zaterdag 31 oktober 2015

De ontdekking van café Derby

Het huis (bouwjaar 1938, architect Lingier) wordt beschreven in 

De site www.delcampe.net is een schatkamer. De ondertitel luidt De Internationale Ontmoetingsplaats van Verzamelaars. Je vindt er postzegels, munten en bankbiljetten, Artisprenten en overdadig veel postkaarten. Ook over mijn thuisgemeente Bredene heeft Delcampe beelden verzameld. Ik vind er gebouwen weer die ik gekend heb en die inmiddels afgebroken zijn. Soms heb ik de bewoners gekend, soms hangen er anekdotes aan vast. Ze herinneren me aan mijn kindertijd. 
Bij Delcampe stoot ik ook al eens op een afbeelding die me tegelijk vertrouwd èn volkomen vreemd is. Dat is bijvoorbeeld het geval met de hierboven afgedrukte foto die Delcampe benoemt als Hotel Derby Bredene. Gezusters Borret. Dat gebouw ken ik. Het staat op de hoek van de Prins Karellaan en de Peter Benoitlaan. Het is in deze blog al eerder aan bod gekomen, toen ik het hier over Bredene en de pakketbootstijl had. Tegelijkertijd is het beeld me volkomen vreemd, want nooit eerder heb ik iets over de gezusters Borret gehoord en evenmin over een hotel Derby dat in dat huis uitgebaat zou zijn.
Jean-Pierre Boentges kent het gebouw al van in de vroege jaren vijftig. Maar of daar ooit een horecazaak uitgebaat werd? Wel weet hij dat het eigendom geweest is van de familie Verhelst die er een vertegenwoordiging van bakkersproducten Zeelandia in uitgebaat heeft. Het gebouw wordt in 1982 gerenoveerd en op de benedenverdieping werd lang een bankkantoor van Gemeentekrediet ondergebracht. Vandaag heeft het gebouw blijkbaar moeite om een nieuwe bestemming te krijgen.
Ik probeer op de foto herkenningspunten te vinden. Of het werkelijk een hotel geweest is, valt uit het beeld niet af te leiden. Reclame op de gevel heeft het over Café Derby. Tussen de twee woorden staat een ovalen bord dat te onduidelijk is om me meer te leren. Dat geldt ook voor de affiche die aan het raam hangt. Links en rechts van de centrale deur staan enkele stoeltjes en een paar bloembakken, het café heeft een eenvoudig ogend terras. Een hondje kijkt in de lens. In de deuropening, die wellicht toegang geeft tot de gelagzaal, zie ik drie mensen staan: een man die geflankeerd wordt door twee vrouwen in witte schort. Zijn dat de gezusters Borret? Links, om de hoek, is er nog een deur. Wellicht leidt die naar de bovenverdiepingen. Zijn daar hotelkamers? Of betreft het appartementen? Op elk van de verdiepingen kijkt een bewoner uit het raam.
Van William Schreus krijg ik een bericht: ‘Wat ik weet is dat Camiel Trio daar nog café gehouden heeft.’ William steekt zijn licht op bij een aantal leeftijdsgenoten en krijgt een verduidelijking van Roland Van Loo toegestuurd: ‘Het waren de ouders van Camiel die het café in 1944-45 uitbaatten. Vader heette Cyriel. Er waren drie dochters en er was veel ambiance. Rond 1950 is Trio in de Kapelstraat café Sporting gaan uitbaten.’
Waardoor we toch al een en ander over café Derby weten. Maar nog altijd blijven er onopgeloste vragen. Als vader Cyriel Trio dat café samen met zijn dochters uitgebaat heeft, waarom heeft Delcampe het dan over de gezusters Borret? Voorwaar een prangende, edoch nog steeds onopgeloste kwestie.

