donderdag 31 oktober 2013

In de ruimte van de ziel gloort de revolte


Kent u het verschil tussen het ‘moi social’ en het ‘moi profond’?  Het is een onderscheid waarop de Nederlandse auteur Oek de Jong wijst in zijn boekje Wat alleen de roman kan zeggen. (*)  Oek ging dat onderscheid halen bij de grote Proust. Die had het over de gedaante die we aannemen als we ons in het sociale leven begeven, een gedaante die nauwelijks lijkt op de mens die we diep van binnen zijn en die we, ook voor onszelf, verborgen houden.
Het is aan dat onderscheid dat de roman vandaag bestaansrecht ontleent: ’[D]e camera kan niet in onze hoofden kijken. (…) Het subtiele en mysterieuze weefsel dat we bewustzijn noemen blijft in een film onzichtbaar. Alles wat we in het dagelijks leven voor anderen verborgen houden, alles wat we voor onszelf verborgen houden, de manier waarop we de dingen zien en beleven, de gelaagdheid van gevoelens, ons plotselinge inzicht, onze onbewuste drijfveren, onze momenten van extase — het is voor de camera onbereikbaar en door acteurs niet volledig uit te beelden.’ Maar wat voor de camera onmogelijk is, kan de romancier wel bewerkstelligen: ‘Door te schrijven, scherpen we onze waarneming en onze geest en roepen we dingen in onszelf op die we op geen enkele andere manier zouden kunnen oproepen — en ook het onbekende dat ons onbewuste tijdens het proces prijsgeeft gaat behoren tot onze exactheid.’
Dat voor wat betreft de schrijver.  En hoe zit het met de lezer? Is de roman vandaag nog voor derden relevant? Zijn er inmiddels geen andere middelen om aan de verhalenbehoefte te voldoen? Ja, die zijn er wel degelijk, maar de roman verschilt grondig van die andere manieren van vertellen: ‘Lezen is in de eerste plaats een zaak van de verbeelding (en dat is meteen het grootste verschil met het kijken naar een film).’
Tot hiertoe lijkt het erop dat het pleidooi van Oek de Jong nogal vaag blijft: het diepe ik, het onbewuste, de geest, de ziel, de psyche… Maar hij concretiseert het wel. Een essentieel onderdeel van het lezen, zegt hij, is de mijmering: ‘Het is de toestand waarin het lezen tijdelijk wordt onderbroken, omdat er gedachten, herinneringen of beelden opkomen die losstaan van het boek, maar er zonder het boek niet zouden zijn. Tijdens het lezen kan een gebeurtenis van tien jaar geleden plotseling terugkeren in je geheugen en wel zo dat je meteen begrijpt wat er zich destijds nu werkelijk heeft afgespeeld en wat die gebeurtenis voor je heeft betekend. Op een ondoorgrondelijke manier heeft de romantekst dit in je losgemaakt. (…)’  Yes!
Bovendien is het zo dat auteur èn lezer een politieke daad stellen, want ja, leg het maar eens uit in de RVA, de VDAB, aan de meestergast of aan je echtgenoot: ‘Ik wil de rust hebben om de taal van een dichter tot me door te laten dringen. Ik wil muziek kunnen opzetten om er werkelijk naar te luisteren. Ik wil aan een roman beginnen waar ik twee weken mee bezig zal zijn. Ik wil voor het raam staan of in het vuur staren. Ik wil de ruimte van de ziel betreden.’  Holala, zie ik daar het licht van de revolte gloren?
Flor Vandekerckhove

Oek de Jong, Wat alleen de roman kan zeggen. 2013. A’pen/A’dam Uitg. Augustus. 12,50 euro. ISBN 978  90 254 4213 2. Alle citaten komen uit dat boek.

