donderdag 31 maart 2016

Taalperikelen aan de Vlaamse kust

— Sloeber nam graag een duik in de Noordzee
maar begreep geen West-Vlaams.  (foto G.Myle) —
Achtentwintig jaar geleden kwam ik weer aan de kust wonen, die ik twintig jaar lang achter me gelaten had. Ik bracht een hondje mee dat Sloeber heette.
Ik ontmoette er oude vrienden die achteraf geen vrienden bleken te zijn, las regionale kranten om de draad weer op te nemen en sprak West-Vlaams alsof ik er nooit was weggeweest. Ik werd er verwelkomd als de verloren zoon die eindelijk het rechte pad had opgezocht, het verloren schaap dat onverwachts zijn stal had weergevonden. Althans dat dacht ik.
Dat dacht ik tot ik ongewild een gesprek moest afluisteren waarin men het over mij had. Ik zat op het wc van een café. Sloeber had ik aan de barman toevertrouwd. Het gesprek werd gevoerd door twee kennissen die na mij in ’t toilet waren gekomen. Ze hadden het over mijn hond, waarvan ze wisten dat hij door mij in ’t algemeen Nederlands aangesproken werd. Wat ze belachelijk vonden; waarin ze het bewijs zagen dat ik het erg hoog in mijn bol gekregen had; wat hen duidelijk maakte dat ik hen in ’t West-Vlaams neerbuigend bejegende; dat ik mijn hond hoger aansloeg dan de volksgenoten die ik twintig jaar lang niet had willen bekijken; dat ik in ’t binnenland stadsmaniertjes ontwikkeld had en niet moest denken dat ze daarin mee zouden gaan…
Er kwam geen einde aan. Ik had al lang gedaan met kakken, maar bleef roerloos zitten, verwonderd over de hoeveelheid woorden die mannen onder ’t pissen met elkaar wisselen. En natuurlijk was ik verbolgen over wat ik daar te horen kreeg.
Uiteraard sprak ik met Sloeber geen West-Vlaams. Het beest was buiten de provincie grootgebracht, samen met mijn kinderen die evenmin West-Vlaams begrepen. Had ik die kinderen met me naar de kust gebracht dan had ik hun dat West-Vlaams nog kunnen bijbrengen, maar de hond was inmiddels veel te oud geworden om een nieuwe taal te leren.
Er bestaat trouwens ook iets als de macht der gewoonte. Want toen ik weer in de gelagzaal kwam en daar de mannen zag die zo over mij gesproken hadden, wilde ik expliciet aan Sloeber zeggen, kom oendje, we gòòn nor uus, maar dat zei ik niet. Uit mijn mond hoorde ik iets anders vlieden: ‘Kom hondje, we gaan naar huis.’ Ik zag hoe de twee elkaar veelzeggend aankeken en tegen hen zei ik: ‘Kust me kloten, gieder.
Flor Vandekerckhove

woensdag 30 maart 2016

Die ochtend in het bankfiliaal

Ik had een fout gemaakt. In de Colruyt, waar ik altijd met de kaart betaal, had ik de kassier gevraagd om honderd euro cash van mijn bankrekening te halen, zodat ik een beetje contant geld op zak zou hebben. Toen hij me vroeg of dat één enkel biljet mocht zijn, had ik daar onnadenkend in toegestemd. En nu zat ik met dat briefje van honderd aan mijn been.
Contant geld gebruik ik alleen nog bij aankopen die zo weinig kosten dat het belachelijk is om ze met de kaart te betalen. In zo’n gevallen is een briefje van honderd uiteraard een handicap. Een snoepje met zo’n biljet betalen? Winkeliers steigeren & weigeren, zeggende dat ze onvoldoende wisselgeld in kas hebben.
Toen ik gisteren voorbij het bankfiliaal fietste dat mijn rekeningen beheert, besloot ik dat biljet aldaar te wisselen. Ik ging binnen in het voorgeborchte der bank en vroeg de immer vriendelijke loketbediende of ik dat biljet kon inruilen voor enig kleingeld.
Haar antwoord verbijsterde me. ‘Ik kan dat echt niet doen’, zei ze en omdat ze de verbijstering van mijn gezicht kon aflezen, voegde ze er meteen aan toe dat zij niet langer over cash geld beschikte.
Ik was sprakeloos. Mijn gedachten verplaatsten zich naar de tijd waarin je het papiergeld in zo’n bank kon horen ritselen. Voor mijn geestesoog zag ik vingervlugge loketbedienden met dikke stapels in de weer. Ik zag winkeliers die hun kleingeld kwamen afhalen en andere die hun grootgeld kwamen deponeren. Ik herinnerde me de Bank van Brussel, de Raffeisenkas, de ASLK en de Bank van Roeselare, etablissementen waaruit de geur van echt geld je tegemoet kwam.
Het was allemaal verleden tijd. Ik werd in een nieuwe wereld gesmeten, een wereld waarin de bakker je glimlachend zegt dat hij niet langer over brood beschikt en de slager je welgemutst meedeelt dat je het vlees maar uit de muur moet halen. Dit had niemand zien aankomen, ook Bobbejaan Schoepen niet, die nochtans over zo'n dingen placht na te denken, dit was erger dan een café zonder bier.
Ik kon wel, zei de loketbediende met oprecht medelijden, dat briefje in de automaat steken. Dat geld zou dan meteen op mijn rekening terechtkomen. Vervolgens kon ik aan hetzelfde toestel honderd euro vragen en dat zou me in twee briefjes van vijftig toegeschoven worden. Mocht ik daar niet in slagen dan kon ze iemand uit de diepste krochten van het achter haar liggende bankwezen oproepen, die het me dan zou komen leren.
Dat laatste bleek gelukkig niet nodig te zijn.
Flor Vandekerckhove

dinsdag 29 maart 2016

Conscience en ik (8)

