zaterdag 30 april 2016

Puree

Dit verhaal eindigt aan de poort van een multinationale producent van aardappelproducten. Aan die poort bevindt zich Frank, een Vlaamse vrachtwagenchauffeur. Vanuit Zuid-Europa heeft hij zojuist een vracht tot aan die poort gebracht. Aan de portier vraagt Frank wat ze ermee gaan doen. We gaan daar puree van maken, zegt de portier.
Het verhaal start een week eerder in Spanje, waar Frank een andere vracht naartoe gebracht heeft. Voor hij naar huis terugkeert, moet hij eerst nog langs een boerencoöperatie passeren. Daar zal zijn camion met aardappelen gevuld worden.
Hij rijdt zijn wagen binnen in een grote, lege loods en overnacht daar in zijn cabine. Bij het ochtendgloren, wordt hij gewekt door het balken van een ezel.
Door een kier in het gordijntje ziet Frank hoe een boer zijn ezel naar de laadbak van de vrachtwagen loodst. Daar helpt een bediende van de coöperatieve de boer bij het lossen van de waar: twee manden aardappelen. Frank ziet hoe de boer de loods weer verlaat. Langs elke zijde torst de ezel nu een lege mand. Frank krabt zich in het haar. Aan dat tempo zal ’t lang duren vooraleer de laadbak vol is.
Hij belt naar zijn baas en vraagt of daar intussen iets anders te doen valt. Neen, Frank moet gewoon wachten tot de vracht volledig is.
Dezelfde dag komt er nog een boer langs en ’s anderendaags komen er vier. Na twee dagen is de vloer van de laadbak niet eens bedekt.
Overdag is het snoeiheet in de loods en ’s nachts koelt het daar nauwelijks af. De volgende dagen blijven er boeren komen. Sommigen duwen een kruiwagen, anderen hebben een kleine vrachtwagen, de meesten doen het met een oude camionette, nu en dan komt er weer iemand langs met een ezel.
Het duurt vijf dagen vooraleer al de coöperanten gepasseerd zijn en de wagen volgeladen is. Intussen hebben de onderste patatten al danig afgezien. Door de hitte zijn ze slap aan 't worden.
Tegen de tijd dat Frank uit de loods wegrijdt, lopen er her en der onsmakelijke straaltjes sap uit de laadbak. De vracht is aan ‘t rotten. Frank vertelt het plastisch: ‘Ik keer terug naar huis met een zwerm vliegen achter me.’  Het beeld lijkt wel uit een stripverhaal weggeplukt.
Frank draait er een stevige West-Vlaamse vloek door, want hij denkt dat hij een waardeloze vracht aan ’t transporteren is, maar hij dwaalt, want wanneer hij de waar dik tweeduizend kilometer verder aflevert, vraagt hij de portier wat ze ermee gaan aanvangen…

Flor Vandekerckhove

vrijdag 29 april 2016

Cuistot

Ik ken een mens die een stuk van de maan gekocht heeft. Hij liegt niet, want hij kan me een document tonen waarop de verkoper van maangronden dat bevestigt. Bob is dan ook een merkwaardig man. Hij heeft in Parijs gewoond, in een container of onder een brug, daar wil ik vanaf zijn, en hij heeft zijn schilderijen in Amerika geëxposeerd, want Bob is naast veel andere dingen ook een kunstschilder. Ook in Afrika heeft hij al iets gedaan, maar ik ben vergeten wat dat is.
Ik leer Bob in 1988 kennen. Hij is dan uitbater van Au Chicon, een restaurant dat ik hier eerder al vermeld heb. Bekendheid verwerft hij als uitvinder van een witloofkookpot die gedurende een korte wijl, onder de wervende merknaam Cuistot, de markt bestormt. Ja, bestormen is het gepaste woord.
Omdat de producenten van kookpotten niet erg in zijn product geloofden, moest Bob het allemaal zelf doen. Hij nam een wereldwijd patent, wat enigszins overdreven was, want er zijn maar weinig contreien waar witloof gekookt wordt. Vervolgens schooide hij geld bijeen om de ongelovige producenten te betalen die zijn Cuistot zouden produceren. En hij zette een systeem van thuisverkoop op punt, waaraan Tupperware een, heu, punt kon zuigen.
Ik zal u de promotionele activiteiten besparen, want dit stukje moet kort blijven, maar weet dat ze in een indrukwekkend feest culmineerden dat twee (!) tenten nodig had om al de genodigden te herbergen.
Herauten van de vrije markt kwamen op het podium woorden te kort om de pot van Bob te bezingen. Er was een showorkest en we dansten de pannen van het dak. Bijna had ik de potten van het dak geschreven, hahaha. Bob en zijn echtgenote waren ons in de dans uiteraard voorgegaan. Ze hadden dat gedaan op de tonen van New York New York, een hit van de heer Sinatra Frank: I wanna wake up, In a city that doesn't sleep. Heb ik al gezegd dat het feest in Bredene doorging?
Maar goed, met dat feest had de bestorming van de markt zijn hoogtepunt bereikt. Alsmede zijn eindpunt.
Achteraf heeft Bob nog eens de markt willen veroveren. Deze keer met paletten uit materiaal waarmee ook de raketten gemaakt worden die de NASA het zwerk in schiet. Beresterk! Bijna heeft hij met dat gat in de markt Freddy Heineken weten te overtuigen, maar ook dat is op niets uitgedraaid.
Dit stukje zou onvolledig zijn mocht ik nalaten te melden dat u zich op het internet nog altijd zo’n pot van Bob kunt aanschaffen. Meestal vermeldt de verkoper: ‘Slechts enkele keren gebruikt, zo goed als nieuw, in perfecte staat.’
Flor Vandekerckhove