[Wie op een van onderstaande labels drukt, vindt elders in de blog nog soortgelijke stukken.]

zondag 27 oktober 2013

Meneer Gillot, Anto Diez en De Werker


De winkel van Gillot bevond zich in de Peter Benoitlaan. Op de foto
helemaal rechts. In de vitrine zie je de schilderijen staan.
In het midden van de vorige eeuw had meneer Gillot een winkel in Bredene. Hij verkocht er kachels en schilderijen, voorwaar een merkwaardige combinatie. De kachels kwamen uit de fabriek, de schilderijen maakte meneer Gillot zelf.  Hij was een artiste peintre, want hij sprak uitsluitend Frans.
De Gillots waren kennissen van mijn ouders en ik werd regelmatig ingeschakeld om die mensen ter wille te zijn. Ik kwam daar over de vloer, maar die vloer bleef voor mij wel beperkt tot de winkel en de gang. Meneer Gillot hield zich op een afstand die bewaakt werd door zijn echtgenote. 
Vanuit die gang kon ik heimelijk in het schildersatelier gluren: uitgeknepen verftubes, schildersezel, zelfportret, besmeurde werkschort, de geur van terpentijn… Ik was telkens zeer onder de indruk.
In afwachting dat meneer Gillot me zou uitnodigen om zijn leerling te worden, bekwaamde ik me in het naschilderen van een aquarel die hij mijn ouders geschonken had: een bruggetje over de Brugse reien. Uiteraard. Het is er echter niet van gekomen, meneer Gillot heeft mij nooit gevraagd om zijn leerling te worden.
Anto Diez (1914-1992)
Omdat hij de enige artiste peintre was die ik kende, besloot ik het verder zonder leermeester te doen. Moeilijk kon het niet zijn, want het naschilderen van dat bruggetje lukte al aardig. En er was de snel naderende tijdgeest van de sixties: creativiteit was alles, vakmanschap was niets.
Met zo’n zever moest je bij Anto Diez niet afkomen. Hij was de tweede kunstschilder die ik leerde kennen.  Hij kwam in 1961 in Bredene wonen, en niet om er kachels te verkopen. De zondagschilderende meneer Gillot verdween uit beeld en dat werd nu bezet door Anto Diez, een late vertegenwoordiger van het Vlaams expressionisme, een mens van grote gebaren, zowel op doek als in het leven.
Ook daar kwam ik over de vloer. In tegenstelling tot meneer Gillot sprak Anto Diez wel met me. Nadat ik, ongehinderd door enige kennis, zijn werk met dat van Permeke vergeleken had, wees hij me op de vormverschillen en toonde hij me hoe zijn kleurenpalet danig van dat van Permeke verschilde. Terwijl zijn echtgenote Aimée Thonon een streepje muziek op de piano uitprobeerde, veegde hij de vloer aan met het soort creativiteit dat mijns inziens vakmanschap overbodig maakte. Hij kon me niet overtuigen, want hij was oud en ik was jong.
Ik vond een bondgenoot in mijn maat JP. In het jeugdclubblaadje ’t Korreltje had hij een vlammend stuk geschreven tegen de politicus Joseph Luns die abstracte schilderijen geen kunst vond zijn. Omdat diezelfde jeugdclub rond die tijd een popartwedstrijd inrichtte, besloten we onze kunstopvattingen in daden om te zetten. We maakten een werk dat we na afloop De Werker doopten. Die werker had vorm gekregen door toepassing van, laat ons zeggen, gemengde technieken: een ouwe plastron, een kapotte laars, enig oud-ijzer… We hadden verf gebruikt, maar ook de door ons leeggemaakte verfpot had een plek op het tableau gekregen. Popart dus. En mijn vader was blij dat al die rommel van het erf weg was.
Wellicht doordat er niet erg veel deelnemers waren, wonnen we de wedstrijd. Waardoor ik mijn vooroordeel bevestigd zag: creativiteit is alles, vakmanschap is niets. Bovendien bleek De Werker een commercieel succes te zijn.  Het werk werd gekocht door Daniël C. die het in zijn slaapkamer aanbracht. Niet voor lang echter, want toen er een spin uit de verfpot gekropen kwam, eiste zijn moeder dat De Werker naar de schroothoop verwezen werd. Waar het werk dezelfde middag ook terechtkwam. Waardoor het ook niet vernoemd staat in Van Altamira tot heden, een boek dat nochtans heel de kunstgeschiedenis zegt te beslaan. Quod non!
Flor Vandekerckhove