— Robbe © Jo Clauwaert —
Al heel lang probeer ik me Consciences meesterwerk De leeuw van Vlaanderen toe te eigenen. Lang geleden heb ik een feuilleton gepubliceerd onder de bombastische titel De slag der sporen van hormonen in het vlees. Ik was daar niet tevreden over en heb er later een korte roman van willen maken. Die werd nooit afgewerkt. Nog later is er een scenario uit voortgevloeid, basis voor een stripverhaal dat er blijkbaar evenmin komt. Wie meer over al die mislukte pogingen wil vernemen kan hier terecht.
Nu probeer ik, samen met illustrator Jo Clauwaert, weer iets anders. Ik weet niet goed in welk genre ik deze nieuwe poging moet onderbrengen. Het verhaal valt samen met de making-of ervan — hoe heet dat dan? — en we bevinden ons hier & nu in de achtste aflevering. Het vorige stuk staat hier en dat leidt je op zijn beurt naar de zes voorgaande afleveringen.
In deze achtste episode wil ik het over Robrecht van Vlaanderen hebben, die door ons Robbe genoemd wordt. Laat ons kijken hoe Conscience die held beschrijft. Robrecht is een ridder ‘die een ongemeen spytig en stuer voorkomen had. Zyne oogen draeiden halstarrig in het rond (…)’ Vergis ik me als dat de beschrijving van een dolleman is? Verder staat dit: ‘Om de vyftig jaren oud, maer nog in de volle kracht des levens, met breede borst en zware leden, kon men hem als de sterkste ridder aenzien.’ Robrecht is niet alleen een dolleman, hij is ook een krachtpatser. Een bendeleider ook, zo blijkt: ‘By alle veldtochten had hy de vlaemsche benden aengevoerd, en eenen ontzachelyken naem onder de vreemden verkregen.’
Die beschrijving biedt ons genoeg munitie om van Robbe een schipper ter zeevisserij te maken die, omdat de zee in ’t jaar 2102 geen vis meer bevat, overgeschakeld is op het lucratieve transport van asielzoekers, mensen zonder papieren die over de wereld uitzwermen om te ontsnappen aan de klimaatcatastrofes die hun thuislanden teisteren. Robbe wordt in ons verhaal een mensensmokkelaar, met inderdaad ‘eenen ontzachelyken naem onder de vreemden’ en niet alleen omdat zijn ogen halsstarrig in het rond draaien.
Voilà! We hebben weer een steentje op de stapel gelegd. We weten nu wie Robbe is. Net zoals we in een vorige aflevering de personages Jan Breydel en Pieter De Coninck hebben leren kennen en uiteraard ook Machteld, die de ware heldin wordt van ons ding in wording — ding ding.
Flor Vandekerckhove
(Vervolgt)

zaterdag 26 maart 2016

Esta mineta


‘Het schiet me ineens te binnen dat ik onlangs met een landbouwer over de weg liep.’ Zo begint De moordenares, een verhaal van Robert Walser. En zo begint ook dit verhaal dat een eerbetoon wil zijn aan de grote wandelaar en schrijver die Walser was.
In een quad, waarvan hij zei dat hij al vijfentwintig jaar oud was, kwam de man naast me rijden. Ik zei hem dat het een mooi voertuig was en hij zei me dat hij het goed verzorgde. Waar we vandaan waren, wilde hij weten, en wat we kwamen doen. 
Zelf woonde hij daar al heel zijn leven en hij kende elk hoekje van de streek waaruit hij nooit was weggeweest. Een week eerder had hij een helikopter over het gebied zien vliegen en in de straat waar wij nu aan ’t wandelen waren stond toen een auto waarin twee mannen zaten. Waar ze vandaan kwamen, wilde hij van me weten, en wat ze daar kwamen doen. Zo stelde hij wel meer vragen waarop ik geen antwoord had.
Hij bleef naast me rijden en al keuvelend naderden we een kruispunt waarop een alleenstaand, verlaten en desolaat huis stond. 'Ken je dit gebouw?' vroeg ik de man.
'Wel zeker', antwoordde hij, 'dat is een estaminet geweest, maar nu niet meer.' Estaminet! Ik herinnerde me dat woord uit lang verleden dagen. De grootoom van mijn vader placht het te gebruiken als hij ’t over een café had.
'Weet je wat estaminet zeggen wil?' vroeg de quadman. Ik had al veel van zijn vragen onbeantwoord gelaten en dat deed ik ook met deze. 'Estaminet komt van esta mineta', zei hij, 'dat betekent: hier zijn vrouwen. Een estaminet is van oorsprong een bordeel.'
Zijn uitleg verwonderde me. Hij verwonderde me omwille van de inhoud, maar hij verwonderde me vooral omdat hij geuit werd door deze quadman waarin ik van meet af aan een zeer simpele ziel bevroed had. 
Ik stopte voor het estaminet en vroeg hem hoe het kwam dat hij zo ‘n taalding wist. 'Ik weet er nog meer', zei hij, 'ook minetten komt van esta mineta.' En meteen voegde hij eraan toe: 'Ken je dat, minetten?' Het leek me beter om ook die vraag niet te beantwoorden.
Op dat kruispunt moest de man naar rechts en dus gingen wij naar links. Terwijl hij zijn quad op gang trok, was het mijn beurt om hem een vraag te stellen: 'Wie ben jij eigenlijk?'
 'Ik ben de landbouwer uit het begin van je verhaal', riep hij al rijdend, 'ik ben de landman waarmee je onlangs over de weg liep.'
Ik keek hem na tot hij achter de heuvel verdwenen was. 'Wat heeft hij allemaal verteld?' vroeg mijn vriendin, die niet alleen om de foto te maken op enige afstand gebleven was.

