dinsdag 23 mei 2017

Trump, ook in Bredene


Bredene, dinsdag. — Terwijl de marktkramers hun waar etaleren, sta ik in mijn deurgat een joint te smoren. In huis pruttelt de koffie. Het ziet ernaar uit dat het een zonnige dag wordt. Ik neem me voor om vlug enkele alternatieve feiten bijeen te schrijven en daarna een ochtendwandeling te maken.
Terwijl ik daar zo sta te mijmeren stopt onverhoeds een zwarte Hummer in de straat. Er stapt een langbenige schoonheid uit. Resoluut schrijdt ze bij André de coiffeur naar binnen. De Hummer rijdt vervolgens achteruit, tot vlak voor mijn deur. Nu waggelt er een zwaargebouwde manspersoon uit, in wie ik meteen de president van de Verenigde Staten herken, The Donald!
Die had ik niet zien aankomen. ’t Is te laat om mijn joint weg te foefelen en ik vraag hem een beetje onzeker: ‘Moet u ook een snok hebben, mister president?’
Trump antwoordt: Tremendous! Love it! Je bent een geweldige kerel.'
En terwijl we daar samen van die joint staan te genieten, The Donald en ik, legt hij me uit dat Melania van deze vrije dag profiteert om eens naar de coiffeur te gaan.
‘Dat begrijp ik’, zeg ik, ‘maar waarom in Bredene?’
‘In Bredene zijn omzeggens alle coiffeurs kampioenen’, zegt Trump, ‘dat is worldwide bekend en wat belangrijker is, ze zijn niet duur. Er zijn er zelfs die nog goedkoper zijn dan André, maar die wonen op ’t Sas en dat is een hell hole, daar kan ik me niet vertonen. Hier daarentegen…’ hij zwaait met zijn armen en neemt nog een trek, ‘zon, zee, strand, fantastic…’.
Die kerel valt best mee, lijkt me. En omdat het toch mooi weer is, vraag ik of ik hem in mijn wijk mag rondleiden. ‘Tremendous!’, zegt hij, ‘Great! Make Bredene great again! Love it.’ En zo komt het dat gij me dinsdagmorgen misschien hebt zien wandelen met The Donald aan mijn zij; ik met mijn zwarte alpin op het hoofd en Trump met zijn goudgele haardos, waaraan, zo wil ik benadrukken, André de coiffeur geen enkele schuld heeft.
We ontwijken de markt om geen opstootje te veroorzaken en trekken richting Duinengat, want ik wil hem de zandopspuitingen — make the beach great again! — tonen. Maar zover komt het niet.
Aan het Duinenplein houdt The Donald halt voor het beeld van Irénée Duriez, volgens de enen De wind, volgens anderen De uitdaging, maar in de volksmond gewoon Blote Betsy. Trump is er niet van weg te slaan, ik had het moeten weten. En hij herhaalt woordelijk wat hij enige tijd geleden in Amerika al gezegd heeft: ‘Weet je’ zegt hij, ‘ik voel me automatisch aangetrokken tot mooie... ik begin ze te zoenen. Het is als een magneet. Ik zoen. Ik wacht niet eens. Als je een ster bent, dan laten ze het toe. Je kunt alles doen. (...) Grab them by the pussy. Je kunt alles doen.'
Ik snok nog een laatste keer aan mijn joint, duw de peuk uit en trek de deur achter me dicht. Zonder haperen schrijf ik in één ruk heel dit verhaal neer, en alle komma's staan meteen goed op hun plaats. Straf spul zeg! Amazing!
Flor Vandekerckhove

[Geschreven in solidariteit met de activisten van Trekt Uw Plant.]
Woensdag 24 mei: betoging tegen Trump in Brussel. Start 17.00 u., Brussel Noord.


maandag 22 mei 2017

De kat van Aleksandra

Beneden in de studio verblijven Aleksandra en haar kinderen. Bart heeft gezegd dat het voorlopig is. Bart is haar werkgever, hij heeft haar hier ondergebracht, haar en haar twee kinderen. Er is ook een kat. Dat weet ik pas sinds we elkaar toevallig in de gang gekruist hebben, de kat en ik.
Aleksandra heeft het beest clandestien in huis gebracht, wellicht omdat ze denkt dat de kat er voor mij te veel aan is. Dat is niet het geval. Ik ben een kattenmens. Alleen vraag ik me af hoe ze dat in die studio georganiseerd krijgen, Aleksandra, de kinderen, de kat.
Het is een Litouwse kat. Hij is, net als Aleksandra en de kinderen, per bus naar hier gekomen. Die bus vertrekt in Litouwen en rijdt tot in Frankrijk. Hij stopt her en der om vrouwen uit te laten stappen die onderweg tewerkgesteld zijn. Hier heeft de chauffeur ook Aleksandra’s kat uit de bagageruimte gehaald.
Intussen is de kat ervandoor. Op ’t koertje is hij op de muur gesprongen en vervolgens op het afdak en daarna is hij over de daken de vrijheid tegemoet gesneld.
Aleksandra is het me komen zeggen: ‘Cat’, zegt ze en ‘cryed’. Ze zegt het met haar Litouwse tongval: ‘Crrrraaied’. Ze pulkt aan haar oogleden, waardoor ik weet dat ze geweend heeft en ze wijst naar het dak waarover de kat het hazenpad gekozen heeft.
Ik probeer haar gerust te stellen en zeg haar daarom niet dat de kat een vogel voor de kat is. Ik vertel haar het waargebeurde verhaal van mijn kat die zeven maanden van huis weggeweest is. Die heb ik op een dag, al joggend, in de duinen weergezien — ík was aan ’t joggen, niet de kat. Ik heb Frodo! Frodo! geroepen en hij is met mij naar huis teruggekeerd. Hier heeft hij zich drie dagen volgevreten, ferme tuk gedaan, en daarna is hij weer ervandoor gegaan, deze keer voorgoed. Dat laatste vertel ik evenmin aan Aleksandra, want ze blijft me maar onderbreken: crrrraaied, crrrraaied! Mijn Engels schiet te kort om haar te troosten.
’s Nachts moet ik aan de kat denken. Hij loopt langs bermen van autosnelwegen, ontwijkt bussen die van Litouwen naar Frankrijk rijden, haalt visresten uit vuilnisbakken, glipt onder prikkeldraadversperringen door. In kampen ontsnapt hij aan hongerige asielzoekers en schietgrage kampbewakers. Onderweg jaagt hij op muizen, her en der sticht hij een gezin dat hij vervolgens weer in de steek laat en uiteindelijk komt hij in Litouwen terecht, waar niemand hem opwacht.