donderdag 28 april 2016

Soms slaag ik er niet in om een passende titel te bedenken

— Van links naar rechts: Stef Dehullu, Flor Vandekerckhove, Henri Laplasse. —
De zestiende editie van de Erfgoeddag stond in het teken van de rituelen. Ook Oostende deed daar op 24 april duchtig aan mee. Een van de activiteiten had met de visserij te maken.
In het Oostendse stadsmuseum werden oud-IJslandvaarder Henri Laplasse, presentator Stefaan Dehullu en ik elk op een troon (foto) gehesen om vanuit die comfortabele positie het volk te onderhouden. Onderwerp: Geloof en Bijgeloof in de Visserij.
Dat was niet alleen een merkwaardig onderwerp, het was ook een curieus panel, waaruit vooral bleek hoe slecht het in vissersstad Oostende met de visserij gesteld is. In dat panel zat namelijk niemand uit Oostende, echt niemand. Henri Laplasse en ik hadden de inrichters uit Bredene weggeplukt. Stef Dehullu, die dat spel moest leiden, hadden ze te elfder ure in ‘t Brugse gevonden.
Te elfder ure mag je letterlijk nemen, want de nacht voor het evenement belde deze Stef me nog op om zijn visie op de dingen mee te delen. Ook moest ik nog rap een boek lezen.
Over de inhoud van dat panelgesprek wil ik het hier niet hebben. Wie geïnteresseerd is in de vreemdsoortige vermijdingsrituelen in de zeevisserij moet daar eens een blik werpen, hzij zal versteld staan. Wat ik wel wil zeggen is dit. In 't midden van mijn gloedvolle betoog gaat in de zaal opeens een telefoon over. 
Dat kan gebeuren, geen probleem. Ik onderbreek even mijn woordenstroom. Iedereen kijkt in de richting van de telefoonmens. Wat doet hij? Hij haalt die rinkelende telefoon uit zijn zak. So far so good. Hij haalt die telefoon echter niet uit om er zijn voet op te zetten. Neen, hij begint daar, te midden van mijn speech over vermijdingsrituelen, een uitgebreid gesprek te voeren. De zaal wordt muisstil. Waardoor het buitengewoon geïnteresseerde publiek te weten komt dat die mens daar niet naast zijn vrouw zit. Het is namelijk zijn vrouw die hem opbelt om te vragen waar hij zo lang blijft.
De dame die naast hem zit, en die Jeannine blijkt te heten, begint op haar stoel te frikkelen, zij is duidelijk niet op haar gemak. 'Ik sta in de winkel', zegt de man op leugenachtige wijze in de telefoon. Uit het publiek stijgen nu fezelende stemmen op. 'Neen', zegt de man daarna geërgerd, 'ik zit niet naast Jeannine, ik sta in de winkel.'
Meer moet ik hier niet aan toevoegen zeker? Of 't zou een titel moeten zijn.
Flor Vandekerckhove

woensdag 27 april 2016

Meisjes uit 1949


Begin april stuurde mijn nicht Nadine Vansieleghem me deze foto. Daaronder schreef ze: ‘Ken jij die meisjesklas? Er moeten er daar toch bij geweest zijn waar jij een oogje op had of niet?’
De laatste vraag kon ik bevestigen noch ontkennen, want ik herkende niemand, echt niemand; de juf niet en de meisjes evenmin. De hoge treden waarop het gezelschap zat, boden ook geen uitkomst. Ik vroeg Nadine om me iets meer te zeggen. Ze antwoordde: ‘Ik kan zelf evenmin iets over die foto zeggen. Ik zal het mijn ma eens vragen.’
Goed idee, want tante Alice had eerder al veel namen gekleefd op foto’s uit het familiearchief, waarvan wij, onwetend nageslacht als we zijn, nauwelijks iets afwisten. Dat bleek ook nu weer goed te werken, want Alice identificeerde zonder verpinken Dora Clicteur, Erna Decoster en Magda Ramon, drie namen die ons al enige houvast gaven. En ja, nu ze het zei, herkende ik zelf ook wel Dora en Erna.
Dat was al iets, maar nog niet erg veel. Vera en Dora waren leeftijdsgenoten van me en die andere meisjes waarschijnlijk eveneens. Maar nog steeds kon ik geen namen aan de andere gezichtjes koppelen. En wie was die vrouw die erin slaagde al die meisjes zo vrolijk te doen lachen?
Ik besliste om er Frieda Clicteur bij te halen, de jongere zus van Dora. Ik zal je moeten ontgoochelen’, antwoordde zij, ‘want ik herken de andere meisjes ook niet. Wat ik wel weet: wij zijn in 1956 van Jabbeke naar Bredene verhuisd. Dora heeft het eerste leerjaar in Jabbeke gedaan en misschien ook het tweede. Toen ik in Bredene school liep had ik in de eerste graad een non, in de tweede graad juffrouw Maria Lams, en in de derde graad weer een non. Juffrouw Maria was vaak voor langere periodes afwezig. Misschien is de onderwijzeres een interim-leerkracht.
1956, een jaartal ! Ik was zeven jaar en die meisjes wellicht ook. 
Weer wisten we iets meer, maar tegelijk bleef veel in het ongewisse. Toch leidde Frieda’s antwoord me naar een doorbraak, want ze voegde er in extremis aan toe: Ik vermoed dat Jeannot Van Hille het meisje naast Dora is.’
Ha, dacht ik, Jeannot! Die weet ik wonen, want zij is getrouwd met mijn ouwe schoolmakker Ivan Steen. Tussen twee regenvlagen in toog ik erheen, vroeg naar haar e-mailadres en stuurde haar de foto op.
Bingo ! Jeannot identificeerde al de meisjes. (1) Vera David; (2) Jeannot Van Hille; (3) Dora Clicteur (†);(4) Erna Decoster (†); (5) Magda Ramon; (6) Claudette Gunst; (7) Myriam Bonny; (8) Yvette De Jonckheere; (10) Jeannine Logghe; (11) Marie-Claire De Bourderé.
De foto zou tijdens een schoolreis naar Melsbroek gemaakt zijn. Jeannot herinnert zich zelfs de juf, onder het nummer 9, als zijnde een hele lieve onderwijzeres die les gaf in het eerste en het tweede leerjaar, maar de naam blijft helaas, en wellicht tot in de eeuwen der eeuwen, gehuld in de nevelen van de tijd.
Flor Vandekerckhove
P.S.: Inmiddels herinnert Jeannot zich alweer de voornaam van de juf: Paula.



dinsdag 26 april 2016

Rode pluche

— Van links naar rechts, in de Oostendse cinema Rialto: Flor Vandekerckhove, Filip De Bodt, Didi de Paris. —