Flor Vandekerckhove

donderdag 24 maart 2016

Een ei is een ei is een ei

In 1960 voerde Frankrijk een nieuwe frank in, een munteenheid die overeenstemde met honderd oude Franse franken. Oudere fransozen hadden het daar moeilijk mee. Ze bleven in oude franken spreken. Een deux chevaux kostte in hun taalgebruik vele honderdduizenden, een beetje Peugeot al gauw in de miljoenen.
Sinds de invoering van de euro zit ik in een soortgelijke situatie. Ik blijf rekenen in Belgische franken. Elk bedrag in euro’s vermenigvuldig ik spontaan met veertig. Ik denk niet dat ik er ooit vanaf geraak. Ik ben een relict van de nationale muntentijd.
Daar moest ik weer aan denken toen ik vorige week de prijslijst van een tearoom inkeek. Ik wilde een koffie drinken, maar zag op de kaart dat je daar ook een ontbijt kon nuttigen. Bij dat ontbijt kon je een gekookt ei bestellen, zo las ik, maar dat moest apart betaald worden, twee euro. Ik zette dat bedrag automatisch om in franken. Twee euro, tachtig frank.
In mijn hoofd vormde zich, als uitdrukking van opperste verwondering, spontaan een vraagteken, onmiddellijk gevolgd door een uitroepteken. — ?! — . Ik keek om me heen en zag dat iedereen rustig bleef, niemand gniffelde, niemand keek mijn richting uit. Het personeel bleef routineus aan ‘t werk, de klanten keuvelden en aten een gebakje. Dit was een gewone tearoom, met doordeweekse mensen, geen acteurs. Niets wees erop dat er een verborgen camera op mij gericht werd. Ik keek weer naar de kaart en neen, ik had me niet vergist, een gekookt ei kostte daar wel degelijk tachtig frank.
Men zegt me wel dat ik dat niet mag doen, de prijzen op die manier bekijken. Je vergelijkt dan iets van vroeger, zegt men me, met iets van nu. Dat kan wel zijn, maar ik doe het toch, want een ei van nu is gelijk aan een ei van vroeger. Een ei is een ei is een ei.
Wat denkt u daar eigenlijk zelf over? Stel dat deze regering de Europese doelstellingen niet haalt, wat te verwachten valt. Stel dat België de eurozone moet verlaten, wat niet onmogelijk is. Stel dat de Belgische frank weer wordt ingevoerd, wat niet ondenkbaar is. Zou u dan tachtig frank willen ophoesten voor een gekookt ei? Ik denk het niet.

Flor Vandekerckhove

woensdag 23 maart 2016

Aan de wankelaar

— De wereld is een schouwtoneel, elk speelt zijn rol en krijgt zijn deel. (Joost van den Vondel) —

Het perspectief dat door mei ’68 geopend werd, en waarmee ik volwassen geworden ben, is al lang weggeveegd. Mijn generatie heeft het moeten meemaken en velen zijn onderweg de hoop verloren. ’t Is niets om trots op te zijn, maar het valt wel te begrijpen. Je moet al een bijzonder scherpe blik hebben om in de duisternis van dit globale kapitalisme de dromen te ontwaren die ons destijds gevoed hebben.
Dat komt doordat de wereld, zoals Vondel het al zei, inderdaad een schouwtoneel is. Op het helverlichte podium vertellen de hoofdrolspelers ons dat actie zinloos is, dat wij geen macht hebben, dat we niet kunnen winnen. Elk speelt, zo zei Vondel ook, zijn rol, maar de rol van de hopeloze is die van een toeschouwer. De hopeloze is een merkwaardig sujet dat, vreemd genoeg, een ticket betaalt om naar zijn eigen ondergang te komen kijken.
Vroeger dachten we dat hoop de gedachte was die zei dat alles in zijn plooi zou vallen. Maar we hebben intussen wel geleerd dat je de hoop niet op zo’n lichtzinnigheid mag bouwen. De toekomst is immers altijd onzeker, hij wordt niet bepaald door God, niet door de glazen bol van madame Blanche, maar evenmin door de vermeend onwrikbare wetten van de geschiedenis. Hij is onzeker voor ons, maar hij is dat ook voor de degenen die daar in het voetlicht van jetje staan te geven. Niemand weet wat ons in die toekomst te wachten staat; zij niet, wij niet.
Wat moeten we dan doen?  ’t Is hier dat de dichter ons te hulp snelt.
Flor Vandekerckhove

Aan de wankelaar

Je zegt:
Het gaat slecht met onze zaak.
De duisternis neemt toe. De krachten nemen af.
Nu, na zoveel jaren werk,
Staan we er slechter voor dan bij de start.