zondag 20 oktober 2013

Crapuul


Heeft men er u al van kunnen overtuigen dat de politieke begrippen links en rechts tot het verleden behoren? Bent u ook van mening dat er geen maatschappelijke klassen meer bestaan; dat heel de bevolking inmiddels één grote middenklasse vormt, met bovenaan en onderaan enkele aanstootgevende restanten uit het verleden? Uit dat verleden rest ons bovenaan bijvoorbeeld de koninklijke familie en onderaan vinden we wat voormalig politicus Steve Stevaert de zieken, de zwakken en de misselijken placht te noemen. Voor wat die laatsten betreft heeft men het in ’t Engels over the working poor, een soort onderklasse, gevormd door mensen die er niet in slagen drie jobs te combineren omdat ze te lui zijn om hun bed uit te komen.
Mag ik de vraag anders formuleren? Behoort uzelf tot de middenklasse? Het kan haast niet anders (dan dat u dat denkt). U bent degene waarvoor de premier de koopkracht veiligstelt. Voor u is de reclame bestemd die zegt wat u met die koopkracht moet aanvangen. U bent een hardwerkende Vlaming, want er zijn er nauwelijks andere. U beschikt over politici die zeggen wat u denkt. Dat laatste hoeft u trouwens evenmin te doen, want daarvoor is er de publieke opinie.
Het boek Chavs (dat is in Engeland een gangbaar woord dat we in het Nederlands nog het beste als crapuul vertalen) gaat tegen die misvatting in. Zegt de auteur: ‘[I]k ben ervan overtuigd dat er hoop ligt in de terugkeer van de klassenpolitiek, dat wil zeggen in het afwijzen van het waanidee dat “we allemaal in hetzelfde schuitje zitten” en het onderkennen dat arbeiders gezamenlijke basisbelangen hebben maar dat die op ramkoers liggen met de belangen van degenen aan de top.’
Als we die hoop willen verwerkelijken moeten een aantal dingen gebeuren: ‘Maar zo’n beweging kan alleen maar bestaan als een aantal mythes ontmaskerd wordt: dat we allemaal in wezen tot de middenklasse behoren; dat klasse een achterhaald concept is en dat sociale problemen in feite tekortkomingen van het individu zijn.’
Die mythes zijn niet uit de lucht komen vallen. In Groot-Brittannië, het land dat in het boek beschreven wordt, werden ze gepopulariseerd door wijlen Margareth Thatcher, bijgenaamd the iron lady: ‘Oude waarden van de arbeidersklasse, zoals solidariteit, waren vervangen door meedogenloos individualisme. De arbeidersklasse kon op geen enkele politicus meer rekenen om haar belangen te verdedigen. De nieuwe Brit die door het thatcherisme was geschapen, was een tot de middenklasse behorend individu met een eigen huis. Iemand die voor zichzelf en zijn naasten zorgde en verder voor niemand anders.’  In België vonden haar ideeën vruchtbare bodem in de neoliberale generatie van leerling-tovenaar Guy Verhofstadt. Het resultaat was hetzelfde. De arbeidersklasse werd uit het discours weggegomd, er bestond geen gemeenschap meer, alleen nog individuen en families.
Uiteraard had deze ideologie nooit ingang kunnen vinden als ze niet ook in een werkelijkheid te zien was: ‘In werkelijkheid is dat gevoel van geworteld zijn al jarenlang aan het verdwijnen, deels door het ineenstorten van de industrie. Hele arbeidersgemeenschappen werden vroeger gevormd rond een bepaalde fabriek, staalbedrijf of mijn. De meeste mannen werkten daar. Voor hun vaders en opa’s gold misschien hetzelfde. Toen de bedrijven verdwenen, raakten de gemeenschappen die erdoor in stand werden gehouden, versnipperd.’
Maar betekent dit dat de arbeidsklasse ook echt verdwenen is? Voor wat Groot-Brittannië betreft zegt Jones daarover: ‘Als je naar de statistieken kijkt, is het duidelijk dat de arbeidersklasse de meerderheid vertegenwoordigt. Meer dan acht miljoen mensen onder ons verrichten nog steeds werk met de handen en nog eens acht miljoen werkt op kantoor, in de verkoop of bedient klanten. Dat betekent dus ruim meer dan de helft van de werknemers, maar zonder dat leraren, werkers in de gezondheidszorg zoals verplegend personeel, en treinmachinisten zijn meegeteld, die allen tot de categorie “professionals” behoren.’ (…) ‘De meeste mensen werken in dienst van anderen en hebben geen controle over hun eigen werk. Maar velen van hen zwoegen niet langer in fabrieken of mijnen. De laatste dertig jaar is er een dramatische toename van een nieuwe arbeidersklasse in de dienstverlening. Hun banen zijn schoner en fysiek minder zwaar, maar vaak met een lagere status, onzeker en slecht betaald.’
‘De moderne arbeidersklasse lijkt in één opzicht op de oude: ze bestaat uit mensen die voor anderen werken en geen zeggenschap hebben over hun eigen arbeid. Maar hun banen zijn vaak schoner en vereisen minder spierkracht; hoe sneller je typt is belangrijker dan hoeveel je kunt tillen. Ze werken in kantoren, winkels en callcenters, vaak voor een relatief laag loon en minder werkzekerheid.’
Waarom wordt dat alles door de invloedrijke opiniemakers en politici ontkend? ‘Net te doen alsof de arbeidersklasse niet meer bestaat, haar als het ware “te laten verdwijnen”, is vooral politiek gezien bijzonder nuttig gebleken. (…) Als er geen arbeidersklasse meer is om voor op te komen, heeft links geen missie meer. En daarmee geen recht van bestaan.’
Wat zich dan weer vertaald ziet in het neerhalen van degenen die door opstandigheid tòch opeens weer zichtbaar worden. Auteur Owen Jones heeft het allemaal duidelijk gemaakt en daarmee een belangrijk boek geschreven. Dat is niet alleen de mening van deze marginale, linkse blogger, maar ook van de ouwe, invloedrijke New York Times. En ja, samen met de jonge Owen en de ouwe Bob spreken we de hoop uit: ‘For the loser now / Will be later to win / For the times they are a-changin.’
Flor Vandekerckhove

