zaterdag 31 maart 2018

Bedrieglijke herinneringen

Je weet hoe ’t gaat. Je wordt ouder, je zicht gaat achteruit en je hoort zo goed niet meer. (Vreemd genoeg is ’t voor een mens gemakkelijker om ’t eerste toe te geven dan ’t tweede.) Je reukzin vermindert, waardoor de lente nooit meer zo fris zal ruiken als destijds. Je smaakzin vermindert, waardoor negertetten nooit meer zo intens zullen smaken als voorheen. Joggen? Daarvoor is 't al gauw te koud, te nat, te laat… Bovendien wil je 's middags een dutje doen. Je wordt stijf en het bijknippen van je teennagels wordt een hele klus. De tijd waarin je een nachtmens dacht te zijn ligt belachelijk ver achter je. 
Wat mij in deze afgang ’t meeste stoort is het verval van mijn hersenen. Het lijkt erop dat ik nog dommer word dan ik al was. Van zekerheden die als een paal boven water stonden, vraag ik me nu af: wat staat die paal eigenlijk boven dat water te doen? Mijn geheugen verdenk ik zelfs van kwaad opzet.
Nooit eerder gebeurde dat laatste zo flagrant als die keer dat ik herinneringen aan het huis van een oud-schoolkameraad opriep. In mijn hoofd was daar een kapsalon. Dat beeld staat op mijn netvlies geprent: kapperszetel, spiegel, scharen, scheerkwast. Niet dus! Waar ik een kapsalon meende te ontwaren was in werkelijkheid een… herberg. Ik heb daar onlangs een stukje over gepost, je moet er hier maar eens naar kijken.
Als bewijs van een kwakkelend geheugen kon dat tellen, vond ik. Maar blogger Philippe Clerick plaatste onder dat stukje een spitsvondige reactie: ‘Geen slecht geheugen,’ schreef hij. ‘Bedrieglijke herinneringen. Hen treft schuld.’ Een straffe repliek is dat, vind ik, grapje en doordenkertje tegelijk; ernst en luim in een en 't zelfde doosje. Mijn aftakeling is gelukkig nog niet ver genoeg gevorderd opdat de tweeslachtigheid me zou ontgaan.
Een bedrieglijke herinnering dus. Waar, wanneer, hoe en waarom de herberg in mijn hoofd een kapsalon geworden is, valt niet meer te achterhalen, maar er moet ooit ergens iets gebeurd zijn wat verkeerd gekoppeld werd, waarna het een eigen leven is gaan leiden.
In haar memoires vertelt Mary McCarty hoe zoiets in zijn werk kan gaan:
‘Mijn eigen zoon, Rewel, bij voorbeeld, was ervan overtuigd dat Mussolini uit een bus in Noord-Truno op Cape Cod werd gegooid, in de oorlog. Deze herinneringen gaat terug tot een morgen in 1943 toen hij als klein kind met zijn vader en mij in Welfleet op een bus stond te wachten die een vertrekkende gast naar Hyannis zou brengen. De bus kwam en de buschauffeur boog zich naar buiten en riep het laatste nieuws: “ze hebben Mussolini eruit gegooid”.’ (°)
Flor Vandekerckhove


 ° Mary McCarthy. Herinneringen aan mijn roomse jeugd. 1966. Amsterdam De Arbeiderspers. 250 pp. Oorspronkelijke titel: Memories of a Catholic Girlgood. New York. 1957.

woensdag 28 maart 2018

Fake news ! Donald Trump, in zijn eigen woorden, over zijn ontmoeting met meneer Delanghe

‘Ik wil de grootste hebben.’
Raymond Van Het Groenewoud.


Last week Melania and I were invited by my good old friend meneer Delanghe om incognito your country te bezoeken. As soon as we arrived I had to take a sauna, so insisted meneer Delanghe, who introduced me there aan zijn zakenpartners.
Yo de manneu! I said in de sauna, I am the president van de United States en bij ons is alles much bigger.
But was me dat een surprise! In the sauna zag ik that meneer Delanghe bijzonder groot geschapen was. No one I knew had a bigger pietje than meneer Delanghe.
How comes? vroeg ik hem in die sauna, that you have such a big pietje?
Wel, said meneer Delanghe, die z'n best deed om in 't schoon Amerikaans te antwoorden, I have developped my own methode.  Ik train mijn pietje door hem elke avond twenty-five keer tegen het voeteinde van het bed te slaan. 
Dat had ik nog nooit gehoord, dat je je pietje op die manier kunt trainen. You just beat it exactly 25 times and it becomes huge like that? 
You can be sure of that, mister president, antwoordde meneer Delanghe.
So, after dinner, I came finally in our slaapkamer. Het was already donker. Melania was al meteen na de vliegtuiglanding gaan slapen omdat ze hoofdpijn had. Ik deed mijn kleren uit, ging voor het bed staan en to make my pietje great again begon ik hem hard tegen het voeteinde te slaan. Lap en lap en lap en…  Ik was aan mijn tiende mep gekomen toen Melania van het lawaai wakker schoot en in het donker vroeg: Ah meneer Delanghe, is that you?
Flor Vandekerckhove

