zondag 31 mei 2015

Songtekst



Onderstaande songtekst is gebaseerd op een verhaal dat ik lang geleden, uiteraard in het Nederlands, geschreven heb en dat u hier kunt nalezen. Omdat ik de mening toegedaan ben dat er een songtekst in dat verhaal geborgen zit en omdat ik niet zo meteen iemand ken die deze lyrics voor mij zou willen schrijven, heb ik die, met veel hulp van de merkwaardige vertaaldienst van Google, zelf gemaakt. ‘k Weet ‘t, het is verre van perfect, er staat een hoop haar op dat Engels, er moet aan gesleuteld & geschaafd worden, maar misschien kan ik dat samen doen met de mens die zich geroepen voelt er zijn/haar muziek bij te bedenken. Folk, rock, blues, fado… who cares?! Zodat een jongensdroom van mij op de valreep mijner leven in vervulling mag gaan: een lied waarvan gezegd wordt: lyrics: Flor Vandekerckhove. Aaaaah!


Oh, all tobacco shops were closed
The year the law forbade to smoke
‘t Was hard to find a cigarette
‘Cause smokes were worth their weight in gold

Smokes were worth their weight in gold

All the cops were hunting smokers
— Recognized by their stinking breath
Their ugly clothes and ugly cough —
‘Cause cigarettes were scarce like gold

Cigarettes were scarce like gold

His dealer sold him heavy stuff
The kind you’d like so much to puff
Van Nelle, widow, Dutch and old
Was needed to be paid in gold

Was needed to be paid in gold

To the graveyard he then quickly went
To put a lighter to his fag
He deep inhaled and tasted smoke
Indeed ‘t was worth it’s weight in gold

Indeed, ‘t was worth it’s weight in gold

From his ugly lungs the smoke then went
Went through his veins into his brain
Where the stuff so truly good
Prevented him from getting old

Prevented him from getting old

In his chest he felt a pain
Went down on the graveyard ground
The fag fell down, out of his mouth
Straight in the dirty shirt he wore

Straight in the dirty shirt he wore

He was not able to react
And so his nylon shirt caught fire
All his strength was almost gone
Together with the fag worth gold

Together with the fag worth gold

The rest of his remaining strength
Led him to an open grave
Where his body caught on fire
And perished in a bluddy smoke

And perished in a bluddy smoke

His wife went out to find her man
So did his child and the police
The cops say’d he was a wanted man
Reward, they said, would be paid in gold

Reward, they said, would be paid in gold

But no one found the vanished man
He had completely disappeared
And the cops us'd the reward
To buy tobacco with that gold

To buy tobacco with that gold
To buy tobacco with that gold
To buy tobacco with that gold


© Flor Vandekerckhove

zaterdag 30 mei 2015

Wraak, op de valreep


Mijn beste vriend ken ik al sinds we zes waren. We zijn nu zesenzestig. Ruzie hebben we nooit gehad, behalve die ene keer, heel in het begin. ‘Ik zal het aan je moeder zeggen,’ zei ik toen. Hij zei dat hij geen moeder had, maar een mama. Dat vond ik gemeen en dat zegde ik hem: ‘Dat is gemeen.’  Ook zegde ik dat ik het hem betaald zou zetten en ik zei het met die woorden: ‘Dat zet ik je betaald.’ Met die dreiging kon hij leven en met die woorden eindigde onze enige ruzie. Daarna leefden we zestig jaar in peis & vree. Zopas bracht hij me de mare dat zijn moeder overleden was. ‘Mijn moeder is dood,’ zei hij. ‘Jij hebt geen moeder,’ zei ik, ‘jij hebt een mama.’

