woensdag 30 december 2015

Muur

— (Eigen foto) —
In die tijd kon je in de Pyreneeën voor weinig geld een heel dorp kopen. De Fransen trokken er uit weg, op zoek naar werk, en Nederlanders kwamen zich in de goedkope huizen nestelen.
Lucien Ducon wist dat het zijn dorp niet anders zou vergaan en hij bedacht een plan. Op de rots achter zijn woning begon hij stenen te stapelen. De buren begrepen zijn bedoeling niet, maar ze hielpen waar ze konden. De steenhoop werd een muurtje, dan een muur en uiteindelijk een hele hoge muur die ver boven het dorp uittorende. Aan gene zijde gaapte niets dan het ravijn, maar aan de dorpskant brachten Lucien en de zijnen een marmeren plaat aan, waarop, zo zei hij bezwerend, de namen zullen staan.  Zijn kompanen knikten, niet omdat ze het begrepen, maar omdat ze opgehouden waren de dingen te bevragen.
De grote muur van Ducon werd een kleine bezienswaardigheid. Terwijl passanten de zinloosheid van de onderneming aanschouwden, werkte Lucien aan een trap die tot bovenaan de muur liep. Toen die klaar was, waste hij het steenstof uit zijn poriën, trok zijn zondagse pak aan, nam de trap tot boven op de muur en sprong in de afgrond, een zekere dood tegemoet. 
Luciens lijk lag nu in ‘t ravijn, maar zijn muur, die in het dorp al lang le mur du con heette, bleef staan. Ter herinnering beitelde de steenkapper ’s mans naam in de marmeren plaat waarvan Ducon gezegd had dat daarop de namen moesten staan. 
De bijtel was nog niet weggeborgen of er was al een inwijkeling, van het daarnaast gelegen dorp, die op zijn beurt naar boven trok om van de mur du con in het ravijn te springen. De steenkapper zag ’t gebeuren, keerde op zijn schreden terug en zette een Nederlandse naam onder die van de Franse Ducon.
Uit al de opgekochte dorpen kwamen inwijkelingen hun gestorven landgenoot herdenken. Bij de plaatselijke kruidenier kochten ze plastic bloemen — les fleurs du con — die ze van boven op de muur in ‘t ravijn gooiden. Iemand maakte er een foto van, iemand anders schreef een krantenstukje. De televisie toonde een reportage die Le mur du con heette. Waarna zelfmoordkandidaten uit de vier windstreken naar het dorp ijlden om er hun laatste ding te doen.
Maar dood doet leven. In afwachting dat hun uur zou slaan, overnachtten zij voor ’t laatst in de plaatselijke B&B. Bij de slager haalden ze hun laatste boudain noir, in de bistro dronken ze hun laatste rode wijn, bij de bakker kochten ze hun laatste croissant, in de bar-tabac rolden ze een laatste sigaret en met hun laatste geld betaalden ze een ticket voor de muur. In het ravijn ademden ze hun laatste adem uit, waarna de steenkapper hun naam vakkundig in het marmer sloeg. Vervolgens kwamen nabestaanden de plastic bloemen kopen die andere nabestaanden al eens eerder in ’t ravijn gegooid hadden en die de kruidenier daar ‘s avonds weer had weggeplukt.

Flor Vandekerckhove

maandag 28 december 2015

De klas van 36

Met onze pensionering is ook voor ons de tijd van de herinneringen aangebroken, zoals we dat bijvoorbeeld doen in een stukje jeugdsentiment dat de merkwaardige titel De zilte Mossel draagt. Je moet er hier maar eens naar kijken. Wij, dat zijn degenen die kort na de oorlog geboren werden, pakweg in de periode 1945-50. We wisselen foto’s uit en proberen op de valreep nog te achterhalen waar en wanneer die gemaakt werden, want ja, veel zijn we inmiddels al vergeten.
Het over & weer sturen van die foto’s is door het internet gemakkelijk geworden. Maar het benoemen van wat op die zendingen te zien valt blijft even moeilijk. Veel foto’s zijn vervaagd, net zoals dat het geval is met onze herinneringen. Als je hier klikt dan zie je daar een extreem voorbeeld van. Of de foto bevat verwarrende informatie, zoals deze die je ziet als je hier klikt. Op de achterkant van dat beeld staat 1945 geschreven, terwijl daar wellicht 1954 had moeten staan.
Ons speurwerk heeft ook neveneffecten. Soms vindt iemand in de oude doos een foto die nòg ouder is. Daarop herkent een mens misschien wel de eigen ouders, maar voor de rest?  Dat is wat Ivan Schamp overkomt wanneer hij in de schuif onderstaande foto ontdekt. We zien een meisjesklas. De muur is deze van de enige school die Bredene-Duinen in die tijd rijk is. Ivan dateert het beeld als zijnde van 1936 en hij herkent er drie mensen op. Wie zijn de anderen?


Mijn nicht Nadine is in zo’n kwesties mijn steun en toeverlaat. Ik richt me tot haar met de bede het aan haar moeder te vragen. In mijn familie is tante Alice immers de enige die daar nog iets van kan weten. Ik twijfel er eerst een beetje aan of mijn vraag ons veel zal verder helpen, maar die twijfel blijkt onterecht te zijn, want kijk… Tante Alice herkent veel van die mensen. Bovenaan (1) Marie-Louise Decraecker; (2) Irma Bruneel (moeder van Ginette Deschacht); (3)?; (4)?; (5)?; (6) Henriette De Clercq (mijn moeder); (7) Yvonne Melis (moeder van Gilbert Huysmans); (8) Rachel Baeckelandt; (9) Elsa Devriendt. In ’t midden: (10) Margriet Roose; (11) ?; (12) Florine Meyers; (13) ?; (14) (Marie-?) Louise Borny, zij wordt later de echtgenote van Maurice Doom; (15) Juliette of Martha (Vanden)Bussche; (16) Martha Lagast; (17) ?; (18) Jacqueline Vandamme; (19) leerkracht Verschuuren. Onderaan: (20) ?; (21) Germaine Bertens (moeder van Ivan Schamp); (22) Yolande Rosseel; (23) Marie-Louise (De)cloet; (24) ?; (25) ?; (26) Margriet Jonckheere; (27) ?; (28) Godelieve Olders.
Sommige namen worden door mij wellicht verkeerd gespeld of misschien door tante Alice verkeerdelijk afgekort. Wil je me desgevallend laten weten hoe ze dan wel correct geschreven worden? Maar het allerbelangrijkste is dat we de resterende vraagtekens wegwerken. Weet je wat? Ik plaats mijn e-maildres hieronder, zodat je me meteen kunt antwoorden. Anders komt het er niet van, ik ken dat: florvandekerckhove@telenet.be
(Bijkomende info die me gemeld wordt/werd voeg(de) ik toe aan de namenlijst.)
En nu, the one and only… Jan Theys!