(*) Meer verhalen met meneer Delanghe:


dinsdag 27 maart 2018

We moeten geduldig zijn, zeiden we tegen onszelf

De Amerikaanse dichter Charles Simic (°1938) publiceert in 2005 de bundel My Noiseless Entourage. Daarin staat ook Pigeons at Dawn. In het gedicht vertelt hij, denk ik, wat poëzie vermag: ze toont ons dingen die je anders niet zou zien. Misschien moet je er eerst wel een omwegje voor maken, in dit geval in een krakende lift die je eerst naar een ijskoude kelder brengt. Maar wie geduldig is krijgt uiteindelijk toch een glimp van absolute schoonheid te zien: All but invisible, but for her slender arm.
Ik doe dat graag, poëzie vertalen, maar ’t blijft natuurlijk wel het werk van een dilettant. Correcties en suggesties worden dan ook in dank aanvaard.

Flor Vandekerckhove



maandag 26 maart 2018

De kruisweg van 1961


Een lange sliert trekt door de kerk. Bij elke statie houden we halt. Eén: Jezus wordt veroordeeld. Twee: de heiland neemt het kruis op zijn schouders. Drie: Hij valt voor de eerste maal onder het gewicht van het kruis.
Nog elf te gaan.
Ik ben twaalf jaar en ik heb die kruisweg al zoveel keer afgestapt dat ik — geeuw — blindelings weet wat me te wachten staat. Straks zal Hij zijn Heilige Moeder ontmoeten. Vervolgens passeert hij Simon van Cyrene en daarna Veronica met haar handdoek. Wanneer Christus voor de tweede keer valt zullen we nog maar halverwege zijn.
Terwijl de stoet een bocht maakt, op weg naar de achtste statie — Jezus troost de wenende vrouwen — ga ik mijn eigen weg. Tegen de tijd dat de Messias voor de derde keer valt sta ik voor een spookhuis waarvan ik de sleutel op zak heb.
Binnen hoor ik de telefoon overgaan. In mijn haast laat ik de deur openstaan en Simon van Cyrene maakt daarvan gebruik om de straat op te rennen. Ik probeer hem nog te stoppen, maar te laat, want Jezus wordt al van zijn klederen beroofd. Aan de andere kant van de lijn bevindt zich een farizeeër. Hij vraagt me of er problemen te melden zijn.
Nog terwijl ze Jezus aan het kruis nagelen — elfde statie — wordt Simon van Cyrene op straat door een Ferrari gegrepen. Ik houd de telefoon tegen me aangedrukt, opdat de farizeeër Simons kreet niet zou horen. De Romein pleegt vluchtmisdrijf, Simon van Cyrene blijft liggen, Jezus sterft aan het kruis.
Lang kan het nu niet meer duren. Terwijl de stoet van de twaalfde naar de dertiende statie trekt, leg ik de telefoon weer in de haak, want in 1961 hadden de telefoons een haak om in gelegd te worden.
Achter het huis graaf ik een put. Terwijl ik de stoffelijke resten van Simon van Cyrene ernaartoe sleep, wordt Christus — laatste statie — in het graf gelegd.
Morgen weer kruisweg.
Flor Vandekerckhove