Gisteren zag ik op de televisie Jan Verheyen aan het werk. Hij stelde nieuwe films voor en deed dat vanuit een cinemazaal, weggezonken in de rode pluche. Al associërend gingen mijn gedachten uit naar de in 2012 gesloten Oostendse cinemazaal Rialto.
Dat gebouw wordt binnenkort afgebroken, maar u mag er eerst nog, zo meldt de gewezen uitbater, souvenirs uit weghalen: Er zijn blijkbaar veel mensen die een souvenir willen. We hebben dan ook beslist om een evenement aan te maken om een grote yardsale aan te kondigen. Nu woensdag van 18u tot 21u. 50 € per koppel stoelen, wel zelf los te maken. Breng dus best wat materiaal mee.’  Allen daarheen! Op woensdag 27 april, van zes tot negen, een fucking yardsale
Zelf raad ik de souvenirjagers aan om, in de rode zaal, de derde stoel van de tweede rij los te schroeven. Dat is niet zomaar een stoel, dat is rode pluche van grote symbolische waarde. Daar heb ik namelijk zelf in gezeten en niet zomaar, niet als toeschouwer. Daar ben ik in 2013 gefilmd in de rol van een soort linkse Verheyen.
Net als de Jan heb ik, jawel, ooit in de rode pluche een film gepresenteerd, een klein meesterwerkje trouwens, van de hand van de onovertroffen Vlaamse regisseur Filip De Bodt. De prent luisterde, en luistert nog steeds, naar de spetterende naam Fish & Run II — jawel, de sequel — en kaapte later een persprijs weg op het filmfestival van de Federale Raad Duurzame Ontwikkeling — ja, die Raad heeft een festival. Ik presenteerde niet alleen die film, ik trad er ook in op en miste op voornoemd filmfestival ei zo na de prijs voor de beste mannelijke bijrol.
U staat perplex. Ik weet dat het allemaal een beetje ongeloofwaardig lijkt. Maar ik beschik over een fotografisch bewijs dat u zal overtuigen. Op bovenstaande foto ziet u, in de rode pluche van de Rialto, van links naar rechts: ondergetekende, regisseur Filip De Bodt en Didi de Paris. Wat die laatste daar kwam doen, heb ik nooit geweten, maar ik heb hem daar wel leren kennen als een sympathieke medemens. Voor de fans: zijn stoel staat op de eerste rij, ik denk dat het de vijfde is.
Flor Vandekerckhove



maandag 25 april 2016

Bierviltjes

Ik had geen geld, ik was alleen. De verwarming was stuk, de koelkast leeg. In mijn zakken zaten bierkaartjes waarop openingszinnen genoteerd stonden, aanzetten voor het serieuze werk dat almaar uitgesteld werd.
Mijn welbehagen lag in handen van de horeca. Cafébazinnen en restaurantuitbaters bezorgden me de energie die ik thuis uit armoe moest ontberen. De ene bood me een bed, iemand anders gaf me keukenrestjes, en allemaal overstelpten ze me met inspiratie.
Bewegen was een overlevingsstrategie. Via de steenweg ging het van een broodje naar een vrijpartij, van het dutje naar een glas, van de koffie naar een diner. Onderweg rookte ik stiekem peuken die eerder uit autoraampjes gekeild waren en aan een fruitkraam durfde ik al eens een appel te ontvreemden, want nood breekt wet. ’s Avonds was ik doodop van al dat over en weer geloop.
De laatste tocht ging veelal naar een restaurant dat Au Chicon heette. Het was een chique bedoening, met maar weinig tafels, het soort zaak waarin slagers, advocaten en bordeelhouders schransend van hun welslagen getuigden. Ik moest er ver voor stappen, maar ik kreeg er waar voor mijn geld (dat ik niet had). Het eten was lekker, verfijnd zelfs, en omdat de uitbater een fantast was, kon ik daar ook de achterkant van menig bierviltje volschrijven.
De horeca geloofde in mij en de uitbater van Au Chicon deed dat nog ‘t meest van al. Lang nadat de laatste marktkramer de zaak verlaten had, was ik daar nog aan ’t luisteren naar ‘s mans verhalen die, zo had ik om den brode laten uitschijnen, een plek zouden vinden in de roman die op de bierkaartjes vorm aan ’t krijgen was.
Daarna vatte ik de terugweg aan. In ’t donker liep ik via de steenweg weer naar huis. Soms was ’t hard aan ’t regenen, veelal was het koud, en deze keer was ’t zowel aan ’t regenen als erg koud. Auto’s reden vlak naast me in hoge snelheid door diepe plassen en tegen de tijd dat ik thuiskwam was ik doorweekt, smerig, moe, verkouden, hongerig en niet meer aan te spreken. 
In mijn keukenkast stond niets anders dan een pot mosterd en een fles geuze; trofeeën die ik op mijn tochten mee naar huis gesleept had. Aan de geuze hing een sierlijk kaartje. Daarop stond: Lambiek kan puur, rechtstreeks van het eikenhouten vat worden gedronken. Het bevat amper koolzuur en is dus plat, het heeft in het glas geen schuimkraag. Lambiek is zuur van smaak. Het is daardoor een goede dorstlesser.’ Op het etiket van de mosterdpot stond iets volgens Mattheüs: ‘Het koninkrijk der hemelen is gelijk aan een mosterdzaad, dat iemand nam en in zijn akker zaaide; het is het kleinste onder alle zaden, maar wanneer het opgegroeid is, is het grooter dan de moeskruiden, en wordt een boom, zoodat de vogelen des hemels komen schuilen in zijne takken.’ Het waren, vond ik, twee sterke teksten. Daar moest ik iets mee doen. 
't Was te laat om er iets over te schrijven en dus dronk ik de fles uit en tegelijk lepelde ik de pot leeg. In die ongeziene combinatie bleken de twee teksten ook op een bijzonder sterk mengsel te slaan, want ik ontwaakte in het Heilig Hart, alwaar, dat is bekend, de ziekenhuiskost niet te vreten is. Ik mocht van geluk spreken dat ik aan de sonde lag.
Flor Vandekerckhove

