zondag 30 maart 2014

Gratis boek


Op 12 februari 2013 plaatste ik in deze de blog een uitdaging. In dat stukje uitte ik het vaste voornemen om een autobiografisch boek te schrijven. De uitdaging bestond erin dat in één jaar tijd te doen.
Ik ben daar ook in geslaagd. Op 12 februari 2014 kon ik een punt zetten achter (een eerste versie van) dat boek. In 176 bladzijden had ik daarin verteld hoe ik mijn kinderjaren in Bredene ervaren had.
De werkelijkheid van die kinderjaren krijgt in dat boek uiteraard een literaire vorm; aan die werkelijkheid wordt verbeelding toegevoegd, waardoor er een spanning ontstaat tussen het imaginaire en het bestaande. De spanning tussen verbeelding en werkelijkheid is trouwens een van de centrale thema’s in dat boek (en wellicht staat die spanning ook wel centraal in heel de literatuur).
Ik heb die spanning verhoogd door achteraan een register te plaatsen: 180 namen. In die lijst worden alle reëel bestaande mensen die in het boek voorkomen vermeld en daartussen staan ook de verzonnen personages.
Het boek wordt gepubliceerd en verdeeld buiten de markt. De waarde ervan wordt derhalve niet in geld uitgedrukt. Het economisch principe dat bij deze uitgave gehanteerd wordt is niet dat van de winst, maar dat van de gift. Ik ben ook niet van plan om voor dit boek een uitgever te zoeken. Ik heb er een mooie PdF-versie van gemaakt die ik met plezier opstuur naar elkeen die erom vraagt. Gratis!
Ik kan dat doen, want ik heb inmiddels de pensioensgerechtigde leeftijd bereikt en ben derhalve onafhankelijk geworden van de markt, zowel van de arbeidsmarkt als van de boekenmarkt. Ik ervaar nu aan den lijve de vrijheid waarover Marx het heeft waar hij schrijft: ‘De eerste voorwaarde voor de vrijheid van drukpers bestaat hierin, dat zij niet langer een vak is.’
Er hangt ook een nadeel aan vast. Deze manier van werken schakelt helaas ook de service uit die een (goeie) uitgever wel biedt: hoe boek kan niet genieten van een professionele redacteur die de oneffenheden aanpakt die de auteur achtergelaten heeft. Ligt hier een taak voor de lezer weggelegd? Wellicht wel. Wie fouten of andere tekortkomingen in het boek ontdekt, mag ze me uiteraard laten weten. Ik zal daar zeker rekening mee houden, het boek eraan aanpassen en de betrokkene een nieuw, verbeterd exemplaar toesturen.
Zo. Indien u gratis een exemplaar van GAUW! toegestuurd wenst te krijgen, dan laat u me dat gewoon weten: florvandekerckhove@telenet.be

woensdag 19 maart 2014

Alles geht vorbei


Het café van Alida en de groentewinkel van Zoë zijn in het gat verdwenen.
We schrijven 15 maart 2014. In de Duinentraat van Bredene, op een steenworp van de Golfstraat, landinwaarts, ter hoogte van ‘t café van Alida en de groentewinkel van Zoë, recht tegenover de krantenwinkel van Paula, is een gat van wel twintig meter breed geslagen, misschien meer. Het café en de groentewinkel zijn in dat gat verdwenen en behoren nu voorgoed tot de herinnering. (*)
Vanuit de Duinenstraat kijk je door dat gat recht in de Prinses Marie-Josélaan. Rechts zie je het schooltje liggen in een nooit eerder gezien perspectief. Dat ook maar van korte duur zal zijn, want het gat wordt gauw weer bebouwd.
’t Is de vooruitgang meneer.
In de Duinenwijk vertaalt die vooruitgang zich als volgt. Telkens ik mijn fiets uit de berging haal blijkt ergens een huis afgebroken te zijn. Op die plek wordt vervolgens dag & nacht water uit de grond gepompt. Na enige tijd wordt dat lawaai overstemd door een werfradio waaruit even luide als afschuwelijke heu muziek klinkt, nooit Klara. ’s Avonds, altijd na zes uur, komen rijdende betonmolens dat radiogeluid naar de achtergrond brullen. Nooit voorheen ging vooruitgang met zoveel lawaai gepaard.
Naar Bredene-Dorp dan maar? Telkens ik naar ’t Dorp rijd, wordt daar een nieuw huis gebouwd. Waar eertijds de landman over de beemden heerste, staan nu eengezinswoningen. Het Dorp reikt daarmee tot aan de campingzone van de Duinen, waardoor beide wijken, eertijds door vruchtbare poldergrond van elkaar gescheiden, thans aaneengeklonken zijn.
Een vriendin die aan de rand van dat Dorp woonde, zag het met tegenzin gebeuren. Ze vond dat ik er iets tegen moest ondernemen. Dat vond ik ook. Hier lag een taak weggelegd, een engagement. En dus produceerde ik een naar vorm en inhoud perfecte haiku, een kleinood waartegen, zo zou je denken, projectontwikkelaars geen verweer hebben.
er liggen velden
aan de voorkant van het huis
en ook erachter
Het mocht niet baten. De verkavelaars waren daar niet vatbaar voor. Een wijle later lagen die velden daar niet meer, niet ervoor en niet erachter. Konijnen kozen het hazenpad, hazen het konijnenpad en de vriendin verkocht haar huis. De poëzie werd gesmoord in ’t geweld van de bouwsector. Het woord verloor het van de daad, de poëzie verloor het van het geldgewin.
Komt het daardoor dat ik nu geen haiku’s meer schrijf? Misschien wel, maar toch vooral omdat het genre me teveel aan Herman Van Rompuy laat denken. Ik heb er veel voor over, voor de literatuur, maar er zijn wel grenzen.
Flor Vandekerckhove