zaterdag 24 maart 2018

Op de Valentijntrein


— De stoomtrein die ook vandaag nog ingezet wordt tussen Maldegem en Eeklo. —
De trein trekt zich traag op gang. M’n maat kijkt naar de jonge vrouw die op de bank tegenover hem zit. Zo begint hij zijn verhaal. Hij kijkt hoe ze haar benen kruist. Hij ziet sexy nylons, een mooi gevormde knie, volle dijen en een heel klein beetje bil. Ze draagt pumps. ‘Ah’, zegt hij, ‘hoe zal ik haar beschrijven? Als iemand die zich ophoudt in bars, casino’s en hotels… U kent het genre ongetwijfeld wel, een vrouw waarbij een mens meteen aan zwarte lingerie denkt.’
Hij is zeventig, het is dik vijftig jaar geleden dat we elkaar gezien hebben en al die tijd is hij vrijgezel gebleven. Tot nu. Hij gaat trouwen.
De trein komt op kruissnelheid en zijn verhaal eveneens. Hij vertelt me hoe de rok van de jonge vrouw omhoogschuift. Hij zegt dat hij me niet moet vertellen welke emoties dat bij een man oproept. Buiten is het donker. Monotoon raast de trein door het landschap. De treincoupé wordt door een klein peertje verlicht. 
‘Wacht’, zegt de jonge vrouw onverwachts tegen mijn oud-schoolmakker, ‘dit gaat niemand iets aan.’  Ze staat op en laat het rolgordijntje zakken. Weer gaat ze recht tegenover hem zitten, hun knieën nauwelijks van elkaar gescheiden. Haar rok zit inmiddels op de rand van het fatsoenlijk naakt en het wulpse. Hij zwijgt even. Het zweet parelt op zijn voorhoofd. Ik weet niet wat ik er moet van denken. Heb ik al gezegd dat hij zeventig is?
De trein, heeft hij me uitgelegd, is de Valentijntrein, een antieke wagon die jaarlijks nog eens van stal gehaald wordt, en in de valentijnsnacht een tocht maakt, getrokken door een stoomlocomotief.
‘Hier in Vlaanderen?’ vraag ik. Hij begrijpt niet dat ik daar nog nooit van gehoord heb. Later raadpleeg ik het internet en ik zie dat het Stoomcentrum, waarover hij me vertelt, wel degelijk bestaat. Nog steeds laten ze daar zo nu en dan een stoomtrein uitrijden.
Zijn verhaal houdt op wanneer de trein de rit beëindigt. De jonge vrouw heeft haar rok inmiddels onbeschaamd hoog opgetrokken. In de intimiteit van de chambrette toont ze mijn zeventigjarige maat vrank en vrij haar mooie broekje dat nauw haar poes omsluit, een zwart kanten broekje. En met die vrouw gaat hij nu trouwen. 
Accidere ex una scintilla incendia passim,’ roept hij ten slotte in extase. Wat merkwaardig is, want in de middelbare school hebben wij samen de moderne afdeling gevolgd, Latijn hebben we daar nooit geleerd. 
Ik vraag hem lachend of hij dat nog eens wil herhalen, ik schrijf het op en neem me voor om de vertaling thuis op te zoeken. Maar je weet hoe 't gaat — boodschappen, tukje, fietsband repareren, gras maaien, stoep vegen, ruiten zemen, hond uitlaten, familiebezoek, PMD op straat, voetbal, wasje slaan, hongertje… — het komt er maar niet van, en zo belangrijk is dit verhaal nu ook weer niet.
Flor Vandekerckhove

vrijdag 23 maart 2018

Onbekende familie is ook familie


— Van links naar rechts: Madeleine Vandekerckhove, haar broer Albert en hun zuster Margriete. — 