zondag 24 april 2016

Panamadroom

Ik ben een journalist en ik heb een primeur. Ik kom als eerste te weten dat de federale regering een fors budget opzij zet om een cameraschild te installeren in de bureaus van de topbankiers. Premier Michel wil daarmee, naar eigen zeggen, een beter zicht krijgen op de 732 Belgen die met 1.144 offshorevennootschappen geld versluizen naar belastingparadijzen als Panama en de Britse Maagdeneilanden.
Nog voor ik het bericht naar de redactie kan mailen, ben ik er getuige van dat de regering haar naam van kibbelkabinet weer alle eer aandoet. Minister Jambon haast zich om mij toe te vertrouwen dat hij de maatregel van Michel onvoldoende vindt. Daarom heeft hij de federale politie opdracht gegeven om de wijken Knokke-Le Zoute, Sint-Martens-Latem en Keerbergen huis voor huis uit te kuisen, ‘want’, zegt Jambon, ‘ik ben ervan overtuigd dat de belastingontduikers gesteund worden vanuit hun gemeenschap. Anders hadden ze dat geld nooit zolang achter kunnen houden.' Wanneer hij mijn vragende blik ontwaart, verduidelijkt hij zijn woorden: 'Ik zeg niet dat alle katholieken belastingontduikers zijn', vervolgt hij, 'maar het is toch wel merkwaardig dat ze allemaal uit die hoek komen. We moeten daar niet flauw over doen.’
Ik vind het een boude uitspraak en vraag me af wat zijn partijvoorzitter daarvan denkt. Desgevraagd antwoordt Bart De Wever dat hij zijn minister ten volle steunt. ‘Ik begrijp niet’, zegt De Wever, ‘hoe Vlamingen die in ons land alle kansen gekregen hebben, weigeren belastingen te betalen. Dat gaat er bij mij niet in. Die transfer naar Panama is onbegrijpelijk.’  Verder verdedigt hij Jambon ook in zijn uitspraak dat ‘een significant deel van de Panama-Belgen danste toen ze het resultaat van begrotingscontrole gehoord hadden.’
Terwijl ik dat alles nog aan het noteren ben passeert minister-president Geert Bourgeois. Hij wijst me erop dat de VRT geen beelden van die danspartij uitgezonden heeft. Wanneer ik opwerp dat die beelden misschien niet bestaan, antwoordt Bourgeois formeel: ‘Beweert u dat we dat alleen mogen zeggen als er proces-verbaal van gemaakt werd?’  In ’t passeren zegt ook minister Homans me nog dat ze bijzonder streng zal zijn voor de Panama-Belgen: 'Als je, hik, in de problemen zit, is dat je eigen verantwoordelijkheid. Los het maar, hik, op. Het moet gedaan zijn met al dat pamperen.'
Toen rinkelde de wekker.
Flor Vandekerckhove

zaterdag 23 april 2016

Het bestuur


Eerst denk ik nog dat er een merkwaardig grote gelijkenis bestaat tussen de foto en Het Laatste Avondmaal, de muurschildering die Leonardo da Vinci destijds in een Italiaans klooster aangebracht heeft. Beide beelden tonen immers een exclusief mannelijk gezelschap en in beide gevallen bevinden die mannen zich aan gene kant van de dis. Ze tellen elk ongeveer evenveel mensen en in de twee gevallen mag je van de meesten zeggen dat ze christelijk geïnspireerd zijn.
Bijgevolg denk ik er eerst aan om die twee beelden naast elkaar te schikken en de vergelijking op de spits te drijven. Maar, ook na lang zoeken, vind ik op de foto eigenlijk niemand die met Jezus Christus te vergelijken valt en voor de rest lijkt het me ook beter dat ik niet op zoek ga naar de Judas.
Er is nog een reden waarom ik die beelden uiteindelijk niet naast elkaar plaats. De muurschildering van da Vinci mag bijna 500 jaar ouder zijn dan de foto, de personages ogen dynamischer en de kleren zijn kleurrijker. In zoverre zelfs dat de foto ernaast in ’t niets verdwijnt. Wat spijtig zou zijn, want het is niet over het schilderij, maar over de foto dat ik het wil hebben.
Zelf sta ik daar niet op, maar ik ken wel, op één na, al de jongens die erop afgebeeld worden. Wat u op die foto ziet is het bestuur van Patro Bredene-Duinen Zittend van links naar rechts zien we Marcel Derdeyn (met pijp!), Willy Versluys, Ronny David, Ivan Schamp (met ferme manchetten), Serge Schaut (met balpen, klaar om notities te nemen) en Marc Loy. Staand, van links naar rechts: (volgens Vanmassenhove is dat misschien) Bob Coninck, Roland Vanmassenhove, Hugo Pauwels, Danny Crabeels (met veterdas), Honoré Pitteljon, Erik Poppe en Danny Kerkaert.
Ivan Schamp weet met zekerheid dat de foto gemaakt werd in de eetzaal van het Europa hotel te Bredene en met bijna zekerheid dat hij als zijnde van 1967 gedateerd mag worden.
De naam Patro vraagt enige verduidelijking. De term komt van patronaat, een instituut dat in oorsprong dient voor de vorming & scholing van de rooms-katholieke jeugd. In België ligt die oorsprong omstreeks 1850, maar in Bredene is het iets van halverwege de jaren zestig van de daaropvolgende eeuw. De patronaten zijn parochiaal gebonden en, naar katholieke gewoonte, gescheiden in jongens en meisjes. Dat laatste verklaart waarom het gezelschap op de foto exclusief mannelijk is. (Een meisjespatronaat is er naar mijn weten in Bredene nooit geweest.)
Wanneer de foto in 1967 gemaakt wordt loopt het verschijnsel van de patronaten al op zijn laatste beentjes. Ze zijn gaandeweg opgeslorpt door meer gestructureerde en geüniformeerde jeugdbewegingen. In Bredene-Duinen gaat het evenwel een andere richting uit.
U zou het die jongens op de foto niet toegeven, maar ze zijn afscheid aan ’t nemen van de kerk. Letterlijk, want het patronaat van Bredene-Duinen heeft oorspronkelijk de crypte van de parochiekerk als lokaal. Willy Boey herinnert zich die crypte erg goed: Ik heb de poten van onder mijn gat gelopen, eerst naar de onderpastoor, dan naar de pastoor, om een lokaal af te bedelen, er was immers ruimte genoeg. Ten slotte kregen we de crypte onder de kerk als lokaal; een vochtige, koude, smerige ruimte, met de belofte dat we het zouden kuisen en onderhouden. Marcel Derdeyn heeft er het meeste aan gedaan om dat in orde te krijgen. Ik werkte intussen immers bij de spoorwegen in Brussel, en kon daar slechts in de week ends zijn.’
In 1967 hebben de jongens op de foto van die crypte afscheid genomen. Dat heeft minder met een geloofscrisis te maken dan met het opspelen van de hormonen, waardoor een jeugdwerking zonder meisjes niet langer een optie is. Ook omdat Bredene niet over een gemengd waterpoloteam beschikt moet er iets anders op gevonden worden. Patronaat wordt afgekort tot Patro en de doelstellingen worden deze van een moderne jeugdclubwerking. Het lokaal verhuist eerst naar een tearoom en later naar de dancing Djinn, alwaar de katholieke jeugd ongepatroneerd aan ’t dansen slaat, tijdens fuiven die tot diep in de nacht Thé Dansant genoemd worden en waarop La Bamba ongetwijfeld de meest gedraaide plaat is.

