maandag 30 juli 2018

Sigaretje voor de gele trui

— Staf Van Slembrouck (1902-1968) draagt de gele trui in de Ronde van 1926. Hij wacht niet tot na de rit om er een op te steken. —   

Elk jaar, wanneer de renners een punt achter de Ronde van Frankrijk zetten, wordt het mij zwaar te moede. De zomer is, besef ik dan, half voorbij en het aftellen naar donkere tijden kan beginnen. Elk jaar ontwerp ik strategieën om de alzo ontstane tristesse te counteren. Tevergeefs, want nooit staat hij stil, de tijd, altijd gaat hij verder.
Dit jaar probeer ik de tour-de-france-tijd te rekken door er een stukje aan te breien over een plaatselijke wielerheld.
Ik heb het niet over de Bredenaar Marcel Seynaeve die inderdaad ook aan de Ronde deelgenomen heeft. Over Marcel heb ik hier immers al iets geschreven. Heden onderhoud ik u over de Oostendenaar Gustaaf Van Slembrouck, de man van drie (elders lees ik vijf) tourdeelnames. 
In deze van 1926 haalt hij het einde niet, maar in dat jaar draagt hij wel zeven dagen lang de gele trui. Die omgordt hij na winst in een van de langste etappes ooit: 433 km! Dat getal is zo indrukwekkend dat ik 1 & ander opzoek, het betreft de rit Metz-Duinkerke, de afstand klopt.
De foto toont het al: Staf is een fenomeen. Bekend is deze anekdote. Tijdens een koers ontsnapt hij uit de kopgroep. Als zijn voorsprong groot genoeg is, gaat hij in ‘t gras zitten om er eentje op te steken. Hij zit er nog als het peloton passeert.
Van Slembrouck baat bij leven en welzijn een fietswinkel uit. Zijn stadsgenoot Omer Vilain beschrijft die tijd: ‘Rond zijn dorpel hingen altijd jonge kerels, die al zijn wedervaren over de Pyreneeënritten uit zijn mond wilden horen vertellen. Dat deed hij graag.’ Zelf heeft Vilain ook naar Staf geluisterd: ‘Hoe hij eens in de Pyreneeën met een gebroken fiets staande, onmiddellijk voor de kinderfiets van een jongetje dat voorbijreed, 500 fr. wilde betalen, maar dat het jongetje antwoordde: ‘Wat moet ik met dat geld doen?’ (°)
Nergens wordt de opgave van Staf in de Ronde van 1926 zo plastisch beschreven als in ‘De Enige Echte Nederlandse Rooms-Katholieke Wieler Blog’ van Fabio Farelli : De etappe van Bayonne naar Luchon wordt de verschrikkelijkste ooit genoemd. Bij de start, rond middernacht, regent, hagelt en sneeuwt het. IJskoud was het. Wegen waren niet meer als dusdanig herkenbaar, de modder lag lagen dik. In die omstandigheden werden de renners vijf cols opgestuurd. de Aubisque, de Tourmalet, de Aspin, de Peyresourde, die vijfde kan Fabio niet achterhalen.' [schrijft Fabio zelf hé.]
‘Lucien Buysse valt aan, d'n Staf reageert en moet er met bandbreuk weer vanaf. Met zijn bevroren vingers kreeg hij de tube niet van de velg. Een Engelbewaarder vermomd als vrouwtje brengt hem 'n bakske warm water waardoor hij zijn vingers kan ontdooien. Met 35 minuten achterstand kan hij de achtervolging weer in.’
‘Op de Tourmalet is het zo erg dat hij van z'n fiets moet en er simpelweg niet meer opkomt. Hij wil opgeven maar wordt door Henri Desgrange, als gele trui-drager, verplicht om door te gaan. Staf gooit zijn fiets voor de automobiel van Desgrange en gaat er bij op de grond liggen met de roemruchte woorden "Rij mij maar steendood, nondedju, dat 't gedaan is!" Die dag verliest d'n Staf de gele trui en de Tour aan Lucien Buysse.’
Er waren toen wel meer verstokte rokers in het peloton. Daarvan getuigt onderstaande foto. Maar zelfs in de jaren zeventig waren koers en roken nog met elkaar verenigbaar, wat blijkt uit de advertentie die Eddy Merckx volgende woorden in de mond legt: ‘Ik heb naar een sigaret gezocht met weinig nicotine en teer, maar die toch smaak heeft. Daarom heb ik besloten op R6 over te gaan.’ Of Merckx daarvoor Gaulloises dan wel Groene St. Michel zonder filter rookte is me niet bekend.
Flor Vandekerckhove

(°) Omer Vilain in Langs ’t hard zand. Kleine Oostendse histories. 166 p. Uitg. Heemkundige kring De plate. 1973.