zondag 27 december 2015

Hendrika

— Aan de muren hingen posters met wollige teksten. —
Het was de lente van ons leven en we waren allemaal verliefd op Hendrika. Dat we in dat liefdesspel elkaars rivalen waren, speelde niet zo’n rol, want we waren kansloos, allemaal. We waren makkers.
Hendrika studeerde aan de sociale school en had een kamer aan gene zijde van het park. Ik trok er welhaast dagelijks naartoe, en dat deden ook de anderen. Daar werd de maagdelijkheid van Hendrika door een niet te passeren kotmadam bewaakt. Die leidde me telkens naar de zitbank in de hall, waar Hendrika me vervolgens kwam vervoegen. Daar zat ik dan te smelten tot de bel weer overging en de volgende zijn opwachting kwam maken. De uitdrukking de komende en de gaande man is daar ontstaan. Zei ik je al dat we kansloos waren?
Net zoals het met de lente gaat, zo bleef ook dat niet duren. In de zomer van ons leven gingen we elk ons weegs. Soms kruiste mijn pad dat van een van de makkers die ik eerder in Hendrika’s hall gekruist had en dan vroegen we ons af hoe het haar vergaan zou zijn. Daar kon ik hun wel iets over vertellen en wel datgene wat nu volgt.
De vader van Hendrika was de Vlaamse zaak genegen, zoals u misschien zelf al uit de naam van diens dochter afgeleid had. Om den brode verkocht hij katholieke boeken en met die boeken was hij altijd op weg langs Vlaamse wegen. In afwachting van diens thuiskomst had moeder een verhouding met een goeie klant van hem, een pastoor. Dat alles kon niet beletten dat het een warm gezin was. Dat had ik ondervonden toen ik er eens op een feestje uitgenodigd werd. Was ik niet verliefd op Hendrika geweest, ik zou het op haar moeder geworden zijn. Zo’n warm gezin was dat.
Later heb ik Hendrika nog eens ontmoet. Twee keer eigenlijk. De eerste keer was dat toevallig. We waren blij elkaar te zien, zegden dat we het goed maakten, vroegen ons af hoe het de makkers vergaan zou zijn en wisselden telefoonnummers uit, die we niet van plan waren te gebruiken.
Nog later, toen ik mijn huwelijk aan flarden gereden had, deed ik het toch, dat telefoonnummer gebruiken. Ik belde, zei dat ik nood had aan een goed gesprek en reed naar Brugge, waar ze in een klein appartementje woonde, alleen geschikt voor singles. Wat hoopgevend was. Aan de muren hingen posters met wollige teksten, nog erger dan deze waar de Bond Zonder Naam zo goed in was. Elders had ik ze belachelijk gevonden, maar hier waren ze beangstigend. Ze lieten me vermoeden dat Hendrika me uit christelijke naastenliefde ontvangen had. Daartegenover stond dan weer dat indrukwekkende omabed. Daarin mocht ik blijven slapen, zei ze. Daar had ik wel oren naar, maar ik heb het niet gedaan. Want zelf moest ze weg, zei ze, naar haar vriend, die — een mens gelooft het niet — een pastoor bleek te zijn.

Flor Vandekerckhove

vrijdag 25 december 2015

Geheugen, spreek (*)


'Gelijk een adelaer die door de lucht gaet sweven
Gelijck een vlugge pijl uyt sijnen boogh gedreven'
(Michiel de Swaen, rederijker uit Duinkerke, 1654-1707)

Roland Vanmassenhove stuurt me bovenstaande foto. Het beeld is even vaag als boeiend. Wat we zien is dit: zeven tieners wagen de sprong. De tijd heeft aan het beeld gevreten, de personages zijn ei zo na verdwenen. De foto krijgt er een nieuwe dimensie door, het lijkt er wel op dat die jongens verdwijnen terwijl ze springen. Maar waarheen verdwijnen ze? Naar de toekomst? De vergetelheid? Het leven? Het ongewisse? De volwassenheid? De twilightzone? Alles is mogelijk, tientallen verhalen dienen zich aan.
Vaag als hij is, symboliseert de foto wat er met onze herinneringen aan ’t gebeuren is. Ze vervagen. De gebeurtenissen verdwijnen, net als de jongen die links op de foto staat. Van hem valt alleen nog een restje te zien, bijna is hij helemaal weg. Met man & macht proberen we nu uit te vissen waar en wanneer dat beeld gemaakt werd en we proberen ook namen te kleven op de vage figuren die de sprong wagen. Misschien ben ik daar een van, misschien ook niet
Veel zijn we al vergeten. Dat heb ik goed aangevoeld toen er reacties kwamen op een voorgaand stukje waarin ik (hier) probeer een fietstocht van Bredene naar Lommel te reconstrueren. Er komen gebeurtenissen naar boven die ik helemaal vergeten ben, zoals de trainingssessies van de jongere Roland en Danny, die op die manier hun deelname aan de tocht weten af te dwingen. ’t Zou mij verwonderen dat ik daar toen niets over gehoord heb, van Danny’s zuster bijvoorbeeld. Desondanks weet ik daar niets meer van, helemaal niets. Misschien is dat dan wel de betekenis van deze stukjes: dat we hier vastleggen wat we ons nog herinneren, in het besef dat het binnenkort te laat is. 
Maar, genoeg filosofie van het zevende knoopsgat, want… er is nog een foto. Die heb ik van Ivan Schamp gekregen. We zien Marc Loy die Serge Schaut op de schouders draagt en het beeld wordt geschoten vlak voor Serge languit tegen dek gaat. Marc lacht een beetje verkrampt onder het gewicht, maar Serge… die schreeuwt het uit. Zijn schreeuw concurreert moeiteloos met deze van Edvard Munch. Serge geeft er ons als ’t ware de Monty Pythonversie van.
Aan de vuile knieën van Marc en Serge is te zien dat die twee daar meer dan één keer gesprongen hebben. Wat de volgende vragen oproept. Heeft dat tweede beeld iets met het eerste te maken? Ik denk het wel. Bevinden Marc en Serge zich hier in de restanten van een oude bunker? Staan die twee ook op de foto boven dit stuk? Ik meen daar haast zeker, als derde van links, Serge te herkennen. Vooral dit: weet iemand wie daar nog aan ’t springen is? En waar staan die muurtjes eigenlijk? In de Bredense duinen? In de tuin van café De Blauwe Kei? Te Lourd' in de bergen? Is dit een uniek gebeuren of is dat iets wat we altijd & overal gedaan hebben, van muren springen? U ziet het: het zijn te veel vragen voor één mens.
Flor Vandekerckhove
P.S.: Later heeft Ivan Schamp zijn atoma schriftjes uitgeplozen. Daarin heeft hij ontdekt dat de trektocht van Bredene naar Lommel in 1967 plaatsgegrepen heeft. Deelnemers zijn Marc Loy, Paul Vangheluwe, Erik Poppe, Serge Schaut, Flor Vandekerckhove, Roland Vanmassenhove, Danny Kerkaert, Danny Crabeels, Willy Versluys en Ivan Schamp. Op dat muurtje meen ik van links naar rechts toch wel vijf van die mensen te herkennen: x, Crabeels, Schaut, x, Vangheluwe, Kerkaert, Versluys.