Flor Vandekerckhove




donderdag 29 oktober 2015

Leven & streven van Assata Shakur

— Assata Shakur werd in 1977 veroordeeld voor de moord op een politieman. In de jury zaten familieleden, partners en vrienden van leden van de Amerikaanse staatspolitie. (Foto NY Daily News via Getty Images.) —
Op 2 november 1980 ontsnapte Assata Shakur (°1947, als Joanne Deborah Byron) uit een Amerikaanse gevangenis. Ze vluchtte naar Cuba, waar ze in 1984 weer boven water kwam. Fidel Castro had haar inmiddels politiek asiel verleend. Hij was de mening toegedaan dat deze activiste van de Black Panthers en van de Black Liberation Army in de USA onterecht veroordeeld werd voor de dood van een politieman. Assata woont vandaag nog steeds in Cuba, maar de Amerikanen geven niet op. In mei 2013 kwam ze daar in de top tien terecht van de Most Wanted Terrorist List. Wie haar aan de FBI uitlevert wordt 2 miljoen dollar rijker.
Alhoewel Assata Shakur al drie decennia lang geen voet meer op Amerikaanse bodem gezet heeft, blijft ze daar toch erg bekend. In de protestmarsen die in Amerika georganiseerd worden, telkens een politieman het weer eens nodig geacht heeft om een zwarte mens te liquideren, vallen de hoodies op waarop te lezen staat: Assata taught me; Assata heeft me wel geleerd hoe de zaken in elkaar zitten. [Om mijn leeftijdsgenoten te instrueren moet ik hier wellicht aan toevoegen dat een hoodie een bij jongeren populair kledingstuk is. Om dan weer de jongeren te instrueren, die misschien wel denken dat die brutale politieoptredens incidenteel zijn, plaats ik een documentaire onder dit stuk, waarin je van Assata iets anders verneemt.] En op de achterkant van zo’n hoodie staat: ‘It is our duty to fight for our freedom. It is our duty to win. We must love each other and support each other. We have nothing to lose but our chains.’  (‘Het is onze plicht om te strijden voor onze vrijheid. Het is onze plicht om te winnen. We moeten van elkaar houden en elkaar steunen. We hebben niets te verliezen behalve onze ketenen.’) Dat citaat komt uit Assata: An Autobiografie, een boek dat ze in 1987 in Cuba geschreven heeft. Je kunt het gratis in een PdF-versie van ’t web halen. [Hier past een technische noot. Je vindt dat boek niet als je hier https://libcom.org/files/assataauto aanklikt, maar wel als je die url kopieert en er Google vervolgens naar laat zoeken. Het staat dan bovenaan de opgeroepen lijst. Ik weet ook niet waarom ’t op de ene manier niet lukt en op de andere manier wel.]
Al bladerend in dat boek vallen meteen de gedichten op die de teksten onderbreken. Blijkt dat Assata niet alleen een revolutionaire activiste is en een slachtoffer van het Amerikaanse racisme, maar ook een dichteres. Het boek opent met zo’n gedicht waarvan de laatste lijnen in vertaling luiden: En ik geloof dat een verloren schip, / Gestuurd door vermoeide, zeezieke zeelui, / Nog altijd naar huis gegidst kan worden / Naar de haven. Assata Shakur is een optimiste en optimisme is iets wat wij, vermoeide matrozen van een verloren schip, goed kunnen gebruiken.
Assata Shakur is een harde tante, maar ze blijft ook nederig: ‘I have eaten crow and blunder bread, and breathed the stench of indifference’. Ook zij heeft in ‘de stank van onverschilligheid’ geleefd en begrijpt dat niet iedereen haar weg kan volgen: ‘If you are deaf, dumb, and blind to what is happening in the world, you’re under no obligation to do anything.’ Anders is het voor wie weet hoe de wereld draait: ‘But if you know what’s happening and you don’t do anything but sit on your ass, then you’re nothing but a punk.’
In het boek neemt ze een document op dat To my people heet. Ze heeft dat stuk in de gevangenis geschreven: ‘Ik heb de oorlog verklaard aan de rijken die op onze armoede gedijen, aan de politici die liegen terwijl ze ons toelachen, en aan al de hersenloze, harteloze robotten die hen en hun eigendommen beschermen.’ Die robotten zijn de Amerikaanse bottinekes die ze in het boek onomwonden pigs, fascists en Nazi’s noemt.
Indrukwekkend is het gedicht dat ze op ’t einde van het tiende hoofdstuk plaatst. In Leftovers – What is Left maakt ze in dertien korte strofen de balans van haar leven op. Wat blijft daarvan over na de veroordeling, de tralies en de ketens? Wat blijft er over nadat je kind in de gevangenis geboren werd en vervolgens weer van je afgenomen? Wel wat overblijft is dit: I’m in love with / Losers and laughter. / I’m in love with / freedom and children. // Love is my sword / and truth is my compass.
Flor Vandekerckhove

Assata Shakur documentary

woensdag 28 oktober 2015

Werkloos


Richard zou het niet tegen zijn vrouw vertellen. Hij zou het huis op het gewone uur verlaten en ’s avonds zou hij op het gewone uur weer thuiskomen. Hij zou dat blijven doen tot hij weer werk gevonden had. Tegen die tijd zou het vernederende ontslag, dat hij vandaag gekregen had, zijn eigen keuze voor ander werk geworden zijn.
Hij probeerde er een gewone avond van te maken, maar zijn echtgenote was zenuwachtig en zweeg tijdens het eten. Vermoedde ze iets? Ze bleef zwijgen tijdens het afwassen. Was er iets in zijn gedrag dat hem verraadde? Hij moest alles uit de kast halen om niet te laten blijken hoe de stress hem overmande. Vanuit zijn ooghoeken zag hij hoe ze naar hem keek als een geslagen paard. Toen ze samen in de sofa zaten, was zwijgen geen optie meer. Terwijl hij strak naar het journaal bleef kijken, vroeg hij schijnbaar achteloos: ‘Scheelt er iets schat? Je bent zo stil.’ Ze barstte in tranen uit en zei: ‘Ik dacht het stil te houden tot ik iets gevonden had, maar ik zie nu wel dat je het toch vermoedt.’ Hij keek haar onbegrijpend aan en hoorde haar toen zeggen : ‘Een maand geleden ben ik op het werk ontslagen.’

Flor Vandekerckhove

dinsdag 27 oktober 2015

Lowietje de Neet, een martelaar

— Zo een waarvan ge de armen kunt uittrekken. —
Het waren andere tijden. Omdat zachte heelmeesters in die tijd stinkende wonden maakten zette een buurman bij het opvoeden van zijn zoon de martinet in, een soort zweep. Wanneer de zoon niet horen wilde dan moest hij voelen. Meester Eierboer, die zijn leerlingen liefhad, spaarde dan weer de roede niet. Die had hij eens op Gilberts knoken willen slaan, maar de jongen had in een reflex zijn hand weggetrokken en Eierboer sloeg zijn roede tegen de bank aan gruzelementen. Daar moest Klein Lowietje hard om lachen, wat hem een straf van honderd lijnen opleverde: Ik ben een neet. Ik ben een neet. Ik ben een neet. Ik ben een neet… Honderd keer na elkaar, opdat hij er nooit meer aan zou twijfelen.
Het leven van een neet was in die tijd geen sinecure. Klein Lowietje hield er slaapproblemen aan over. Zijn moeder zei dat hij moest lezen tot wanneer hij in slaap viel. Ze bedoelde bidden. Zo ging dat in die tijd, men zei lezen maar men bedoelde bidden. Wanneer de neet speelgoed liet rondslingeren was ‘t van Orde en netheid leiden tot God. Hij was een sloddervos, kansloos voor het hiernamaals en vijftien jaar later verliet hij dan ook onze moeder de heilige kerk om in de diaspora een vreugdevoller bestaan op te zoeken.
Toen was hij echter zover nog niet. Hij had eerst een lange tocht door het vagevuur te gaan. Dat vagevuur zag er soms alzo uit. Die dag verplichtte zijn moeder hem om haar vergiffenis te vragen. En wel voor iets waarvan hij vond dat ik het niet gedaan had. Hij weigerde, want een neet vraagt geen vergiffenis voor iets wat hij niet gedaan heeft. Moeder steigerde en begon hem met haar pantoffel te slaan, vlam vlam vlam en gij zult vergiffenis vragen. Tussen zijn intens vloeiende tranen ontwaarde Klein Lowietje op de schoorsteenmantel het beeld van het Heilig Hart, zo een waarvan ge de armen kunt uittrekken. Dat beeld kwam hem te hulp. Het bewoog Zijn uitneembare armen, wees met Zijn vinger naar Zijn bloedend hart, sprak en zeide: Ge Moet Haar Een Loer Draaien. Dat was een echt mirakel, dat ziet ge aan de hoofdletters waarmee het beeld tot Klein Lowietje sprak. De neet rechtte het hoofd, keek in trance naar het beeld, strekte zijn armen en sprak met trillende edoch luide stemme: Ik vraag alleen vergiffenis aan God! Zijn moeder ging nu echt door het dak. Het regende pantoffelslagen op zijn netenhoofd, maar dat kon hem niet langer deren, want hij was een martelaar geworden. De naam van Lowietje de Neet werd toegevoegd aan deze van Sebastiaan, Stefanus, Ignatius van Antiochië, Polycarpus van Smyrna, Cyprianus, Perpetua & Felicitas; allemaal martelaren. En daarna was het bedtijd.