— De Ronde van 1927. Van Slembrouck geeft in het peloton een vuurtje aan collega Maurice Geldhof. De roker links is Julien Vervaecke. Die wordt dat jaar derde in het eindklassement. Geldhof wordt tiende en Van Slembrouck veertiende. —   

zaterdag 28 juli 2018

Welke klas is dat?



Deze foto komt van Mark Cromphout. We zien, zegt hij, de laatstejaars internen van het college in Oostende, in 1968-69. Neen, antwoordt Jan Decreton daar in een reactie op, wat we zien is een retoricaklas. Slechts twee jongens op de foto zijn internen. Zelf denk ik intussen aan een derde mogelijkheid, want op foto's van laatstejaars staat altijd de directeur van dat college, en op bovenstaande foto ontbreekt hij. Bovendien vind ik o.a. Mark Cromphout en Ronny Goethals hier ook terug op de foto van de laatstejaars, WA 1968-69, en deze keer wèl in het gezelschap van de directeur. Voorlopig besluit: dit is een klas van het voorlaatste jaar Wetenschappellijke A, in 1967-68.
Maar goed, al wat hierboven staat is voortschrijdend inzicht. Oorspronkelijk gingen we ervan uit dat het een groep leerlingen uit de studiezaal van de internen betrof en daardoor komt het dat ik in ondergaande stukje een beetje mijmer over de verschillende studiezalen waarin de leerlingen toentertijd ondergebracht werden. Edmond Aspeslagh (°1946) was daarbij onze gids.
Dit is wat hij me schrijft als reactie op een stukje over Wilfried Laforce: ‘Ik ben als leerling van het college afgezwaaid in 1965. In die tijd heb ik de studiezalen gekend van (1) E.H. René Bouche. Hij was de surveillant van de studiezaal van “de kleine stadsmusschen’ (stedelingen van het lager middelbaar). Bouché, intussen overleden, is later uitgetreden, gehuwd en had een dochter. (2) E.H. Henri Van Houtte was studiemeester in de zaal van de ‘grote stadsmusschen’, Oostendenaars van het hoger middelbaar. Ook hij is overleden. In die studiezaal heeft E.H. Robert Doom hem opgevolgd.’
‘Aan de noordkant van de Euphrasiene Beernaertstraat lagen op de benedenverdieping twee studiezalen naast elkaar. (3) De surveillant — de suf — van de 'boertjes' heette Louis (Attila of Pulle) Duchem, waar ik 6 jaar bij gezeten heb, want ik was van Leffinge, en bijgevolg een 'boertje'. Duchem is later pastoor in Rollegem-Kapelle geworden. Hij is in 2016 overleden. (4) Joël — Napoleon — Vandemaele [Ook hij is later gehuwd en inmiddels overleden. Hij werd op 4 februari 2017 begraven. Mijn noot] was surveillant van de extra muros, leerlingen die juist buiten de stad woonden, zoals Bredenaars (Oudenburg…). Vandemaele had er een priester opgevolgd met de lapnaam Vitrine en na hem is E.H.Lebbe er komen surveilleren.’  Tot zover Aspeslagh.
Ik ga de laatste zijn om Edmond tegen te spreken, maar in mijn tijd is de situatie toch niet helemaal ’t zelfde. De eerste drie jaar breng ik in de studiezaal van Joël Vandemaele door, extra muros dus, maar de laatste drie in deze van Louis Duchem, bij de boertjes. Nochtans blijf ik al die jaren in hetzelfde Bredene wonen, waar ze minder van de landbouw leven, dan wel van het toerisme en de visvangst.
Wat in Aspeslaghs opsomming helemaal ontbreekt is de studiezaal van de internen. In mijn herinneringen heerste over die zaal een pastoor die de bijnaam Soupape torste. Ook over die mens schreef ik hier al een stukje, waaraan Jeroen Mantijn dit toevoegde: ‘Ik heb ook het college van Oostende als externe leerling doorlopen maar 'k ben enkele jaren vroeger dan jij afgezwaaid. De naam Soupape is ontstaan doordat hij steeds met luide stem een ssssttttttt... liet horen in de studiezaal der internen. Dat was zijn manier om de jongens tot de orde te roepen. De lapnaam lag voor het grijpen. Doordat hij al van bij de aanvang op de hoogte was van die lapnaam, zal de door jou beschreven aanval op het gezag hem wel lange tijd blijven achtervolgen zijn. Terloops: wanneer men hem beter leerde kennen, kon men makkelijk een vlot/vrolijk gesprek met hem aanknopen waarbij hij toch niet zó hatelijk bleek. Maar dat was enkele jaren vóór jullie hem leerden kennen en wie weet wat hij intussen meegemaakt had.' Ook hierop heeft Jan Decreton gereageerd, waardoor er zich, met betrekking tot de oorsprong van de bijnaam Soupape, twee strekkingen aftekenen. Je moet dat maar eens in zijn onderstaande lange reactie nalezen.
Hierboven staat veel onzekerheid, maar dit zijn de feiten: 1. Frans De Cuypere (broer van Johan De Cuypere); 2. Hugo Hannon; 3. ?; 4. Patrick Cafmeyer; 5. Walter Goethals; 6. ?; 7. Philippe Bouveroux; 8. Herman Tilleman (broer van Danny Tilleman); 9. Johan De Cuyere; 10. ?; 11. Johan De Sauter; 12. Patrick Staelens (broer van Bernard Staelens); 13. Voornaam? Devisch; 14. Siegfried Gheyselinck; 15. Ronny Goethals; 16. ?; 17. ?; 18. Lieven Denys; 19. ?; 20. René Junbluth; 21. Voornaam? Ketels; 22. Ignace Lefever; 23. Johan Sinnesael; 24. Robert Doom; 25. Voornaam? Bonte; 26. ?; 27. Mark Cromphout.