Owen Jones, Chavs, De demonisering van de Britse arbeidersklasse. Uitgeverij EPO Berchem. 2013. 334 ps. ISBN 9789491297458. Prijs: 24,90 €. — [Alle citaten komen uit dat boek (uitgenomen het allerlaatste of course).]

vrijdag 18 oktober 2013

Lang leve de opstand!


Was het een passage in een geromantiseerde documentaire of heb ik het in een film gezien?  Ik weet het niet meer. Misschien is het iets wat ik ooit gelezen heb of misschien heeft iemand het me verteld. Evenmin weet ik of de anekdote historisch correct is, maar het verhaal gaat als volgt.
De Russische revolutionair Lev Davidovich Bronstein is uit Siberië ontsnapt, waar de tsaar hem ver weggeborgen heeft. Bronstein heeft zich daar de schoenen en de identiteit van zijn bewaker toegeëigend en trekt nu geschoeid als Leon Trotsky over berg en dal, om uiteindelijk in Londen die andere woelmaker, Lenin, te vervoegen.
Lenin leidt de nieuwkomer rond in de stad en toont hem de bezienswaardigheden. Daar heb je ‘hun parlement’ enzovoort.  Op een zeker ogenblik zegt Lenin tot Trotsky: ‘De geschiedenis zal ons gelijk geven kameraad.’ Trotsky antwoordt: ‘Dat hangt ervan af wie hem schrijft, kameraad.
Aan die anekdote moest ik denken toen ik Rebellen, Van de Galliërs tot de indignados las, een boek dat geredigeerd werd door Anne Morelli. De eerste zin van dat boek luidt immers: ‘Geschiedenis wordt geschreven door de machthebbers en hun verlangen zichzelf voor te stellen als bijzonder, onwankelbaar, heldhaftig, eeuwig.’
Als dat waar is dan betekent het ook dat een aantal gebeurtenissen en processen in de geschiedschrijving minder aan bod komen omdat ze niet zo goed in het kraam van die machthebbers passen.  Komt het daardoor dat de geschiedenis de conservatief gelijk schijnt te geven wanneer die stelt ‘dat er altijd koningen en machtige mannen geweest zijn die altijd al het laatste woord hadden’ ?
Het tweede deel van die bewering is uiteraard pertinent onjuist. Dank zij de strijdlust van onze voorouders is de macht van die ‘koningen’ in niet onbelangrijke mate beperkt geworden. Hun werden toegevingen afgedwongen waarvan we vandaag nog altijd kunnen genieten, de sociale zekerheid is daar een goed voorbeeld van. Opstand loont!
Onze geschiedenisboeken benadrukken niet toevallig, zo stelt Morelli in haar inleiding, het geweld dat met de revolte gepaard gaat, terwijl er in die boeken, evenmin toevallig, minder aandacht besteed wordt aan het voorafgaande geweld dat toch tot die revolte geleid heeft.  Ze gaat verder: het is ook niet toevallig dat de hoofdfiguren van de revolte in de geschiedschrijving minder belicht worden dan degenen die de revolte neerslaan.
Geschiedkundigen die het anders aanpakken zijn er uiteraard ook. Alleen al in de inleiding van dat boek heeft Morelli het over tal van internationaal gerenommeerde historici die zich over leven & streven van rebellen gebogen hebben. Vervolgens laat ze in het boek vijftien wetenschappers aan het woord die rebelse bewegingen en hun leiders in eigen land onderzoeken, startend bij de Galliërs en eindigend bij de indignado’s (die we dan gemakshalve al behorend tot de geschiedenis rekenen).
