zondag 3 december 2017

Blinde keuns

— In het woonzorgcentrum leert Simonne (93)
me wat blinde keuns zijn. —
Telkens wanneer Georges zijn kleinkinderen iets over de oorlog wil vertellen, onderbreken ze hem. Ah opa, zeggen ze, dat is allemaal van vroeger, dat is allemaal voorbij. Hij knoopt er een socio-culturele beschouwing aan vast: naar ouderen wordt niet geluisterd…
Behalve door andere ouderen! Want in het salon, op de tweede verdieping van het woonzorgcentrum, krijgen Georges oorlogsherinneringen veel respons.
Het gaat over rantsoeneringkaarten en -zegels, over almaar kleiner wordende broden, over de voedingswaarde van aardappelschillen. Ze hebben het over aangebrande fluitjesmelk, behangsellijm die gebruikt wordt om die melk tot pap aan te dikken en over ersatzkoffie. Het gaat over kommer & kwel op de zwarte en de reguliere markt, over Duitse soldaten die al eens iets weggeven en Engelse die daarvoor te gierig zijn.
Uiteraard gaat het ook over haring, want in de winter van 1942 wordt daar zoveel van gevangen dat velen erdoor aan de honger ontsnappen, anderen zeggen onomwonden: van de hongerdood gered worden. De wonderbare haringvangsten gaan na dat recordjaar trouwens nog enige tijd door. Gevolg is dat Georges na de oorlog geen haring meer kan zien of ruiken: ‘Ik heb maanden aan een stuk ’s morgens haring gegeten, ’s middags en ’s avonds. Overal rook het naar haring, alles en iedereen rook naar haring.’ Simonne beaamt.
Iedereen neemt deel aan het gesprek, want Georges kleinkinderen zijn niet in de buurt. Het gaat nog enige tijd door over gebraden haring, haringfilet in azijn, haring als rolmops, gepekelde, gekookte en gerookte haring. Op den duur beeld ik me in dat het ook naar haring begint te ruiken.
En dan valt de naam van een mij onbekend gerecht. Blinde keun(s)! Iedereen knikt, iedereen kent het. Iedereen, behalve ik. Als ik vraag of het iets als blinde vink is wordt er heftig met hoofden geschud. Blinde keuns — blind konijn dus — bestaat uit een mix van gekookte aardappelen en gekookte (versie Georges) of aangestoofde (versie Simonne) ui. Daar wordt een stamppot van gemaakt. Zonder konijn? Ja, zonder konijn.
Waarom heet dat dan zo? Simonne: ‘Als je dat laat sudderen, geurt het naar konijn dat klaargemaakt wordt.’
Terwijl ik dit stukje aan ’t schrijven ben leer ik er meer over. Het gerecht, zo zie ik op ’t internet, overleeft de oorlog en naarmate de schaarste afneemt wordt er vlees aan toegevoegd. En bier.
In de Oostendse archiefbank staat een stukje waarin John Aspeslagh jeugdherinneringen uit de jaren vijftig ophaalt: In de winter bereidde moeder regelmatig (…) “blinde keuns” (konijnen): stukjes vers spek eerst aangebakken en nadien langzaam gestoofd, samen met aardappelen en ajuinen.’
In Brugge heeft men het overblende’ keuns. Zegt deze blogger: ‘Dit recept komt van een oudtante van mij. Je laat dus eerst een grote hoeveelheid ajuinen aanstoven in boter, als die een beetje kleur krijgen dan laat je ze garen door beetje bij beetje bruin tafelbier toe te voegen. Als de ajuin lekker smeuïg is dan doe je er de rauwe aardappelen bovenop en laat je ze koken in voldoende bruin tafelbier. Niet te veel want ze worden niet afgegoten maar wel geplet en het is de bedoeling dat je een puree maakt met de inhoud van die pan.’
En dat stukje sluit af met een tip die Georges misschien aan zijn kleinkinderen kan geven: ‘en je kan het serveren met worst of zoals ik altijd doe met zelfgemaakt vleesbrood. Dat wordt hier gegarandeerd tot de laatste schep uitgelepeld. Als je dit nog niet kent, proberen maar, super winterkost.’

Flor Vandekerckhove
Een reactie posten