Flor Vandekerckhove

vrijdag 19 mei 2017

Dat was even schrikken


’t Is waar, er valt van alles in je mailbox. Zoveel zelfs dat je nergens meer van opschrikt. Maar nu heb ik toch prijs. Ik schrik me een hoedje. En dat om verschillende redenen.
Ten eerste omdat het een bericht van mijn oude makker Marc Loy betreft. Bijna nooit neemt Loy de muis ter hand om me iets mee te delen. Zo heb ik hem vele jaren geleden gevraagd om me enkele foto’s op te sturen en… Acht jaar later valt er een pakje in mijn mailbox. Ja, daarvan schrikt een mens toch even.
Maar ik schrik nog meer van wát ik te zien krijg. Ik zie bangelijk geüniformeerde jongeren die ik omzeggens allemaal ken. De meesten zijn schoolmakkers; met sommigen ben ik zelfs beste maatjes geweest. Maar het evenement dat daar vereeuwigd wordt zegt me niets, de uniformen zijn me vreemd, aan de betreffende jeugdbeweging — KSA — heb ik niet de minste persoonlijke herinnering. 
Het roept bedenkingen op. Hoe komt het dat ik niets van dat gebeuren weet? Waar is dat kamp doorgegaan? Waarom sta ik niet op die foto’s? En als ik daar niet was, waar was ik dan wel? Sta me toe dat ik me daar een stonde het hoofd over breek.
Die jongens zijn mijn leeftijdsgenoten. De foto dateert wellicht van 1962, de jongens zijn twaalf, dertien, veertien jaar. Ze worden gekneed in het katholieke gemeenschapsleven van Bredene Duinen. Hoor ik daar niet bij te zijn?
Tot aan m’n twaalfde ben ik een misdienaar, veel dichter bij het katholieke gemeenschapsleven kun je niet komen. Maar dat is ook het jaar waarin ik daarmee stop. Ik weet niet (meer) hoe dat komt, dat heb ik hier eerder al verteld. Met geloofsafval heeft het niets te maken, want mijn gelovigheid bereikt een absoluut hoogtepunt wanneer ik zeventien word, en dat heb ik daar al beschreven.
Ben ik in die tijd met iemand in onmin gevallen? Of ben ik altijd al minder sociaal geweest dan het me voorkomt? Oordeelt mijn vader dat je op je twaalfde rijp genoeg bent om de hand aan de ploeg te slaan; dat de speeltijd voorbij is? Heb ik het te druk gehad met de ontdekking van vrouwelijk schoon? In de persoon van Gerdje bijvoorbeeld, het mooiste meisje ter wereld? Heb ik mijn vriendschappen buiten het georganiseerde katholieke verenigingsleven gezocht? In duistere kroegen bijvoorbeeld?
Eerder is me al opgevallen dat ik ook ontbreek op deze foto waarop de jongeren staan die de jeugdclub Patro animeren. Al die afwezigheid kan er op wijzen dat ik gedurende enkele jaren slechts marginaal bij zo’n dingen betrokken geweest ben. Vreemd, want in mijn perceptie is dat toch anders. Of is ’t alleen maar toeval dat ik niet op die foto’s sta?
Omdat ik er zelf niet uit geraak, doe ik een rondvraag. Ik vraag het aan Marc Loy, maar die antwoordt uiteraard niet. Vervolgens vraag ik het aan Ivan Schamp die in zijn jeugd een dagboek bijhoudt waarin al die dingen genoteerd worden. Hij heeft me er eerder al op gewezen dat ik wel regelmatig iets over onze jeugdjaren post, maar dat ik, zo leert hem zijn dagboek, daar slechts zijdelings bij betrokken geweest ben, te zijdelings om de feiten correct te kunnen weergeven. Aldus Schamp.
Ivan vermoedt dat ik inderdaad niet bij die KSA betrokken was. Zelf houdt hij er wel herinneringen aan over, ook aan de teleurgang ervan, die hij als volgt beschrijft: Het einde was eigenlijk een opstand waar ik wel een beetje aan de basis van lag. Als jonge pubers lieten we ons niet zo makkelijk meer bevelen. Volgens mijn notities zie ik dat we een toneelspel wilden opvoeren, wat de leiding niet toeliet. Voor ons was dat de druppel die de emmer liet overlopen. Finito KSA... Ik herinner me dat ik in het college op het matje geroepen werd voor het organiseren van een opstand.’
Ik vat samen: ik herinner me dat uniform niet, evenmin het tentenkamp. Ik herinner me dat toneelstuk niet en evenmin de opstand. Maar ik herinner me wel de namen van die jongens: (1) Willy Versluys; (2) Ivan Schamp; (3) Gilbert Conneye; (4) Robert Tas; (5) Danny Crabeels; (6) Freddy Versluys; (7) Marcel Derdeyn; (8) Hubert Derdeyn, a.k.a. Huub Onzia; (9) Marc Loy; (10) Ivan Steen; (11) Eric Pitteljon; (12) ? (13) John Brouwers; (14) Paul Bracke; (15) Hugo Pauwels.