Flor Vandekerckhove

maandag 26 oktober 2015

Flessenpost


Wie aan de kust geboren & getogen is heeft het minstens één keer gedaan. Zelden hou je er blijvende gevolgen aan over, maar soms gebeurt het toch. Dat laatste is de familie Morel overkomen.
In 1983 zijn de Morels met vakantie aan zee. Na een storm vindt dochter An op het strand een fles met daarin, jawel, een handgeschreven boodschap: ‘We are the Caruana family and we are travelling from Dover to Ostend.’ Het briefje vermeldt een adres in het Verenigd Koninkrijk. De Belgen sturen de Caruana’s een postkaart: ‘We hebben jullie boodschap gevonden.’ Wanneer ze na de vakantie thuiskomen, is er al een antwoord. Van het een komt het ander en er ontstaat een vriendschap die inmiddels al 32 jaar standhoudt.
Is dat geen mooi verhaal? Zo zijn er trouwens nog. Verleden zomer heeft Marianne Winkler aan de Duitse kust ook zo’n fles gevonden. Ze haalt er een postkaart uit die daar al 108 jaar lang in zit. Daarmee wordt een record verpulverd dat lange tijd op 99 jaar is blijven staan en in 2014 voor ’t eerst over de 100 gaat, want in dat jaar vindt een Duitse visser een Deense flessenpost die 101 jaar eerder in ’t water terechtgekomen is. (Daar zaten postzegels bij om te antwoorden!)
De meest merkwaardige boodschap is wellicht deze. In een fles zit een kaartje. Daarop meldt iemand in ’t Engels dat die fles gelijktijdig met zijn stoffelijke resten aan het water toevertrouwd werd. Wie de boodschap vindt wordt verzocht een foto op de daartoe speciaal gemaakte facebookpagina te plaatsen en de fles weer in zee te werpen, zodat hij zijn tocht kan voortzetten. Wat de vinders vervolgens ook doen.
Er leeft overigens een hele cultuur rond het fenomeen. Er bestaat een interessante geschiedenis van de flessenpost. Er is een fictieboek over zo'n fles geschreven en daarvan is ook een film gemaakt. In Duitsland beheert iemand een heus Flaschenpostmuseum. Mocht je zelf niet zo goed ter tale zijn, weet dan dat er, ook in Duitsland, iemand is die zich Flaschenpostredakteur noemt. Hij zal je zeker helpen. Mensen die ver van zee wonen kunnen hun fles overigens laten versturen door een flessenpostkantoor, jawel, want in Mainz bestaat inderdaad een Flaschenpostamt
Rare jongens die Duitsers. Maar de Vlamingen moeten er niet voor onderdoen. Ik ken een visser die massaal veel flessenpost in zee gegooid heeft. Met die hobby heeft hij zelfs de tv gehaald. Op ’t scherm zie je hem wel honderd plastic (!) flessen overboord keilen. Hoeveel ervan intussen deel uitmaken van de drijvende vuilnisbelt die plasticsoep genoemd wordt, is me niet bekend.
En dan is er ook nog het verhaal dat op 15 januari 1915 in het Britse blad The Shipping Gazette te lezen is: : ‘The Margate police forwarded to us a message in Flemish, taken out of a bottle picked up yesterday morning.’ De krant had het briefje vertaald en zo vernemen de lezers dat de Oostendse stoomtrawler O.38 Princesse Marie José aangevaren is en gezonken. Het bericht, ondertekend door de schipper, vermeldt ook de menselijke tol: ‘All gone forever’.
De Oostendse reder Golder kon er niet om lachen, want zijn schip werd helemaal niet vermist en het handschrift van de flessenpost was niet dat van zijn schipper. De zeevaartpolitie viste uit dat de fles in zee geworpen werd door de negentienjarige matroos Louis Lefevre. Louis had dat het een goeie grap gevonden. De zeevaartpolitie dacht daar anders over, want de snoodaard had zodoende een artikel van het strafwetboek overschreden. Hij werd ter beschikking van het gerecht gesteld, maar niet overboord gegooid.
Flor Vandekerckhove