Flor Vandekerckhove

donderdag 28 mei 2015

Een buschauffeur met een haarwrong


[Trois Morceaux en Forme de Poire et… Un Morceau en Forme de Chignon.] — Ik sta op een verhoog. Voor me zitten vrouwen van het type dat gedichten schrijft. Allemaal jonge grieten, maar helemaal achteraan zit een dame van middelbare leeftijd die zich meteen kenbaar maakt als de Belgische nicht van L.K.Merate, de Britse dichter waarover ik het op dat verhoog zal hebben. Ze valt op doordat ze het uniform van De Lijn draagt en ze heeft ’r haar in een hoge wrong gedraaid, waardoor ze boven iedereen uittorent. De nicht van L.K.Merate blijkt een buschauffeur te zijn met een chignon. Haar aanwezigheid vult heel de zaal, wat me zenuwachtig maakt. Het betert niet wanneer ze me onverwachts een vette knipoog geeft, een teken dat ik maar moeilijk kan duiden. En terwijl mijn lezing van start gaat, dwalen mijn gedachten af naar die haartooi die niet erg praktisch is voor een buschauffeur. Eerst geef ik altijd een korte biografie, maar nu vraag ik me af of ’t waar is dat vrouwen destijds een kous in zo’n haarwrong staken om die meer volume te geven. Daarna zeg ik normaliter iets over het jeugdwerk van de poëet, maar nu denk ik dat het gebruik van zo’n kous wellicht uit de tijd stamt waarin de repair champoo & conditioner nog onbestaande is. Verder vertel ik altijd hoe L.K.Merate destijds Liverpool ontvlucht is en berooid in Londen arriveert, terwijl het me nu opeens belangrijker lijkt te constateren dat daar vandaag geen kousen meer voor gebruikt worden, om zo’n chignon volume te geven, dat er nu strong hold mousse is, een product dat zo’n dichtersnicht eerst in haar hand moet spuiten tot ze een volume ter grootte van een tennisbal krijgt. In Londen vindt L.K.Merate werk als chauffeur van ’t openbaar vervoer, net zoals zijn nicht dat in België doet, wat een merkwaardige overeenkomst is, maar die nicht moet, vooraleer ze de dagtaak aanvangt, met een langbenige kam, vanaf de wortels naar de top, door de mousse in ’r haar gaan. De poëet L.K.Merate schrijft vier dichtbundels vol buslijngedichten die niemand leest, maar zijn nicht kamt al dat haar naar voren en bindt het vast in een paardenstaart die bovenop haar hoofd, krek in ’t midden, begint. Ze crepeert die staart terwijl ze hem hoog in de lucht blijft houden. Vervolgens rolt ze hem van boven naar beneden op in een bol die ze met spelden vastmaakt. En ten slotte spuit ze heel die wrong vast met Strong Hold, een product dat de wrong ijzersterk maakt. Wat ook van de poëzie van L.K.Merate gezegd kan worden. Dat ze ijzersterk is. Lees die man! IJzersterk!
Flor Vandekerckhove


Alles wat u altijd had willen weten, maar nooit durfde te vragen over de chignon haut!

maandag 25 mei 2015

Zware jongens, lichte meisjes en linkse schrijvers

Marie Windsor als Edna Tucker in de film noir Force of Evil.
Terwijl ik enige tijd geleden de film noir aan ’t onderzoeken was, viel het me op hoeveel linkse auteurs zich destijds op dat genre geworpen hebben. Er was niet alleen de grote Dashiell Hammett waarover ik later nog wel een apart stukje ga publiceren. Er vallen in die duistere wereld behoorlijk wat linkse namen te sprokkelen. Walter Snow (1905-1973) schreef socialistische essays en deed erg zijn best om een proletarische auteur te worden, maar wat hij echt werd was iets anders: een goeie schrijver van detectiveverhalen. John Spivak (1897-1981) was een Amerikaanse communist van het soort dat het in de jaren dertig nodig vond om voor de Russische geheime dienst te werken, een informant die de Russen onder meer van informatie over de Amerikaanse trotskisten voorzag. Daarnaast leefde hij zich uit in het schrijven van boekjes van het pulpgenre. William Rollins Jr., waarover op ’t internet blijkbaar geen biografische gegevens te vinden zijn, was een marxist die tot aan zijn dood in de jaren veertig detectives zou blijven schrijven. Dat deed ook Ben Appel (1907-1977). Van William Cunningham is Pretty Boy bekend, een boek dat onlangs heruitgegeven werd. Het wordt omschreven als ‘The classic proletarian crime novel’. In veel linkse romans kwamen gangsters voor, zoals dat ook het geval is in de proletarische roman Jews Without Money van Mike Gold (1894-1967), een auteur die zichzelf heel zijn leven communist bleef noemen. Misdadigers zijn er ook aanwezig in The Girl van de linkse schrijfster Meridel Le Sueur (1900-1996). En in Native Son van Richard Wright (1908-1960) staat zo’n misdadiger zelfs centraal. Dat is ook het geval in Low Company (in 1947 verfilmd als The Gangster) van Daniel Fuchs (1909-1993). Waarmee we bij de scenaristen beland zijn. Want wanneer je de film noir scenario’s meerekent dan wordt de linkse bijdrage toch wel bijzonder groot. Albert Maltz (1908-1985) die omwille van zijn linkse overtuiging in de gevangenis terechtkwam, was mede-auteur van The Naked City, een film die ikzelf als meesterlijk quoteer. Abraham Polonsky (1910-1999), die eveneens op de beruchte zwarte lijst van Hollywood terechtkwam, was de regisseur van Force of Evil (1948, gebaseerd op de roman Tucker’s People (1943) van de marxist Ira Wolfert [1908-1997]). Ben Maddow (1909-1992) was o.a. auteur van The Asphalt Jungle. Kenneth Fearing (1902-1961), medestichter van het kleine, maar beroemde tijdschrift Partisan Review, schreef The Big Clock dat in 1948 verfilmd werd en dat hier helemaal te bekijken valt. Jim Thompson evolueerde van het schrijven van proletarische romans naar misdaadverhalen. Zijn pulpverhaal The Killer Inside Me werd twee keer verfilmd. En dan is er natuurlijk ook nog het onovertroffen Nightmare Allay (1946) van William Lindsay Gresham (1909-1962) dat overduidelijk links geïnspireerd is. Als film noir werd het uitgebracht in 1947 en dat kun je hier in zijn geheel bekijken. Waarmee dit stukje over zware jongens, lichte meisjes en linkse schrijvers onverwachts en los van mijn oorspronkelijke bedoeling op een kleine encyclopedie is beginnen lijken.
Flor Vandekerckhove