Flor Vandekerckhove

— 1969. La Bamba, tijdens een sinterklaasfuif van Patro, de door jongeren zelfbeheerde jeugdclub die de bevoogding van het patronaat achter zich gelaten heeft. (Still uit een super 8 film.) —


vrijdag 22 april 2016

Pamperen

Op 26 februari krijg ik een mail van een laatstejaarsstudent Journalistiek. Hij schrijft me in verband met zijn bachelorproef. Daarin wil hij het over de visserij hebben, meer bepaald over ‘de aanlandingsplicht en de problematische gevolgen ervan.’
Het lijkt me een gewaagd onderwerp te zijn voor een student. Maar goed, die jongen kent de visserij. Hij is in Oostende opgegroeid, zegt hij, en telt enkele vissers in de familie. Omdat ik een kwarteeuw lang Het Visserijblad uitgegeven heb, vraagt hij mij enkele namen van reders die voor zijn project in aanmerking komen. Hij wil ze interviewen.
Dezelfde dag nog stuur ik hem twee namen door, alsmede het corresponderende e-mailadres. De student wil vervolgens dat ik er een Zeebrugse reder aan toevoeg. Omdat ik een norse man ben, werkt hij me vanaf die tweede vraag al op de zenuwen. Maar ik laat dat uiteraard niet blijken, want de toekomst van een journalist staat op 't spel. Dezelfde dag nog stuur ik hem naam en mailadres van zo’n Zeebrugse reder op en vervolg daarna mijn leven.
Vandaag, ei zo na twee maand later, stuurt de student me weer een bericht. Hij probeert nu 'al eventjes’ die reders te contacteren. Tevergeefs. Hij krijgt er, naar eigen zeggen, ‘geen vat’ op. En of ik hem nu ook nog eens de telefoonnummers van die mensen wil doorgeven.
Ik sta perplex. Die reders hebben namen, hun rederijen eveneens en hun schepen ook. Rederijen zijn ondernemingen en reders zijn ondernemers. Ze doen zaken. Ze verkopen vis. Daarom leven ze niet ondergedoken. Daardoor zijn ze gemakkelijk te traceren. Die reders begeven zich op de kaaien, naar de kroeg en naar de vismijn. Ze staan vermeld in gidsen en lijsten, ze hebben een beroepsvereniging.
Ik neem de proef op de som, doe alsof ik de telefoonnummers niet op zak heb en zoek ze op het internet. Twee minuten later heb ik ze beet. Makkelijk zat.
Misschien kan die jongen niet zo goed overweg met dat internet, denk ik eerst, wat ik meteen weer verwerp, want jonge mensen kunnen dat allemaal veel beter dan ik. Misschien moet hij in beweging komen, denk ik vervolgens… Misschien moet hij op pad gaan om die telefoonnummers te vinden. Met de trein, de bus, met de fiets, per skateboard, te voet… Ouderwetse journalistiek, ohlalala. Misschien moet hij uitvlooien waar hij aan een scheepslijst kan geraken, want misschien vindt hij daar de telefoonnummers die hij zoekt. Misschien dit, misschien dat…
Het politiek erg geladen werkwoord pamperen verschijnt voor mijn geestesoog. Ik kan hem die telefoonnummers mailen. Maar na enig beraad met mijn norse zelf beslis ik om dat niet te doen. Misschien zal hij op die manier zijn stiel leren. Anders ziet het er echt niet goed uit voor de toekomst van de journalistiek in 't algemeen en voor deze van die jongen in 't bijzonder.
Flor Vandekerckhove 