In 1880 trouwt werkman Karel Vandekerckhove met de werkster Leonia Grosseel. Uit dat proletarische huwelijk ontspruiten dertien kinderen. Een ervan heet Arthur (°1882), een andere Edmond (°1897).
Edmond heb ik gekend, dat is mijn grootvader. Arthur daarentegen heb ik nooit gezien, nooit eerder van gehoord zelfs, maar ’t is wel Arthur die we nu gaan volgen.
Hij trouwt met Leonie Janssens, en daar komen zes kinderen uit voort; drie ervan staan hierboven afgebeeld: Madeleine die achter het gordijn wil verdwijnen, Albert die parmantig op een bijzettafeltje steunt en Margriete die erbij gaat zitten.
Het gezin heeft nog kinderen, maar daarvan heb ik geen foto’s. Zo is er Irma die als alleenstaande vrouw twee kinderen baart die niet door haar, maar door de familie opgevoed worden. Irma ontvliedt West-Vlaanderen en trekt naar Brussel. Je gaat me niet vertellen dat daar geen verhaal achter zit. En dan zijn er nog twee broers. Een heet André, de naam van de andere ken ik niet — vermoedelijk Kamiel — maar ook hij is een verhaal waard: de jongeling geraakt betrokken in een dispuut om een meisje. De concurrentie gooit hem ergens tussen Snaaskerke en Gistel van de brug en hij verdrinkt. Vragen doorklieven mijn brein: bestaat die brug nog? Is er een foto van die jongen? Heeft zo'n incident een spoor nagelaten in een krant?
Al de kinderen van Arthur moeten tegen mijn grootvader nonkel zeggen; het betreft derhalve neven en nichten van mijn vader. Ik mag veronderstellen dat mijn vader hen ontmoet heeft; op begrafenissen bijvoorbeeld, want dat is ook de plek waar ikzelf mijn neven en nichten nog eens zie, als ze niet nalaten om me uit te nodigen tenminste.
Wie mijn vader heel zeker te zien krijgt is zijn achternicht Georgette, het enige kind van Albert die hierboven centraal op de foto’s staat. Ook ik ken haar, want op de Visserskaai in Oostende hielden zij en haar man destijds een restaurant open, waar ik regelmatig heen moest fietsen met een vleesmand vol gevogelte.
Sinds kort zie ik Georgette wekelijks, want in het kader van een voor mij ongewoon aanhalen van familiebanden ga ik die achterachternicht (ja, twee keer ‘achter’) regelmatig opzoeken in het woonzorgcentrum van Bredene waar ze ferm tegen haar zin verblijft. ’t Is daar ook dat ik het materiaal verzamel dat me tot dergelijke stukjes inspireert.

Flor Vandekerckhove


— Het restaurant Fryatt op de Oostendse Visserskaai, wellicht kort na de opening in 1960. —

woensdag 21 maart 2018

Slangen, tante en een leguaan

Op de tram komt hij naast me zitten. Hij moet naar Blankenberge. Daar gaat hij een tante opzoeken die niet zijn tante is, maar hij noemt haar wel zo: tante. Werken doet hij niet, hij is een invalide. Zijn rug. Door de landbouw. Weet ik dat de landbouw een benadeelde sector is? De bouw krijgt premies, het metaal krijgt premies, het toerisme krijgt premies, alles krijgt premies, maar de landbouw krijgt niets. De mensen zeggen wel dat boeren rijk zijn, maar ze maken verlies. Als de prei rot is kan die boer ze nergens meer kwijt. Hij kan me nog voorbeelden geven. Ik schud lichtjes het hoofd, ten teken dat het onnodig is.
Hij is invalide, werkt niet, maar is wel actief. Hij heeft een kleine groentetuin en binnenkort misschien een grote, want hij kan in Limburg terecht bij iemand die kost en inwoon over heeft voor het onderhoud van de tuin, een grote tuin. Hij heeft helaas vergeten het telefoonnummer te noteren.
Intussen heeft hij werk genoeg met zijn slangen, een grote en twee kleintjes. Je moet ze in ’t midden oppakken, niet achteraan, want daar zijn die beesten teer. En je moet ze maandelijks een muis geven, bij voorkeur een levende. Hij moet dan eerst de drie slangen van elkaar scheiden, want terwijl ze aan ‘t eten zijn zouden ze ook elkaar opeten, en in je vinger bijten ook, want slangen zien het onderscheid niet tussen een vinger, een andere slang en een muis; ze zien alleen infrarood. 
Hij heeft dat al eens gehad, een slangenbeet, dat tintelt een beetje, dat zwelt een beetje, verder niets. Voor de rest kun je ze wel samenhouden in een terrarium, zolang er niets te eten valt doen ze elkaar geen kwaad.
Weet ik dat je een leguaan kunt temmen? En weet ik waar een leguaan zit als je hem niet kunt vinden? Boven in de gordijnen zit zo’n leguaan dan, want de warmte stijgt en boven in de gordijnen is het warmst van al.
Mijn halte. De tram rijdt weg en ik kijk hem na tot hij achter de bocht verdwenen is. In mijn neus blijft een onaangename geur hangen. Zo ruikt een terrarium, denk ik. Of die tante, dat kan ook.