The Police - Message In A Bottle

zondag 25 oktober 2015

Droogdok strandt te Bredene

— 1961. Het aangespoelde droogdok in Bredene (Collectie Foto Luc) —

Nonkel Miel, de oom van mijn vader, was een strandjutter. Hij zocht in ‘t zand naar munten waarmee hij er vervolgens een ging kraken. Het strandjutten was voor hem een economische bedrijvigheid, hij zwengelde ermee zijn koopkracht aan. Er zijn ook vandaag nog strandjutters die naar munten zoeken, maar nu worden ze geholpen door een metaaldetector, terwijl nonkel Miel alleen zijn arendsblik kon inzetten. Voor anderen is het strandjutten geen economische bezigheid, maar een levensstijl, een cultuur. In het kantoor van Het Visserijblad kreeg ik ooit bezoek van strandjutter Wim Kruiswijk uit het Nederlandse Zandvoort. Gevonden voorwerpen houdt Wim keurig bij als ware hij de conservator van het museum van aangespoelde strandvondsten. In zijn collectie zit een neusschot en een staartbeen van een walvis, een tand van een prehistorische grottenbeer en een stukje kaak van een reuzenhert. Allemaal op ’t strand gevonden. Op mijn vraag of àlle strandvondsten in aanmerking komen om bij hem een plaats te krijgen, antwoordde hij: ‘Je kunt het zo gek niet bedenken of ik sleep het mee naar huis.’
Dat was schromelijk overdreven van Wim Kruiswijk. Ogenblikkelijk schoot mij een beeld te binnen van een op ’t strand aangespoeld voorwerp dat hij geenszins had kunnen meenemen. Ik dacht meteen aan het droogdok dat ik in mijn kindertijd op ’t strand van Bredene had zien staan. In maart 1961 was het tijdens een hevige voorjaarsstorm losgeslagen van een Nederlandse sleepboot. Het dok van de firma Philip & Son Ltd kwam op het strand van Bredene terecht en kon daar niet meer vlot getrokken worden. Het was een ophefmakende gebeurtenis en de BRT kwam het gestrande dok filmen. Norbert Olders en ik maakten er gebruik van om het nieuws te halen, want toen de opnames begonnen, stapten we, zogezegd toevallig, parmantig voorbij de aangespoelde mastodont. Of we echt het televisienieuws gehaald hebben weet ik niet meer, maar ik meen me wel te herinneren dat het hele ding uiteindelijk door een schroothandelaar ter plekke afgebroken werd. Bredenaars mochten geen handje toesteken, want de politie had er ons in grote letters van verwittigd dat het betreden van het droogdok strafbaar & verboden was. Spijtig, want er stond van alles op dat wij goed hadden kunnen gebruiken, al wisten we niet meteen waarvoor.
Flor Vandekerckhove
P.S.: Mijn buurman denkt dan weer te weten dat het droogdok met springtij wel degelijk van het strand losgekomen is. Bij die operatie werden, zo herinnert hij zich, drie sleepboten ingezet, waarvan er een in aanvaring gekomen is met een golfbreker.

— (Collectie Foto Luc) —

vrijdag 23 oktober 2015

Leren schrijven met Lucia Berlin

— Lucia Berlin (1936-2004) — 
Lucia Berlin schrijft over haar eigen leven, ze bedrijft het genre dat autofictie heet. Tijdens het schrijven verandert dat leven wel, het wordt verliteratuurd. Ze brengt er ritme en kleur in, verdicht het, schaaft en reconstrueert het tot het literatuur geworden is. Een van haar zonen zegt daarover: Our family stories and memories have been slowly reshaped, embellished and edited to the extent that I’m not sure what really happened all the time. Lucia said this didn’t matter: the story is the thing.’ Het is het verhaal waar het om gaat.
Als kind komt ze zo’n beetje overal in Amerika terecht. Veel verhuizen is ook wat ze in haar volwassen leven blijft doen en elke nieuwe plek is goed voor weer nieuwe verhalen. Dat geldt ook voor elke nieuwe man die haar weg kruist en voor elke nieuwe job die ze aanneemt, van poetsvrouw tot docente en alles wat daartussen ligt. En het geldt zeker voor haar alcoholverslaving en de lichamelijke kwalen waaraan ze leidt.
Een leven met veel vreugde & verdriet en met prachtige verhalen. Enkele werden dit jaar in ‘t Nederlands uitgegeven als Handleiding voor poetsvrouwen. Voor mij was dat een openbaring en wel van het soort dat ik eerder al mocht ervaren toen ik de Rus Isaak Babel in de nieuwe Nederlandse vertaling las en wanneer ik de Amerikaanse Grace Paley leerde kennen, een prachtschrijver, waarvan helaas (nog?) niets in ’t Nederlands vertaald werd. Babel, Paley en Berlin hebben trouwens de uitgepuurde vorm met elkaar gemeen en het genre waarin ze alle drie zo goed zijn, het korte verhaal. Paley en Berlin hebben daarenboven een gemeenschappelijk onderwerp: het dagdagelijkse leven van alleenstaande moeders.
Ik zie dat Lucia Berlin 68 geworden is, een leeftijd die ikzelf vervaarlijk dicht aan ’t naderen ben. Heeft ze me nog iets te leren? Dat heeft ze heel zeker, zowel naar inhoud als naar vorm. Wat ook blijkt uit dit citaat uit het verhaal Neerstrijken: ‘De enige reden waarom ik zo oud geworden ben is dat ik mijn verleden heb losgelaten. Verdriet, berouw, medelijden heb buitengesloten. Als ik ze binnenlaat, mezelf één enkel kiertje toesta, zal de deur beng openvliegen en zullen golven van pijn mijn hart overspoelen mijn ogen met schaamte verblinden kopjes en flessen kapotslaan potten verbrijzelen ramen versplinteren bloederig rondstrompelen over gemorste suiker en gebroken glas doodsbenauwd kokhalzen totdat ik met een laatste siddering en snik de zware deur dicht duw. De scherven nog één keer opruim.’ Ik ga dat ook doen, die kier goed dichthouden, want ook bij mij zou de deur beng openvliegen. In het aldus ontstane tochtgat zouden ook mijn komma’s weggeblazen worden door emoties die nauwelijks bij onze leeftijd passen. Ja, ik ga dat ook doen.
Flor Vandekerckhove

Lucia Berlin, Handleiding voor poetsvrouwen. Lebowski Publishers, Amsterdam 2015. 256 ps. ISBN 978 90 488 2709 1.