zondag 24 mei 2015

Leren lezen met porno (over porno 3)


De Sovjet-Russische beeldhouwer Sergey Dmitrievich Merkurov (1881-1952) was mij tot voor enkele uren onbekend. Ik stootte op zijn naam terwijl ik documentatie aan ’t zoeken was, dienstig om mijn spetterende pornoreeks te kunnen verderzetten. (Eerdere stukken vind je hier en daar.) En terwijl ik mij in ’s mans leven & werk ging verdiepen, daalden filosofische overpeinzingen over mij neder. Zoals deze: Een Mens Bestaat Uit Zijn Tegenstellingen. Wil je iemand leren kennen dan moet je die tegenstellingen zoeken. Het belet je om een eenzijdig en dus verkeerd beeld van je medemens te vormen. Bovenal stelt het je oordeel even uit, wat goed is, want niemand is zo gemakkelijk weg te zetten als wij dat tussen pot & pint plegen te doen.
Het werk van Merkurov werd, zo lees ik, erg bewonderd door Jozef Stalin. Die Merkurov maakte dan ook hele grote beelden van de dictator. Ja, dan weet je ’t wel. Of misschien toch niet, want wat ik op 't net ook vind is dit. Als cadeau voor Stalins zeventigste verjaardag kapte hij een groot beeld uit graniet. Ik vind er geen afbeeldingen van en dat komt wellicht doordat die niet bestaan. Stalin weigerde immers om het in ontvangst te nemen. Misschien kwam het door de naam die Merkurov eraan gaf: Dood van de leider. Hola! En het lemma in de encyclopedie vervolgt droogjes: ‘en er ving een moeilijke periode aan in het leven van de beeldhouwer.’ Daar kunnen we ons wel iets bij voorstellen. 
Merkurov was dus een complex man. Uit het onderstaande filmpje blijkt bijvoorbeeld dat hij bijzonder goed om kon gaan met kiekens. Hij was lid van de Communistische Partij, maar evengoed was hij een vrijmetselaar en een vrijdenker. Misschien moeten we diens preoccupatie met porno in die hoek zoeken. Want wanneer hij geen Stalinbeelden kapte, werkte hij (in 1931) een alfabet uit dat volledig uit waterverfschilderijtjes met pornografische afbeeldingen bestond. (Het volledige alfabet vind je hier.) Op ’t internet wordt her & der gezegd dat het boek deel uitmaakte van een alfabetiseringscampagne voor volwassenen, maar Giuliano Vivaldi die ons die beelden leerde kennen zegt daarover: ‘Ik kopieerde dit van iemands muur en voegde eraan toe, met enkele uitroeptekens, dat het deel uitmaakte van Stalins strijd tegen de ongeletterdheid. Wat als grap bedoeld was reisde als feit het internet af.’ Toch lijkt het mij een aangename manier te zijn om ’t Russisch onder de knie te krijgen.
Flor Vandekerckhove