Flor Vandekerckhove

donderdag 18 mei 2017

Aleksandra

Bart komt haar brengen. Eerst komt hij in zijn SUV langs, met een vracht kleren en beddengoed. Ik stapel de stapel in de studio. Daarna besef ik dat daar geen mens meer bij kan. Ik haal een en ander weg. Nog altijd staat de studio vol zakken.
Dan komt Bart weer langs. Nog een lading. En een jongen. Dat is Aleksandra’s zoon, zegt Bart. Er komt ook een zoon in de studio. Hij spreekt Russisch, de zoon. Hij zegt me zijn naam. Ik weet niet waar ik al dat goed moet stapelen. Bart en de zoon zetten alles in de gang en vertrekken weer, want Bart dreigt ergens te laat te komen.
Dan komt hij nog eens langs. Een derde lading, deze keer inclusief Aleksandra’s dochter. Er is niet alleen een zoon, er is ook een dochter. Bart gooit alles in de gang en verdwijnt weer met de dochter, want hij is nu echt te laat. Hij zegt me nog dat het harde werkertjes zijn, dat het spijtig is dat ze altijd het verkeerde soort mannen aantrekken. Werkertjes. Hij heeft het over de Aleksandra’s die vanuit het oosten naar hier komen om te werken en over hun mannen die alleen maar drinken.
Zodra hij weg is haal ik al de bagage weer uit studio. Nu stapel ik alles in mijn atelier, ook de zakken die in de gang staan. Echt een hele grote stapel.
Dan komt Aleksandra zelf. Te voet, zonder Bart. Ze zegt: ‘Worrrrk to-morrrrow’, en ook ‘crrrryed’. Ze pulkt aan haar oogleden en toont me haar armen met blauwe plekken. Ik wijs haar de studio en de plek waar ik de bagage gestapeld heb. Ik geef een sleutel en zeg in mijn eigen Engels dat ze nu maar een beetje tot rust moet komen.
Aleksandra komt uit Litouwen om hier in de onderneming van Bart te werken. Ze is een goed werkertje, maar ze trekt verkeerde mannen aan, dronken Litouwse mannen. Die komen haar hier vervoegen, troeven haar af, waarna zij moet vluchten. De vlucht eindigt in mijn studio. Volgens Bart is alles tijdelijk.
’s Avonds, wanneer ik al in bed lig, komen de kinderen Aleksandra in de studio vervoegen. Ik vraag me af hoe ze dat daar organiseren met z’n drieën. Gelukkig is alles tijdelijk.
We zijn nu een maand later. Ik heb geen idee waar de kinderen van Alkesandra heen zijn, ik heb ze niet meer gezien. Aleksandra laat zich zelf trouwens ook hoe langer hoe minder zien. Volgens Bart slaapt ze weer regelmatig bij het verkeerde soort man. Ze trekt zo’n mannen aan, zegt hij nog eens. De bagage moet ik nog even laten staan.
Flor Vandekerckhove

dinsdag 16 mei 2017

Het Gat


Om te weten wat Het Gat is moet je vanuit België naar IJsland varen, zoals onze IJslandvaarders dat destijds gedaan hebben. Onderweg trotseer je dan Pentland Firth, een zeestraat tussen Schotland en de Orkaden, een tochtgat van nauwelijks 23 kilometer lang en 12 kilometer breed.
Als de wind meezit en je hebt het tij aan je kant dan vaart een vissersschip daar in een half uur wel door. Wanneer wind en tij tegenwerken dan doe je er vier bangelijke uren over. Dat komt doordat de Atlantische Oceaan er tegen de Noordzee opbotst.
Oud-IJslandvaarders houden er allemaal herinneringen aan over. Vooral over de keren dat ze erdoor moeten en het daar nochtans het weer niet voor is. Sommige schippers zoeken dan veiligheidshalve een schuilhaven op, maar er zijn er ook geweest die daar geen boodschap aan hadden. Zo’n schip baant zich dan een weg door huizenhoge golven. Soms gaat dat mis en krijgt het schip een dwarszee over zich, een golf die alles wegspoelt wat op dek staat en de navigatielichten in zee werpt. De ramen van de stuurhut aan diggelen! Door de kapotte ruiten lopen de navigatie-instrumenten op de brug vol water en worden ze onbruikbaar.
Zo’n schip kan op die manier Het Gat niet door en terugkeren is evenmin een optie. De roerganger moet zijn werk nu in ’t ongewisse doen, en dat terwijl hij bakken water over zich heen krijgt. Wat je wel kan doen is dit: je gooit letterlijk olie op de golven en laat het schip, kop in de wind, langzaam varen, wachtend op wat komen zal.
Soms loopt dat goed af, soms niet. Op ’t internet vind ik dit cijfer: in 185 jaar worden ongeveer honderd schepen op de rotsen van Pentland Firth verbrijzeld. Op dat internet vind ik overigens ook deze mooie foto’s van de Vlaamse Amandine die in volle storm doorheen Het Gat trekt.
Het is een prettig weerzien, want Daniël Pots, telg van een Oostends vissersgeslacht, krijgt die foto’s in 1995 vanuit Schotland toegestuurd. In dat jaar mogen we ze in Het Visserijblad plaatsen. Daarna gaan ze een eigen leven leiden.
We zien hoe de Oostendse IJslandtrawler O.129 Amandine, met schipper Marcel Pots aan het roer, eerst óver een golf gaat (foto bovenaan) en vervolgens dóór de daaropvolgende (foto onderaan). Zo doe je dat daar in hevig weer: óver, dóór, óver, dóór, óver, dóór…
Dat zal de Amandine nu niet meer doen. In 1995 wordt de relatief kleine IJslandtrawler aan de kant gelegd. Doordat het schip het laatste is van een eertijds indrukwekkende vloot, komt er tegelijk een einde aan de Belgische IJslandvisserij. 
Het vaartuig ligt inmiddels niet meer tégen, maar óp de kaai in Oostende, waar het als museumschip dienst doet.