Lucia Berlin 8mm Home Movies

(N)ergens tussen Kortrijk en Gent

— De spoorwegmaatschappij zet oud materiaal in op die lijn, wagons die naar vocht en koude tabaksrook ruiken.
Een trein die me als in een western over de prairies voert. — 

1966. Ik ben twintig en pas getrouwd. Mijn echtgenote werkt in Kortrijk, de stad waar we ook wonen, ik studeer in Gent en heb nog twee maand te gaan. Het is mei en ik zit in de trein die me kort na de middag van Gent terug naar Kortrijk brengt. Die vervoert op dat uur nauwelijks passagiers en ik heb mijn plaats voor ‘t uitkiezen. De spoorwegmaatschappij zet oud materiaal in op die lijn, wagons die naar vocht en koude tabakrook ruiken. Houten, donkerbruin verniste banken. Verboden te spuwen. Een trein die me als in een western over de prairies voert.
Die trein is al aan ’t rijden wanneer ze binnenkomt. Spijtig, want het vooruitzicht om helemaal alleen, in een voor de rest lege wagon, te reizen, heeft mijn fantasie geprikkeld, zodat ik niet langer naar het gehate Kortrijk spoor, maar naar nergens. Ze gaat op een bank aan de andere kant van de gang zitten, tegen de rijrichting in, op een plek waar ook zij plaats zat heeft, niemand naast haar, niemand voor haar. Twee mensen in een treinwagon, schuin tegenover elkaar, op weg naar nergens.
Ze hangt haar jas aan het haakje, steekt voorwaar een hasjpijpje op en kijkt naar buiten. Ik kijk en leg mijn oog op de meest sexy vrouw die ik ooit gezien heb. Ik probeer mijn krant te lezen en houd dat ook een tijdje vol, maar niet erg lang, want altijd weer worden mijn ogen naar die vrouw getrokken, naar die pijp en naar haar lippen, naar haar ogen, haar boezem, platte buik, en naar de korte rok die me haar billen toont. Ik probeer ervoor te zorgen dat onze blikken elkaar niet kruisen, want ja, ik ben pas getrouwd, waarin het woordje trouw een vervelend maar doeltreffend belletje laat rinkelen, terwijl zij een sexy vrouw is, een hasjrokende vrouw, een beeldmooie vrouw van dertig, misschien meer, een vrouw die in de trein ongegeneerd de pijp opsteekt, een vrouw waarvan Isaak Babel zegt: ‘Zo’n vrouw was het. Hadden u en ik er maar zo een!’
Op den duur gebeurt het toch, dat onze blikken elkaar kruisen. En daarna gebeurt het dat ik weer wil gluren en moet zien hoe zij mij ongegeneerd zit aan te kijken. Ze lacht gul. Ik lach vlug en vaag terug en probeer de indruk te wekken dat mijn blik als bij toeval op haar valt, maar meer dan slecht toneel is dat niet, en tegen de tijd dat de trein Kortrijk binnenrijdt, kijken we in elkaars ogen, open en bloot, onbeschaamd en geil.
We staan al op ’t perron, vlak bij de uitgang, wanneer ze me aanspreekt. Ze doet het in een extreem plat West-Vlaams dialect dat ik me bij haar niet heb voorgesteld.  ‘Ik zien vees te verre gegoan’, zegt ze, ik ben veel te ver gegaan. Dat vind ik van mezelf eigenlijk ook, dat ik te ver gegaan ben. Maar wat zij zegt heeft niets met moraal of spijt te maken of met excuses. Wat ze zeggen wil is dat ze haar halte heeft laten passeren en nu in Kortrijk staat, een stad waar ze helemaal niet moet zijn. ‘Ik zien vees te verre gegoan. Wa moen kik nu doën?’
— Ze steekt een hasjpijpje op —
Dit is het moment! In het leven van elke mens is er dat moment waarop alles aan ’t wankelen gaat. Eén moment. Iedereen herkent het en zegt: dit is het moment! Dat mag je niet laten passeren. Samen met haar wacht je op de trein die haar terug zal voeren. Je reist met haar mee naar die onbekende halte, ergens tussen Kortrijk en Gent, ergens nergens, de plek die ze voor jou heeft laten liggen. Op dat moment blaas je de bruggen op, je laat de hogeschool en het diploma achter je en ook het versgedraaide huisgezin waarvoor je toch niet deugt. Je haakt af en verdwijnt in het diepste gat van Vlaanderen, een negorij wellicht, een plek waar de kerk op zondag vol zit, waarna iedereen het met iedereen doet, een gemeenschap waar de mensen een haast onverstaanbaar West-Vlaams dialect spreken, een volk dat stamt van foorkramers en circusgasten, rondtrekkende dievenbendes en muzikanten gespecialiseerd in zigeunermuziek. Een bastion van vergeten beroepen, een reservoir van oude verhalen over getalenteerde waarzegsters, rijk geworden scharenslijpers die ook kruidenkenners waren en befaamde paardenmenners die nu van ’t oud ijzer leven. Daar in dat gehucht, waar de vrouwen een gevaarlijk goedje stoken en sigaren van zelfgekweekte tabaksblaren op hun billen rollen, word je haar minnaar, haar slaaf, haar lustobject, haar schandknaap en op ’t einde van ’t verhaal schrijf je in één geut van driehonderd bladzijden dat verhaal neer, waarna het haar beurt is om je naar de trein te brengen, die je van ergens nergens wegvoert naar ergens anders, waar je uit de trein stapt als de schrijver die je anders nooit had kunt worden.
Dat is waarlijk het moment! Maar ik ben niet het soort mens dat zo’n dingen doet. Ik ben een gewone jongen en nog maar pas getrouwd. Twee maanden scheiden me van een hogeschooldiploma. Ik buig het hoofd, keer me van haar af en loop de straat op die naar mijn echtelijke woning leidt. Niets wijst er die dag op dat het al lente is, want het hagelt hard in Kortrijk en het is er ijzingwekkend koud.
Flor Vandekerckhove