Flor Vandekerckhove

donderdag 26 juli 2018

Surrealistisch verhaal


Ik hoorde een zoemend geluid dat ik niet thuis kon brengen. Omdat het me al rap duidelijk werd dat het gezoem me ‘t slapen zou beletten, zocht ik in de koelkast naar iets om te eten. Met een bordje vlees ging ik voor het kale raam zitten. In ‘t holst van de nacht keek ik uit over een lege straat. Onderwijl dacht ik na over wat ik precies wilde zeggen. Ik scherpte mijn geheugen, schrapte daaruit minstens een derde van de gebeurtenissen en concentreerde me op wat van belang was.
’s Morgens had ik mijn vriendschap met Orwell opgezegd, en daarmee de restanten van mijn sociale leven aan de wilgen gehangen. Terugkerend van die wilgen was ik langs een huis gepasseerd waaruit kreten opstegen. Eerst had ik die kreten genegeerd, maar omdat mijn gevoeligheid bloot lag keerde ik op mijn schreden terug. Nog altijd werd er in dat huis geschreeuwd. Ik keek door de brievenbus naar binnen en zag twee mensen die elkaar in de gang achternazaten. Ze bloedden hevig. Ik raapte al mijn moed samen en klopte op de deur. Een naakte vrouw deed open en overhandigde me een klein flesje gevuld met bloed. De tekenen logen niet: dit zou een surrealistisch verhaal worden.
Thuis zette ik het flesje op tafel en riep de kat, want als ik dit verhaal wilde waarmaken, moest ik eerst mijn inktpotje prepareren. Ik haalde de vleesschaar uit de schuif en begon stukjes uit de kattenpootjes te knippen, er goed over wakend dat de vier poten gelijk ingekort werden, zodat het beest achteraf niet mankend door ’t leven zou gaan.
Terwijl ik daarmee bezig was hoorde ik weer dat hinderlijke zoemen. Pas nadat ik de stukjes kattenpoot, samen met het bloed uit het flesje, in mijn inktpot geroerd had, kon ik het gerucht thuiswijzen. Het kwam van de lamp.
Ik greep naar het boek dat door die lamp beschenen werd en las daarin het schrijfadvies van Hilary Mantel: ‘Denk aan Orwell, die goed proza met een kaal raam vergeleek. Concentreer je op het scherpen van je geheugen en leg je gevoeligheid bloot. Schrap minstens een derde van elke pagina die je schrijft. Probeer geen uitzinnige opsmuk in je zinnen te persen. Denk goed na wat je precies wilt zeggen. Zet het zo krachtig en direct mogelijk op papier. Eet vlees. Drink bloed. Hang je sociale leven aan de wilgen en denk maar niet dat je vriendschappen kunt onderhouden.’

Flor Vandekerckhove

dinsdag 24 juli 2018

Varlam Sjalamov: straffer dan Solzjenitsyn

‘Mijn leven was altijd verdeeld tussen twee dingen.
Het eerste was literatuur, kunst (…)
Het tweede (…) was om deel te nemen aan
de sociale strijd van mijn tijd,
die ik onmogelijk kon negeren.’
(Varlam Sjalamov)