(*) De titel boven dit stukje verwijst naar het boek Geheugen, spreek, een autobiografie van de Russisch-Amerikaanse schrijver Vladimir Nabokov.


woensdag 23 december 2015

Balans & perspectieven

— Flor Vandekerckhove leest nieuwe vissersverhalen en Noël Warmoes speelt oude zeemansliederen (foto Jo Clauwaert) — 

Vrouwen sluiten hun boekjaar af, mannen lezen hun Nieuwjaarsbrief voor, bedrijven uiten het voornemen iets aan hun gewicht te doen en kinderen beweren dat ze gaan ophouden met roken. Ook ik ontsnap niet aan het ijkpunt dat Nieuwjaar is. ‘t Zijn nu eenmaal zo’n dagen.
De balans! In vier jaar tijd werd er meer dan 116.000 keer naar deze blog gekeken. Daarmee is de kaap van 100.000 gerond, voorwaar een heuglijk feit. Jaarlijks wordt er gemiddeld 36.000 keer naar De Laatste Vuurtorenwachter gesurfd en gesurft — want beide zijn goed — een getal dat fors gestegen is. Ik heb ook flink voortgedaan: 190 nieuwe posten, een jaarrecord! Dat record zal, zo moet ik eraan toevoegen, moeilijk te overtreffen zijn, ik zou haast dagelijks een verhaal moeten schrijven.
Al die cijfers mogen niet verhelen dat ik met weinig content ben. Als er dagelijks 100 mensen naar de blog kijken, begeef ik me al tevreden te ruste. Maar kijk, de jongste tijd zijn het er al 150. Nog cijfers: 193 mensen laten zich automatisch verwittigen wanneer er een nieuwe bijdrage verschijnt. Ook dat is een record: 51 meer dan bij de aanvang van ‘t jaar. Als gij daar nog niet bij zijt, dan moet ge zeker doen, want ’t is gratis en gij doet mij daar een plezier mee. 707 internetgebruikers zeggen regelmatig de blog op te zoeken, een toename van 81.
De cijfers komen van Google. Voor mijn part moogt gij van die onderneming zeggen wat ge wilt, maar het is wel een straffe uitgever. Nooit voorheen zijn mijn geschriften zo wijd verspreid geworden. Ge kunt tegenwerpen dat die uitgever mij daarvoor niet betaalt. Maar dat komt doordat De Laatste Vuurtorenwachter geen waren produceert, zoals boeken. De lezers kopen de vertellingen niet die zij hier lezen. Mijn verhalen bevinden zich in een andere soort economie, deze van de gift. Wie overigens denkt dat een schrijver op de vrije markt geld vangt, moet hier maar eens kijken, hij zal versteld staan.
Maar waarvan leeft gij dan, zo vraagt u vervolgens. Wel, ik heb een pensioentje. Wat mij toelaat u gratis verhalen aan te bieden. [Daarom ook wordt het pensioen door deze regering  zo in vraag gesteld; om kerels zoals ik weer in de markt te dwingen. Die ministers willen dat we weer deelnemen aan de wetten van vraag & aanbod. Da's 't kapitalisme hé. Zo, dat moest mij even van het hart, maar leest u vooral verder.]
Rechts in de blog staat de top-10. Dit jaar hebben daar vier nieuwe stukjes een plaats in veroverd. Op acht staat een in memoriam dat ik geschreven heb naar aanleiding van het overlijden van een schoolkameraad. Op zeven staat een tekst waarin ik verslag uitbreng van een politionele inval in mijn veranda. Mijn aparte kijk op de Oostendse Oosteroever heeft zelfs de top vijf gehaald. Maar echt massaal bekeken is Met je pulle op de tram, een herinnering aan de tijd dat we naar Oostende spoorden, alwaar we school liepen. Dat staat op vier.
Zijn er ook goede voornemens? Bij de aanvang van het jaar zei ik dat ik een beetje meer over film zou schrijven en over opera. Voor wat de film betreft heb ik me aan mijn woord gehouden, wat ik niet van de opera kan zeggen. Daar moet ik in 2016 iets aan doen. Voor de rest zou ik zeggen: doe zo voort Florremans, gij zijt niet slecht bezig gij. (Ha ja, als ik dat al niet zeg, wie dan wel?)
Nieuw is iets wat gij haast niet voor mogelijk houdt. In 2016 komt De Laatste Vuurtorenwachter uit zijn zetel! Samen met accordeonist Noël Warmoes biedt hij het publiek een spetterend avondvullend programma aan van nieuwe vissersverhalen & oude zeemansliederen. Tijdens die optredens wordt ook een boekje met zo'n vissersverhalen verspreid. Mijn kompaan Jo Clauwaert is daarvoor bijzonder merkwaardige tekeningen aan ’t bepeinzen. Als dat maar goed komt!

