontsnapt; de snelle, zwartharige dochter van een schipper uit de Bruggelaan? Haakte regisseur Daniël C. al na de eerste repetitie af omdat geen van de acteurs naar hem wilde luisteren?
Ik vraag Erik naar meer. Hij antwoordt: ‘Ik vermoed dat er niets van weer te vinden is, zeker geen programmafolder. We hebben dat één keer opgevoerd, als ik me niet vergis in het kader van de jaarlijkse bijeenkomst van “De Vrienden van Lourdes”. Ik vind ook geen foto's. Als iemand nog iets heeft dan zal het Ivan zijn. Een krantenartikel? Misschien dat Ivan (weer hij) daar voor gezorgd heeft.’
Hop, ik naar Ivan, maar ook hij moet me teleurstellen. In zijn dagboek vindt hij alleen een verwijzing naar een ander toneelstuk, Stadhuistribulaties, waaraan ik evenmin herinneringen overhoud.
Ik googel Stadhuistribulaties. Het internet leidt me naar een blijspel in één bedrijf. Je moet hier maar eens kijken. Het werd in de jaren vijftig door een pastoor geschreven, wat me laat vermoeden dat Stadhuistribulaties in Bredene eerder door de K.S.A. opgevoerd werd.
Gesterkt door deze onverwachte vondst googel ik ook Hotel Prison. Het net wijst me eerst op een boek met die naam, maar met een toneelstuk heeft dat niets te maken. Verder is de informatie karig maar reëel: de eerste opvoering die een spoor achterlaat dateert van 1957 in Lokeren, het gezelschap Lust naar Kunst doet dat daar nog eens over in 1966; in 1961 toont toneelkring Ik Dien dat spel in Muizen en in 1960 heeft Koninklijk Toneelgezelschap Uilenspiegel uit Diest dat ook gedaan; in 1963 staat het op de affiche van Toneellabo Arlecchino uit Lier. Het stuk heeft duidelijk geleefd in de vroege jaren zestig, maar ook in 1981 speelt De Dommelbron in Linde een blijspel in drie bedrijven dat zo heet. OpenDoek, de koepelorganisatie voor het amateurtoneel, vermeldt het werk hier. Het werd geschreven door J. Tanguy en G. Villiane, en uit het Frans vertaald door Jan Van Driessche. 
Het is niet veel, maar ’t is toch al meer dan wat ik er een uur geleden van wist. En kijk, daar vind ik nog een Hotel Prison, maar dat is een gids die je langs 19 oude gevangenissen voert die nu hotels geworden zijn. Niet wat ik zoek, maar wel leuk om weten.
Flor Vandekerckhove


° Toneelkring De Klisse speelt De klusjesman in het MEC Staf Versluys op 9 en 10 maart om 20 uur en op 11 maart om 14,30 u. Toegang: 9 €. Zondagmiddag 7 € voor wie 65+ is (aren’t we all?!)

vrijdag 9 februari 2018

’t Was midden in de nacht

Een vreselijke klap… Ik schrok. ’t Was nacht, ’t was nacht, ’t was midden in de nacht, het klokje stond op 02:00. Ik wist meteen dat inslapen een karwei zou worden, want daar kwamen ze in galop aangerend, de gedachten, en deze keer circuleerden ze rond zeven vlooien, vier witte en drie rooie, een Hollands kinderliedje dat zich God weet hoe in mijn hoofd genesteld had. Ze hadden vaders onderbroekkie an, een broek met gouden knopen… 
Wilde ik m’n nachtrust niet aan zo’n onzin verliezen dan moest ik opstaan, even de zinnen verzetten en het daarna weer proberen. Ik ging naar beneden, knipte de lamp aan en nam een ouwe krant ter hand.
Een ver land werd getroffen door een aardbeving; elders was een vliegtuig neergestort; een openbare aanklager eiste levenslang; rechts piekte in de peilingen; het leven werd onbetaalbaar duur, aanslag hier, aanslag daar; een tijdschrift riep Trump uit tot de invloedrijkste persoon van 2019
Niet het soort literatuur dat me tot rust kon brengen en net toen ik de krant wilde wegleggen, bleef mijn oog aan dat jaartal vasthaken: 2019. Drukfoutje, dacht ik, en om daar zeker van te zijn zocht ik op de frontpagina naar de datum. Ik las 13 januari 2019.
2018, 2019? Het is iets waaraan je twijfelt als je uit je slaap gerukt wordt. Een broek met gouden knopen, die wilden zij verkopen… Kon ik het juiste jaartal ergens vinden? Ik vroeg me af of de sprekende klok nog bestond. En zegde die klok ook het jaartal als je erom vroeg? Die wilden zij verkopen. Aan wie, aan wie, aan wie? Had ik een jaar overgeslagen? Was ik in de twilightzone terechtgekomen?
Ze trokken mijn vaders baggerlaarzen an… Van slapen zou nu niets meer in huis komen. Ik gebruikte de krant om het houtvuur aan te steken. Daarna vleide ik me in de zetel. Ik legde een deken over mijn benen en keek naar de likkende vlammen waarvan men zegt dat ze een mens tot rust brengen. Daar zaten zeven vlooien, vier witte en drie rooie.