— Varlam Sjalamov (1907-1982) bij zijn arrestatie in 1929. —
Wanneer Stalins politie in 1929 een illegale drukkerij binnenvalt, treffen ze daar een jonge communist aan. Hij staat naast een stapel vlugschriften waarboven staat: Lenins testament. Die titel verwijst naar een tekst waarin de zieke Lenin al in 1922 de wens uitdrukt dat Stalin van zijn hoge post verwijderd wordt.
De betrapte communist heet Varlam Sjalamov (1907-1982), en hij is een overtuigde tegenstander van Stalins regime. Hij maakt deel uit van de trotskistische oppositie. Als ‘sociaal gevaarlijk element’ wordt hij naar de werkkampen gestuurd, die later als Goelag Archipel wereldbekend worden.
In 1931 komt Sjalamov uit de kampen terug. Hij weegt nog 43 kilo. Tegen die tijd is de strijd in Rusland wel gestreden. Trotski is gedeporteerd en Stalin heerst totalitair over de dingen.
Sjalamov verlaat de linkse oppositie omdat hij constateert dat veel vooraanstaande opposanten, na Trotski’s verbanning, de strijd opgeven. Dat belet niet dat hij in 1937 opnieuw omwille van trotskistische activiteiten gearresteerd wordt. Weer naar de kampen! Zelfs daar wordt hij nog meermaals veroordeeld: eerst in 1938, daarna in 1943 en dan nog eens in 1944. In 1945 wordt hij gevat tijdens een ontsnappingspoging.
In 1953 komt hij eindelijk vrij. Alhoewel dat woord voor hem nog nauwelijks betekenis zal hebben. Zijn echtgenote heeft zich van hem laten scheiden en zijn dochter, overtuigd stalinist, weigert hem als vader te erkennen. In 1954 begint hij over zijn kampervaringen te schrijven. Dat resulteert in een indrukwekkend oeuvre dat ook in het Nederlands beschikbaar is.
Piet de Moor stelt dat Sjalamov in vergelijking met Solzjenitsyn de betere schrijver is: Maar terwijl Solzjenitsyn in 1970 de Nobelprijs kreeg, bleef Sjalamov gedurende zijn hele leven een schrijver wiens grandioze werk in eigen land niet mocht worden gedrukt en die dus tot lang na zijn dood in Rusland en daarbuiten een onbekende bleef.Solzjenitsyn zegt daar zelf over: Sjalamovs kampervaring was harder en langer dan de mijne, en ik erken met het grootste respect dat hij en niet ik de bodem heeft bereikt van de verdierlijking en de wanhoop waar het hele kampbestaan ons naar toe trok.’
Sjalamov is al eerder gedichten beginnen schrijven. Hij memoriseert zijn eigen dichtregels telkens hij van het werk naar het kamp terugkeert. Als hij op het einde van zijn gevangenschap als verpleger tewerkgesteld wordt schrijft hij op wat maar vindt: papieren zakken, kaftpapier… Die aantekeningen werkt hij later uit.
Nadat zijn stalinistische dochter hem afgewezen heeft, sluit hij zich op in zijn schrijverschap en beleeft er opnieuw de kampervaringen, maar nu als schrijver. Leeg geschreven, doodop, blind en doof sterft hij in 1982 in de kale cel van een psychiatrische instelling.
Flor Vandekerckhove.

° Varlam Sjalamov. Berichten uit Kolyma900 p. Vertaling: Marja Wiebes en Yolanda Bloemen. Uitg. De Bezige Bij (2005). 
° Varlam Sjalamov. De handschoen. Nagekomen berichten uit Kolyma. 372 p. Vertaling Marja Wiebes. Uitg. De Bezige Bij (2006).