(*) Over het café schreef ik eerder Hoe de Ronde van Frankrijk eruit zag bij Alida: http://florsnieuweblog.blogspot.be/2012/07/hoe-de-ronde-van-frankrijk-eruit-zag.html.  
(*) Over de groentewinkel vindt u elders in de blog een stukje dat Sluipweg heet: http://florsnieuweblog.blogspot.be/2012/08/sluipweg.html
(*) Over Paula die de krantenwinkel uitbaatte, staat iets in het stuk Kroonwachtmeisjes: http://florsnieuweblog.blogspot.be/search/label/Wackerbout.

zondag 16 maart 2014

Moeilijke mensen


Vernon Richards
De politieke strekking die mijn denken & doen het meest bepaald heeft, het trotskisme, heeft een slechte naam, een zeer slechte naam. Veelal is dat onterecht, zo heb ik mogen ondervinden, soms ook niet.
Trotskisten heten kommaneukers te zijn, ruziestokers die het eigen gelijk op al het bestaande laten primeren, zelfs als dat eigen gelijk zich na de komma bevindt. Ja, dat is wel waar. Trotskisten zijn, laat ons zeggen, moeilijke mensen. Dat is altijd zo geweest en dat is, zo stel ik vast, ook vandaag nog het geval. Ik heb daar al een stukje over geschreven. (*)
Of het elders zoveel beter is, valt nog te bezien. Ik ben ook wel in andere politieke middens actief geweest, zij het kort. En ook daar heb ik vooral moeilijke mensen ontmoet. Vandaar trouwens dat mijn verblijf in die andere middens kort was, zeer kort.
Daar moest ik weer aan denken toen ik compost aan ’t verzamelen was voor een stukje over de anarchiste Marie-Louise Bernini. (**) Zij was getrouwd met Vernon Richards (Vero Recchioni, 1915 – 2001), eveneens een bekende anarchist. 
Die echtgenoot, die heel zijn leven op een voorbeeldige manier voor zijn ideeën geijverd heeft, kan ook wel een moeilijke mens genoemd worden. Dat mag al blijken uit het feit dat hij gaandeweg gebrouilleerd geraakte met degenen die hij in de jaren veertig wel degelijk tot samenwerking geïnspireerd had (Sansom, Hewetson, George Woodcock). Tegen de tijd dat die mensen het tijdelijke met het eeuwige verwisselden was geen van hen nog ‘on speaking terms’ met Richards. Zij waren, aldus Richards, gezwicht voor kapitalistische waarden die hij was blijven bestrijden.
Dat kan misschien wel zijn, maar de ruzie zal niet van één kant gekomen zijn. Dat is duidelijk ook het geval wanneer Richards in ruzie valt met Albert Meltzer (1920-1996), een ander boegbeeld van het anarchisme en ongetwijfeld eveneens een moeilijke mens.
Meltzer verzette zich tegen wat hij de opendeurpolitiek van het anarchisme noemde.  Hij was de mening toegedaan dat niet iedereen die zich op dat anarchisme beriep zo maar op diens woord geloofd diende te worden. Hij kantte zich tegen wat hij een vrijetijdsanarchisme noemde. Richards was erdoor in zijn gat gebeten. De vete zou die twee overleven en de anarchistische beweging in Groot-Brittannië tot vandaag middendoor splijten.
En zoals dat steeds gaat in zo’n gevallen: er zijn wel degelijk politieke meningsverschillen, maar een territoriumstrijd is het eveneens. (Zowel Meltzer als Richards beheerden een uitgeverijtje en een boekwinkeltje.) Het gaat over politieke keuzes, maar er is ook wel testosteron in ’t spel. (Beiden zouden verliefd geweest zijn op dezelfde vrouw.)
Albert Meltzer
In de lente van 1996 werd Albert Meltzer in Londen begraven. Richards vond het opportuun om de overledene in zijn blad Freedom als volgt te herdenken: ‘I believe that for the past 30 years he did more harm than good and his libellous autobiography condemns him for all time’.  Veel verwezenlijkingen van Meltzer noemt hij nonsens en wanneer Meltzer het in die autobiografie (***) heeft over wat hij in Spanje zou gepresteerd hebben dan is Richards ‘bursting [his] sides with laughter’.
Naar ’s mans begrafenis zal hij wel niet geweest zijn. Spijtig, want ook dat was een soort billenkletser. In The Independent van 26 mei 1996 stond daarover een verslag dat ik u niet wil onthouden: 
In suburban Lewisham the curious sight of Meltzer's funeral cortege had the net-curtains twitching. First came a glass carriage drawn by two black horses with a jazz band, which played quirky, jokey versions of music- hall classics. Behind, the procession of mourners had all the appearance of a political demonstration: standard bearers holding anarchist flags against the wind, people of all ages dressed in uniform black and red, children zipped into buggies next to Spanish and German veterans recalling the barricades. The band drew the residents of Lewisham out of their front-doors and the sight of 200 anarchists kept them on the garden path. Blue-rinsed women at bus-stops in the town centre watched open-mouthed.’
Moeilijke mensen of niet, we blijven lachen.
Flor Vandekerckhove