zaterdag 10 oktober 2015

In memoriam Grace Lee Boggs


In Detroit overleed op 5 oktober de linkse activiste Grace Lee Boggs. Ze werd honderd. Grace Lee Boggs was erg bekend in Amerika, zozeer zelfs dat Obama himself een rouwbetuiging stuurde: Grace dedicated her life to serving and advocating for the rights of others — from her community activism in Detroit, to her leadership in the civil rights movement, to her ideas that challenged us all to lead meaningful lives.’
De Chinees-Amerikaanse Grace was al politiek actief in de jaren dertig. In die tijd leerde ze CLR James kennen, waarover ik hier in de blog al een stukje schreef. Ze vervoegde de werkgroep van James die uit de trotskistische Socialist Workers Party (SWP) gestapt was om in 1940 tot de nieuw gevormde Workers Party toe te treden, een rechtse afsplitsing. Daar vormden ze de zgn. Johnson-Forrest Tendens die in 1947 alweer naar de SWP terugkeerde. Vanaf 1950 ging die tendens evenwel een eigen leven leiden. [CLR James was tot de conclusie gekomen dat een revolutionaire partij overbodig geworden was. In 1956 dacht hij die stelling bewezen te zien toen de Hongaren, zonder zo’n partij, tegen het stalinisme in opstand kwamen.] 
Een stabiel leven leidde de groep van James en de zijnen echter niet. Er volgde een nieuwe splitsing, waarbij Grace Lee Boggs James bleef volgen en samen vormden ze nu de groep Facing RealityDat is ook de titel van een boek dat Grace Lee Boggs in 1958 publiceerde. Co-auteurs waren CLR James en… Cornelius Castoriadis. Die laatste was in trotskistische kringen wereldberoemd als stichter van Socialisme ou Barbarie, een Franse groep die piepklein bleef, maar desalniettemin veel invloed verwierf.
Van Castoriadis heb ik enige tijd geleden de biografie (*) gelezen. Grace Lee wordt daar inderdaad in vermeld. Ze ontmoeten elkaar voor ’t eerst in 1948. Grace Lee Boggs komt in dat jaar zes maand in Parijs wonen om er voor de Johnson-Forrest Tendens het 2de congres van de trotskistische 4de Internationale voor te bereiden. In de biografie lees ik dat ze dat onder meer als volgt doet: ‘passant de longues moments avec Castoriadis, dont elle tombe amoureuse.’ (Ha die trotskisten!) Zelf zei Castoriadis dat de contacten met Grace ‘ont joué un rôle décisif à une étape où ma pensée se formait, et je lui dois en partie d’avoir dépassé le provincialisme européen.’ De groep van Grace Lee blijft na dat congres in de Internationale, Socialisme ou Barbarie daarentegen trekt er uit en het contact tussen Castoriadis en Grace verwatert. In de late jaren vijftig wordt de band hersteld, wat resulteert in het al hoger vermeld boek dat je hier overigens volledig kunt lezen.
In 1962 verwijdert Grace Lee Boggs zich van Facing Reality en van CLR James. Over haar evolutie zegt ze in 2011 zelf: We urgently need to stop thinking of ourselves as victims and to recognize that we must each become a part of the solution because we are a part of the problem.’ Dat leidt haar naar een nieuw soort activisme: ‘Creating models of work, education, art and community that would transform those rebels filled with righteous anger into productive change agents who understood that self-transformation and structural transformation must go hand in hand.’ Self-transformation oftewel: verander de wereld, begin bij jezelf. Mmmmmm… geen wonder dat Obama haar zo lovend uitwuift. Hoe dan ook, over haar activisme en de evolutie in haar denken bestaat een mooie documentaire die onomwonden American Revolutionary heet, voorwaar een mooie titel.
Flor Vandekerckhove

(*) François Dosse, Castoriadis. Une vie. Paris 2014. Editions La découverte. 532 ps. ISBN 978-2-7071-7126-9.

AMERICAN REVOLUTIONARY, Grace Lee Boggs Documentary with dir. Grace Lee 

donderdag 8 oktober 2015

De lijn

In Gent heb ik de keuze tussen de 3 en de 9. De 9 toert rond de stad en rijdt daardoor zachter dan de 3 die er dwars doorheen rijdt. Toch neem ik liever de 3 en niet alleen omdat die er minder tijd over doet. De 9 rijdt soepel, in een grote bocht rond Gent, over een egaal wegdek en, aan de overkant van de Brugse Steenweg, in en rond de betere wijken van Mariakerke, waar ze wellicht allemaal Je suis Charlie zijn, mensen die beter dan de moslims weten wat er in de Koran staat: je suis Etienne. Keurige huizen, keurig afgereden gazons, een beetje zoals het keurige wegdek, en borden die buschauffeurs aanmanen keurig hun snelheid te minderen omwille van de keurige kinderen. De 9 neem je aan Sint-Pieters en je moet er lang op wachten, zo lang zelfs dat er soms twee achter elkaar aankomen, een volle en een lege. Iedereen moet in de volle. Je leest het, alles aan de 9 is vervelend: het wachten, de omweg, de duur, het effen wegdek, het effen volk, de wijken die je kruist, die lege bus achter de volle… 
De 3 is anders. Die zit vol mensen die zelden Je suis Charlie zijn, volk dat luid telefoneert in talen die me vreemd zijn, terwijl de kinderwagens naast elkaar staan. De 3 neem je aan de Dampoort, vlak bij een plek waar daklozen, bierblik in de hand, de naderende winter bespreken, en van daaruit voert hij je dwars door Gent, zelden via dezelfde route, omdat daar altijd wel ergens een straat open ligt, altijd over hobbelige wegen, altijd hevig schokkend, omdat ze de Gentse binnenstad maar niet egaal krijgen. Op zo’n bus moet je de goeie plaatsen bezetten, want de 3 is slecht voor de vering en voor je rug.
Haast elke keer ontwaar ik op die weg mensen die ik meen te herkennen uit lang verleden tijden, wat niet zijn kan, want mensen kunnen niet dertig jaar lang onveranderd blijven. Misschien zijn het hun kinderen. Ze navigeren met omafietsen doorheen het stof, fijn en ander, van drukke straten waar veel winkels Market heten en waar je verschillende soorten waterpijpen kunt kopen, waar het vlees honderd procent halal is en affiches je oproepen om voor Fatima te stemmen. Een frituur die Pitta Bassan Baba heet, dagwinkels die nachtwinkels zijn en een café waarop de mededeling White Trash Only niet zou misstaan. Dikke mannen die tien meter voor hun dikke vrouw uitlopen. Kinderen met dikke snotneuzen en snotneuzen met dikke kinderen.
Wat me aan de 89 laat denken. Da’s de nachtbus die ik wel eens placht te nemen wanneer ik in Oostende naar de film geweest was. Een bus die me, via de Opex en de Groenendijk, uit Oostende weer naar huis bracht, waar ik net op tijd aankwam om nog rap de Uitzending van derden mee te pikken, een programma dat speciaal gemaakt werd voor het slapengaan. Die bestaat nu niet meer, de Uitzending voor derden, evenmin als het gratis lijnabonnement dat ik vroeger van de socialisten kreeg. We moeten nu allemaal besparen en een Golf Diesel van Volkswagen kopen, dat is beter voor het kapitaal. Op de 89 heb ik eens een vader met zijn kind gezien, twee tieners die samen een stapje in de wereld gezet hadden. Dat houd je niet voor mogelijk, maar ik heb het toch gezien. Ze hadden beiden zo’n cap op het hoofd, en de vader zag er net iets ouder uit dan zijn zoon; twee zwartrijders.
Flor Vandekerckhove