Wat is nu het belang van dit boek? Al de opstandigheid werd al eerder beschreven.  Veel ervan behoort tot het gekoesterde erfgoed van de linkse beweging.  Maar het is goed dat al die opstandige ‘Belgische’ geschiedenissen nu in één leeservaring samengebracht worden, want daar valt iets uit te leren, en wel dit: er mogen dan misschien altijd koningen en machtigen geweest zijn, er zijn ook altijd mensen geweest die deze machtigen uitgedaagd hebben.
We staan met dit boek overigens nog maar aan het begin van een ‘Belgische geschiedenis van de rebellie’. Zelf kan ik met de vinger in de neus al drie aanvullingen uit mijn onmiddellijke omgeving aanbrengen.
Het boek vermeldt uiteraard de boerenopstand (1323-1328) aan de kust, maar de naam van de Bredense boer Zegher Janszoone ontbreekt nog in dit 'rebelse overzicht'. De rebellenleider werd nochtans pas in 1329 gevangengenomen, en wel tijdens een laatste poging om de opstand weer op gang te trekken. Het bekwam hem slecht: ‘hij werd voor het klooster van St. Aernouts gevangen met zijn zoon en met 20 van zijn principaalste medeplichtigen en dan zijn ze naar Brugge gebracht waar hij met gloeiende ijzers gestoken is geweest en is hij gesleept tot aan de galg. De andere zijn geradbraakt geweest en daarna onthoofd, de lichamen onder de oksels gebonden met koorden aan nieuwe galgen en de hoofden op staken gesteld.’ Ik schreef er eerder al een stukje over in deze blog. (1)
Ook de Vlaamse steden die in de zestiende eeuw tegen de Spanjool in opstand kwamen worden uitvoerig vermeld, maar Oostende, de stad die het langste weerstand bleef bieden, blijft onbenoemd. Het einde van het Beleg van Oostende (1601-1604) is nochtans een belangrijk scharnierjaar, het is het moment waar Noord en Zuid definitief van elkaar gescheiden worden. Het betreft dus een belangrijke episode in de geschiedenis. Professor Georges Allaert vindt het zelfs ‘onbegrijpelijk dat het Beleg van Oostende in het geschiedenisonderwijs meestal niet eens vermeld wordt.’ Ook in Morelli's boek wordt er geen woord aan vuilgemaakt. Maar goed, ook over deze gebeurtenis vindt u een bijdrage in deze blog. (2)
Bekend zijn de edelen Egmont en Horne die in het boek vermeld worden. De onthoofding van die twee is ook vereeuwigd in een schilderij dat de grote James Ensor later weer inspireert om een andere opstand mee te vereeuwigen. De plaats van de edelen wordt bij Ensor ingenomen door de eenvoudige vissers Wauters en Verhulst, slachtoffers van de repressie van de Oostendse vissersopstand (1887), een rebellie die heel zeker een ruime plaats had mogen krijgen in de bladzijden die in het boek aan de arbeidersopstanden uit die tijd gewijd worden. (3) De linkse historici van Morelli moeten eens in de blog van De Laatste Vuurtorenwachter rondneuzen, misschien inspireert het hen tot een vervolgboek. [Ja, ik weet 't, het is een bekakte slotzin, maar ik vond niet meteen een andere.]
Flor Vandekerckhove