zaterdag 21 juli 2018

De coiffeur van James Ensor en van mij

— Duinenstraat Bredene. Nu is 't daar
een tattooshop, maar in mijn prille
kindertijd was 't een kapperszaak. —
Nu is daar een tattooshop, maar in mijn prille kindertijd was ’t een kleine kapperszaak. Die werd uitgebaat door François Van Outryve, door ons ’t coiffeurtje genoemd. Ik herinner me die mens en na enig doordenken herinner ik me ook zijn echtgenote; een ouder koppel, aan het einde van het actieve leven.
François Van Outryve was onze buurman en hij was mijn eerste coiffeur. Ik herinner me dat de mij opgelegde coupe en brosse heette, kort geknipt haar dat achterover werd gekamd. Mede door een ietwat pijnlijk aangebrachte harde zeep bleef het borstelig rechtstaan.
’t Coiffeurtje was een minzaam man. Van hem kreeg ik regelmatig kapotte spullen cadeau, door mijn moeder brol genoemd, maar waarmee ’t wel leuk spelen was. Ronduit indrukwekkend was de filmprojector die hij me schonk, inclusief filmpjes die de projector helaas niet weer oprolde, zodat de vloer na ’t bekijken van zo’n filmpje vol pellicule lag. Al die filmpjes toonden beelden uit de kolonie, want ’t coiffeurtje had een zoon die missionaris (geweest?) was.
Die zoon herinner ik me niet, maar doordat hij memoires gepubliceerd heeft, weet ik dat hij Lucien heette. Die memoires bevinden zich hier in het Oostendse stadsarchief.
Enkele dagen geleden wees Luc Blomme me erop dat François Van Outryve zich de coiffeur van James Ensor mocht noemen. Ten bewijze voegde hij er een kopie van een tekening bij, een zelfportret van Ensor waarin deze de lof van ’t coiffeurtje bezingt: François Van Outryve possède plusieurs mains pour raser, peigner, arroser, frictionner, bouchonner, étriller, doucher, asperger, torchonner le Br.James, son client récalçitrant et content.’ En getekend door de meester zelve.
De baron kwam uiteraard niet naar de Duinenstraat in Bredene om zich te laten bijknippen. Dit is wat de memoires van Lucien Van Outryve me daarover leren: Ik ben geboren in de Langestraat 44 op 9 December 1923 op de plaats waar nu het Europacentrum staat. (…) Er waren dancings, cinema’s, er werd al eens een robbertje gevochten, maar alleen 's nachts, en meestal zonder veel schade. En het was een handelsstraat, toch zeker van het Kursaal tot de Capucijnenstraat. Mijn vader was er kapper, dames en heren, en verdiende de kost voor zeven monden, want na mij kwamen er nog vier meisjes bij.’ Het is daar, in de Oostendse Langestraat, dat 't coiffeurtje Ensors haar mocht knippen. Betalen deed de baron, minstens één keer, in natura.
Luc Blomme kreeg de kopie pakweg veertig jaar geleden van zijn schoonzus, een verpleegkundige die in Brugge een Van Outryve placht te verzorgen. Zegt Luc daarover: ‘In die tijd waren fotokopieën uitsluitend zwart/wit, maar Van Outryve had de kopie achteraf zelf zo getrouw mogelijk ingekleurd.’
Enter Karel Mestdagh, zoon van Francine Van Outryve die destijds in de Duinenstraat mijn — toen al volwassen — buurmeisje was: De tekening werd inderdaad door James Ensor gemaakt voor mijn grootvader. Ensor was regelmatig klant, en mijn moeder vertelde met trots dat ze nog op zijn schoot had gezeten. De originele tekening heeft na de dood van mijn grootvader altijd bij nonkel Lucien aan de muur gehangen. Lucien deelde ook met groot enthousiasme kopieën van de tekening uit. Mijn broers, mijn zus en ikzelf hebben er allemaal een hangen. Toen nonkel Lucien naar het woonzorgcentrum verhuisde heeft hij het origineel aan zijn jongste zus Liliane gegeven. Het hangt nu in de inkomhall van haar huis in Somerset, Kaapstad Zuid Afrika, waar ze al vele jaren woont.’
Flor Vandekerckhove


vrijdag 20 juli 2018

Tom Paine & Bob Dylan

— Tom Paine en Bob Dylan. —
In een van zijn Dylanboeken (°) heeft Greil Marcus het over twee manieren om een Dylansong te interpreteren. De passage is interessant omdat ze op meer dan alleen maar songs kan toegepast worden, en op meer kunstenaars dan alleen Dylan.
Hij haalt het voorbeeld aan van As I Went Out One Morning. Alan Jules Weberman heeft dat lied een welbepaalde betekenis gegeven: de song houdt verband met een diner waarop aan Dylan de Thomas Paine Prijs uitgereikt wordt. In zijn dankwoord veroorzaakt Dylan daar veel ophef, omdat hij zegt dat hij begrip kan opbrengen voor Lee Harvey Oswald, moordenaar van John Kennedy. Dylan wordt ervoor uitgejouwd. Volgens Weberman zegt Dylan in die song eigenlijk dat hij er niet van houdt om uitgejouwd te worden.
Marcus hoort iets anders: ‘Ik hoor in die song soms een vluchtige reis doorheen de Amerikaanse geschiedenis; de zanger wandelt in een park, komt naast een standbeeld van Tom Paine te staan en stoot daarbij op een allegorie: Tom Paine, symbool van vrijheid en revolte, in tekstboeken en door comités van standbeelden ingelijfd als patriot, en nu in die rol als geweldenaar van een meisje dat de vrijheid tegemoet rent — geketend, naar het zuiden, de bron van vitaliteit in Amerika, — weg van Tom Paine.’ De betekenis van het lied wordt dan volgens Marcus: ‘We hebben onze geschiedenis op zijn kop gezet; we hebben onze eigen mythes geperverteerd.’
In de daaropvolgende paragraaf zegt hij: ‘Nu zou het verbazen mocht dat ook in Dylans gedachten geweest zijn toen hij de song schreef. Dat is de kwestie niet. De kwestie is dat Dylans songs kunnen dienen als metaforen die ons leven verrijken, door ons als bij toeval inzicht te bieden, zowel in de mythes die we met ons meedragen, als in het leven dat we leiden, metaforen die versterken wat we al weten en ons leiden naar plekken waar we eerder nooit naar keken, terwijl ze tegelijk die percepties emotioneel versterken door de kracht van de muziek die met de woorden meebeweegt.’
Webermans manier is, zegt Marcus ‘logischer, meer lineair, en misschien zelfs correcter, maar ze steriel. Mijn manier is geen antwoord, maar een mogelijkheid, en ik denk dat Dylans muziek over mogelijkheden gaat en niet over feiten, net als een standbeeld niet de besteding van publieke fondsen is, maar de toegangspoort tot een visie.’
Flor Vandekerckhove