Flor Vandekerckhove

maandag 19 maart 2018

Fanny Schoonheyt zwijgt


Net als zoveel andere intellectuelen wordt ook de Nederlandse Fanny Schoonheyt (°1912-†1961) in de jaren dertig aangetrokken tot het Sovjetexperiment. In 1934 gaat ze dat land zelfs bezoeken. In tegenstelling tot André Gide en later ook Jef Last slaagt ze er niet in de stalinistische propaganda te doorprikken.
Ze verhuist naar Spanje. Wanneer Franco er de democratisch verkozen regering aanvalt gaat ze in het verzet. Ze houdt er een veelzeggende bijnaam aan over: de koningin van het machinegeweer.
Haar biografe (°) is duidelijk: Fanny Schoonheyt kiest kritiekloos de kant van de stalinisten die, zoals bekend, niet alleen de fascisten van Franco bestrijden, maar ook moordend tekeergaan tegen de linkse socialisten, anarchisten, trotskisten en de linkse communisten van de POUM.
In Saluut aan Catalonië beschrijft George Orwell de beruchte meidagen van 1937. Tijdens straatgevechten proberen de stalinisten hun linkse bondgenoten uit te schakelen. Orwell beschrijft het centrale plein van Barcelona, gedomineerd door het hotel Colón, waar de gevechten plaatsgrijpen. Dat hotel fungeert als hoofdkwartier van de communistische partij. Orwell beschrijft hoe een machinegeweer van daaruit op alles schiet wat beweegt.
Pas nadat de biografie haar werk voltooid heeft krijgt ze bovenstaande foto in handen, waarop Schoonheyt te zien is. Achter het drietal herkent Scholten de gevel van dat fameuze hotel Colón, wat de biografe laat vermoeden dat Schoonheyt daar het machinegeweer bediend heeft, waarover Orwell spreekt.
Scholten vermoedt ook dat Schoonheyt actief geweest is als lid van Stalins beruchte geheime politie. Ze baseert zich op een boek van de Amerikaanse journalist Don Levine die in 1960 The Mind of an Assasin publiceert. Daarin reconstrueert hij het leven van Ramón Mercader, de moordenaar van Trotski. Levine beschrijft o.m. hoe de gekwetste Mercader in juni 1937 in een hospitaal een patiënte ontmoet: ‘een groot, blond Nederlands meisje, Fani Castedo, vooraanstaand in de communistische beweging. Ramon had een verhouding met haar. Zijn kamer werd de ontmoetingsplaats voor enkele van de meest prominente communisten in Barcelona, alsook voor de NVKD-operationelen die in het gebouw gehospitaliseerd waren.’ Wellicht is Fany Castedo een schuilnaam van Fanny Schoonheyt.
Wanneer duidelijk wordt dat Franco de strijd wint, keren veel buitenlandse strijders naar huis terug, waar ze moeten constateren dat hun het staatsburgerschap ontnomen werd; een lot dat ook Fanny Schoonheyt treft. Via Parijs komt ze in de Dominicaanse Republiek terecht, waar ze bevalt van een dochter.
Ze zwijgt tot haar dood over haar Spaanse verleden; zelfs tegen haar dochter, die met stomheid geslagen lijkt wanneer de biografe haar met de levensgeschiedenis van haar moeder confronteert.
Waarom zwijgt ze? De vraag blijft open. Mijn oog blijft wel hangen in een uitspraak van de biografe, in The Volonteer, een blad van Amerikaanse Spanjeveteranen : ‘Toen ze in 1939 in Parijs was, ontmoette ze daar verschillende Spaanse kunstenaars die lid geweest waren van, of gesympathiseerd hadden met de POUM. Hebben zij haar ogen geopend voor wat er echt gebeurd is tijdens die verschrikkelijke meidagen van 1937? Hebben zij haar verteld over de verwoestende gevolgen van de Sovjet”hulp” aan de Republiek? In andere woorden, realiseerde ze zich dat ze in veel opzichten de verkeerde politieke keuze gemaakt had?’
Flor Vandekerckhove


(°) Yvonne Scholten, Fanny Schoonheyt. Een Nederlands meisje strijdt in de Spaanse Burgeroorlog. Amsterdam 2012.