Sergey Dmitrievich Merkurov

vrijdag 22 mei 2015

Maskers, winkeliers en kosmopolieten

Felix Labisse, 1934, Grand carnival Ostendais.
Wat is maskeren, maskéren evengoed als màskeren, anders dan het afdekken van een gezicht? Het is iets waarover een mens filosofeert wanneer hij door de oeuvrecatalogus van James Ensor bladert. De schilder ziet die maskers liggen in het winkelhuis waar hij woont, maar het maskeren kenmerkt ook zijn stad, want Oostende is een oord met veel gezichten. De Oostendenaars maskeren die gezichten graag en tegelijkertijd maakt dat maskeren hen tot wat ze zijn. O contradictie: Oostende toont zich door wat het verbergt!  Misschien ziet koning Leopold II dat ook wanneer hij er in 1866 de zomer komt doorbrengen. En samen met de koning ontdekt de beau monde een stad die al vele eeuwen door een hard zeevolk bewoond wordt. Valt er een grotere maatschappelijke tegenstelling te bedenken? Valt het niet te begrijpen dat die contradictie gemaskeerd zal worden? En is het niet logisch dat het maskeren vervolgens de identiteit van de Oostendenaars vorm geeft — hen maakt tot wat ze zijn?
Neem de Oostendse commerçanten, een groep die noch beau monde noch zeevolk genoemd mag worden. Wie winkelier zegt, denkt niet meteen aan weidse zeeën of rondreizende kosmopolieten. Integendeel, je denkt aan een leven dat zich vlak naast de kassa afspeelt. Niet zo in Oostende! Daar toont de kleine zelfstandige ons een ander gezicht. De filmmaker Henri Storck (1907-1999) is actief in de ouderlijke schoenwinkel in de Adolphe Buylstraat, hij komt uit een geslacht van meester-laarzenmakers, maar hij wordt wel een pionier van de Belgische film. Zelf zegt hij daarover: ‘Als ik sedertdien een uiterst boeiend bestaan heb gekend, dat mij naar de 4 uithoeken van de wereld voerde, dan dank ik dat aan de vorming die ik mocht opdoen tijdens mijn kinderjaren en mijn jeugd, zo rijk en gelukkig, zo bont en fel voor zinnen en geest. Alleen Oostende met de waaier van zijn seizoenen en de eigenheid van zijn bewoners, het kolken van het artistieke leven ter plaatse, kon mij dit bezorgen. Soms liep ik te praten met de Noordzee en zwoer haar een cineast te worden, Oostende niet onwaardig ...’ De vader van de kosmopolitische dichter Henri Vandeputte (1877-1952) komt uit Brussel naar Oostende afgezakt om er, op de hoek van de Langestraat en de Vlaanderenstraat, een filiaaltje te openen waar hij linten en zijden prullaria verkoopt, ‘rubans et soieries’, voorwaar een leven dat in centimeters afgemeten wordt, maar zijn zoon Henri zal wel een indrukwekkend literair oeuvre nalaten dat twaalf boekdelen beslaat. Mathieu Corman (1901-1975) heeft in de Adolphe Buylstraat een goeddraaiende boekwinkel, maar vindt wel de tijd om in Spanje tegen de opstandige generaal Franco te vechten. De Franse familie Labisse komt naar België om er van de vis te leven. Vader sticht een rederij en stuurt zijn zoon Felix naar de visserijschool in Oostende, maar Felix Labisse (1905-1982) wordt geen visser, wel een internationaal gerenommeerde kunstschilder. Journalist-dichter Henry van Vyve kun je dan weer aantreffen in de kunstgalerie van zijn echtgenote. James Ensor (1860-1949) gedijt in een wereld van souvenir- en schelpenwinkeltjes.
Adolf Buylstraat 32. Het ouderlijk huis van
Henri Storck.
Al die kunstenaars vinden inspiratie in de vele gezichten die de stad tegelijk toont en verbergt. Auteur John Gheeraert beschrijft die wanneer hij zich in De geheime wereld van James Ensor een wandeling verbeeldt die de jonge James doorheen Oostende voert: ‘In de zijstraatjes rond de vismarkt woonden de mensen in oude en overbevolkte huizen. Voor hen was er geen zomerpret. In deze buurt had de cholera-epidemie door de armoede en het alcoholisme het hardst toegeslagen. Niets van dat alles ontsnapte aan de scherpe observerende blik van de jonge James: een afgejakkerde hond die een te zwaar beladen karretje trok, een oude vissersvrouw die zat te breien in de zon onder een kruisbeeld, een krom gewerkte visser. Elke keer als de broodmagere silhouetten in een deuropening verschenen, stond de jongen even stil, maar zijn vader drong telkens aan om door te gaan. De plaatselijke kranten vermeldden nauwelijks iets over de cholera-epidemie, want ze wilden de rijke badgasten niet afschrikken, maar het was beter voorzichtig te zijn.’ Dit is waarlijk Oostende: de badgasten mogen niet afgeschrikt worden, de burgerij houdt afstand van het gemeen. Al die gemaskeerde tegenstellingen op een morzel grond! Papa houdt zijn jongen weg van het gevaar, maar de volgende paragraaf baadt alweer in puur avontuur: ‘Vader Ensor deed plots zijn schoenen uit en vertelde zijn verbijsterde zoon dat hij vlug naar de overkant van de havengeul wou zwemmen. ‘Ik ben dadelijk terug,’ zei hij. En met zijn kleren aan, op zijn schoenen na, sprong hij in het water. De jongen was een en al verbazing. Weldra zag hij het hoofd en de zwarte baard van zijn vader dobberen over het water. James Frédéric zwom met een krachtige en wilde slag, terwijl hij zich heen en weer wentelde. De hele havengeul glom onder het zonlicht. Toen hij aan het Oostenhoofd aankwam, rustte hij wat uit bij een houten paal. Na een korte onderbreking keerde hij met dezelfde forse slag terug. Hierbij had hij nog de kracht om even te wuiven naar zijn bezorgde zoon. Ten slotte klom hij aan land. Doornat trok hij zijn schoenen aan.’ In twee korte, opeenvolgende paragrafen heeft John Gheeraert de vele gemaskeerde gezichten van de stad beschreven: volks en burgerlijk, braaf en avontuurlijk, leugenachtig en oprecht, groots en kleingeestig, inspirerend en saai, laf en moedig. Goed gedaan John!
Flor Vandekerckhove
(Met dank aan Patrick Vanslambrouck [Fonds Henri Storck] voor de info.)