De vijand daarentegen is sterker dan ooit.
Zijn krachten lijken toegenomen. Hij ziet er onoverwinnelijk uit.
Wij echter hebben fouten gemaakt, het valt niet meer te loochenen.
Ons aantal vermindert.
Onze parolen klinken verward. De vijand heeft
Een deel van onze woorden verdraaid tot ze onherkenbaar waren.

Wat is er nu verkeerd in wat wij zeiden?
Iets of alles?
Op wie kunnen wij nog rekenen? Zijn wij, overgeblevenen, geslingerd
Uit de levendige stroom? Zullen wij achterblijven,
Niemand meer begrijpend en door niemand begrepen?

Moeten wij geluk hebben?

Dat vraag jij. Verwacht
Geen ander antwoord dan dat van jezelf.

(Bertolt Brecht, 1935)

dinsdag 22 maart 2016

Sterk staaltje outsiderkunst


In de Oostendse Openbare Bibliotheek Kris Lambert loopt nog tot einde maart een tentoonstelling met ingekleurde tekeningen van August Campe. Hij liet zich inspireren door militaire gebeurtenissen uit de Eerste Wereldoorlog. De werkjes werden eerder al getoond in Gent en Diksmuide. Ook in Brugge zullen ze te zien zijn en er volgen nog steden.
August Campe (1913-2003) was een ambtenaar in buitendienst, hoofdwachter van ‘bruggen & wegen’. Toen zijn dochters Chris en Monique, na ‘s mans overlijden, het huis in de Bredense Zandstraat leegmaakten vonden ze in zijn bureau een bundeling van 42 zeer fragiele, kleurrijke tekeningen, alle gebaseerd op momenten uit WO I.
— August Campe (1913-2003) —
Volgens Chris was het geenszins de bedoeling van haar vader om die ooit te exposeren, hij tekende uitsluitend voor zijn plezier. Ze had die tekeningen al in haar kinderjaren gezien: Mijn vader tekende graag en dikwijls. Toen zijn bureau moest plaatsmaken voor een slaapkamer, omdat mijn grootmoeder bij ons in Bredene kwam inwonen, heeft hij de meeste in de vuilbak gekieperd.’ Vooraleer ook de oorlogstekeningen in het niets zouden verdwijnen, wilde zijn dochter er nog iets mee doen. De herdenkingen n.a.v. de honderdste verjaardag van WO I boden haar daartoe de gelegenheid.
August Campe werd in 1913 geboren en is bijgevolg te jong om zich iets van de Eerste Wereldoorlog te herinneren. Heeft hij zich laten inspireren door foto’s die hij in tijdschriften gevonden heeft? Zijn de werkjes gebaseerd op verhalen die zijn ouders hem verteld hebben?
Op de tekening boven dit stuk schrijft August Campe: ‘Een Engelsche onderzeeboot geeft eene bomme aan een vlieger’. Daaruit blijkt dat de werken niet zomaar illustraties zijn, ze zijn vrucht van Campes verbeelding.  De 21 tekeningen die in de Oostendse bibliotheek getoond worden vormen dan ook een sterk staaltje van art brut of outsiderkunst, een begrip dat het werk omschrijft van autodidacten die de academische regels negeren en hun eigen artistieke weg gaan, meestal buiten het reguliere kunstcircuit. In veel gevallen worden ze bij toeval ontdekt, iets wat ook geldt voor de mooie tekeningen van Campe. 
Flor Vandekerckhove