Flor Vandekerckhove


zaterdag 13 mei 2017

Saluut aan Catalonië

— Vrijwilligers worden in Spanje overgebracht naar de kazerne van de POUM. De lange figuur helemaal achteraan is George Orwell. —


‘Een volkomen juiste, onbevooroordeelde verantwoording van de gevechten in Barcelona zal er nooit komen, want de bronnen bestaan niet die daarvoor nodig zouden zijn. Het enige materiaal van toekomstige geschiedschrijvers zal een berg beschuldigingen en partijpropaganda zijn.’
George Orwell in Saluut aan Catalonië.


Over sommige gebeurtenissen geraken we niet uitgepraat, zelfs al zijn ze al in de geschiedenis opgenomen, zelfs al wordt aan ons gepraat al lang niets meer toegevoegd. De Spaanse burgeroorlog is zo’n gebeurtenis.
De herdenkingen — Guernica! — laten de debatten weer oplaaien: hoe komt het ook alweer dat de Spaanse fascisten die oorlog gewonnen hebben?
In de Britse krant The Guardian publiceert historicus Paul Preston nu een kritiek op George Orwells Saluut aan Catalonië. (°) Preston is een absolute kenner van de Spaanse burgeroorlog. In het krantenstuk staat dan ook veel wat juist en waar is. Maar staat er ook iets nieuws in?
Boven het artikel staan twee titels. ‘George Orwell’s Spanish civil war memoir is a classic, but is it bad history?’ en de ondertitel: The author of “Hommage to Catalonië” did not grasp the wider context and provided a partial, partisan version.’
Hoezo bad history? Orwell is een geëngageerde deelnemer, een participerende schrijver. Wat hij schrijft is subjectief en partieel. Met bad history heeft dat niets te maken, met good history evenmin trouwens. Wat Orwell doet is iets anders. Hij leert ons hoe een concrete mens in die concrete situatie concreet gehandeld heeft en hij betrekt ons in de gevoelens en gedachten die dat toen in hem heeft opgewekt. Orwells Saluut is een verhaal, zijn verhaal. En omdat hij zo’n goede schrijver is, is het een beklijvend verhaal. Geen enkele historicus kan dat in zijn plaats doen.
Het is juist, zoals Preston zegt, dat Orwell totaal onkundig naar Spanje vertrekt. Maar een indrukwekkend voorbeeld van geschiedkundig onderzoek geeft de historicus ons daarmee niet, want in Saluut zegt Orwell zelf: ‘Toen ik naar Spanje toe ging en nog enige tijd daarna, was ik niet alleen niet geïnteresseerd in de politieke toestand, ik had er zelfs geen erg in. Ik wist dat het oorlog was, maar ik had geen idee wat voor oorlog.’ 
Ook is het juist dat Orwell het eerst bij de Internationale Brigades probeert en pas daarna voor de militie van de POUM kiest, maar ook dat staat al in Saluut: ‘Ik wist dat ik diende in iets dat de POUM heette (…), maar ik realiseerde me niet dat er ernstige geschilpunten tussen de politieke partijen waren.
Orwells verslag van de vergiftigde sfeer in Barcelona noemt Preston marred by its assumption that the Stalinist suffocation of the revolution would lead to Franco’s eventual victory.’ Hoezo marred, hoezo ontsierd? Orwells beschrijving van de meidagen is meesterlijk.
Het is uiteraard juist dat de verantwoordelijkheid voor de Spaanse tragedie in de eerste plaats op conto van de Spaanse, en bij uitbreiding Westerse burgerij geschreven moet worden. Maar beweert Orwell iets anders? In Saluut schrijft hij meermaals dat hij het met de POUM oneens is. Daarom ook wordt hij geen lid van die partij. Ook lees ik in Saluut dat hij de militie wil verlaten en in Madrid de Internationale Brigades vervoegen, want die hebben betere wapens. Maar in Barcelona ondervindt hij wel aan den lijve dat de Spaanse regering, daarin aangestuurd door de stalinisten, zich tegen de revolutionaire verwezenlijkingen keert. Hij beschrijft dat in bladzijden die alleen maar meesterlijk genoemd kunnen worden.
In een essay (°°) uit 1943 kijkt Orwell terug op de Spaanse burgeroorlog: ‘De grote waarheid over de oorlog is eenvoudig genoeg. De Spaanse burgerij zag haar kans schoon om de arbeidersbeweging te verpletteren en dat heeft ze gedaan met de hulp van de nazi’s en van reactionaire krachten uit heel de wereld.’ De partijtwisten tussen anarchisten, POUM en communisten hebben de zaak geen goed gedaan, zegt Orwell, maar dat zijn ‘secondary issues.’ 
In datzelfde essay zegt hij ook: ‘The Trotskyist thesis that the war could have been won if the revolution had not been sabotaged was probably false.’ Het sleutelwoord in die zin is uiteraard ‘probably’. De trotskisten hebben in Spanje immers geen voet aan de grond gekregen. We weten dan ook niet wat er zou gebeurd zijn indien…
Orwell vervolgt: ‘The fascists won because they were the stronger; they had modern arms and the others hadn’t.’ Dat verklaart ook waarom de Spaanse regering buigt voor de eisen van de stalinisten, want de wapens komen vooral uit Rusland. 
In Barcelona is Orwell getuige van de kwalijke gevolgen van dat bondgenootschap: revolutionaire veroveringen worden ontmanteld, verzetstrijders aangehouden, linkse leiders vermoord, honderden anarchisten verlaten ontmoedigd de strijd… en dat alles mondt uit in Franco’s overwinning.
Het artikel van Paul Preston heeft me weer naar Saluut doen grijpen. Na herlezing begrijp ik de kritiek van de historicus niet goed. Het is niet dat Orwell op een voetstuk geplaatst moet worden, want op wat de mens gedaan en geschreven heeft kan veel afgedongen worden — hier, daar en ginder. Maar Saluut aan Catalonië is en blijft een meesterwerk. Lees dat boek!
Flor Vandekerckhove