Flor Vandekerckhove

zondag 20 december 2015

Toen de 4 een tramlijn was



Ik heb twee soorten lezers. Langs de ene kant staat de groep die het om de literatuur te doen is. Da’s een minderheid, maar een welbespraakte. Zij laten me weten dat ik te veel stukjes over Bredene schrijf. Zij vinden dat mijn fantasie op zichzelf al indrukwekkend genoeg is om die de vrije teugel te laten. Mijn stukjes zouden er als ’t ware universeler door worden. U leest het goed: universeler! Langs de andere kant staan degenen die alleen maar stukjes over Bredene willen lezen. Mijn fantasieën interesseren hen voor geen meter, zij willen de feiten en niets dan de feiten.
Beide hebben ongelijk. Wat ik over Bredene schrijf behoort tot wat men de memoires noemt en dat is wel degelijk een literair genre. Houdt dat genre zich uitsluitend aan de feiten? Bah neen. Al onze herinneringen zijn vertekend door de verbeelding. Zo lees ik in een boek dat de merkwaardige titel Op de rok van het universum torst: ‘Is verbeelding trouwens iets anders dan de herschikking van wat de omgeving aanreikt?’ Wel dan. Moest ik Ramses Shaffy zijn, dan zou ik antwoorden: ‘Laat me, laat me, laat me mijn eigen gang maar gaan.’
Buurman William Schreus dropte twee foto’s in mijn mailbox. Een ervan staat boven dit stukje. We zien een tram die de lijn 4 bedient. Hij komt van Oostende en rijdt op de Prinses Elisabethlaan in Bredene. De foto wordt gemaakt vlak voor die tram afslaat naar de Buurtspoorwegstraat, voorwaar een toepasselijke naam. Links ligt de vaart. Rechts van de tram zien we twee mannen die misschien wel van die tram gestapt zijn. Zo te zien is het een arbeider en een bediende. De arbeider draagt een ransel, de bediende een boekentas. Het zijn Bredenaars die thuiskomen van het werk of het zijn Oostendenaars die naar hun werk in Bredene trekken, want er was destijds veel bedrijvigheid in die buurt. Rechts op de achtergrond zien we de transportband aan de kolenkaai van de elektriciteitscentrale.
Ik haal er Zoeklicht op Bredene bij, een boek van Raoul Eeckhout dat in 1968 door de plaatselijke heemkring uitgegeven werd: ‘Op 8/8/1886 werd de buurtspoorweg Oostende-Blankenberge ingehuldigd, die het ganse grondgebied van Bredene doorkruiste. Deze stoomtram liep, komende van de Pr. Elisabethlaan, aanvankelijk door de Nukkerstraat en vandaar over de Nukkerbrug verder naar ’t Dorp. Omstreeks 1890 werd de bedding verlegd naar de Buurtspoorwegstraat. Deze buurtram had in Bredene vier halten: een op de Prins Albertlaan ter hoogte van de Sasbrug, een tegenaan de hoek der Nukkerstraat, een in het Dorp en een aan Jacobsen (Zandstraat). Later kwam de tramlijn nr. 4 tot stand, die sedert 1956 vervangen is door een autobusverbinding.’ Die laatste zin begrijp ik niet goed. Misschien had die tram eerst een ander nummer, misschien is de nummering er gekomen toen stoom vervangen werd door elektriciteit.
Waar het tramstation in Bredene-Dorp destijds lag is gemakkelijk te traceren, want op die plaats (Duinenstraat 2) werd een gevelsteen aangebracht, waarvan de tekst luidt: 1-8-1986 — Eeuwfeest Tram — Hier tramstation Bredene — 1886-1955.
De tweede foto die ik van William kreeg plaats ik hieronder. Blijkt dat ’t druk kon zijn op de tram die van Oostende naar Blankenberge trok. We zien vier wagons en een bagagewagen. Het gebouw rechts is de school die naar Sint Rita genoemd werd.
Ik ben aan ’t einde van dit stukje gekomen en zie tot mijn ontsteltenis dat lezers die naar de schone letteren neigen nog niet bediend werden. Ik klap het boek Zoeklicht op Bredene dicht en mijn oog valt op de opdracht die Eeckhout er vooraan in schrijft: ‘Opgedragen aan alle Bredenaars en hun nakomelingen waar ook ter wereld.’ Die zin getuigt met ‘waar ook ter wereld’ voorwaar van een indrukwekkend universalisme. En daaronder staat iets wat misschien geen literatuur is, maar er toch goed op lijkt: ‘Als klissen mosselen tegen een strandhoofd liggen de herinneringen van een mens vast aan zijn  geboortegrond.’ Nounou.