Anne Morelli (redactie). Rebellen, Van de Galliërs tot de indignados. Uitg. EPO Berchem, 2013. 343 ps. 24,90 €. ISBN 978 94 91297 23 6.

Het Beleg van Oostende


Peter Snayers, Het Beleg van Oostende (schilderij ca. 1650).  Op de voorgrond zien we 
'De grote kat'. Op de achtergrond bevoorraden de geuzen de stad via de Oosteroever.
Wie de woorden beleg van Oostende leest, denkt wellicht aan ene met kaas en ene met hesp, en er is in Oostende inderdaad ook een broodjeszaak geweest die zo heette: Het beleg van Oostende. Maar Het Beleg (1601-1604) is uiteraard iets anders.
Wie wil weten wat het is, moet zich eerst over de Tachtigjarige Oorlog (1568-1648) buigen. Deze begon als opstand in een van de rijkste Europese gebieden, de Nederlanden, waartoe Vlaanderen behoorde. In 1576 sloten de 17 provincies van de Nederlanden zich aaneen tegen de Spaanse koning Filips II die er nochtans de erkende heerser van was. Die kon er niet om lachen en stuurde er zijn leger op af.
Zoals het ook vandaag in oorlogen het geval is, werd de vijandschap tussen de twee partijen godsdienstig gekleurd. Het heersende Spanje was katholiek, de opstandige Nederlanden protestants. De opstandelingen werden neerbuigend geuzen genoemd. Met de term werden aanvankelijk Nederlandse edelen aangeduid. Later verwees geuzen naar de strijders die te land (bosgeuzen) of te water (watergeuzen) de Spanjaarden bevochten. De opstandige steden in Vlaanderen werden al vlug door de Spanjaarden heroverd. Zo viel Antwerpen in 1585. Alleen Oostende hield stand.
De geuzen kwamen zich dan ook in Oostende verschansen. In minder dan tien jaar vormden ze de stad om tot een volledig ommuurde vesting met wallen en grachten. Na het weggraven van de duinen aan de oostkant (1584) brak de zee door en overstroomde de omgeving, daardoor ontstond omstreeks 1600 trouwens ook de huidige oostelijke havengeul.
De autochtone Oostendenaars hadden de bui al van ver zien aankomen en ze hadden hun biezen gepakt. ‘En waar schuilt die bedrijvige bevolking, visschers, weerden, reeders, schippers, handelaars en werklieden? (…) Waren er dan geene  inwoners tot na het beleg van te Oostende gebleven? Ja… één zegt de Bisschop van Brugge  (…) Twee zegt Fleming. De oorkonden onzer stad geven de namen van vier “oude poorters”, dat is van burgers die Oostende bewoond hadden vóór en zelfs in de troebelen (…)’ (1) Verder spreekt deze Oostendse historicus over acht Oostendse namen die hij weervindt in een lijst van 378 hoofdofficieren en kapiteins die aan de verdediging deelnamen. (2)
In juli 1601 namen de Spaanse en Italiaanse legers hun posities in rond de stad waarbij ze vooral de oude westelijke haveningang viseerden. Maar ook aan de oostzijde bevonden zich troepen. Deze probeerden te verhinderen dat Hollandse en Engelse schepen Oostende bevoorraadden.
Op 6 juli losten de belegeraars de eerste schoten. Dagenlang werd Oostende onder vuur genomen. Volgens ooggetuigen vielen in die eerste week 500 doden en 300 gewonden. De stad hield stand. Voortaan zouden week na week tientallen schepen uit Holland en Engeland Oostende binnenvaren met wapens, materiaal, medicijnen, levensmiddelen, wijn, bier en brandstof.
De oostelijke duinen waren, zoals gezegd, al in 1584 geslecht, maar in 1601 gebeurde dat ook met de westelijke. Oostende was bij hoogwater een eiland geworden. 