Over het bestaan van zeemeerminnen


Vanaf 1949 zwermen tientallen studenten uit over ‘t land om er de Vlaamse sagen te verzamelen. Ze worden letterlijk genoteerd, in het dialect van de vertellers. Het project levert zo’n 100.000 getuigenissen op die later in de Vlaamse Volksverhalenbank bijeengebracht worden.
In die collectie vind ik 39 vertellingen die me iets over het bestaan van zeemeerminnen leren. Ze worden in 1958 genoteerd in Nieuwpoort, Oostende, Snaaskerke, Heist, Wulveringem, Houtem, Koksijde, Adinkerke, Oostduinkerke, Vinkem, De Panne, Dudzele, Koolkerke, Wulveringem, Hoeke, Lapscheure, Sint-Kruis, Knokke en Oedelem.
Meestal zeggen de respondenten het te weten ‘van horen zeggen’ en ze benadrukken steevast dat ze het over ‘vroeger’ hebben, maar de verteller kan toch veelal de bron aanwijzen, vader, grootvader, een naam.
Zo’n verhaal wordt dan bijvoorbeeld door een schoolkind op de bus gehoord uit de mond van een oud mannetje, een oud-visser en gewezen stuurman: ‘k Zaten in ’t derd he en ‘k gingen met den autobus naar ’t schole, ’t zat daar ’n helft van tijd (soms) een oude vent op den autobus, die zei datten (dat hij) een keer naar IJsland vaarde achter kabeljouws, (…) en in ene keer zagten (zag hij) daar een grote steert boven water steken, wè (wel), zegten (zegt hij) tegen de kapitein (…) wat voor grote vis, en je (hij) klapte in z’n handen en in ene keer he, komt er daar een kop van een wuf (vrouw) boven water, en dat wuf z’ had zij een steert gelijk een schelvis maar ton (dan) nog vele groter, en z’ had lang haar en z’ had een harpe bij haar en ze speelde daar schoon op en ze koste daar ook mee schieten achter vissen. (…) Nu zien ‘k dat ventje nooit meer op de bus. J’ is voorzeker dood want ’t was al een stijf (zeer) oud ventje.’  Die oude stuurman kent trouwens nog een verhaal: Dat ventje op den autobus vertelde ook dat z’n grootvader een keer in ’t water gevallen was, en, datten daar een zeemeerminne gezien had op een karre die voortgetrokken werd van een helen hoop grote zeepeerdjes. En dat was voorzeker dezelfsten datten hij gezien had, want ’t was in dezelfde streke.'
Meestal worden die verhalen thuis verteld, ’s avonds rond de kachel, terwijl de kinderen met rode oortjes luisteren: Mijn vader en andere oude vissers hebben dikwijls verteld dat ze een zeemeerminne gezien hadden. Dat was een schoon vrouwmens, allè een vrouwenbovenste met schoon lang haar, en met een staart gelijk een vis. En ze probeerde zij de vissers te verleiden en mee te lokken.’  Het is het bekende verhaal van de sirenen die al sinds Homeros zeelui lokken.
Soms gebeurt ook ’t omgekeerde, vissers lokken de sirenen: ‘k Heb ik nog horen vertellen van een oude visser van Oostende dat ze een zeemeerminne gevangen hadden. En z’ hadden ze vaneigen (natuurlijk) meegebracht, en dat treurde, dat treurde, bij zoverre dat ze ze were los lieten en z’ is al zingen uit d’ haven gegaan en weggezwommen. Dat was Patries Note die dat vertelde, maar de vent is nu ook al lange dood en geoordeeld.’
Uit veel verhalen blijkt dat het niet erg verstandig is om zo’n zeemeermin mee te brengen. De achterblijvende zeemeerman zint dan op wraak. De overstroming van Walcheren valt eraan toe te schrijven: ‘’En de man van die meerminne zei, ‘k moeten m’n vrouwe were (terug) hebben. Maar die visser wilde niet. En ne (hij) zei: “Walcheren, Walcheren/ ’t zal je berouwen/ van te stelen meerminsvrouwe/ Walcheren zal vergaan/ en de toren alleen zal blijven staan.” En Walcheren is toch wel verzwolgen geweest ook hé, van de zee. En de torre alleen is blijven staan.’
Niet alleen de zeemeerman bestraft, ook de min straft de mens die haar aanvalt. De neergang van het eertijds welvarende Damme is eraan te wijten: ‘Damme da’s hèèl vervallen mo da was vroeger mèèr of Brugge. Dat is vroeger e zèèstad gewist. En ze vertelden aalsan datter e zèèmarminne doar e kèèr drèèf en daan z’ eur wilden sloan of smieten en da die zèèmarminne zoe gezeid ên: “Brugge go vereven, mo Damme go vergoan”.’ 
Dat er in Mardijke alleen maar armoedzaaiers wonen komt trouwens ook doordat men daar een zeemeermin gevangen heeft: ‘‘k en nog hoord ’t was toe Mardyke ene die zo naor (dicht) kwam. En ze zien ook zo rap nie of d’ ander visschen. En da ze z’ evang hadden. En ze lieten z’ in de zeje were. Ze wisten nie wiene doen. En da ze neur ommedroei, en da ze zei “Mardieke, Mardieke, oltied orme en nooit nie rieke”.’
Een mens doet er dan ook goed aan de roep van de sirenen ernstig te nemen: In Wenduine bloeide de visscherie. ’t Was dor ’n voader die stierman was, en z’n zeune die ook stierman was. De zeune zei tegen z’n voader: "Voader, go no binnen, want ‘k èn de zeemeerminne hoaren schreeuwen”. Mo de voader zei: "Joengen, zwieg en moei je met je eigen gorpot (met je eigen zaken). De joengen kwam no beien (binnen) en ’t was storm. Da was de schuld van de zeemeerminne. Den helft van de visschers zien ton vergoan.’
Allemaal goed en wel, maar wie zijn die zeemeerminnen eigenlijk? Waar komen ze vandaan? Wat drijft hen? Ze zeggen dat dat verwenste mensen zijn. Ze zijn half vis, half mens en ze kunnen schone zingen en dat wareert (doolt) in de zee rond.’ Of het zijn moeders die hun kind verwenst hebben, dat kan ook: E zeemeerminne was e vrouwe dien eur kiend verwenst hadde, volgens da pette assan zei.’
Hoe zien ze er uit? Dat verschilt nogal. Sommige getuigenissen hebben over hun schoonheid: ‘E zeemarminne, da’s e vromens me schoon bloend haor (…) en neur aor (haar) da dreef dao zo schoëne in ’t waoter. Andere laten iets anders vermoeden: ‘’t Bovenste was lik ne mens, mo me ne moestas.’
Flor Vandekerckhove