maandag 21 maart 2016

Een ontmoeting met Rinus Van de Velde

— De Laatste Vuurtorenwachter heeft een bijverdienste als suppoost in het SMAK — 

Telkens u de zon ziet zakken in de zee, trekt De Laatste Vuurtorenwachter via de wenteltrap naar boven, om aldaar de vuurtorenlamp aan te steken. Vervolgens laat hij zijn vuurtorenlicht schijnen op de dingen die anders verborgen zouden blijven en zodra het daghet in den oosten knipt hij dat licht weer uit.
Bij het krieken van de dag daalt hij de vuurtorenwenteltrap weder af, om zich beneden, in zijn vuurtorenbureau, achter zijn vuurtorenlaptop — en als ’t koud is alsmede achter de stoof — te installeren. Daar noteert hij in zijn blog wat hij bij nacht & ontij in het vuurtorenlicht van zijn vuurtorenlamp bedacht heeft en heden is dat een ontmoeting met kunstenaar Rinus Van de Velde.
Ik ontmoet Rinus op zijn tentoonstelling in het SMAK in Gent. Ik kom daar wel meer, want in mijn ingebeelde vuurtorenwachterbiografie heb ik, als 't mij past, een fictieve bijverdienste als suppoost in dat museum. Terwijl hij druk in de weer is met zijn monumentale houtskooltekeningen, onderhouden Rinus en ik elkaar over de spanning tussen fictie en werkelijkheid en over hoe het ene het andere beïnvloedt. Het is een thema dat we gemeen hebben, hij in zijn tekeningen en ik in mijn verhalen. Zegt Rinus: ‘In mijn werk ben ik een personage dat het fictieve leven leeft dat ik nooit gehad heb. Maar dat fictief verzinsel wordt in mijn atelier een realiteit.’ De redenering klopt, want ook ik leid in mijn schrijverij een fictief leven dat ik als vuurtorenwachter nooit gehad heb. En achter mijn laptop wordt ook dat verzinsel een realiteit.
Om zes uur ’s avonds sluit ik het museum. Rinus Van de Velde spoedt zich naar zijn imaginaire stad Donogoo Tonka en ik naar mijn imaginaire vuurtoren op de grens tussen land en zee, droom en werkelijkheid, fictie en realiteit, het grensgebied waar ik vuurtorenwachter ben en schrijver. En vandaag zelfs een suppoost. Onderweg hoop ik dat mijn stukjes bij de lezer hetzelfde oproepen als wat Rinus’ werken bij journaliste Sofie Van Hyfte opgeroepen hebben: Wat Van de Velde toont, is inspirerend en doet verlangen naar een parallelwereld.’ Want eens je naar een parallelwereld verlangt, ben je maar een stap verwijderd van het besef dat een andere wereld mogelijk is.
Flor Vandekerckhove

° De tentoonstelling van Rinus Van de Velde loopt in het SMAK nog tot 5 juni.



zondag 20 maart 2016

Wanderlust

— De Laatste Vuurtorenwachter verlaat zijn
toren en wandelt in Heuvelland over de Catsberg.— 
Reislustig ben ik geenszins, maar ik beschik wel over een flinke dosis wanderlust. 't Is een woord dat helaas niet in de Woordenlijst der Nederlandse Taal staat. Wanderlust is Engels, wellicht ook Duits, en de Nederlandse vertaling luidt reislust, wat me niet bevredigt. Reiskoorts bevredigt me nog minder, want koorts is uiteraard nog erger dan lust. Ook zwerflust dekt mijn eigen wanderlust niet, want voor mij staat wanderlust voor het genoegen van het dwalend wandelen, iets wat doellozer is dan reizen, maar doelgerichter dan zwerven. Omdat wanderlust zoveel mooier is dan dwalendwandelgenoegen (wat uiteraard evenmin in de Woordenlijst staat) heb ik besloten het te adopteren.
Maar waarom is dwalend wandelen zo lustig? De Amerikaanse schrijfster Rebecca Solnit heeft daar een antwoord op: ‘Ik vermoed,’ zegt ze, ‘dat de geest, net zoals de voeten, aan drie mijl per uur werkt.’ Wil je bedachtzaam door ’t leven gaan dan doe je dat best al wandelend: 'Al wandelend bereik je een delicate balans tussen werken en nietsdoen, tussen zijn en doen. Het is lichamelijke arbeid die niets anders produceert dan gedachten, ervaringen en uitkomsten.’ En verder: ‘Idealiter is wandelen een toestand waarin geest, lichaam en wereld op één lijn liggen, alsof het drie personages zijn die een gesprek met elkaar aanknopen, drie noten die opeens een akkoord vormen. Wandelen laat ons toe om zowel in ons lichaam als in de wereld te zijn zonder ons daar druk over te moeten maken.’
Tot voor kort had ik nooit van die Rebecca Solnit gehoord, maar ik ben blij dat daar verandering in gekomen is, want anders had ik dit nooit gelezen: ‘Het ritme van het wandelen genereert een ritme van denken, en de passage door een landschap echoot of stimuleert het passeren langs een reeks gedachten. Hierdoor ontstaat een vreemde samenklank tussen de interne en de externe passage, een die suggereert dat de geest ook een soort landschap is en dat wandelen een manier is om dat geestelijke landschap te doorkruisen (…)’
Of wat hierboven staat helemaal waar is, weet ik niet, maar ‘k vind het wel een mooie gedachte. Wat ik wel zeker weet is dat zo’n wanderlust in de handen van de schrijver Robert Walser mooie zinnen aflevert: ‘Tegen het einde van de tocht regende het zonder ophouden, zo erg dat ik, vergenoegd of misnoegd, vrolijk of verdrietig, tevreden of ontevreden, maar in ieder geval helemaal doorweekt mijn bestemming bereikte.’
Flor Vandekerckhove