zaterdag 17 maart 2018

Het voordeel van een slecht geheugen

Het voordeel van een slecht geheugen is dat men van de goede dingen meer dan eens kan genieten. Dat is niet iets wat ik opeens bedenk, het komt uit de koker van Friedrich Nietzsche, maar ‘t is daarom niet minder waar.
Ten bewijze verwijs ik naar een stukje waarin ik op zoek ga naar het ouderlijk huis van Freddy Buffel, een oud-schoolmakker. Ik ben daar ooit geweest, en ooit betekent hier dik vijftig jaar geleden. Dat bezoek staat als volgt in mijn geheugen gegrift: Je kwam binnen in een grote ruimte die een vreemde aanblik bood. Langs de ene kant stonden kapblok, toonbank, weegschaal… Aan die kant werden vleeswaren geëtaleerd, want vader Buffel was een slager. Keek je de andere kant uit dan zag je een spiegel aan de wand, een zetel en een tafel met scheerkwast en scharen, want vader Buffel was ook coiffeur.’ Wie de rest wil lezen, moet hier maar eens kijken.
Onderaan dat stukje plaats ik een oproep, want op ’t internet vind ik dat huis wel weer, maar niet mijn schoolmakker. Daarom sluit ik af met de woorden: ‘Mocht iemand meer weten…’
’s Anderendaags staat buurvrouw Paulette aan m’n deur. Zij en haar echtgenoot Michel zijn al meer dan eens een hulp gebleken bij het opzoeken van mensen die ik onderweg verloren ben. Ook nu weer reiken ze de draad aan die ik maar te volgen heb om tot bij mijn ouwe maat te geraken.
De kinderen van Paulette en Michel hebben immers in Bredene school gelopen en op de banken zaten toen ook Isabel en Davy Buffel. Veel kans, zegt Paulette, dat het kinderen van Freddy zijn. Van Davy weet ze daarenboven dat hij in Gistel De Molenhoeve uitbaat.
Diezelfde dag vertrek ik naar Frankrijk, maar niet voordat ik naar die bistro een mail gestuurd heb: Via via vernam ik dat u, Davy, wellicht de zoon van Freddy Buffel bent. Mocht dat het geval zijn, laat u het me dan weten? Kunt u me eventueel zijn coördinaten meedelen? Heeft Freddy een e-mailadres?’ En kijk, wanneer ik weer thuiskom heeft zoon Davy me het mailadres van zijn vader meegedeeld.
Buffel blijkt in Benidorm te overwinteren, wat niet belet dat er een leuk over en weer geschrijf ontstaat, waarbij ik tot mijn ontstentenis verneem dat de zaak in Klemskerke géén slagerij-kapsalon was: Bij ons thuis waren mijn ouders begonnen met een cafe-beenhouwerij, geen kapperszaak.’ Daar had ik nochtans heel mijn hebben & houden op willen inzetten. En dat zou ik nu kwijt geweest zijn.
Maar goed. De Amerikaanse schrijfster Lucia Berlin zegt over zo'n dingen: ‘Dat doet er allemaal niet toe, het is het verhaal dat telt.’  Een blik op Klemskerke mag het dan wel verkeerdelijk over een kapsalon hebben, ’t is toch een mooi verhaal. En wat hierboven staat is dat misschien ook wel. Twee verhalen, voor de prijs van één! Waarmee ook de woorden van Nietzsche op een scheve manier bewaarheid worden: ‘Het voordeel van een slecht geheugen is dat men van de goede dingen meer dan eens kan genieten.’

Flor Vandekerckhove

vrijdag 16 maart 2018

Herinneringen aan Nathalie

Nu zit ik in mijn zetel, maar enkele dagen geleden zat ik op een bank in Toulouse. Hier probeer ik onderstaand stukje te schrijven, maar toen zat ik daar in een stadspark, van ’t zonnetje te genieten. Nu overlees ik enkele impressies betreffende die stad, maar toen was ik ze nog aan ’t opschrijven: zuiders, paardenmolens, bedelaars op blote voeten, mannen in korte broeken…
De vrouw die me opeens indringend aankeek droeg geen korte, maar een lange spannende broek, zwart leer. Of ze naast me mocht zitten?  Uiteraard, zei ik, want dat is mijn persoonlijke bank niet. Dat vond ze sympathiek.
Ik voegde er maar meteen aan toe dat mijn Frans niet goed genoeg was om een gesprek te voeren. Waarop ze in ‘t Engels beweerde dat ze in mij een artiest herkende. Ik zei dat ik evenmin veel Engels sprak, wegens Nederlandstalig, en toen vroeg ze me in mijn eigen taal of ze me een sigaret mocht aanbieden.
Waardoor we in drie talen tegelijk een gesprek aanknoopten, de jonge dakloze (want dat was ze) Nathalie (want zo heette ze) en ik, een sympathiek ogende artistiekeling uit West-Vlaanderen. Op een bank in Toulouse!
Tegen de tijd dat mijn vriendin me van die bank kwam weghalen wist ik dat Nathalie haar Nederlands uit Amsterdam had meebracht. Daar had ze in een bordeel een pedofiel vermoord, waardoor ze in Nederland lang genoeg had moeten brommen om een en ander van de taal te leren. Hoe meer ze me vertelde, hoe minder moeite het me kostte om de joint te weigeren die ze met me wilde delen.
Ik stelde ze aan elkaar voor, Nathalie en mijn vriendin, en toen we afscheid namen vroeg Nathalie nog gauw een weinig geld. Daar kon ik haar niet in tegemoet komen, want ik had mijn portefeuille aan mijn vriendin meegegeven, wat waar was. Die legde Nathalie met de glimlach uit dat ze tijdens ‘t shoppen al mijn geld had opgebruikt. Dat was een leugentje, en meer nog dan eentje om bestwil, was het een erg nuchtere reactie.