woensdag 20 april 2016

Met Susan Sontag, Georg Lukács, Peter Buwalda en Peter Wohlleben aan de Lesse

— 1956: Hongarije komt in opstand tegen het stalinisme. —

Op het bed ligt een stapel boeken. Ik zit in een fauteuil en leg mijn voeten op het salontafeltje van de hotelkamer. Door het openstaande raam hoor ik het water van de Lesse kabbelen. Aan gene zijde staat het bos in al zijn ondoordringbaarheid naar mij terug te kijken; aan deze zijde ligt het weiland waarin één eik al honderd jaar aan ’t groeien is, resultaat van een vrucht die de wind ooit, vanuit het bos, over de rivier heen geworpen heeft.
Ik blader doorheen een essay van Susan Sontag. Het vangt op dezelfde manier aan, maar dan anders: ‘Ik schrijf in een klein kamertje in Parijs, terwijl ik in een rieten stoel zit, voor een raam dat over een tuin uitkijkt; achter me staat een bed en een nachttafel, op de vloer en onder de tafel liggen manuscripten, notitieboekjes en twee, drie paperbacks.’ De alinea is nog niet rond of Sontag heeft de schrijflust al vanuit haar raam naar me toe geworpen. Ik beslis om een stukje over de marxistische filosoof Georg Lukács te schrijven.  
— Susan Sontag (1933-2004) —
Die Hongaar boeit me. Hij boeit me zoals de theatermaker Bertolt Brecht en de componist Dmitri Sjostakovitsj me boeien. Hoe hebben die mensen het aan boord gelegd om het stalinisme te overleven? En hoe zijn ze erin geslaagd om in die geestesdodende omgeving een toch wel merkwaardig oeuvre te produceren?
Ik blader in Lukács boek The Meaning of Contemporapy Realism en zie dat het twee voorwoorden en een inleiding meekrijgt. Die wil ik lezen voor ik het raam weer dichtmaak. Ik verkneukel me en verdwijn in de wereld van Georg Lukács.
Het eerste voorwoord dat hij me laat lezen heeft hij in 1962 geschreven, naar aanleiding van de Engelse uitgave. Meteen valt de afstand op die hem van de hedendaagse lezer scheidt. De kans dat zijn vrucht nu nog wortel schiet is kleiner dan deze die de eikel had toen hij zich honderd jaar geleden aan gene zijde van de Lesse losmaakte.
Lukács heeft het in de openingsparagraaf over 'het XXste Congres'. Tout court. Van de hedendaagse lezer kan, denk ik, niet verwacht worden dat hij daar iets over weet. Zelf ben ik wellicht een uitzondering, want in de late sixties kom ik in de heftige biotoop van stalinisten en trotskisten terecht. Daardoor weet ik dat het XXste Congres van de CPSU in 1956 een periode van zogenaamde destalinisatie inluidt.
De literaire kritieken die Lukács in The Meaning of Contemporapy Realism bundelt zijn ingebed in die politieke beslissing. Er is ter zake al veel werk gedaan, stelt hij met genoegen vast. Als voorbeeld wijst hij op de publicatie, in 1960, van een ‘onbekende’ brief van Lenins weduwe. Daarin schrijft ze dat Lenins essay Partijorganisatie en partijliteratuur uit 1905 niet over literatuur als schone letteren gaat. Wat volgens mij het instampen van een open deur is.
Dat Stalin en de zijnen een scheve lezing van die tekst in stelling gebracht hebben zal niemand verbazen, maar dat een belezen criticus als Lukács de opheldering van Lenins weduwe als aha-erlebnis ervaart is toch wel verbazingwekkend.
— Georg Lukács (1885-1971) —
Ik ken dat essay van Lenin. Daarin weerlegt hij zelf expliciet de kritiek als zouden communisten hun eigen opvattingen aan schrijvers willen opleggen: ‘Kalm maar, mijne heren! In de eerste plaats is er sprake van partijliteratuur en van de onderwerping ervan aan de partijcontrole.'  Iemand die bij wijze van spreken voor de N-VA schrijft moet uiteraard schrijven wat de N-VA van die mens geschreven wil zien, maar voor de rest? 'Iedereen heeft de vrijheid om te schrijven wat hem goeddunkt, zonder de geringste beperking. (…).’  Aldus Lenin. 
Dat Stalin daar overheen leest, valt te begrijpen, maar wat moet een mens denken van een literatuurcriticus van het gewicht van Georg Lukács die in 1960 nog van zijn stoel valt vanwege iets wat al in 1905 voor iedereen duidelijk is?
Wat ik ervan moet denken maakt Lukács pijnlijk duidelijk in de inleiding op de Duitse uitgave van zijn bundel. Die inleiding begint hij te schrijven in september 1956, hij werkt hem af in april 1957. ‘In die tussentijd’, zegt hij, ‘hebben in Hongarije en in andere landen gebeurtenissen plaatsgevonden die vragen dat bepaalde problemen, verbonden met Stalins erfenis, opnieuw gedacht worden.’ Voor wat Hongarije betreft is dat zeker waar. Daar grijpt tussen 23 oktober en 10 november 1956 een volksopstand plaats.
Zijn dat de gebeurtenissen waarover Lukács het heeft? Hij rept er, vreemd genoeg, met geen woord over. Hij heeft het wel over reacties die ‘de vorm aangenomen hebben van een revisie van de theorieën van Marx en Lenin.’ Die kunnen alleen maar gered worden, vervolgt hij, als het dogmatisme oprecht bekritiseerd wordt, ook op literair vlak.
Dat dogmatisme in de literatuur… Is dat het socialistisch-realisme? Kritiek op middelmatige uitingen ervan is zeker nodig, schrijft Lukács vervolgens, maar dan wel opdat ‘de creatieve aspecten van dit nieuwe realisme beter begrepen zouden worden.’
Waardoor ik een antwoord krijg op de vraag die me bezighoudt. Zo overleef je als filosoof het marxisme-leninisme na Stalin: je neemt het kleurboek van het XXste Congres en je waakt er vooral over dat je niet buiten de lijntjes kleurt.
De avond valt over de Ardennen. Ik klap het boek dicht. Het boek verkruimelt in mijn handen tot compost. Ik sluit het raam.
Ik ben vandaag niet langs de Lesse gaan wandelen. Peter Buwalda vindt dat niet erg: ‘Een goed boek is duizend maal interessanter dan de werkelijkheid. Ik weet nog dat ik in Egypte op vakantie was toen ik Sabbat’s Theater las van Philip Roth. Echt, die hele Nijl, daar kon je zo de stop uittrekken, die interesseerde me geen reet. Dat boek resoneert twintig jaar later nog na in mijn hoofd, er is niets dat ik in het echt heb meegemaakt dat daarmee is te vergelijken. Niets.’
Flor Vandekerckhove

Ik ben dit jaar 67 geworden en kom tot het besluit dat het leven kort is, veel te kort. Dit zijn de boeken die ik vandaag niet kunnen lezen heb: Susan Sontag, Under the Sign of Saturn, 1981, First Vintage Books Edition. / Georg Lukács, The Meaning of Contemporary Realism, London Merlin Press, 1962 (behalve de inleidingen en het voorwoord, want die heb ik zojuist besproken). / Peter Buwalda, Bonita Avenue, Amsterdam De Bezige Bij, 2010. / Peter Wohlleben, Het verborgen leven van bomen, Amsterdam A.W. Bruna Uitgevers, 2016.