Flor Vandekerckhove

zaterdag 19 december 2015

De strijd van Elke Mannemens

Gisteren overleed Elke Mannemens die bij leven en welzijn een merkwaardige organisatie voor gendergelijkheid geleid had. Het doodsbericht leerde de lezer wanneer de aflijvige geboren en overleden was, vermeldde dat het lichaam aan de wetenschap geschonken werd en dat de uitvaart in strikte intimiteit had plaatsgevonden. Opvallend was de zin Diep bedroefd, maar dankbaar om wat hzij voor ons betekende, nemen we afscheid van Elke Mannemens.
Het geslacht van Elke Mannemens werd op de doodsbrief niet vermeld. Dat was opvallend, maar riep toch alleen maar vragen op bij wie het levenswerk van Elke Mannemens niet kende. Wie beter wist, wist wel dat het merkwaardige ‘hzij’ geen tikfout was, maar een statement.
De organisatie waar Elke Mannemens voor geijverd had was immers opgericht om het taalgebruik radicaal te veranderen. Volgens Elke Mannemens moesten de woorden man en vrouw vervangen worden door mens, hij en zij door hzij, zijn en haar door het.
Elke Mannemens leek als ’t ware voorbestemd. Die predestinatie was al uit de naam af te lezen. Mannemens wees naar een man en Elke naar een vrouw, Elke Mannemens wees bijgevolg naar beide en daardoor ook naar geen van beide.
Elke Mannemens maakte er al als tiener werk van om het ongebreidelde gebruik van de woorden man en vrouw aan te klagen. Wanneer een krant kopte: Twee mannen van allochtone afkomst plegen overval, dan schreef Elke Mannemens een lezersbrief om erop te wijzen dat het er echt niet toe deed dat de overvallers mannen waren en dat daar had moeten staan: Twee mensen van allochtone afkomst plegen overval. In die tijd kwam het ook voor dat een krant onverbloemd schreef: Amerikaanse negers zijn luier dan hun blanke landgenoten. Elke Mannemens wees de redactie op het discriminerende karakter en zei dat daar had moeten staan: Amerikaanse negers en negerinnen zijn luier dan hun blanke landgenoten. Dat gevecht heeft Elke Mannemens inmiddels wel gewonnen, want niemand neemt heden nog het woord neger in de mond. Nu zegt men genderneutraal: Amerikaanse zwarten zijn luier dan hun blanke landgenoten.
Wanneer een krant schreef: Dronken man pleegt vluchtmisbruik, wees Elke Mannemens erop dat zo’n zin stigmatiserend was, dat het geslacht van de vluchter van geen tel was en dat er moest staan Dronken mens pleegt vluchtmisbruik. Wanneer de wetgever eraan dacht mannen te bestraffen die hoeren opzoeken dan ijverde Elke Mannemens ervoor om mannen in het wetsvoorstel te vervangen door mensen. Rellen na het voetbal, onthoofdingen door I.S., accidenten in het rallycrossen, huiselijk geweld, ontspoorde betogingen… Overal werd het discriminerende man, hij, zijn en hem door Elke Mannemens aangeklaagd en werd er een vervangwoord gesuggereerd dat genderneutraal was.
Tot op hoge leeftijd moest Elke Mannemens alert blijven, want het benoemen van de geslachten is als ’t ware ingebakken in een op seks gebaseerde maatschappij. Toch las ik vorige week in een kwaliteitskrant ook dit bericht: Nadat de mensen het stadion kort en klein geslagen hadden, gingen ze zich bedrinken. Dronken als ze waren, trok een groep mensen daarna naar de hoerenbuurt waar ze zich eerst lieten pijpen en vervolgens weigerden te betalen. Er ontstond straatgeweld. De mensen kozen daarop het hazenpad en vluchtten naar huis waar ze hun partners aftroefden. De raadsmens van de mensen pleitte verzachtende omstandigheden omdat ze geprovoceerd waren door de ophitsende kledij die de partners thuis droegen.

Flor Vandekerckhove

donderdag 17 december 2015

De zilte mossel

— Zo zag het interieur van De zilte mossel er inderdaad uit —
We bevinden ons ergens in de jaren zestig van de vorige eeuw. Ik ben een tiener. Met de mobylette rijd ik langs een mij onbekende steenweg. Het regent al heel de dag en het zal blijven regenen. Ik ben doorweekt. 
Ik ben op weg van Bredene naar Lommel. Ik heb 164 kilometer te gaan en maak deel uit van een groep die ’s morgens vroeg per fiets uit Bredene vertrekt om in Limburg de paasvakantie door te brengen. Zelf heb ik geen fiets, ik heb een mobylette.
Onderweg val ik onverwachts zonder benzine. Ik zoek een benzinestation. Neen, de groep moet niet op me wachten, want, gemotoriseerd als ik ben, zal ik mijn makkers toch inhalen. Dat valt tegen, want korte tijd later val ik weer zonder benzine en weer en weer en weer. De tank van mijn mobylette is lek en ik ben op een permanente achtervolging aangewezen.
Heb ik een uitgestippelde reisweg bij de hand? Dat weet ik niet meer. Wel weet ik nog dat ik meermaals de weg moet vragen. Ik herinner me ook dat de mensen me met toenemende compassie helpen. Dat komt doordat ik er almaar deerniswekkender uitzie en ’t komt ook doordat de mensheid vriendelijker wordt naarmate je Limburg nadert.
In dat Limburg rijd ik nu doorweekt langs een mij onbekende steenweg. Het begint te duisteren. Koud, nat, moe. Er moet iets gebeuren. Ik passeer een etablissement dat naar de naam De Zilte Mossel luistert. Ik ben een kind van de zee en de naam boezemt me vertrouwen in. Ik parkeer de mobylette en terwijl een klant naar buiten glipt, ga ik naar binnen. Gedempte rode lichten, heet, glimlachende gezichten die me zeggen dat ik welkom ben. Een jonge meid achter de bar, drie jonge meiden aan de toog. Horeca zoals ik die van thuis uit niet ken. Mag ik van kleren wisselen? De barmeid begrijpt me niet, want ze spreekt Frans. Ook de drie andere meisjes spreken alleen Frans. Ik wist niet dat er in Limburg zoveel Frans gesproken wordt. Het taalprobleem belet gelukkig niet dat ze instinctief aanvoelen dat ik daar niet kom socialiseren. Ik trek naar het toilet waar ik droog ondergoed aantrek. Wanneer ik weer in de gelagzaal kom ontwaar ik daar nu ook een oudere vrouw. Ze is duidelijk de baas, want ze jaagt me kordaat de straat op.
Daar probeer ik tevergeefs mijn mobylette op gang te trekken. Ik trap twintig meter ver, zonder resultaat. Lege tank. Ik keer op mijn schreden terug en wil de meiden vragen waar ik in de buurt benzine kan kopen. Het etablissement blijkt inmiddels, merkwaardig genoeg, potdicht te zijn. Kust nu mijn kloten, zeg ik tegen mezelf, De Zilte Mossel heeft mij eerst uitgespuwd en daarna haar schelp gesloten.

Flor Vandekerckhove
Toelichting

— Voortschrijdend inzicht levert ons dit beeld op. We herkennen van links naar rechts Marc Loy, Danny Kerkaert, Willy Versluys en Ivan Schamp. Deze foto werd wel degelijk in Lommel gemaakt. Pierre de Maeyer vermoedt evenwel dat de kans klein is dat die vier zich daar überhaupt iets van herinneren; hij leidt dat af uit hun oogopslag die inderdaad als lodderig kan omschreven worden. Maar hij dwaalt, want Danny Kerkaert schreef me een mail waarin hij bevestigt dat de foto in Lommel gemaakt werd. Wat hij daarover zegt heb ik in een reactie onder dit stuk geschreven. 