(°) Greil Marcus. Bob Dylan by Greil Marcus. Writings 1968-2010. Uitg. PublicAffairs, USA. 537 p.

woensdag 18 juli 2018

Geloof me nóóit


Om de zoveel jaar loop ik een jeugdvriendin tegen het lijf. We nuttigen dan een koffie en halen ouwe koeien uit de sloot. Dat zijn er nogal wat, want we gaan al een hele tijd mee.
Tijdens onze jongste ontmoeting vraag ik haar of ze nog altijd zo’n injectiespuit op zak heeft. Die herinner ik me van een vorige koffie. Ze had me toen over hartproblemen verteld, die acuut geworden waren tijdens een verre voetreis. Daar was ze ternauwernood aan de dood ontsnapt door een spuit die recht in haar hart geïnjecteerd moest worden. Sindsdien had ze altijd zo’n spuit op zak.
Terwijl ik haar daaraan herinner trekt ze grote ogen. Er is iets met het hart ja, en in geval van nood is er een pilletje. Maar een spuit? ‘Jij weet zeker niet wat dat inhoudt, zo’n spuit in je hart steken?’ vraagt ze lachend. Voor de zoveelste keer wordt ’t mij duidelijk dat je mij nóóit mag geloven als ik me iets meen te herinneren. De injectiespuit verdwijnt weer in de krochten van mijn wankele geheugen en we spreken over iets anders.
Enkele dagen geleden kijk ik voor de zoveelste keer naar Pulp Fiction, het onvolprezen meesterwerk van Quentin Tarantino. Voor de zoveelste keer geniet ik van de scène waarin huurmoordenaar John Travolta en gangsterliefje Uma Thurman de twist dansen.
Niet veel later volgt de scène waarin dat gangsterliefje door een overdosis geveld wordt en ei zo na het tijdelijke met het eeuwige wisselt. Om haar te redden moet Travolta een dosis adrenaline recht in 't hart steken.
Opeens valt mijn frank. Niet mijn vriendin, maar Uma Thurman kreeg een spuit in ’t hart geïnjecteerd. Ik heb die twee met elkaar verwisseld.
Hoe is ’t mogelijk? Die vriendin gelijkt geenszins op Uma Thurman, ze houdt zich ver van drugs en voor zover ik weet houdt ze zich ook ver van ’t gangstermilieu. Hoe heb ik die twee dan met elkaar verwisseld?
Alzo nadenkend valt mijn frank voor de tweede keer — wat merkwaardig veel is in zo’n korte tijd. Ha, denk ik, ’t komt natuurlijk door die twist. In de sixties hebben wij die ongetwijfeld samen gedanst. In mijn geheugen heeft Thurman zich daartussen gewrongen en van de weeromstuit neemt mijn vriendin de plaats van Uma in tijdens de injectiescène van de film. Ja, zo moet ’t gegaan zijn en… se non è vero è ben trovato
De scène plaats ik hieronder, je moet maar eens kijken.
Flor Vandekerckhove


maandag 16 juli 2018

Ode aan de muizen

— Vachel Lindsay —
De Amerikaanse dichter Vachel Lindsay schreef Here ’s to the mice in 1915. Het gedicht staat in een recent heruitgegeven bundel. (°) Kopen hoeft niet, want heel dat boekje kun je hier ook gratis & voor niets beluisteren. Dat komt doordat de gedichten tot het publieke domein behoren, ze zijn van u en mij.
Wie het beluisteren van een hele dichtbundel iets teveel van ‘t goede vindt, kan nog elders terecht, want daar kun je dat ene gedicht horen en alleen maar dat.
Dat je die verzen kunt beluisteren meld ik niet zomaar, Vachel Lindsay was immers van mening dat gedichten gezongen moeten worden, of gechant. In die opnames is daar niet veel van te horen, vind ik, maar ’t is dan ook niet Lindsay zelf die ze declameert. Spijtig, want ‘s mans foto bij dit stukje geeft ons een idee hoe hij daarbij tekeer kon gaan.
De zin die boven het gedicht tussen haakjes staat is van Vachel Lindsay zelf. Dat hij hoopt dat de socialisten alsnog koningshuizen gaan onttronen lijkt vandaag ietwat van de pot gerukt, maar in 1915 was het dat al veel minder. In die tijd sleepten vorstendommen — Kaiser and Czar — miljoenen mensen de dood in, en toen moesten ook de socialistische teerlingen inderdaad nog geworpen worden.
Heeft het zin om dat gedicht vandaag in herinnering te brengen? Wel zeker, er zijn nog altijd muizen aan ’t werk. Je ziet ze niet, maar ze zijn er wel.