Flor Vandekerckhove

zaterdag 10 maart 2018

Leren schrijven met Richard Brautigan

— Richard Brautigan (1935-1984) —
Hoe komt het dat ik Richard Brautigan nu pas leer kennen? Komt dat doordat hij tussen twee stoelen valt? Is hij iets te jong voor de beatgeneratie van de jaren vijftig en een beetje te oud voor de jeugdrevolte van de jaren zestig?
Marginaal mag je Brautigan nochtans niet noemen. Trout fishing in Amerika, zijn meesterwerk, is in ’t Nederlands vertaald en in nog 11 andere talen. Wereldwijd zijn daar twee miljoen exemplaren van verkocht. Naast Forelvissen zijn er nog zeven boeken van hem in ’t Nederlands vertaald, maar alleen Forelvissen in Amerika lijkt aan de vergetelheid te ontsnappen. De nieuwste druk dateert van 2012.
Mocht je, net als ik, iets aan je onwetendheid willen doen, en mocht je daarenboven het Engels een beetje machtig zijn dan moet je zeker hier kijken, want daar valt veel werk van Brautigan zomaar van het net te plukken.
In Trout fishing in Amerika volgen we een hippieachtige auteur die aan de maatschappelijke druk probeert te ontsnappen door op forel te vissen. Je mag daarbij aan Walden van David Thoreau denken, zij het niet meer dan een beetje.
’s Morgens vertrekt de forelvisser welgemutst ter visvangst. Als aas heeft hij een sneetje brood mee. Het uitzicht is prachtig: beekje, waterval… De idylle wordt meteen verstoord: ‘Maar toen ik dichterbij kwam, merkte ik dat er iets niet klopte. De beek gedroeg zich niet normaal. Er was iets raars mee. Er was iets mis met de manier waarop zij zich bewoog.’ Wanneer hij nadert ziet hij dit: ‘De waterval was gewoon een witte houten trap die omhoogliep naar een huis tussen de bomen.’ Wat een ontgoocheling: ‘Het draaide erop uit dat ik mijn eigen forel werd en de snee brood zelf opat.’
Op de desillusie volgt deze commentaar: ‘Ik kon het ook niet helpen. Ik kon een trap niet zomaar veranderen in een beek.’  Die commentaar wordt gegeven door een personage dat, net als de boektitel, Forelvissen in Amerika heet.
Forelvissen in Amerika is, ontdek je gauw, niet alleen een titel en een commentator, het is ook een hotel en een vredesmars. Na enkele bladzijden verwondert het je al niet meer dat je ook tweedehands forelwater kunt kopen. Volgens de verkoper gaat dat alzo: ‘We verkopen het per meter. U kunt een klein stukje nemen of alles wat we nog hebben.’ De watervallen, bomen, vogels, bloemen, gras en varens worden extra berekend, maar de ‘insecten krijgt u gratis bij een minimumafname van drie meter.’ De boodschap: álles is te koop; dat is erg, maar niet erg genoeg om er je humor bij te verliezen.
Het boek wordt een kassucces. De schrijver wordt rijk. Zijn schrijven wordt wollig, zelfs slecht. Hij drinkt, wordt vet, vergooit zijn geld en schiet zichzelf voor de kop. Maar hij heeft wel zijn levensdoel bereikt: ‘Ik heb altijd een boek willen schrijven dat eindigde met het woord mayonaise.’ Ik kijk naar de laatste bladzijde van Forelvissen in Amerika en daar staat helemaal onderaan: ‘P.S. Sorry dat ik het vergeten was van de mayonaise.’