Flor Vandekerckhove


woensdag 7 februari 2018

Zijn redactionele visie


Naar aanleiding van het 80-jarig bestaan van Het Visserijblad werd Flor Vandekerckhove in 2013 uitgenodigd in de studio van de regionale televisie. Aan reporter Caroline Verstraete ontblootte hij zijn redactionele visie. Volgens onbevestigde geruchten zou Verstraete die visie achteraf als volgt in haar intiem dagboek samengevat hebben.

Men zegt hoofdredacteur, een woord waarbij je ook aan andere redacteuren denkt, aan onderredacteuren of mederedacteuren, maar die zijn er niet. Hij zit daar helemaal alleen. Hoofdredacteur? Ik denk dat ze dat zeggen om met hem te lachen.
Hij is geen hoofdredacteur, hij is zelfs nauwelijks een redacteur. Alles wat op zijn bureau belandt steekt hij in een mapje en als ’t vol zit fietst hij ermee naar de drukker; hij doet niet eens de moeite om het allemaal te lezen. Iets wat hij trouwens met zijn abonnees gemeen heeft.
In de jaren tachtig was dat anders. Toen moest hij alles overtypen, waardoor hij al die binnenvallende stukken wel moest lezen. Zijn redactionele tussenkomst bestond er toen vooral in om al dat materiaal ferm in te korten, wat hem veel tikwerk uitspaarde. Sommige medewerkers waren daar kwaad om: ze mochten gáán, terwijl hij hen nariep: De persvrijheid is beperkt tot de mensen die zelf een pers bezitten!
Gelukkig waren daar al gauw de computer en het internet, de mailbox en de toetsencombinaties copy en paste, wat lezing van de ingezonden stukken overbodig maakte. Een vooruitgang die hij hard had toegejuicht.
Zelf gebruikt hij dat blad alleenlijk om ongebreideld tegen kerk, staat & kapitaal tekeer te gaan — een mens moet toch iets doen, zegt hij. Al de rest is bladvulling.
U kunt de wenkbrauwen optrekken alsmede het voorhoofd fronsen, maar het is een visie die wel meer voorkomt. Al zult u hen dat niet luidop horen zeggen: de meeste redacteurs vinden bijdragen van derden alleen maar goed om hun eigen ding te omkaderen.
Zijn systeem heeft ook nadelen. Hij heeft eens twee keer dezelfde boekbespreking geplaatst en ook eens drie edities na elkaar dezelfde column. De auteur van die column is de enige die het opgevallen is en in ’t geval van die boekbesprekingen heeft zelfs de recensent het niet gezien.
Soms gebeurt het dat iemand hem aanspreekt omwille van iets wat hij schrijft. Als hij er al op ingaat dan blijkt al gauw dat zo’n lezer er gewoon zijn eigen ding van maakt, iets heel anders dan wat er te lezen staat. Dat heb je goed geschreven, zegt zo’n mens hem dan. En om van 't gezaag van die mens af te zijn trakteert hij hem vervolgens op een pint.

Flor Vandekerckhove