Bovenstaand verhaal bevat een brok jeugdsentiment. Het vertelt over een fietstocht van Bredene naar Lommel. Dat was al de tweede keer dat we naar Limburg trokken. De eerste tocht ging in 1965 naar Nijlen. Daarover heb ik al een stukje gepubliceerd, met mooie foto’s overigens (dat vind je hier). 
Inmiddels werd over die eerste trip al een beetje gecorrespondeerd, waardoor alweer enige putten in het wegdek van mijn geheugen gevuld konden worden. Willy Boey (die inmiddels in Florida woont) staat niet op die foto’s, maar in gedachten was hij er wel bij. Hij schrijft: Ik sta niet op de foto’s, want ik lag ziek te bed. Maar ik had de fietstocht wel gepland, niet tot in Nijlen, maar heel wat verder.’ Erik Poppe bevestigt dat Nijlen niet de oorspronkelijke bestemming was: ‘ik denk dat we Kasterlee in gedachten hadden maar heel zeker weet ik dat niet meer. We zijn gestrand in Nijlen. Lucien Leroy is toen gaan aankloppen bij de plaatselijke scouts en we mochten een week in hun lokaal verblijven.’
Intussen werpt Willy Boey ook enig licht op het ontstaan van de jeugdclub die de fietstocht organiseerde: ‘Ik heb het "Pat", afkorting voor patronaat, destijds gesticht en even later is Lucien Leroy erbij gekomen. Ik heb de poten van onder mijn gat gelopen, eerst naar de onderpastoor, dan naar de pastoor, om een lokaal af te bedelen, er was immers ruimte genoeg. Ten slotte kregen we de crypte onder de kerk toegewezen, een vochtige, koude, smerige ruimte, met de belofte dat we dat daar zouden kuisen en onderhouden. Marcel Derdeyn heeft er het meeste werk in gestoken. Ikzelf werkte intussen immers bij de spoorwegen in Brussel, en kon slechts tijdens de week-ends in Bredene zijn.’
Waarmee ook dat uit de vergeethoek gered is. En nu over de tweede tocht, deze naar Lommel. We zoeken nog naar het exacte jaartal. Erik Poppe: ‘De tweede keer moet één of twee jaar na de tocht naar Nijlen geweest zijn, en dat was inderdaad naar Lommel. Ik herinner me nog die rit in de pletsende regen. We zijn toen gestopt in een café in het centrum van Mechelen. Daar hebben we beslist om de trein via Antwerpen naar Lommel te nemen. We verbleven er in een leegstaand huis dat, denk ik, eigendom was van een tante van Roland Vanmassenhove. Wat ik me ook herinner is dat we 's avonds altijd pinten gingen drinken in 'De Blauwe Kei', een café langs het kanaal. Ik ben enkele maanden geleden nog op bezoek geweest bij vrienden in Lommel en "De Blauwe Kei" bestaat nog altijd!’ Erik heeft helaas geen foto’s liggen van die tweede tocht. Roland Vanmassenhove herinnert zich ook een en ander: ‘We logeerden daar in een huis van mensen die bij ons op de camping hun vakantie kwamen doorbrengen. Mijn familie heeft hen nog helpen verhuizen. Ze moesten weg uit hun woning die afgebroken zou worden om de weg te verbreden. Daardoor hadden wij met onze groep het huis voor ons alleen. We gingen regelmatig een paar pintjes drinken in “de Blauwe Klei”, een café met een DECAP-orgel. Dat café bestaat nog altijd. Ik weet ook nog dat we niet per fiets tot in Lommel geraakt zijn, en dat we onderweg ergens de trein genomen hebben. Heeft Gust Vangheluwe dan niet een vrachtwagen gestuurd om onze fietsen ter plaatse te krijgen?’
Zelf zou ik dat niet weten, want ik was, zoals je uit het verhaal De zilte mossel kunt afleiden, heel die weg in m’n eentje aan het afleggen. Ik herinner me dat ik uiteindelijk in Lommel, in ’t donker, in de verte, de groep (of een deel ervan) ontwaar, een belevenis die ik min of meer als een mirakel ervaren heb. 
Ik heb mijn belevenissen in bovenstaand verhaal wel een beetje verdicht en de naam van de bar is fictief, maar voor de rest mag ik wel zeggen dat het gebaseerd is op wel degelijk gebeurde feiten. Wat ik me niet herinner is café De Blauwe Kei. Wellicht komt dat doordat ik onderweg een flinke verkoudheid opgelopen had en ik in Lommel vooral veel tijd in bed heb doorgebracht. En bij de fietsenmaker, want de mobylette moest hersteld worden. Ik ben ook zonder de groep naar huis gereden, want ik moest tegen de paasdagen weer thuis zijn om in de winkel te helpen.
Komt het door al die handicaps dat ik van heel dat gebeuren geen foto’s liggen heb? Of werden er geen foto’s gemaakt? Maar Roland vermoedt dat de foto die ik bovenaan deze toelichting plaats wel degelijk in Lommel gemaakt is. Rolands vermoeden wordt bevestigd door Danny Kerkaert. Hieronder plaats ik ook nog een van het internet gehaalde, historische foto van die Blauwe Kei, zoals we dat café in onze jeugd misschien gezien hebben. (fv)


maandag 14 december 2015

Rachel, de vriendelijkheid zelve


— De Gentstraat in Bredene, wellicht in de jaren vijftig. Drie naast elkaar: café-pension Roger, pension Concordia en de Tourist van Rachel. —