Flor Vandekerckhove

zondag 4 maart 2018

De eerste zon


— Met onderstaand gedicht heeft dit beeld niets te maken, maar Lou en Rosie genieten wel zichtbaar van de eerste zon. (PhotoPaulPictures, PPP) —


Het is al lang geleden,
maar ik herinner ‘t me nog goed.
Martinsen en Elias zaten, in de wind
als steeds, op een terras
te twisten over wie de grootste was.
Het regende pijpenstelen in mijn glas.

Ik zat te luisteren naar die twee.
Alles wat Luc met verve zei,
overschilderde Elias
met een streep nee,
wat toch wel heel merkwaardig was
op zo’n leeg en nat caféterras

Mijn glas werd almaar voller,
wat van het terras niet gezegd kon worden,
slechts één mens kwam er nog bij,
Charles Drybergh, met een enorm stuk
canvas op de rug
en een nog groter in zijn kloten.

Toen brak de eerste zon door.
Charly hield op met krabben aan zijn aars,
Luc en Etienne stopten met hun wild geraas.
Opeens, ’t was ongehoord, zweeg ook de zee.
Geen druppel water viel nog in mijn glas
en ‘t werd oorverdovend stil op het terras.

Alles werd, zo mag ik toch wel zeggen, de stilte gelijk.
Met rooddoorlopen ogen keken we allemaal,
de schilders en ik, de vissen, de vogels
en alles wat de stad aan ogen had,
naar het wonder van de eerste zon
dat zich voor het blote oog ontspon.

Het was Luc die ’t eerst bewoog,
zenuwachtig schuifelde hij op zijn stoel,
en nadat hij alles nog eens goed bekeken had
­— Elias, Drybergh, mij en ‘t regenwater in mijn glas —
greep hij haastig naar zijn jas
en zonder iets te zeggen verliet hij het caféterras.

Nadat ook Drybergh en Etienne Elias
vertrokken waren, spoorslags, elk huns weegs,
haalde ik een schriftje uit mijn tas.
Daarin schreef ik dat ik als geen ander wist
waar elk van hen naartoe getrokken was.
En tevreden vroeg ik aan de waard een ander glas.

In 1990 publiceerde Luc Martinsen (°1951) een map met vijf drukken. Het geheel werd destijds voorgesteld in de inmiddels verdwenen galerie Bureaux et Magasins. In de map zaten ook vijf bladen met ‘grafisch woordgebruik’, die ik had mogen leveren.
Een van de drukken heette — en heet uiteraard nog steeds — De eerste zon. Daar had ik een gedicht bij bedacht dat dezelfde titel droeg. Hoe die tekst er in oorsprong uitzag staat hieronder.
Nu, 28 jaar later, beslis ik om het gedicht te herschrijven. De nieuwe versie staat hierboven. Daarin wordt plaats geruimd voor de namen van twee kunstschilders die in het origineel niet voorkomen: Charles Drybergh (1932-1990) en Etienne Elias (1936-2007).
Het thema is gebleven: schilderen en schrijven, en degenen die zich in die disciplines bekwamen. Wat bindt hen, wat scheidt hen?
Het was iets wat me indertijd erg bezighield, en niet alleen omwille van de map die woorden en beelden bijeenbracht. Ik was op een punt gekomen waar ik moest kiezen: schilderen of schrijven. Ik heb het daar eerder al over gehad in een stukje dat veelzeggend Afscheid van de schilderkunst heet.
In het gedicht neemt de schrijver aan het schildersdebat niet langer deel, maar hij neemt het wel in zich op (‘Mijn glas werd almaar voller’). Geïnspireerd door ‘de eerste zon’ haasten de schilders zich naar het atelier om ermee aan de slag te gaan. De ik-figuur weet wat hen bezielt (‘dat ik als geen ander wist / waar elk van hen naartoe getrokken was.’) maar blijft zelf zitten: hij heeft gekozen voor de schrijverij: ‘En tevreden vroeg ik aan de waard een ander glas.’
Flor Vandekerckhove


° Luc Martinsen exposeert van 11 maart tot 8 april in Montanus.5 — centrum voor hedendaagse kunst — Montanusstraat 5 in Diksmuide. Open op vrij-, zater-, zon- en feestdagen van 14 tot 18 uur. Vernissage zondag 11 maart van 15 tot 18 uur. Inleiding Jan Deconynck. Meer info op www.montanusvijf.be.