zaterdag 16 april 2016

V-teken


Het V-teken is een handgebaar met veel betekenissen. Je kunt het gebruiken om de barman te tonen dat hij er twee mag tappen. In ’t geval van bovenstaande foto zou dat een indrukwekkende bestelling opgeleverd hebben. Zou dat hier het geval geweest zijn? De foto die ik onderaan dit stuk plaats, kan het ons laten vermoeden, want ze zijn daar ferme exports aan ‘t drinken.
Ik probeer de foto te duiden. Bovenaan kun je zien dat een aantal jongeren rolschaatsen draagt. Ik herken de plaats: het casino van Bredene, met zijn rolschaatspiste. Sommigen komen op beide foto’s voor en ze hebben ook dezelfde kleren aan, wat er kan op wijzen (maar niet noodzakelijk, want ik draag vandaag ook kleren waarmee ik tien jaar geleden al rondliep) dat de beelden dezelfde dag gemaakt werden. Maar in welk jaar?
Omdat we er mogen van uitgaan dat de fotograaf niet tegelijk de barman was, kan het V-teken ook wel iets anders betekenen. Ik herinner me dat het in de jaren zestig in protesten tegen de Vietnamoorlog gebruikt werd en dat de hippies er overdadig mee plachten te zwaaien. Maar hippies kun je de Bredense jongeren op die foto niet noemen.
Wellicht heeft hun V-teken met de Tweede Wereldoorlog te maken. Er staat geen datum op de achterkant van die foto, maar hij werd omtrent die oorlog gemaakt. Ervoor, tijdens of erna? Ik twijfel en ik ga u zeggen waarom.
Tijdens die oorlog hadden de Belgische uitzendingen van de BBC de Belgen opgeroepen om de letter V te gebruiken als een symbool van verzet tegen de Duitse bezetting. In ’t Frans stond die V voor Victoire en in ’t Nederlands voor Vrijheid, waardoor het symbool een taalkwestie wist te ontwijken. Enkele maanden later besloot de BBC de V, van Victory, te veralgemenen. De radio-uitzendingen begonnen met het morseteken voor V […—], vergezeld van de aanvangstonen van de vijfde symfonie van Beethoven, begintonen die overeenkomen met dat morseteken. De Britse eerste minister Winston Churchill begon meteen het V-teken met zijn vingers te maken. Ik heb er een fotootje van gezocht.
Is het dat teken dat die jonge mensen maken? Ik blijf twijfelen. Wie goed kijkt ziet dat er een verschil is tussen het teken van Churchill en dat van de Bredenaars. De Brit houdt zijn handpalm naar de toeschouwer gericht, de Bredenaars doen het met de rug van hun hand naar de fotograaf. Onbelangrijk is dat niet, want in de Wikipedia lees ik: Het V-teken met de rug van de hand naar iemand gericht wordt zeker in Engeland al lange tijd gezien als een belediging.’ Het is zoiets als je middenvinger naar iemand opsteken: fuck you! Vandaar dat Churchill het andersom doet, met de handpalm naar buiten.
Maken die jonge Bredenaars een fuck you teken? Neen toch. De vrolijk lachende gezichten spreken die interpretatie tegen. Ik denk dat ze zich niet bewust zijn van die kwalijke betekenis. 
Vieren ze de overwinning van de geallieerden? Dat zou uiteraard betekenen dat de foto na WO II gemaakt werd. Dan kan het nummer 10 Josée Boncket niet zijn, wat ik nochtans dacht te weten, want zij verliest het leven tijdens een bombardement in die oorlog. Of vieren ze, zoals Roland Vanmassenhove vermoedt, een andere overwinning, namelijk deze in een rolschaatswedstrijd? Was er op die piste een plaatselijke rolschaatsclub actief? Werden er snelheidswedstrijden georganiseerd? Van zo'n club heeft Roland Van Loo, zo laat hij weten, geen weet, wel weet hij dat er een hockeyclub geweest is en dat klopt, want ik herinner me dat mijn grootouders in een kot een oude hockeystick staan hadden, waarmee een van hun kinderen wellicht ooit in de weer was.
Werd de foto tijdens de oorlog gemaakt? Uiten die jonge Bredenaars op die manier zo openlijk hun verzet tegen de bezetter? En zijn ze zo stoutmoedig om dat ook nog eens op een foto te laten vastleggen? Laat me toe eraan te twijfelen, want zonder gevaar is dat in oorlogsomstandigheden wellicht niet. Daar tegenover staat dan weer dat jongeren in die tijd, net als nu, wel meer dingen doen die gevaarlijk zijn.
Werd de foto vóór de oorlog gemaakt? Waren de Bredenaars al met dat teken in de weer, lang voordat Churchill ermee ging lopen? Had Winston het van die Bredenaars afgekeken? Of had het V-teken toen in Bredene nóg een andere betekenis?
Ik denk dat we weer eens tante Alice moeten inschakelen om er meer over te weten te komen en vooral om de ontbrekende namen in te vullen. Want er vallen weer gaten te dichten. Voorlopig ziet de lijst er zo uit: 1=15 Georges Devriendt: 2 Jef De Craecker; 4 Kamiel Loontiens; 6 Marcel Vandekerckhove; 7 Hélène Devriendt; 8 Simone Vyncke; 9 Alice Vandekerckhove; 10 Josée Boncket (die tijdens een bombardement om het leven zou komen); 11 Elza Devriendt; 12 Camiel Vandekerckhove; 13 Jef Brys. 
Intussen is er ook al enige duidelijkheid betreffende het jaartal, want de onderste foto vermeldt, zo schrijft mijn nicht Nadine me, op de achterkant het jaar 1942. Roland Van Loo merkt op dat rechts op de onderste foto een stuk van het sanatorium te zien is; gebouw dat na de oorlog vernietigd was. Als de bovenste foto op 't zelfde moment gemaakt is dan dateert hij van tijdens WO II. 
Bovenstaand stukje schreef ik in april 2016. In juli vind ik evenwel een document dat een en ander verduidelijkt. Het betreft een doodsprentje van José Boncquet, de jonge vrouw die op de foto's het nummer 10 draagt. We weten dat deze vrouw tijdens de oorlog in een bombardement omgekomen is. Het prentje geeft bijzonderheden: José was de dochter van Gentiel Boncquet en Laura Tanghe. Ze werd geboren in Middelkerke op 16 juli 1924 en overleed op 29 augustus 1941 in het 'Hospitaal' in Brugge, 'in pijnlijke omstandigheden, ten gevolge van moordend oorlogstuig.' Geen van die twee foto's kan gemaakt zijn in 1942. Ze dateren ten laatste van augustus 1941.
Flor Vandekerckhove