In de zomermaanden weerklonk de roep Alle hens aan dek in alle toonaarden over de wijk. Dat komt doordat ze daar vooral van het toerisme leefden. In die tijd viel dat toerisme te omschrijven als indrukwekkend, maar bijzonder kort van duur. Je moest derhalve alle zeilen bijzetten om het te kunnen redden.
Mijn ouders woonden in die wijk. Ze waren poeliers en ze hadden er hun winkel. Ook ik werd als kind al vroeg bij de werkzaamheden betrokken. Eerst was dat nog achter de schermen, maar van zodra ik sterk genoeg was om de vleesmand te torsen, werd ik op pad gestuurd. Vanaf het krieken van de dag was ik met kiekens in de weer. Ik stapelde ze in de mand, dekte ze af met een handdoek, zette de mand op de fietsdrager en toog op weg om de plaatselijke horeca te bevoorraden.  
Veel verder dan de wijk ging mijn ronde niet. Ten westen was er wel een restaurant op de Oostendse Visserskaai en ten oosten waren er het pension De kampeerder, een restaurant in de wijk Vosseslag, dat toepasselijk ’t Vosken heette, en tussen die twee in lag een etablissement dat naar de naam Cabane luisterde. Voor de rest lag mijn ronde in Bredene-Duinen: Café du Sport, hotel Helvetia, hotel Belle-Vue, pension L’Aurore, pension Zomerlust, pension Bastogne, hotel Europa, de Willem Tell, pension Des Ardennes, pension Concordia, Friture Tourist, pension Beau Séjour…
Ik zei al dat het seizoen kort was. In die korte tijd moest je voldoende geld bijeenschrapen om het een jaar te kunnen uitzingen. De verwachtingen waren groot, de zenuwen gespannen, de lat lag hoog, het lontje was extreem kort. Overal heerste de stress over de keuken. Overal was mijn aanwezigheid ongewenst, overal stond ik in de weg, overal legde ik mijn waar op de verkeerde plek. Overal bleek ik te laat te komen of te vroeg. Overal moest ik nijdige blikken en dito commentaren incasseren: de kippen waren te klein en die ene kip die niet te klein was, was te groot. Ze waren niet vers genoeg of juist te vers. Ze waren vooral te duur.
Ik begreep het wel, want thuis was ’t niet beter. Al die mensen kwamen uit een commerciële winterslaap en ze moesten zich als bij toverslag gedragen als de doorwinterde handelaars die ze eigenlijk niet waren. Ik mocht al dat geklaag & gescheld wel relativeren, maar trok toch ’t liefst met mijn waar naar café-friture Tourist waar Rachel over de keuken heerste. Was daar minder stress dan elders? Geenszins. Had Rachel het gemakkelijker dan de anderen? Zeker niet. Maar Rachel bleef vriendelijk. Altijd had ze een bemoedigend woord voor je over. Altijd lag er een beetje drinkgeld klaar en ze smeet het niet in je gezicht, neen, ze gaf het van harte. En ja, je zag dat, je voelde dat.
Rachel is me bijgebleven als een unicum in de toeristische sector van Bredene. Ik heb het haar enige tijd geleden ook met zoveel woorden gezegd en sindsdien zijn we maten geworden. Ik zeg het nu ook tegen iedereen en geef haar een plaats in de portrettengalerie die ik maak van mensen die ik al heel lang ken en die een beklijvende indruk op me gemaakt hebben. Eerder heb ik in deze reeks al het portret van Noël geschetst, een oude schoolkameraad en nu komt Rachel aan de beurt.
Rachel is inmiddels al dik in de negentig. Ze woont hier om de hoek. Ik zie haar wekelijks, weer of geen weer, naar de markt trekken. Nog steeds is er tijd voor een vriendelijk woord, nog altijd is haar lach aanstekelijk. Hopelijk wordt ze honderd. Wat zeg ik? Hopelijk wordt ze de oudste inwoner die deze wijk ooit heeft voortgebracht!
Flor Vandekerckhove


zondag 13 december 2015

Washandjes

Op het plein stond maar één auto, een kleine bestelwagen. De deuren van de laadruimte waren wijd open blijven staan, de sleutel zat nog in het contactslot. De chauffeur was nergens te bespeuren. Godver, dacht ik, dit is de enige plek waar het veiligheidsgevoel onaangetast gebleven is. Over dit oord wil ik schrijven, hier wil ik leven & sneven.
In Bredene had ik de voortekenen gezien en ik had ze niet genegeerd. Daardoor was ik uit het land kunnen wegvluchten nog voor de grenzen compleet dichtgegooid werden. Ik was twaalf uur blijven rijden en nu stond ik op het plein van een piepklein Pyreneeëndorp te wachten tot de winkeldeuren na de siësta weer zouden opengaan.
De zon stond in het zenit, de hitte maakte me loom, de lange rit eiste zijn tol, ik kon maar met moeite mijn ogen openhouden. Ik moest me hoognodig verfrissen. Terwijl mijn oogleden al te zwaar werden dwaalden mijn gedachten af naar mijn in Bredene gecensureerde pennenvruchten, naar het gedicht Kerst op Pasen, waarin ik de bende van De Wever over de hekel, alsmede door de mangel haal en naar mijn kort verhaal Veiligheidsniveau 4, dat ‘gezien de gevoeligheid’ niet vermeld mocht worden. En ik dacht vooral aan de druppel die mijn emmer had doen overlopen, het verhaal Gemeubeld appartement te huur Daarin beschrijf ik mijn herinneringen aan de tijd waarin Bredenaars de nacht in hun duivenkot doorbrachten omdat ze hun slaapkamer aan toeristen verhuurd hadden. Toen ook de publicatie van die memoires te gevoelig bleek te liggen, wist ik dat het tijd werd om ervandoor te gaan. En dat had ik gedaan.
Toen de siësta eindelijk voorbij was en de winkeldeur openzwaaide stapte ik stram uit de auto, nam een winkelmandje en vulde die met enig fruit en met de hoogstnodige toiletartikelen. Wat ik in die winkel niet had kunnen vinden waren washandjes. Aan de kassa probeerde ik ernaar te vragen. Ik slaagde er niet in om de Franse vertaling uit mijn geheugen op te halen, begon het met handen en voeten uit te leggen en zei uiteindelijk: ‘Chez nous en Flandre on appelle ça washandjes.’ En geloof me of geloof me niet, dit is wat dat mens van die Pyreneeënwinkel daarop antwoordde: ‘Moh hebruk je gie ook nog wazandjes?’