maandag 18 mei 2015

Vervoerbewijs

Mijnheer,’ zei hij, ‘dit is een ongeldig vervoerbewijs.’ Ik keek naar de treinbegeleider, dan naar het ticket en daarna weer naar de conducteur. Ongeldig? Ik had het nog geen uur eerder uit de automaat gehaald. Ik zegde hem dat ook. ‘Dit is een vervoerbewijs voor senioren,’ antwoordde hij. Een seniorenbiljet inderdaad, daar had ik ook recht op. Ik keek hem glimlachend aan. ‘Het is pas geldig na negen uur,’ zei hij. Ik keek op mijn horloge. Het was twintig over. Ik bleef glimlachen. ‘De trein is vertrokken om acht uur vijftig. Een seniorenticket is pas geldig na negen uur. U bent te vroeg met deze trein vertrokken, dit vervoerbewijs is daardoor ongeldig.’ Hij meende het. ‘Ja maar,’ repliceerde ik, ‘dat is een maatregel om overbodig volk uit de forenzentrein te weren. Dit is niet zo’n trein.’ Ik keek om me heen en zag mijn woorden bevestigd, nauwelijks volk. ‘Toch is ’t ongeldig,’ zei hij weer, ‘kunt u een correct vervoerbewijs betalen?’ Het lachen verging me. De mens besefte niet wat hij aan ’t doen was, want als er iets is waar ik niet mee om kan gaan, dan is ’t wel met zo’n kommaneuker. Ik probeerde kalm te blijven, want ik word een dagje ouder en ik moet mijn hart sparen, maar het lukte me niet. Ik ging in de tegenaanval en zei: ‘Komt het door dat uniform dat ge zo’n klootzak zijt of doet gij dat thuis ook? Ik weet wel dat de regering het u moeilijk maakt, maar dat is nog geen reden om gepensioneerde mensen de duvel aan te doen hé.’ Ik had me enige maanden geleden nochtans voorgenomen om geen politieke uitspraken meer te doen, om dat aan de jeugd over te laten, maar een mens kan toch niet àlles over zich heen laten gaan. Een weg terug was er nu trouwens niet meer. Ik besloot er nog enige populistische argumenten bovenop te smijten: ‘Gij zijt zeker zo’n klootzak die weigert aan een staking deel te nemen! Gij zijt zeker van het soort dat vindt dat deze regering het nog zo slecht niet doet! Wat kan u het schelen dat ik tien minuten te vroeg met de trein vertrek? Is dat misschien uw eigen trein? Of betaal ik die met mijn belastinggeld? Of hebt ge zoveel noten op uw balk omdat hij voor één keer op tijd is?! Of ik een vervoerbewijs kan betalen? Wat is dat nu voor zever? Misschien kan ik wel een taxi betalen, dat zijn uw zaken toch niet. Steek dat ticket maar in uw reet! En geef er daar dan een knip in, kaartjesknipper van mijn kloten. Kan ik een ticket betalen? Om dat te weten gaat ge de flikken erbij moeten halen. Die zijn ook zo flink wanneer ze in uniform zijn. En ze hebben bovendien een wapen. Misschien kunnen ze eens op me schieten.’ Ja, ik was me nu toch wel heel erg kwaad aan ’t maken. Maar gelukkig sprak ik die woorden alleen maar in gedachten uit, want met die mens viel niet te redeneren, zo had ik meteen gezien. Zo’n mens kon alleen maar met actie overtuigd worden. Geen woorden maar daden! Niet nadenken, meteen handelen. Rechtstaan. Man tegen man. Ooghoogte. Een kopstoot, vlam! En daar lag de treinbegeleider op de grond… Vanuit zijn neus te bloeden als een varken… Een geveld zwijn in uniform… Ik keek om me heen en zag dat mijn medepassagiers me met sympathie toeknikten. Het stimuleerde me om nog een stap verder te gaan. En met die stap zette ik mijn voet bovenop zijn hoofd en riep: ‘Lik nu mijn zolen maar, meneer de kaartjesknipper. Gij dacht zeker dat ik zo’n sukkelachtig oudje was? Ge had deze keer, helaas voor u, echt wel de verkeerde vast. Wie denkt ge wel dat ge zijt, snotneus? Denk ge dat uw ouders daarvoor in 68 op de barricaden gestaan hebben, om kommaneukende kinderen gelijk gij te kweken?’ De passagiers begonnen nu te applaudisseren en vuurden me, met de duim naar beneden, aan om de treinbegeleider helemaal af te maken. Maar dat deed ik uiteraard niet, net zomin als ik het vorige gedaan had. Al dat geweld had zich alleen maar in mijn hoofd afgespeeld. Mijn daadkracht had zich beperkt tot het bovenhalen van mijn portefeuille en het enige wat ik gezegd had was dit: ‘En hoeveel zal me dat nu weer kosten?’ Dat bleek niet weinig te zijn, maar gelukkig had ik voldoende geld op zak.
Flor Vandekerckhove