zaterdag 19 maart 2016

Belgica en pastoor Guy Gilbert

— Pastoor Guy Gilbert (81) —
Deze week gingen we kijken naar Belgica, waarin het verhaal van het Gentse danscafé Charlatan verteld wordt. Die film was, nog voor hij in de zalen kwam, al in de prijzen gevallen (Sundance Film Festival). Dat zorgde voor een indrukwekkende promotiecampagne, waarin de reputatie van regisseur Felix Van Groeningen benadrukt werd (Steve + Sky, Dagen zonder lief, De helaasheid der dingen, The Broken Circle Breakdown). Ook de muziek van de wereldbekende broers Stephen & David Dewaele, Soulwax, werd sterk in ’t licht gezet.
Al wat de promotie benadrukt heeft is waar. Van Groeningen heeft een sterke film neergezet. Nu lees ik dat de bezoekcijfers tegenvallen. Na een dikke twee weken zijn nog geen 50.000 mensen gaan kijken. Producer Dirk Impens schat dat de film uiteindelijk op 100.000 kijkers zal afklokken: ‘Niet slecht voor een Vlaamse arthousefilm,’ zegt hij, ‘maar The Broken Circle Breakdown deed het met 432.436 bezoekers veel beter.’
Impens zoekt naar verklaringen en mijn oog blijft hangen aan deze: ‘Felix wou net voor hij veertig werd nog eens zwaar uitpakken. Deze keer moest het rock-‘n-roll zijn.’ Dat valt me niet op omwille van de financiële problematiek waarmee de producer worstelt, want dat zijn ten slotte mijn zaken niet. Het valt me op omdat Van Groeningen met de film blijkbaar een punt achter zijn jeugd zet.
’t Is iets wat we allemaal meegemaakt hebben. Op een bepaalde leeftijd halen we nog een keer alles uit de kast, daarna doen we die kast op slot en smijten we de sleutel weg. In de jeugdcultuur van de bohème trof je wellicht ook nauwelijks 40-plussers aan en nozems van boven die leeftijd zullen ook een zeldzaamheid geweest zijn. Een punker van boven de veertig kan nauwelijks zijn hanenkam rechthouden en een overjaarse hippie wekt alleen maar medelijden op…
Er zijn natuurlijk wel rockers die gezwind de kaap van de veertig ronden en daarna de weg vervolgen alsof er niets aan de hand is, maar ze zijn zeldzaam. In de muziek springt Arno (67) in het oog en in de letteren houdt Herman Brusselmans (59) het rock-‘n-roll vaandel hoog. In de kerk doet pastoor Guy Gilbert (81) het nog altijd met verve en in de sport is Bradley Wiggins (36) goed op weg, maar die telt eigenlijk niet mee, want dat is geen rocker, maar een mod.

Flor Vandekerckhove


vrijdag 18 maart 2016

Liever de dood !

— Tussen Heuvelland en Bailleul speur ik naar onbewaakte grensovergangen — 

17 maart 2016 — Omwille van redenen die ik hier niet zeg, ga ik tussen Heuvelland en Bailleul, op de grens tussen West- en Frans Vlaanderen, op zoek naar overgangen die niet bewaakt worden door de benden van Jambon & De Wever. Die zoektocht valt zowel mee als tegen. Hij valt mee omdat daar gemakkelijk tientallen weggetjes, straten en sluipwegen te vinden zijn, zowel verharde, half verharde als onverharde, waarlangs je onbelemmerd ’t ene land in en ’t andere uit kan. Hij valt tegen omdat het niet altijd duidelijk is in welk land je vertoeft, want je slingert voortdurend van ’t ene naar ‘t andere. Niet alleen de grensbewaking ontbreekt, er is evenmin een grenspaal of een witte streep; er is niets wat de mens, met of zonder papieren, officieel meedeelt dat hij een grens overschrijdt. Je kunt het ook niet horen aan de taal, want langs beide zijden spreken de autochtonen zowel Vlaams als Frans.
Een geoefend oog kan het zien aan de brievenbussen. Die aan de kant van Calais zijn eenvormig. Aan de kant van Zeebrugge gaan ze daar creatiever mee om: minihuisjes, opengesneden melkkannen, niet te benoemen houten constructies, al dan niet in staat van ontbinding, Londense postbussen… Ook dit: in 't land van Calais staan er antennes op de daken.
En je ziet het aan de monumenten. Daarom deze tip: wanneer je een kruis ziet waarop deze tekst staat dan ben je — geen twijfel mogelijk — in ’t land van Zeebrugge:
HIER STIERVEN
VOOR ’T KATHOLIEK GELOOVE
’S AVONDS TEN 11n OP 12de JANUARI 1568
DE DRIE PRIESTERS VAN RENINGHELST
JUDOCUS HUGEZONE PASTOOR
ROBRECHT RYSPOORT KAPLAAN
JACON PANNEEL GEESTELIJKE KOSTER
R.I.P.
DE LAATSTE VRAGE DER GEUZEN WAS:
WILT GIJ DE MISSE AFZWEEREN
EN BELOOVEN NOOIT GEENE MISSE MEER TE DOEN
EN WIJ SPAREN UW LEVEN
EN D’ANTWOORDE KLONK:
LIEVER DE DOOD !
Flor Vandekerckhove