(°) George Orwell. Saluut aan Catalonië. 1982. Amsterdam Van Gennep. 204 pp. Oorspronkelijke titel: Hommage to Catalonië. 1938. 
(°°) George Orwell. The Collected Essays, Journalism and Letters of George Orwell’. — 1968. — Volume II: My Country Right or Left kan hier van het net gehaald worden. 

donderdag 11 mei 2017

Felix Nussbaum in Oostende


In 2013 ging ik in Oostende kijken naar een mooie tentoonstelling. Er werd werk van kunstenaars getoond die zich door die stad hadden laten inspireren. (°) Daar heb ik voor het eerst schilderijen van Felix Nussbaum (1904-1944) gezien, een Joods-Duitse schilder die, op de vlucht voor Hitler, in 1935 in Oostende terechtkwam.
Ik kende Nussbaum niet, en het heeft niet veel gescheeld of u had hem evenmin gekend, want bijna waren alle sporen uitgewist: ‘Pas een decennium na zijn dood dook zijn naam weer een keer op in de pers, en dan nog op uiterst bescheiden wijze.’ Die krant meldt: ‘Als niet-ariër verliet hij Duitsland en ging naar België. Daar pakte de Gestapo hem op tijdens de oorlog. Waar hij bleef en wanneer hij stierf is niet bekend.’
Dat is inmiddels wel rechtgezet. We weten nu dat hij in 1944, in Auschwitz-Birkelau, door de nazi’s vermoord werd. Zijn schilderijen worden gecollectioneerd en Nussbaum behoort nu tot de canon. In zijn geboortestad Osnabrück is er een Felix-Nussbaum-Haus dat 200 van zijn werken exposeert. En in Vlaanderen heeft Mark Schaevers’s mans biografie geschreven. (°°) Dat een Belg dat doet is niet zo verwonderlijk, want een kwart van zijn leven brengt Felix Nussbaum in Oostende en Brussel door. Hij schildert hier ruim de helft van zijn vandaag bekende werk.
In Oostende is Nussbaum al eerder geweest: ‘Veel meer indruk dan Rome maakte Oostende op mij, waar ik jaren te voren reeds arbeidde (…) Daar ontstonden reeds in 1929 een groot aantal mijner beste tekeningen en toen ik er in 1935 als opgejaagd banneling terug aanlandde op een stormachtigen dag in Februari vond ik onmiddellijk het machtig kontakt terug met deze stad waar de zeewind de vrije wimpels van honderd scheepsmasten tegelijk doet klappen…’
Er komen in die tijd wel meer vluchtelingen aan de Vlaamse kust terecht. Ik heb het hier al over Albert Einstein gehad die in De Haan verblijft, en over de schrijverskolonie die zich in Bredene en Oostende ophoudt heb ik daar al een stuk gepost.
Een van die schrijvers is Irmgard Keun. Ze beschrijft de stad bij aankomst. Zo moet ook Felix Nussbaum Oostende ervaren hebben, meent Schaevers: ‘Het was een glasheldere lente in Oostende. (…) Op de promenade geen mondaine badgasten, alleen een zoutige stormwind. Ik logeerde in een klein hotel tegenover het zeestation (…) Vanuit mijn raam zag ik ’s zondags zwarte rijen dagjesmensen uit het station stromen en verbluffend snel door de omliggende cafeetjes opgeslokt worden. (…) Ik zag ’s morgens vissers hun netten uithangen en op wankele tafeltjes roestrode garnalen stapelen en koraalkleurige langoustines (…)’
Volgens Schaevers ‘lijkt het er wel op dat een van Nussbaums schilderijen, gedateerd 1936 (in de harde lente dat Keun arriveert?), als een illustratie bij deze tekst is besteld. De langoustines zijn op het olieverfschilderij vervangen door schollen (voor de Vlamingen zijn het ‘pladijzen’), maar voorts ademt zijn havengezicht, met een centrale plek voor een visverkoopster, helemaal de sfeer van Keuns beschrijving van de Visserskaai.’ Ik plaats het schilderij bovenaan dit stuk.
In de volgende paragraaf schrijft Schaevers dat het wel vaker gebeurt ‘dat boek en doek, Keun en Nussbaum symbiotisch samengaan. Keun schrijft liefdevol over een emigrantenstel dat ze in Bredene leren kennen heeft. De man is een arts uit Berlijn, nu werkt hij in een vishandel in Oostende. (…) Ze wonen in een kleine kamer in Bredene, en geregeld dossen ze zich ’s avonds feestelijk uit en zoeken Keun dan op om hoffelijk converserend bij een glas wijn de sfeer van een Berlijnse avond van weleer te herbeleven. Wanneer ik Keuns beschrijving van het paar lees doemt het musicerende stel van Nussbaums Komisch Concert meteen op, en vertelt Keun me wat dit doek uitdrukt: dat emigranten ervan houden het verleden te spelen.’ Ik zet het doek hiernaast.
Flor Vandekerckhove