zondag 17 mei 2015

Stort

Tegen de tijd dat ik mijn legerdienst moest uitzingen was ik al in de echt verbonden. Daardoor mocht ik het in België doen; in Gent, op loopafstand van de echtelijke woning. De kazerne was een hoofdkwartier. Veel beroepsmilitairen. De dienstplichtigen die er toefden waren net als ik getrouwd en ze hadden, anders dan ik, flink doorgestudeerd. De toen veelbelovende jonge politicus Luc Van den Bossche maakte er zijn tijd rond, er was iemand die iets deed bij de Jonge Economische Kamer, Marc Antrop was toen al een kei in het duiden van luchtfoto’s en er was die Van der Smissen die uit een familie van auto-importeurs kwam. Ik zal niet zeggen dat zo’n gemeenschappelijke ervaring je tot vrienden maakt, maar je hebt toch iets om je gezamenlijk aan te ergeren: de troep! Afgezien van die troep hadden we maar weinig met elkaar gemeen. Aparte gevallen waren we, maar Van der Smissen was toch nog iets meer apart dan de rest. Aan zijn Nederlands was te horen dat hij het zelden sprak, aan zijn bewegingen was te zien dat hij het weinig deed en zijn humor was anders dan de onze. Tot dan toe had ik gedacht dat auto-importeurs garagisten waren, maar hij leerde me dat het een zaak van de grote burgerij was. 
Antrop en ik werden uitgenodigd om bij hem thuis iets te komen eten. Wij daar naartoe met onze respectievelijke echtgenotes. Lag er zilver op tafel? Dat herinner ik niet. Kristal op de dis? Ik zou ’t niet meer weten. Maar je kwam er wel in een andere wereld terecht, een die compleet aan de sixties voorbijgegaan was, een wereld waarin jonge mensen zich blijkbaar ongegeneerd als hun ouders gedroegen, een echtgenote die het Nederlands onmachtig was, tafelmanieren die met onze jeugdige leeftijd vloekten. Afschuwelijk was dat samenzijn daarom niet, maar veel redenen om daar lang door te zakken waren er evenmin. Meteen na de koffie werd het toch alweer eens tijd om op te stappen. ‘Want’, zo zei ik lachend tot de gastheer, ‘morgen komen ze ’t vuil ophalen; je moet de vuilnisbak nog buitenzetten.’ Daar sloeg ik de bal toch mis. In het portaal vertelde Van der Smissen me immers dat hij een procedure tegen de stad had aangespannen omdat die van hem een huisvuilbelasting eiste. Neen, hij vond niet dat hij zich daarmee boven de wet stelde. Wel erbuiten, want hij had de dienstverlening van de stad niet nodig. Hij zette de vuilnisbak nooit op straat, hij bracht die naar het privéstort van de familie.
Terwijl de nacht over de stad viel reden mijn echtgenote en ik naar huis. We deden het in stilte, want we hadden iets om over na te denken, al konden we niet meteen zeggen wat dat was. Aan de overkant van het dok braakte een fabrieksschouw rook uit. Het was een stikkend hete dag geweest en de stad rook naar verderf. Thuis zette ik de vuilnisbak op straat, een buurman deed hetzelfde.