Flor Vandekerckhove

vrijdag 11 december 2015

Twee vaatwasmachines


Gisteren werd in Gent een nieuw boek voorgesteld. Het betreft het slot van een trilogie waarin Freek Neirynck het dialect van die stad uitputtend behandelt, eerst in een woordenboek, vervolgens in een verzameling zegswijzen en nu in een overzicht van de Gentse volksmuziek.
Ik had me voorgenomen op die boekvoorstelling aanwezig te zijn, maar eerst moest ik iets aan de vaat doen die zich danig opgestapeld had. Dat had minder met mijn verregaande slordigheid te maken, dan wel met een kapotte vaatwasmachine. De mecanicien in mij had zich daar niet bij neergelegd en ik had het probleem gedurende vele dagen langs alle kanten bekeken. Aan dat studiewerk kwam een einde toen een echte mecanicien me diets maakte dat het overduidelijk de pomp was die het definitief begeven had. Die mecanicien bezorgde me ook een andere vaatwasmachine, een Carad, tweedehands, van een oud mannetje dat de machine alleen maar gebruikt had om er op zondag mee ter kerke te gaan.
Voor ik me naar de boekvoorstelling begaf, verwijderde ik nog vlug de kapotte machine, kuiste de smurrie op die zich erachter vergaard had, wrong de Carad tussen het gasvuur en het aanrecht, verbond kabels en snoeren en had toen nog net de tijd om tram, trein en bus te nemen. Terwijl ik me fatsoeneerde draaide de Carad een schoonmaakprogramma, want vaatwasmachines moeten ook zichzelf schoonmaken, zeker als ze eerder maar zelden gebruikt werden door oude mannetjes.
En nu vertel ik u waarom ik toch niet naar de boekvoorstelling gegaan ben. Toen ik proper gekamd & geschoren weer in de keuken kwam, zag ik in een almaar toenemende vertwijfeling hoe heel de keukenvloer ondergelopen was. De lucht stond vol, ongetwijfeld giftige rook en de zekeringen waren doorgeslagen. Terneergeslagen door zoveel tegenslag belde ik de mecanicien op die me meteen te hulp snelde. Eerst zegde hij er niets van te begrijpen, maar toen hij de Carad opentrok, wist hij meteen wat er aan de hand was. De pomp had het definitief begeven.
Flor Vandekerckhove

‘Wie es/woas Wie in de Gensche Voolksmeziek’ van Freek Neirynck telt 252 bladzijden en meer dan 700 lemma’s. Het boek kost € 19,50 en is te koop in de Gentse Stadswinkel, het STAM, het Huis van Alyn en verder in elke goeie boekhandel in Vlaanderen.

dinsdag 8 december 2015

Tongschrapers

Mag ik u een vraag stellen? Hebt u vandaag uw tong al geschraapt? Ik vraag het u omdat ik heden een pakje flosdraad gekocht heb. In zo’n pakje zitten 36 beentjes met een flosdraadje. Zo’n beentje heet daarom terecht flosdraadhouder. Ik zie dat ik die flosdraadhouder ook voor iets anders kan aanwenden. Hij eindigt in een scherpe punt die als tandenstoker gebruikt wordt, voorwaar een plus en bovendien is het de evidentie zelve, want stoken en flossen gaan vanaf een zekere leeftijd hand in hand. Het pakje vermeldt nog iets. Het product noemt zichzelf een 3-in-1 Flosser en heeft derhalve drie functies. De derde functie heet schrapen. Je schraapt er niet je tanden mee, maar je tong.
Ik sta perplex. Tongschrapen! Daar heb ik nooit eerder iets over vernomen. Nooit heeft iemand me erop gewezen dat ik mijn tong moet schrapen. Nooit heb ik het iemand zien doen. Nooit heb ik in het straatbeeld reclame voor tongschrapers zien opflitsen. Nooit heeft iemand me de vraag gesteld die ik u aan ’t begin van dit stuk stel: hebt u vandaag uw tong al geschraapt?
Ik raadpleeg het internet en ja, de Wikipedia wijdt er een lemma aan. De tongschraper blijkt een bekend instrument te zijn. Er staat ook: Niet overal in de westerse wereld is evenveel gebruikgemaakt van de tongschraper. Zo wordt in Europa de tongschraper veel minder gebruikt dan in Japan en de Verenigde Staten.’ Ik ben een Europeaan, ik ben gerustgesteld.
Flor Vandekerckhove

maandag 7 december 2015

Tekstschrijver

Van dat schrijven viel niet te leven. Ik moest op zoek gaan naar een inkomen en had daartoe gesolliciteerd bij een bedrijf dat een tekstschrijver zocht. Ik wist niet goed wat dat concreet inhield, maar aan hun advertentie te zien konden ze daar wel een tekstschrijver gebruiken. Wellicht doordat mijn eisen belachelijk laag waren, werd ik onmiddellijk aangeworven. Meer zelfs, ik werd meteen in het kader opgenomen.
's Anderendaags ging ik al aan de slag, maar niet met het schrijven van teksten, want eerst moest ik dat bedrijf leren kennen. Concreet kwam het erop neer dat ik een maand lang over en weer moest lopen. Onderweg sprak ik met andere mensen die daar net als ik over en weer aan ’t lopen waren en die ik almaar beter leerde kennen als klaplopers.
Er waren veel vergaderingen, twee per week, soms meer. Nooit begreep ik waarover men daar sprak, maar ik begreep wel dat ik dat niet moest laten blijken en daarom stelde ik nooit vragen. Aan de anderen zag ik wel dat het onderwerpen waren die alleen maar verteerd konden worden door de drank die in de vergaderzaal overvloedig aanwezig was. Je kon er jezelf een koffie inschenken of cola, whisky of pils. Iedereen dronk whisky.
Het was een dynamisch bedrijf. Wekelijks werd het kader uitgebreid. Naast de mensen van het eerste uur was er na twee weken ook een marketing manager present, en verder een public-relationsman, een beheerder van het wagenpark, een promotiechef, een inkoopdirecteur, een webmaster, een IT-specialist… De lijst was tegen ’t einde van de maand nog langer geworden en uitgebreid met een financieel directeur, een verantwoordelijke voor de automatisering, een supervisor, een secretaris en een zogenaamde downsizer, verantwoordelijk voor het afslanken van het kader. Dat laatste leek me een nuttige functie te zijn, want de vergaderzaal werd echt te klein voor al dat volk en er dreigde daar bovendien een tekort aan whisky te ontstaan.
Hoe het dat bedrijf verder vergaan is, weet ik niet, want ik was de eerste die door de downsizer ontslagen werd. Op mijn laatste werkdag overhandigde de financieel directeur me mijn maandloon. Hij legde er nog een forse premie bovenop omdat het anders ‘t betalen niet waard was. Ik bedankte de man uitvoerig, maakte mijn bureau leeg en toog naar huis. Onderweg passeerde ik een filiaal van de Aldi waar ik een groot pak chocola kocht. Thuis ging ik voor het raam zitten en terwijl ik heel dat pak chocola soldaat maakte, breide ik een einde aan dit verhaal.
Flor Vandekerckhove