° Xavier Tricot. Bonjour Ostende. Oostende in de internationale kunst. 2013. A’pen, Uitg. Pandora Publishers. 208 pp. ISBN 9789053253519. 
° Mark Schaevers. Orgelman. Felix Nussbaum. Een schildersleven. 2014. A’dam,
 Uitg. De Bezige Bij. 455 pp.
 ISBN 9789023488279.



dinsdag 9 mei 2017

Het merkwaardige actiemiddel van pater Tackmans

Pater Tackmans heeft er een lang leven op zitten, grotendeels gewijd aan een hardnekkig volgehouden verzet tegen abortus en euthanasie. Zijn boeken, lezingen, banbliksems, retraites, carmina burana’s, opiniestukken, homilieën, duiveluitdrijvingen, processies en vormingsdagen hebben van hem de extreme verdediger van de levensextremen gemaakt, het ongeboren extreme aan de ene kant en het uitzichtloze extreme aan de andere.
Nu zijn eigen einde nadert moet hij het nog meemaken dat zijn Broeders van Liefde overstag gaan. Hij zint op extreme manieren om daar iets tegen te ondernemen.
Eerst denkt hij aan een extreme hongerstaking, maar dat is toch meer iets voor de hindoes. Daarna denkt hij aan zelfverbranding, maar da’s iets van extremistische boeddhisten. Dat gaat zo door tot iemand op zijn kamerdeur klopt.
Hij roept: ‘Wie daar?’ en een stem antwoordt: ‘Ik ben de Heilige Rita, patrones van de extreem hopeloze gevallen.’
‘Godver’, zegt Tackmans, ‘dat pokkenwijf! Ik zou wel gek zijn om dat mens binnen te laten.’ Hij kijkt door het sleutelgat en ziet hoe Johannes de Doper, Nicolaas van Tolentino en Augustinus zich in de gang aan Rita openbaren. Omdat Tackmans zijn klassieken kent weet hij wat er vervolgens zal gebeuren: de deur gaat vanzelf open. 
Rita schrijdt zijn slaapkamer binnen. Aldaar ontvouwt zij niet zichzelf, zoals u misschien wel denkt, want ze heeft die drie pottenkijkers met zich mee; neen, ze ontvouwt een extreem actieplan waarmee Tackmans de euthanasiepraktijken te lijf kan gaan.
Pater Tackmans telefoneert meteen naar professor Netelmans, een specialist. Die laat er geen gras over groeien, want het lijden van pater Tackmans is, mede door diens gelofte van trouw, geestelijk ondraaglijk en fysisch onomkeerbaar. Getuigen Johannes, Augustinus en Nicolaas tekenen het formulier en hopla, klaar is Kees.
Alzo geschiedt het dat pater Tackmans de wens uitdrukt om zich te euthanaseren als extreem protest tegen de euthanasie. 
Dat u daar nog niets van gehoord hebt komt doordat de Romeinse Curie zich eerst nog over dit merkwaardige actiemiddel moet uitspreken. Naar verluidt zou Rome nog voor de eeuwwisseling tot een besluit komen.
[Op vraag van de betrokkenen werden enkele namen gewijzigd.]

Flor Vandekerckhove

zaterdag 6 mei 2017

Kamiel Stubbe: ‘Elk snijdt zijn eigen stuiten.’