Flor Vandekerckhove

vrijdag 15 mei 2015

De laatste dagen van de eenling


Cowboy Burns wordt achternagezeten door een helikopter, een botsing van twee werelden.
In mijn kindertijd, lang voor de tv de ontspanning van 't gezin monopoliseerde, gingen wij ’s zondags naar de film, mijn ouders en ik. Meestal was dat naar de Cameo en meestal was die film een western. Die uren reken ik tot de mooiste uit mijn kindertijd. Als ik een eresaluut aan die wonderjaren mag brengen dan kan ik dat het beste doen door zo’n western aan mijn lijstje van geprefereerde films toe te voegen; for old times’ sake
Een hoogtepunt uit het genre is ongetwijfeld Lonely Are The Brave, uit 1962. Het scenario is gebaseerd op The Brave Cowboy, een roman van de anarchist Edward Abbey, een mens waarover ik later nog wel iets zal schrijven, ook omdat zijn boeken aan de bron liggen van Earth First!, een radicale milieubeweging. Het scenario is dan weer van Dalton Trumbo, een Amerikaanse communist. Een anarchist en een communist: we bevinden ons in links gezelschap. Die Trumbo is trouwens omwille van zijn overtuiging op de beruchte zwarte lijst van Hollywood terechtgekomen. Dertien jaar lang wordt het hem belet om zijn beroep op een normale manier te uit te oefenen. Na het uitzitten van zijn gevangenisstraf emigreert hij naar Mexico om van daaruit scenario’s te schrijven, onder een pseudoniem of onder de naam van een collega. Soms valt zo’n scenario in de prijzen en dan moet zo’n collega die prijs ophalen. Inderdaad: eenzaam zijn de dapperen! En dat geldt ook voor de held van de film. 
De prent bevat een geslaagde romantische kritiek op het kapitalisme en is daarom alleen al waardevol, want wie de romantiek wegzet als waardeloze dromerij of als ronduit reactionair gejammer, die dwaalt! Dat heeft de Michael Löwy me in Herbetovering van de wereld geleerd. We zien Kirk Douglas aan 't werk als volbloed cowboy Jack Burns . Hij heeft de nacht cowboygewijze in openlucht doorgebracht en wordt uit zijn slaap gewekt door overvliegende straaljagers. Wat een tegenstelling! Ook in de daaropvolgende beelden wordt die in de verf gezet. Burns moet een autosnelweg kruisen om zijn tocht verder te kunnen zetten. Twee verschillende werelden worden met elkaar geconfronteerd, een van het verleden en een van de toekomst. Paul, de vriend van Jack, blijkt dan weer opgepakt te zijn omdat hij immigranten over de grens heeft geholpen — jawel, de film heeft actualiteitswaarde. ‘s Mans echtgenote staat er nu alleen voor. Zij zou begrijpelijkerwijze liever hebben dat haar man zich een beetje aanpast. Maar dat ligt moeilijk, zo legt Burns haar uit : ‘A Westerner likes open country. That means he's got to hate fences. And the more fences there are, the more he hates them. Zijn maat Paul heeft juist gehandeld, aldus Jack, wat verkeerd is zijn de staatsgrenzen. ‘Now, that one between here and Mexico is the fence got Paul into trouble. He just naturally didn't see the use of it, so he acted as if it wasn't there. So when people sneaked across it, he just felt they were still people, so he helped them.’ Tegenover deze romantische visie staat haar realisme: ‘Jack, I'm gonna tell you something. The world that you and Paul live in doesn't exist. Maybe it never did. Out there is a real world. And it's got real borders and real fences. Real laws and real trouble. And either you go by the rules or you lose. You lose everything.’ Ze heeft gelijk, want de vrijheid van de cowboy is eigenlijk een mythe. Daarover schreef ik hier eerder al een stuk. ‘You lose everything.’ Het zijn voorspellende woorden, maar op een volbloed romanticus hebben ze geen effect. Burns probeert zijn vriend Paul uit de gevangenis te bevrijden, moet vervolgens op de vlucht slaan, wordt achternagezeten door de bende van de sheriff — in deze nieuwe tijden wordt de posse vanuit de lucht gesteund door een helikopter! — hij slaagt er, mede door zijn grote kennis van de natuur, haast in te ontsnappen, maar komt uiteindelijk om… in het dodende wegverkeer! Zijn paard, al even wild als Burns zelf, komt onder de auto's terecht en moet afgeschoten worden. Je ziet het in de ogen van de stervende Jack Burns: de wereld van de eenling is voorgoed voorbij.
Flor Vandekerckhove