Op 7 januari 1602, na 12 uur vechten, vielen de Spanjaarden met 6000 man de stad bij laag water aan vier kanten aan. Toen de geuzen de Westsluis openden liep het water van de stadsgrachten in zee: honderden Spanjaarden verdronken. De Spaanse verliezen waren enorm : zij moesten 2500 man begraven, terwijl de geuzen in hun rangen amper 60 slachtoffers telden.
Het kamp van de geuzen bestond, zoals gezegd, uit maar weinig Oostendenaars, want de meesten waren begrijpelijkerwijze al voor de gevechten vertrokken. Oostende was een garnizoensstad geworden waar burgers nauwelijks plaats hadden. Bij de aanvang van het Beleg bevond er zich een garnizoen van 4.500 man: één derde Nederlanders, één derde Engelsen, één derde Duitsers en Fransen (protestantse edellieden). Regelmatig werden er nieuwe troepen aangevoerd.
Alhoewel de stad voortdurend over zee werd bevoorraad, braken er talloze ziekten uit — scheurbuik, koorts… — door het gebrek aan water en door de talloze lijken die nauwelijks begraven konden worden. Vanaf mei 1602 kostte de pest dagelijks aan 60 tot 80 mensen het leven.
De situatie bij de belegeraars was al even slecht. De omgeving van de stad was moerassig. De soldaten kregen hun soldij vaak niet tijdig uitbetaald waardoor er onlusten uitbraken. Maar ook zij bleven uiteraard niet stilzitten, ze bouwden begin 1602 de ‘grote kat’, een monumentaal bouwwerk van 40 meter hoog, ten westen van de stad, dat de belegeraars moest toelaten om de stad vanuit de hoogte te bestoken. De belegerden van hun kant probeerden vanaf juli 1603 die ‘grote kat’ in brand te schieten. Dat zou hen in augustus ook lukken.
Zo kon het niet blijven duren. Albrecht ging aankloppen bij Ambrogio Spinola, een steenrijke Italiaan. In ruil voor geld bood Albrecht hem het opperbevel aan. Spinola aanvaardde in september 1603.
Spinola, die in Oostende nog altijd bekend is vanwege de Spinoladijk aan de Oosteroever, was een uitstekend strateeg. Maar hij werd ook geholpen door de natuur. In maart 1604 bracht een zware storm de stad zeer veel schade toe. De zee die de ‘Oostendenaars’ eerder als bondgenoot hadden gebruikt, had zich nu tegen hen gekeerd… Tijdgenoten verwachtten overigens dat nog zo'n storm de stad helemaal zou overspoelen. Tot overmaat van ramp kwamen de beloofde troepen uit het noorden maar niet opdagen. Uiteindelijk, in september 1604, werd de situatie onhoudbaar. De geuzen zagen in dat het einde nabij was en beslisten te onderhandelen.  Ze slaagden erin om voor de overgebleven 4.500 man een eervolle vrije aftocht te verkrijgen. Op 22 september 1604 verlieten de Nederlanders, de Engelsen en de weinige overgebleven Oostendenaars met opgeheven hoofd de stad en scheepten in richting Zeeland. 's Avonds nodigde Spinola de overwonnen officieren zelfs uit op een banket.
Oostende was compleet verwoest en moest helemaal heropgebouwd worden. Men raamt het verlies aan mensenlevens op 45.000 aan de kant van de Spaanse belegeraars en hun bondgenoten en 52.000 aan de kant van de belegerden. Na jaren rebellie kwam Oostende, net als de rest van Vlaanderen, in het katholieke kamp terecht.
Het Beleg van Oostende is een belangrijke episode in de geschiedenis. Professor Georges Allaert vindt het zelfs ‘onbegrijpelijk dat het Beleg van Oostende in het geschiedenisonderwijs meestal niet eens vermeld wordt. Nochtans betekende de inname van de stad door het Spaanse leger de definitieve scheiding van de Nederlanden.’ (3)
Flor Vandekerckhove