— Kamiel Stubbe speecht. [De storende teksten op de foto
komen van het programma waarmee ik mijn oude
scanner
 aan de praat krijg: gewoon negeren.]
In 1993 krijg ik op het redactiekantoor van Het Visserijblad een brief van Mariette Saelens. Het is niet zomaar een lezersbrief. In de omslag zit een krantenartikel uit ‘De Vervoerarbeider’. Auteur is Kamiel Stubbe uit Bredene, de overleden echtgenoot van Mariette. Datum van publicatie: november 1939.
Wijlen Kamiel Stubbe brengt in dat stuk verslag uit van een reis die hij meemaakt; niet zomaar een reis, hij gaat vissen op de Witte Bank, met de Oostendse vissers van de O.215 Alex-Marie.
Ik veronderstel dat De Vervoerarbeider een vakbondsblad is en dat Kamiel als syndicalist aan boord gaat, want in de brief meldt weduwe Mariette Saelens dat haar man vóór de oorlog een syndicaal propagandist is. Tijdens de oorlog is hij ‘OCMW-bediende in Bredene-Dorp’, zo schrijft ze, en daarna wordt hij ambtenaar bij de RVA.
Bovenstaande alinea laat nogal wat vragen open. Op het net vind ik op 't eerste gezicht niets wat me meer leert over De Vervoerarbeider. Evenmin weet ik voor welk syndicaat Kamiel ijvert. Dat heb ik indertijd nagelaten te vragen omdat het me toen meer om de visserij te doen was dan om de auteur. Ik zou het nu wellicht nog allemaal kunnen uitvlooien, maar ik ga dat niet doen, dat lijkt me meer iets voor de Bredense heemkundige kring Ter Cuere te zijn. Bovendien reken ik er een beetje op dat lezers reageren. [Het liefste heb ik dat ze hun reacties niet naar mij sturen, maar dat ze hun reacties onder dit stuk plaatsen, dat verlevendigt de blog.]
Op de foto zien we hem een tafelrede houden. Het is een na-oorlogs beeld, want aan de wand hangt koningin Fabiola, althans haar beeltenis. De foto heb ik eveneens van Mariette Saelens gekregen. Ik heb hem in Het Visserijblad van maart 1993 afgedrukt, naast het stuk dat ik uit die Vervoerarbeider overneem.
Ik ga dat artikel niet nog eens in zijn geheel reproduceren, want nu is het me, in tegenstelling tot toentertijd, minder om de visserij te doen dan wel om de herinnering aan deze oud-Bredenaar. Maar weet dat de Witte Bank niet vlak voor de deur ligt. De visgrond begint bij het noordelijk gedeelte van Nederland, passeert de Duitse kust en gaat tot aan het zuidelijke deel van Denemarken. Vandaag spreken de Vlaamse vissers niet zozeer meer van Witte Bank, ze noemen dat daar nu de Duitse bocht.
Wanneer Stubbe de bagage van de visser beschrijft, spat de poëzie van het blad. Guido Gezelle zou van dat Vlaams genoten hebben, net zoals ik dat nu nog altijd doe: ‘In den pluizak hebben de mannen hun verschooning. Den inventaris ervan: vier paar zeekousen, een onderbroek, een hemd, een onderhemd, een baai, vriezebroek, djomper, wanten, halsdoeken, zakdoeken en handdoeken, zeep en scheergerief. Voeg daarbij de zeekleederen die ze aanhebben; de schoenen en ’t kostuum dat ze aan hadden toen ze aan boord kwamen, en ge komt reeds tot een fraai pak kleergoed. Daarbij hebben wij nog hun zeegoed: oliebaai, kloefen, zeelaarzen, olieschort en zuidwester.’
Vervolgens werpt Stubbe de blik in het verblijf: ‘In ’t logies hebben zij dan nog hun beddegoed: bed, hoofdkussen, en een paar dekens.’
Hij wikt hun mondvoorraad: ‘De panger bevat eten voor 14 dagen: boter, eieren, vleesch, conserven, groenten, salade, kaas, hesp (begin der reis), spek, zalm, sardienen, zeekoekjes, melk in doozen, suiker, mosterd, olie en azijn. Verder nog hun tabak, bier, limonade of water, en soms ook wel een fleschje goeien.’ Met dat fleschje goeien wordt Cognac bedoeld.
‘Wanneer wij op ’t einde van de reis zijn, en de meegebrachte spijzen verminderen, eet men “van onder den kiel”. ’s Morgens droogvisch; ’s middags gekookte visch, en tusschenin gebakken visch of gekookte kreeftjes.’
‘Elk snijdt zijn eigen stuiten, doet er boter of gelei op, als de boter tenminste niet sterk geworden is. Zoo ondereen gezeten in het logies (waar steeds de geur van de mazout in den neus knijpt) zonder tafel, met de tas of de potten nevens hen op de zitbank, verorberen zij hun maal.’

Flor Vandekerckhove
P.S.: Intussen heeft Jacques Deroo, voorzitter van het OCMW Bredene en schepen, me laten weten dat De Vervoerarbeider het vakblad was van de CCV, de Christelijke Centrale voor Vervoerarbeiders. 
Schepen Deroo heeft er ook eens de C.O.O.-notulen van 29 oktober 1940 op nageslagen. Op de vergadering waren aanwezig: burgemeester André Zwaenepoel, voorzitter Jozef Demeere, dd ontvanger Georges Zwaenepoel, secretaris Gaston Lams en verder ook nog de leden Valère Vermoortel, Pieter Benthein, Theophiel Cools, Charles Vandeile en Charles Melis. Op de vergadering werden Kamiel Stubbe (3 stemmen) en Isidoor Goethals (6 stemmen) benoemd tot tijdelijke bedienden van de C.O.O.