Flor Vandekerckhove




(°) Vachel Lindsay. Chinese Nightingale and Other Poems. 2005 (oorspronkelijk in 1917). Uitg. Bibliolife. 140 p.
Aangezien het werk van Lindsay tot het publieke domein behoort zijn al de gedichten van deze bundel ook gratis te lezen en te downloaden op http://www.gutenberg.org/ebooks/592.

zaterdag 14 juli 2018

En route

(Foto Michiel Hendryckx)

De tram zit vol volk dat tijd zat heeft en toch gehaast is. Een vrouw eist een zitplaats op, want ze is tachtig. Een vrouw weigert haar plaats af te staan, want ze is zeventig. Een jongen kijkt op zijn telefoon naar schoenen die hij wil kopen, waarna een gesprek volgt over schoenen die je kunt kopen. Velerlei plastic muziekjes laten weten dat er berichten zijn. Ik richt de blik naar buiten, maar mijn oren blijven helaas binnen. Kinderen blèren, ouderen klagen want ze zijn tachtig of zeventig, ijzer schuurt op ijzer, mannen grommen, vrouwen grommen een octaaf hoger, kinderen grommen zoveel octaven hoger dat het joelen heet. Een vrouw roept dat haar tas tussen de deur zit en dat alles kapot is.
Ik heb er genoeg van. Als de tram stopt stap ik uit. En zo komt het dat ik me onverhoeds in Blankenberge bevind. Uit de tram breng ik mijn slecht humeur mee. Dat die stad veel weg heeft van een overvolle tram helpt ook niet.
Ik trek me terug in een expositieruimte. Daar hangt werk van Michiel Hendryckx (°1951) die mij ooit, en wel hier, in mijn jonge doen gefotografeerd heeft.
Die mens is, lees ik, rusteloos, altijd in beweging. Op reis, ook in zichzelf. Voor altijd, en route. ‘t Is iets wat ik met hem gemeen heb, zij het dat mijn route kleinschaliger is.
De fotograaf, zegt de tekst ook, rijdt graag verloren. Zelf loop ik al verloren om de hoek. Hendryckx is een kosmopoliet, ik ben een dorpeling.
Vanaf zijn pensionering ‘maakt Hendryckx alleen nog de beelden die hij – bij manier van spreken – in zijn huis graag aan de muur wou zien.’ Ik heb dat ook, ik schrijf alleen nog stukjes die ikzelf graag lees.
Michiel en ik groeien op aan de kust. We delen ervaringen van die streek, zoals deze die ik van zijn website pluk: ‘De klapdeur tussen het restaurant en de keuken was de grens tussen het hoofse en het vulgaire. De klanten werden in de keuken met de meest gortige bewoordingen omschreven en eens de klapdeur voorbij, was er van die commentaar niets meer te merken.’ Ons moet ge geen muilen leren trekken.
Ik bekijk de foto’s. Ik weet niet of hij ’t graag zal lezen, maar hij bekijkt de dingen op een surrealistische manier. Ik wil ’t niet dikker maken dan het is, maar veel van die beelden laten me aan René Magritte denken. Hieronder confronteer ik enkele werken van die twee met elkaar.
Daarna moet ik de tram naar huis nemen. Deze keer valt de rit valt me niet zwaar. Dat komt door de foto’s die ik gezien heb. Of door het ijsje dat ik daarna genuttigd heb, dat kan ook.
Flor Vandekerckhove

Michiel Hendryckx. En route. Nog tot zondag 30 september in De Meridiaan, Casinoplein 9 in Blankenberge. Er is een kleine, fijne catalogus te koop: 15 €. Op 14 augustus is er om 19 uur een meet & greet met de fotograaf.