Het klasje van juffrouw Capoen


Hebt u uw naam al eens getikt in het vakje ‘Zoeken in deze blog’? Dat moet u echt eens doen, want er bestaat een kans dat het vuurtorenlicht van De Laatste u ooit al eens beschenen heeft. Of een van uw ouders. Of een naamgenoot die ooit in Bredene school gelopen heeft. 
Dat is wat Luc Blomme (1942) ontdekt wanneer Google hem naar een stukje leidt dat Een verliefde kleuter heet. Daar herkent hij zichzelf op een foto uit lang verleden dagen. Over die foto heeft hij trouwens meer te vertellen. Het kan best zijn, zegt hij, dat ondergetekende verliefd geweest is op kleuteronderwijzeres Elvire Casier, maar, zo voegt hij eraan toe, dat is niet de jonge vrouw die op die foto staat, dat is iemand anders. Hij herkent nog meer mensen en hij dateert de foto: 1946-‘47.
Zo komt het dat dit beeld, dat acht maanden geleden in de blog terechtkwam, er vandaag helemaal anders uitziet. U moet hier maar eens kijken.
De reactie van Luc Blomme heeft me verheugd. En de foto die hij me nu opstuurt verheugt me nog meer. Daarop zien we niet de kleuterklas van 1946-’47, maar die van het voorgaande jaar, 1945-’46. Over de datering bestaat niet de minste twijfel, want op de achterkant heeft Lucs moeder geschreven: ‘1ste kindertuin 24 juni 1946. Luc 4 jaar.’
Kleuterleidster Capoen heeft haar naam niet gestolen, want zij is de enige kapoen die de moeite doet om een beetje vrolijk te kijken. Al de anderen vinden de klasfoto een bloedserieuze zaak, wellicht kijken ze daarom zo ernstig in de lens. Van die anderen herkent Luc Blomme zeker (1) Mireille Vanblaere; (2) Lucien Tas; (3) Fernand Tas; (4) Luc Blomme; (6) Norbert Portier; (7) Rudy Hoorens; (8) Guido Segaert; (9) Norbert Vermeersch; (10) Freddy David; (13) Romain Gevaert; (14) Michel Storme; (15) Marcel Elegeert; (16) Gilbert Depoorter; (21) Willy Bruneel en (22) Rita Poppe. Mireille Vanblaere herkent in nummer 11 Margriet Aspeslagh.
Enige twijfel rijst er betreffende (12) Alfons Derycke; (19) Pierre Maes en (20) Freddy Verlee. Helemaal onbekend blijven voorlopig de nummers 5, 17 en 18. Hier volgt dan ook de bede om me te helpen de namenlijst te vervolledigen.
Wat ik me ook afvraag is dit. Waarom heeft Rudy Hoorens eigenlijk die zotskap op? Heeft hij zijn muts vergeten af te doen? Is hij het feestvarken van de dag? Of ontwaren we hier een voorloper van de hatelijke ABN-acties waarbij dialectsprekers de zwarte piet toebedeeld krijgen? Wie zal ’t zeggen? Of het zouden die van 't jaar 1942 moeten zijn.
Flor Vandekerckhove

woensdag 16 maart 2016

Otello en de kerkers van de Heilige Stoel



Er is iets waar ik mijn vinger niet op kan leggen. Gisteren, in het Gentse operagebouw, heb ik het er, tijdens de pauze van Verdi’s Otello, nog over gehad. Ik wil regelmatig iets over opera schrijven, maar het lukt me niet.
Ik sla er mijn archief op na en zie dat ik hoop en al drie stukjes over opera geschreven heb. Het eerste gaat dan nog, eerlijk gezegd, over porno en het derde gaat eigenlijk over een cafébazin. ’t Is al bij al een pover resultaat.
Eerst denk ik nog dat deze Otello me eroverheen zal helpen. De regisseur laat alle fic fac achterwege, waarmee hij veel van mijn ergernis wegneemt. En van Otello kan ik niet beweren dat het een flutverhaal is, wat ik wel vind van Armida, een opera van Rossini, die ik hier bespreek. Maar ook nu zit ik me weer af te vragen wat de mensen in die bomvolle zaal eigenlijk komen doen.
Opera heeft een groot m’as-tu-vu-gehalte, dat is waar, en er gaat een aantrekkingskracht uit van die bonbonnière en de dingen die erin gebeuren, dat voel ik ook wel, maar toch… Wat zien die mensen wel en ik niet?
Het begint al op de parking. Terwijl mijn vriendin de wagen aan de kant zet, voer ik een gesprek met de portier. Da’s een man die een fleece draagt waarop de naam van een biermerk staat. Die mens blijkt erg in opera geïnteresseerd te zijn, hij kent Verdi. Hij trekt grote ogen wanneer ik hem zeg dat Otello op het programma staat. Straffe kost, zeggen ‘s mans ogen me.
Na afloop rijden we uit de parking weg. De man met de fleece is nog altijd aan ’t werk. Ik herinner me zijn Otelloblik. Opera toont hem iets wat ik niet zie. Ik moet, denk ik, met een andere blik naar de dingen leren kijken.
Dat was gisteren. Vandaag lees ik de krant. Ik probeer het met een andere blik te doen. Mijn oog valt op een nieuwsbericht: ‘Priester Lucio Vallejo Balda is opgesloten in de kerkers van de Heilige Stoel. De man was in december onder huisarrest geplaatst maar schond het hem opgelegde communicatieverbod. Volgens de website Infovaticana communiceerde Balda via een gesmokkelde gsm. Die zou bij hem gebracht zijn, verstopt in het boek De geschriften van de Heilige Franciscus.’  Ik leg de krant weg en denk aan de kerkers van de Heilige Stoel. Het lijkt me wel iets voor een opera te zijn.
Flor Vandekerckhove