In memoriam Camiel Vandekerckhove

Wanneer deze foto gemaakt werd weet ik niet. Ik heb lang gedacht dat het vóór WO II was, maar ik zie nu dat de kerk van Bredene-Duinen, op de achtergrond, al helemaal gebouwd is, dus dateert de foto ten vroegste van 1946. We zien het gezin van Zoë Van Lysebettens en Edmond Vandekerckhove, in een sneeuwlandschap. Bovenaan, van l. nr r.: Marcel (†), Zoë (†), Alice, Edmond (†). Onderaan: Camiel (°Bredene, 22.09.1932 - †Oostende, 20.09.2015), Erna, Jenny.

Het was vrijdagmorgen en de klok sloeg tien. Telefoon. Of ik wel eens in mijn brievenbus kijk? En of ik dat deze week al gedaan had? Of ik wist dat Camiel overleden was? Of ik naar de dienst zou komen? Of ik wist dat die om 10 uur zou doorgaan — de daaropvolgende dag. Of ik na de dienst zou blijven eten? Maar dat het laatste geen verplichting was.
Uiteraard kijk ik in mijn brievenbus. Neen, daar was geen doodsbrief in gevallen. Neen, dat nonkel Camiel overleden was wist ik niet. Waar die dienst zou doorgaan wist ik evenmin. Over dat eten moest ik eerst een beetje nadenken, ook omdat het zo uitdrukkelijk geen verplichting was. En dat ik een extra doodsbrief zou krijgen. Ik moest beloven dat ik in m'n brievenbus zou kijken.
Ik legde de telefoon neer, keek voor alle zekerheid nog eens in de brievenbus en dacht aan nonkel Camiel die me een keer, toen ik tien was, in de bakfiets meegenomen had, om er vlug een te gaan kraken in café Sportwereld. Nonkel Camiel die me, toen ik twaalf was, naar het voetbal van A.S. Oostende meenam, waarvan hij een vurig supporter was. Nonkel Camiel die van mij een mens gemaakt had — een van de weinigen! — die in de XXIste eeuw nog altijd Een kusje bij het autobusje kan zingen, en dat tot ergernis van mijn vriendin: ik hou je vast omklemd tot het autobusje remt, / je stapt op de marchepied en trekt me met je mee, / je hangt al aan 't lusje en geeft me nog een kusje / ting, ting, doet de bel: schat slaap wel. Vooral dat ting, ting, doet de bel is onvergetelijk. Van nonkel Camiel komt ook de merkwaardige uitdrukking: Al wie geen haar heeft is een puit!, een kreet die nergens op slaat, maar waarmee ik in mijn studententijd toch veel succes gehad heb.
Mijn vader had veel gemeen met Camiel, zijn jongere broer, zelfs de stem. Kort nadat mijn vader gestorven was, kreeg ik een telefoontje van Camiel en ik dacht waarlijk dat ik mijn vader hoorde spreken. Een ervaring uit de twilightzone! Ook wij hadden veel gemeen, Camiel en ik. We konden fantaseren als geen ander. En we dronken graag een pint (in mijn familie dronken alle mannen graag een pint.) Zelf dronk ik zo graag een pint dat ik er al lang mee opgehouden ben. Fantaseren daarentegen doe ik nog altijd, daarvan getuigen ook veel stukjes in deze blog.
Naar die uitvaartdienst ben ik niet geweest en naar dat diner evenmin, want dat kreeg ik niet meer georganiseerd. Ik was, eerlijk gezegd, ook een beetje te veel in mijn gat gebeten — dat is een West-Vlaamse uitdrukking — om het nog te willen organiseren. En het had het bijkomende voordeel dat ik aan de tralala van de pastoors ontsnapt ben, wat ik anders ook wel gedaan zou hebben.
Ze hadden me gemist, zegden ze achteraf. En het was niet met opzet gebeurd. De doodsbrief was wel verstuurd, maar hij was helaas niet gearriveerd. Ah de post! Het gebeurt wel meer dat dingen niet aankomen. Ook mijn belastingbrief, die ik ruim op tijd verstuurd heb, is nog altijd onderweg, zo vernam ik van overheidswege. En da’s ieder jaar weer hetzelfde. Zwijg me van de post!
Flor Vandekerckhove

Louis Baret: Geef mij nog een kusje. (ca 1954)