Lonely are the Brave (USA, 1962, David Miller)


dinsdag 12 mei 2015

Joyce, portret van de schrijver als Oostendenaar

Links, tussen de twee torens, staat Hotel Continental. Rechts ernaast: Hotel de l'Océan.
De wind giert rond het huis, de regen geselt de luiken, het haardvuur knettert, de clichés stapelen zich op; hoog tijd om Finnegans Wake uit de kast te halen. Dichter zal ik nooit bij een hobby komen en ja, ik heb er al menig barre winternacht mee zoet gemaakt. Dan ga ik in dat boek op zoek naar Oostendse woorden, want ik denk dat die daarin staan. 
In augustus 1926 brengt James Joyce zijn vakantie in Oostende door. Hij verblijft er tot 15 september. Eerst is dat in Auberge Littoral PalaceThe newest and most up-to-date — een erg duur hotel. Kamers kosten er ten minste 60 frank. Het gezin verkast dan ook gauw naar het Hotel du Phare waar je een kamer met pension voor 40 frank kunt krijgen. Wellicht is ook dat te duur, want uiteindelijk komt Joyce in Hotel de l’Océan terecht. De schrijver is er erg gecharmeerd door de portier die de telefoon opneemt met de woorden: Ici le portier de l’océan
Bekend is ook dat Joyce in Oostende vierenzestig ‘Vlaamse’ lessen volgt. Dat onderricht en het koeterwaals dat hij er opvangt laten sporen na in zijn notitieboekjes. Die worden door de kenners ook vandaag nog uitgevlooid, omdat Joyce ze als een alaambak gebruikt, waarin hij ‘t materiaal verzamelt dat zijn werken vorm geeft. In die werkboeken heeft Joyce inderdaad Vlaamse woorden genoteerd: marmels, kalvers, flerecijn, schaverdijnen, blood, somtijds, klak, oogst (als naam voor de maand augustus)… Er is ook een brief bekend waarin hij zegt dat hij een deel van die Vlaamse woordenschat zal gebruiken voor het personage van Sookerson, de knecht in Finnegans Wake. U ziet het: mijn vermoeden heeft een grond.
Heb ik dat Oostends gevonden? Neen. Finnegans Wake is een verschrikkelijk moeilijk te lezen boek. Het heeft mij enkele jaren gekost om alleen nog maar de titel te begrijpen. Het is literatuur waarin overdadig veel woorden moedwillig vervormd worden. Over de oorsprong van veel van die woorden zijn specialisten het trouwens tot vandaag oneens. Is de bron Vlaams, Nederlands, Duits? Of is ’t Zuid-Afrikaans? Alleen zo’n specialist kan weten dat Minnik’n pass op Manneken Pies slaat en dat chamermissies een neologisme is dat van kamermeisjes komt. 
In een van ’s mans werkboekjes vind je ook het even mooie als merkwaardige ‘All the shups ware to’. Hoor ik daarin de stem van een Oostendenaar die in een soort Oostends-Engels probeert uit te leggen dat alle winkels dicht zijn? Verder dan dat ben ik in mijn speurwerk helaas niet gekomen. Voorwaar een mager resultaat, maar de zoektocht blijft een aangename bezigheid, vooral wanneer de regen tegen ’t raam klettert, het vuur in de haard knettert en all the shups to zijn.
Flor Vandekerckhove

° Dutch in Finnegans wake. Geert Lernaut in James Joyce Quaterly, Vol. 23 N° 1 (herfst 1985).