(2) Edward Vlietinck, Het oude Oostende en zijne driejarige belegering (1601-1604). Oostende, 1897. Anastatische herdruk, Vlaamse Vereniging voor Familiekunde, afdeling Oostende vzw, Oostende 1975. p.310.
(3) Georges Allaert, Oostende, De miskende haven. Gent Academia Press, 2013. p.171.

dinsdag 1 oktober 2013

De vriendelijkste mens ter wereld



De buren horen op de radio dat haar echtgenoot verkozen is tot de vriendelijkste man ter wereld. In de winkel feliciteren ze er haar voor. ’s Avonds voor de buis kunnen ze er beiden om gelachen.
’s Anderendaags is het uit met de rust. Telefoon, antwoordapparaat, mailbox, bel, brievenbus… Ze worden met vragen bestookt. Of hij een interview wil geven, een redevoering houden, een debat inleiden, een winkel openen, optreden, aantreden…
Hij is nu een Bekende Vlaming, een BV. Overal wordt hij vriendelijk ontvangen, overal klampen mensen hem aan en overal moet hij zich voordoen als de vriendelijkste man ter wereld. 
Eerst vinden ze het gênant, maar ze tellen ook de voordelen. De man komt in een lucratief lezingencircuit terecht, hij krijgt een column in een veelgelezen krant. Zijn echtgenote houdt de agenda en zijn facebook bij, ze twittert en organiseert de fanclub. Werken moeten ze niet meer, hij niet, zij niet.
Hun hele leven is veranderd. Ze zijn tot de middenklasse toegetreden. Het belet hen niet vriendelijk te blijven tegen elkeen die hun weg kruist. Waarom ook niet, zeggen ze elkaar, het kost niets en de passant van vandaag kan de klant van morgen zijn.
Flor Vandekerckhove