woensdag 7 oktober 2015

Maandag wasdag

Ik had een berg wasgoed, maar geen wasmachine. Mijn oog was al meermaals op het wassalon gevallen waar nooit iemand te zien was. Daardoor durfde ik er ook nooit binnengaan, waardoor mijn wasgoed juist een berg geworden was. Maar die maandag was het anders. Ik passeerde het salon, zag achteraan een man, ferm bezig met zijn was. Ik haastte me naar huis en propte mijn berg was in twee grote tassen waarop reclame stond van een winkel waar ik nooit geweest was.
Toen ik met mijn was het wassalon betrad was die man nog steeds aan ’t wassen. Het was mijn eerste keer in zo’n wassalon en ik had geen idee hoe men daar z’n was moet wassen. Maar er was die man aan wie ik het kon vragen, een man die wellicht al langer uit de echt gescheiden was, een man met veel ervaring in het wassen in zo’n wassalon, een man met misschien wel enig kleingeld op zak, wat ik thuis niet gevonden had, en die hopelijk ook zeep bij zich had, gesteld dat je daar je eigen zeep voor nodig had, wat ik niet wist, een man die me iets kon zeggen over droogkasten, over ’t strijken van de was en die me iets kon leren over de valkuilen van een wasbeurt in zo’n wassalon.
Ik lachte breed toen ik met de ene tas de deur open duwde en met de andere weer dicht, maar de man beantwoordde mijn lach niet, toch niet met een wederlach. Ik stapte helemaal naar achteren, waar zijn was lag die hij aan ’t plooien was en zette mijn tassen wasgoed op twee stoelen, nauwelijks een stoel verwijderd van de plek waar zijn krant was blijven liggen. Ik wilde hem, weer breed lachend, ’n dag zeggen, maar hij weerde me af met een kordaat handgebaar en zei: ik kom hier alleen maar voor mìjn was! Daar had ik geen antwoord op, ’t was trouwens ook geen vraag geweest van hem, hij zei gewoon hoe het daar was, op maandag wasdag in het wassalon.
Flor Vandekerckhove

dinsdag 6 oktober 2015

In memoriam Henning Mankell

— Henning Mankell (°1948-†2015) —
Op 5 oktober is Henning Mankell (1948-2015) overleden. De Zweedse auteur is alhier vooral bekend omwille van zijn misdaadromans die bewerkt werden voor de televisie. De moeilijke verhouding van zijn antiheld Kurt Wallander met diens dochter Linda, beiden werkzaam bij de politie, bezorgt Mankell een aparte plaats in dat genre.
Henning Mankell was een linkse activist. Ook in de Wallanderboeken komt die wereldvisie tot uiting. Daarmee past hij in een sterke traditie van linkse Zweedse verhalenvertellers. De rij vertrekt in 1965 bij het schrijversechtpaar Sjöwall & Wahlöö. Het is een beetje te lang geleden dat ik nog iets van dat koppel gelezen heb om het met zekerheid te stellen, maar ik vermoed dat die boeken sterk verwant zijn aan deze van Mankell. Wellicht vallen er boeiende vergelijkingen te maken tussen enerzijds inspecteur Martin Beck van Sjöwall & Wahlöö en anderzijds Kurt Wallander van Henning Mankell. En tussen het Zweden van de sixties (Sjöwall & Wahlöö) en dat van de eeuwwisseling (Mankell).
De linkse stroming waarvan die auteurs exponenten zijn vindt m.i. een artistiek hoogtepunt in de film Adalen 31 (1969) van regisseur Bo Widerberg en krijgt vanaf 2009 zelfs een ongewoon spectaculair commercieel succes met de verfilmingen van het oeuvre van de linkse Stieg Larsson.
Een tip ! Terwijl de herfst oprukt, terwijl het regent & waait, terwijl de bomen hun bladeren verliezen en al je energie verloren gaat in het snot dat in beken uit je neus stroomt, moet je hier eens klikken. Daar vallen een heleboel verfilmde boeken van Henning Mankell te bekijken. Gratis. In ’t Zweeds weliswaar, maar wel met Engelse ondertitels. Tegen de tijd dat je al die films bekeken hebt, is je verkoudheid alweer over. Of toch bijna.

Flor Vandekerckhove

zondag 4 oktober 2015

Het pad waarvan de boeken spreken



 Op kamp in Nijlen, 1965 — 1. Chris Stuyts (†); 2. Marc Loy; 3.Gilbert Boey; 4. ‘Jocketje’; 5. Ivan Schamp; 
6. Roland Vanmassenhove; 7. Jan Vangeluwe; 8. Koenraad Leveque (†)9. Flor Vandekerckhove
10. Lucien Leroy; 11. Erik Poppe; 12. Willy Versluys; 13. Hugo Pauwels; 14. Danny Crabeels; 
15. Bert Tas; 16. Serge Schout; 17. Paul Vangeluwe; 18. Lucien Geryl. —

Soms moet er echt niets aan toegevoegd worden. We volgen de vijftienjarige François Seurel op diens tocht, een queeste waarin zijn zeventienjarige vriend Le Grand Meaulnes hem voorgegaan is. Dit is het punt waarop ook bovenstaande jongens zich bevinden: een mysterieuze tussentijd, ergens tussen klein en groot. Een fietstocht, een bos, een landhuis, een avontuur, een momentum.
‘Soms is er een klein stukje fijn zand waar ik loop. En in de oneindige stilte hoor ik een vogel — ik verbeeld me dat het een nachtegaal is, maar dat kan niet, want die zingen alleen ’s avonds — een vogel die hardnekkig hetzelfde wijsje blijft fluiten: stem van de ochtend, zacht gesproken woord in de schaduw, lieflijke uitnodiging tot een reis tussen de elzenbomen. Onzichtbaar en koppig schijnt zij mijn tocht onder de bladeren te begeleiden.’
‘Voor het eerst ben ook ik nu op avontuur uit. Het zijn geen schelpjes meer, door het water achtergelaten, die ik onder toezicht van meneer Seurel zoek, geen kruiden die de onderwijzer niet kent, zelfs geen uitgedroogde bron, zo diep verborgen onder de bladeren en zoveel onkruid dat het elke keer meer tijd nam haar te vinden, zoals die op het land van de oude Martin… Ik zoek iets nog geheimzinnigers. Het is het pad waarvan de boeken spreken, de oude, verborgen weg, die de uitgeputte prins niet heeft kunnen ontdekken. Die vind je op het meest verloren ogenblik van de ochtend, als je al lang vergeten bent dat het elf uur wordt, en twaalf uur… En plotseling, als je met aarzelende handen, ter hoogte van het gezicht, de takken van het dichte lover uiteenschuift, heb je hem voor je, als een lange, sombere laan, waar je aan het uiteinde een kleine, ronde lichtplek ontwaart.’
Na je zestigste moet je dat boek herlezen. Je moet !
Flor Vandekerckhove

Alain Fournier. Le Grand Meaulnes. In ’t Nederlands vertaald door Max Nord als Het grote avontuur.