dinsdag 15 maart 2016

Oostende, van 1936 naar 2012. Of van Almondo naar Het Manuscript

Over de schrijvers die in 1936 Hitler ontvlucht waren en in Oostende en Bredene terechtkwamen, schreef ik hier eerder al een stuk. Ik liet me daarbij inspireren door boeken die Marc Schaevers, Els Snick en vooral John Gheeraert er eerder al over geschreven hadden.
In 2014 verscheen er een roman van de Duitse auteur Volker Weidermann over die schrijverskolonie, Ostende 1936. Sommer der Freundschaft. Het boek werd door Els Snick vertaald en in 2015 als Zomer van de vriendschap uitgegeven. Ondertitel: Oostende, 1936.
De roman sluit af met een mooie vergelijking tussen het Oostende van toen en dat van nu. ‘Het Oostende van 1936 bestaat niet meer. Er is vandaag een andere, een nieuwe stad die ook zo heet. (…) De promenade is met geelbruine tegeltjes bezet, nog altijd even breed als toen, afgeboord met gebouwen die me karakterloos voorkomen. Er staan betonnen banken die uitkijken over het strand, maar daar zit niemand op. Het is november 2012, de lucht is grijs, hier is geen mens te zien — het verkeerde seizoen, misschien, maar ergens lijkt de lege stad me  nu toepasselijk. Hôtel de la Couronne is verdwenen, op dezelfde plek staat nu een donker flatgebouw, het heet Riviera. (…) Op de zeedijk, waar vroeger Maison Floréal was, staat nu een strak geel gebouw uit de jaren zestig (…) Het gebouw in de Langestraat waar Almondo zijn beroemde gasten pasta serveerde, staat er niet meer. Aan de overkant zit ik in Het Manuscript, een duistere kroeg. De vriendelijke kelner is ’s middags al dronken, hij strijkt het schuim op de typische Belgische manier met een houten spatel van de bierglazen. (…) Aan de toog zitten vier mannen zwijgend voor zich uit te staren. Ze zien eruit alsof ze hier hun leven doorbrengen.’ Oostende mag haast onherkenbaar veranderd zijn, de Oostendse kroegtijgers zijn van alle tijden.
Flor Vandekerckhove

° Volker Weidemann, Zomer van de Vriendschap. Oostende 1936. Roman. 2015. Uitg. Cossee, A'dam.

maandag 14 maart 2016

Seniel

Soms heb ik het wel en soms heb ik het niet. Wanneer ik ’t wel heb steken ze me binnen en als ’t over is halen ze me daar weer weg. Ik probeer het me niet te veel aan te trekken, maar een rustige oude dag zit er op die manier niet in. Binnen, buiten, binnen… Veel over en weer geloop voor iemand die niet goed te been is. ’t Is een moeilijke situatie, zowel voor mij als voor mijn omgeving, maar in de eerste plaats toch voor mezelf.
’t Wordt ook almaar moeilijker om te weten of ik binnen dan wel buiten ben. Als ik schrijf, zegt men me, weet ik wat ik doe en als ik weet wat ik doe, dan ben ik buiten. Dat is waar. Maar ik stoot ook op teksten waarvan ik me niet herinner dat ik ze geschreven heb. Misschien schrijf ik die wel wanneer ik binnen ben, misschien is ‘t een soort van écriture automatique.
Ik kan het niemand vragen, want dan steekt men me weer binnen. Ik herinner me dat ik op een dag begon te twijfelen en dat ik het aan iemand vroeg, of ik binnen of buiten was, en dat men me meteen binnen stak. Ik moet dat onthouden, ze gaan me dat geen twee keer lappen.
Er is wel meer wat ik niet meer kan vragen. Ooit heb ik aan mijn zuster gevraagd of onz’ vader een Duitser is. Ik zie dan wel meteen dat ik dat niet had mogen doen, want men draaide me meteen binnen. Of die keer dat mijn maat met zijn dochter op bezoek kwam en ik hen vroeg hoe ze elkaar hadden leren kennen. Toen ik voelde dat het een verkeerde vraag was, was het al te laat. Binnen! Of die keer dat ik in het politiebureau naar commissaris Verhelst ging vragen. Dat die al vele jaren dood is, zei men daar, en hopla, weer stak men me binnen.
Ik schrijf dat nu allemaal wel neer, maar ik weet toch niet of ik dat binnen doe of buiten. In de verte hoor ik de misthoorn, maar men zegt me dat die al lang niet meer bestaat. Een meisje brengt me koffie. Ze gelijkt op iemand die ik ken, misschien is ze de dochter van die vriend van me. Ik wil het haar vragen, maar ik ben haar naam vergeten en de naam van mijn vriend herinner ik me nu ook niet meer. Daarom stel ik haar een andere vraag: ‘Meisje,' vraag ik, 'kun jij het me zeggen? Ben ik nu binnen of buiten?’

Flor Vandekerckhove