donderdag 4 mei 2017

Een schoolfoto uit 1948


Op 18 april valt er een bericht in mijn elektronische brievenbus. Luc Blomme stuurt me een foto van een schoolklas, een klas van zijn vader Albert Blomme (†) die in Bredene Duinen onderwijzer geweest is. Luc vermoedt dat het beeld van 1948 dateert. Zelf ben ik in dat jaar nog niet geboren, het is dus lang geleden, zeer lang.
Luc Blomme kent enkele namen.
Op de bovenste rij bijvoorbeeld, achter het nummer 7, staat Roland Inghelbrecht. Die mens herinner ik me. Hij is hier fietsenhersteller geweest. Mijn herinneringen plaatsen hem ook, terecht of onterecht, bij een initiatief dat alhier het gocarten promoot. Later vestigt hij zich in Oostende om daar een zaak te leiden die moto’s verkoopt. Dat Inghelbrecht op de foto staat geeft ons een houvast, want de Oostendse winkel heeft een website. Ik stuur een e-mail in de hoop meer te vernemen, maar er volgt helaas geen antwoord.
Luc herinnert zich nog andere namen. Nummer 4 zou Etienne Melis (†) zijn; 9 is Roger Depoorter (†), een telg van boer Depoorter wiens doening uitgaf op een weide tegen de Zegelaan. Blomme weet dat daar drie kinderen waren: Roger, Gilbert en Lucrèce. Roger zou, denkt Luc, later accidenteel om het leven komen, tijdens werkzaamheden op zijn boerderij in Vlissegem; 13 is Oscar Tas; en 15 is Albert Loy (†). Ook daar zijn aanknopingspunten. Ik stuur de foto door naar Bert Tas, de jongste broer van Oscar (13) en hoop dat de jongste bij de oudste nog enkele namen kan sprokkelen.
Ik schakel mijn trouwe informanten in. Met succes! Roland Van Loo weet dat Roger Depoorter (9) inderdaad overleden is; hij heeft zelfs een datum: 21 mei 2005. Roland herinnert zich ook namen. In de bovenste rij, achter het 6, bevindt zich Fernand Vansieleghem. Dat is weer een aanknopingspunt, want ik ken Fernand. Ik heb hier eerder al een stukje over hem gepost. Misschien loop ik wel eens langs om te kijken of hij zich enkele schoolmakkers herinnert.
Achter 5 staat, zo zegt Van Loo me, Remi Van Gheluwe. Ha, ook dat is hoopgevend, want Remi woont hier om de hoek. Zijn echtgenote, Eliane Steen, gaat al eens op de koffie bij Paulette Hollevoet en van haar heb ik het mailadres. Ik stuur de foto door.
Dank zij Roland Van Loo weten we nu ook dat Charles Pyck het nummer 14 is. Dat de lange jongen achter het nummer 4 Etienne Melis zou zijn, kan Van Loo niet voor de honderd percent bevestigen. Hij formuleert enig voorbehoud. Remi Van Gheluwe (6) beweert dan wel dat Etienne Melis (4) en hij nooit in dezelfde klas gezeten hebben, maar hier past dan een opmerking. De onderwijzers hadden toen misschien wel meer dan één klas onder hun hoede; dat was in elk geval zo toen Albert Blomme mijn onderwijzer was. Hij gaf toen les aan het vijfde, zesde, zevenste en achtste leerjaar en al die klassen zaten samen in één lokaal.
Door al wat hierboven staat mag ik hopen dat we erin gaan slagen alle namen van die jongens te vinden, maar opeens… blijft het stil in mijn malbox. Dit is het moment waarop we de foto op 't net zetten, wellicht komt er nog iets boven nadat we de foto gepubliceerd hebben.
Leuk detail: rechts achteraan zit een groepje jongens te pekkelen (bikkelen in ’t Nederlands). Het spel slorpt hen zodanig op dat het fotogebeuren hen geenszins interesseert. Spijtig, want misschien hadden zij ons nog enkele namen kunnen meedelen.
Hoe dan ook, wat we momenteel over bovenstaande foto weten is dit: (1) Albert Blomme (†); (2) Gilbert Janssens; (3) Robert Bertens; (4) Etienne Melis (†); (5) Remi Van Gheluwe; (6) Fernand Vansieleghem; (7) Roland Inghelbrecht of Roger Casier; (8) Louis Aspeslagh (†); (9) Roger Depoorter (†); (10) André Lems; (11) Gilbert Rousseau of André Wachtelare of Marcel Devriendt; (12) Roland Versluys; (13) Oscar Tas, (14) Charles Pyck (†); (15) Albert Loy (†). 
De namen die in vetjes in het zwart staan zijn deze die we kennen op het moment dat ik dit stuk post. Maar wat gebeurt er vervolgens? Meteen nadat het bericht in mailboxen gevallen is, gaan mensen, overal te lande, maar vooral te Bredene, op zoek naar de ontbrekende namen. Wat ik nadien verneem is niet weinig. Ik zet de aanvullingen in 't rood
Al wat hieronder staat is wat mij achteraf ter ore — eigenlijk 'ter oge' — kwam.
Nummer 4 is wel wegelijk Etienne Melis. Roland Van Loo, die goed bevriend was met Etienne, haalt er Godelieve Melis bij. Die vlooit haar fotoalbums uit en bewijst zodoende aanschouwelijk dat 4 Etienne Melis is en niemand anders. 
Ook Caroline Slabbinck trekt op speurtocht. Zij is de nicht van Roland Inghelbrecht (7) en ze stuurt prompt een mail naar diens zuster Marie-Thérèse. Daardoor weten we nu dat nr 3 Noël Versluys is, de oud-motocrosser, dat blijkt fout te zijn, zo weten we inmiddels. Bovendien, zegt Marie-Thérèse, moet ook Georges Decoster op de foto staan. We weten nog niet waar, maar wat niet is kan komen. Het zoeken mag gestaakt worden, want ook dat is onjuist. Intussen heeft ook Bert Tas iets van zijn oudste broer vernomen:  nummer 2 is Gilbert Janssens. Er blijven vier nummers die nog geen naam hebben. 
Leon Pyck laat ons, hieronder in een reactie weten dat zijn neef Charles Pyck (14) al een aantal jaren geleden overleden is, na diens naam plaats ik een (†).
En dit is wat Roland Versluys me via de webmaster van NieuwsBredene laat weten: ‘De klas op de foto is het 7de leerjaar van 1948-1949. (1) meester Blomme; (2) Gilbert Janssens; (3) Robert Bertens, een neef van Bertens die in de Driftweg woont. De neven woonden destijds in de Gentstraat in dezelfde woning; (4) Etienne Melis (†); (5) Remi Vangheluwe; (6) Fernand Vansieleghem; (7) Roger Casier, woont nu in De Haan. Roger heeft gewerkt in Ebes, de electriciteitsfabriek en is zeer vroeg op pensioen mogen gaan, ook is hij een alhier bekende beenhouwer; (8) Louis Aspeslagh, woonde vroeger in de Duinenstraat, is nu wellicht uitgeweken; (9) Roger Depoorter (†), zoon van Maurice van het Turkeyenhof; (10) ? Lems, waarvan de voornaam me ontsnapt, woont nog steeds in Bredene; (11) is ofwel Gilbert Rousseau ofwel André Wachtelare, ofwel Marcel Devriendt; (12) ben ik, Roland Versluys, Brugsesteenweg 53b Bredene; (13) Oscar Tas (Bazar); (14) Charles Pick (†); (15) Albert Loy (Bertje) vroeg gestorven, begin 1950, door een gaslek in de woning.'
Luc Blomme herinnert zich de voornaam van Lems: Lode. Maar volgens Roland Versluys is het André. En Danny Lems laat ons weten dat zijn vader André Lems zich in nummer 10 herkent, waardoor we nu ook de voornaam van Lems met zekerheid kennen.
Flor Vandekerckhove