(— Telkens: links Magritte, rechts Hendryckx. —)

donderdag 12 juli 2018

Waar is Sokètje (II)

— 1965 in Nijlen. Sokètje is nummer 4. — 1. Chris Stuyts (†); 2. Marc Loy; 3.Gilbert Boey; 4. José (?) Decraemer a.k.a. ‘Sokètje’; 5. Ivan Schamp; 6. Roland Vanmassenhove; 7. Jan Vangeluwe; 8. Koenraad Levecke (†); 9. Flor Vandekerckhove; 10. Lucien Leroy; 11. Erik Poppe; 12. Willy Versluys; 13. Hugo Pauwels; 14. Danny Crabeels; 15. Bert Tas; 16. Serge Schout; 17. Paul Vangeluwe; 18. Lucien Geryl. —

Eind juni begin ik aan een zoektocht naar een makker waarvan ik me alleen de bijnaam herinner, Sokètje. Wie dat stukje leest zal niet verwonderd zijn dat ik hem niet gauw vind, want de gegevens zijn schaars. Toch valt al 1 en ander te rapporteren. 
Er zijn er wel meer die zich die jongen herinneren. Erik Poppe (op de foto onder nr 11): ‘Ik herinner mij Sokètje zeer goed: een bijzonder sympathieke gast die, zoals je terecht schrijft, zich direct in onze groep thuis voelde. Wat ik mij nog ‘t meest herinner is zijn fiets: bijzonder was dat die een soort ossenkopstuur had (nu is dat gemeengoed, maar toen absoluut een bezienswaardigheid). Met twee paar remmen! Op die manier kon hij altijd remmen, waar hij het stuur ook vasthield. Had hij zelf gemonteerd, weet ik ook nog. Volgens mij had hij zijn bijnaam te danken aan het Franse soquet, het gedeelte van de lamp. Waarom we hem die bijnaam gaven, weet ik niet, maar vermoedelijk had het met zijn technische vaardigheden te maken. Ik heb hem later niet meer gezien, want hij verdween even plots als hij gekomen was. Maar die ‘freins’ op zijn fiets ... ja, dat was toch geniaal.’ Ook Francine Kerkaert herinnert zich die jongen: Sokètje herinner ik me goed, hij woonde ergens aan het kapelletje. Ineens was hij daar en plots was hij weer weg.’
’t College, waar Sokètje school liep, doet ook een duit in het zakje, maar die duit helpt ons niet vooruit: Onze data worden "slechts" 30 jaar bijgehouden. Bijgevolg hebben wij geen documentatie / resultaten van leerlingen van 1968.’
Dan komt onverwachts dit briefje van Marc Loy (op de foto, nr 2): Misschien is er een lichtpuntje. Ik interviewde onlangs Patrick Moenaert, oud-burgemeester van Brugge. Als ik me niet vergis heeft hij Sokètje in Oostende als klasgenoot gekend.’
— José (?) Decraemer, a.k.a. Sokètje —
‘Spijtig’, zegt die oud-burgemeester me, ‘maar ik weet alleen dat Sokètje plots overgewaaid kwam, ten hoogste tijdens de twee laatste jaren van de humaniora. Hij was een prima gast. Zijn naam ken ik niet meer. Maar…’ voegt hij eraan toe, ‘advocaat Danny Crabeels, ook van Bredene, kan u wellicht helpen.’ Enkele dagen later volgt er nog meer post van Moenaert: ‘De kwestie boeit me. Laat je me iets weten als je meer verneemt? Dank. Patrick.’
Die Crabeels (nr 14 op de foto) — ‘ook van Bredene’ — ken ik wel — godver ja, dat ik hem ken! — maar ik sta niet meteen te popelen om hem iets te vragen. De ervaring leert me immers dat hij bijzonder heftig op mij reageert. Bovendien weet ik dat hij momenteel Céline aan ’t lezen is, de absolute meester van de scheldpartij, reden te meer om voorzichtig te zijn. Maar kijk, terwijl ik de kwestie in beraad hou, komt zijn antwoord vanzelf. Ik redigeer dat een beetje, want hij schrijft, laat ons zeggen, nogal fragmentarisch: ‘Sokètje was thuis in Roeselare onhandelbaar geworden, en werd daarom naar Bredene gestuurd, waar hij in het huisje van weduwe Blanckaert verbleef, een familie van campinguitbaters. Zijn naam is Decraemer en zijn voornaam José, maar dat laatste ben ik niet zeker.’  
Vandaar dat ik mijn vraag — Waar is Sokètje? — kan verfijnen. Ik laat die thans wereldwijd als volgt weerklinken: Waar is (José?) Decraemer, door ons Sokètje genaamd? 
Als gij nu die vraag overneemt en erover begint te twitteren, mailen, skypen, instagrammen, chatten, posten, faceboeken, en er — waarom niet? — ook in real life over begint te lullen, dan bestaat er waarlijk een kans dat we Sokètje, die overduidelijk nog steeds in onze harten woont, thuisbrengen.
Op zo'n melige zin kan alleen een toepasselijk lied volgen uit de tijd dat Sokètje ervandoor ging. Generatiegenoten! Denk Sokètje in plaats van Jojo en druk nu op deze juke box knop.
Flor Vandekerckhove