(***) Albert Meltzer, ‘I Couldn’t Paint Golden Angels’. 386 bladzijden. AK Press.

zaterdag 15 maart 2014

Verliefd


Marie-Louise Bernini (1918-1949).
’t Mag vijftien jaar geleden zijn, minstens, maar ik heb nog altijd moeite om het toe te geven: ooit ben ik verliefd geworden op een foto. Dat was in Londen, in de Freedom Bookshop, een winkel gespecialiseerd in anarchistische literatuur. Ik had daar essays gekocht van Charlotte Wilson (*) en een werk van Vernon Richards, Lessons of the Spanish Revolution, een klassieker. Ik schafte me er ook een boek aan met stukjes die Marie-Louise Bernini geschreven had. (**) Vooraan in die bundel, Neighter East Nor West, stond een foto van de auteur. Op die foto werd ik verliefd.
Nu zal ik de laatste zijn om te beweren dat anarchisten met een kassei in de hand afgebeeld moeten worden, of met een bom. Maar het beeld dat we daar van Marie-Louise Bernini te zien krijgen, is maar moeizaam met het anarchisme te rijmen. Toch niet met het anarchisme dat ik in de hoogdagen van de antiglobalisering heb leren kennen.
We zien een mooie, goed verzorgde vrouw die glimlachend opkijkt van het schrijfwerk. Links op tafel staat een kopje. Thee wellicht. Rechts: bloem in vaas. Alles straalt rustige ernst en huiselijkheid uit. Dit had het beeld kunnen zijn van een jonge doctoranda, gespecialiseerd in de polyfonie van de 14de eeuw.
En nochtans. Marie-Louise Bernini was een stamboomanarchiste. Haar vader, Camillo, was een Italiaanse anarchist die in 1926 zijn thuis moest verlaten omdat Mussolini hem anders wel te grazen had genomen. Met zijn gezin vluchtte hij het land uit en kwam daarbij zowat overal in Europa terecht. In 1936 trok hij naar Spanje om tegen Franco te vechten. Tijdens de meidagen van 1937 werd hij daar door de stalinisten vermoord. Ook Marie-Louises moeder en haar jongere zuster waren activisten. Wanneer de anarchisten na WO II voor het eerst weer een grote internationale bijeenkomst hielden, was Marie-Louise in Parijs als afgevaardigde van de Britse anarchisten. Daar ontmoette ze haar moeder die er door de Italiaanse anarchisten naartoe gestuurd was en haar zuster die er deel uitmaakte van de Franse delegatie. Ik bedoel maar: die mooie, rustige, goed verzorgde vrouw die we op de foto zien, had wel een en ander meegemaakt.
We weten dat de foto gemaakt werd door Vernon Richards. Deze Vernon, die eigenlijk Vero Recchioni heette, was niet alleen een anarchist, publicist en uitgever, maar ook een goede fotograaf. Hij was bovendien de man van Marie-Louise.
Vernon Richards heeft zijn vrouw liefdevol gefotografeerd, zo’n compositie liegt niet. Op die foto kijkt Bernini ook met liefde naar de fotograaf, dat liegt evenmin. Verklaart dat waarom een willekeurige toeschouwer op dat beeld verliefd kan worden? Wellicht wel, want haar liefdevolle blik wordt uiteraard ook door de kijker opgevangen. 
Blijf jij daar onbewogen bij? Ik niet. Zeker niet omdat ik ook het vervolg ken. Marie-Louise Bernini sterft op 13 april 1949 in het kraambed. Ze is nauwelijks 31. Het kind overleeft het evenmin.
Flor Vandekerckhove

(*) http://florsnieuweblog.blogspot.be/2012/03/een-muf-riekend-spoor-van-charlotte.html
(**) Marie-Louise Bernini. Neighther East Nor West. Selected Writings 1939-1944. 192 ps. Freedom Press, London. 1988.

vrijdag 14 maart 2014

Reuzensprong


Neil Armstrong: ‘That's one small step for [a] man, one giant leap for mankind.’
Ik herinner me nog goed wat ik aan ’t doen was toen de Russen in 1956 Hongarije binnenvielen. Ik heb er ten bewijze een kort verhaal over geschreven. (*) Ik weet nog waar ik me bevond toen de spoetnikhond Laika in 1957 de ruimte ingestuurd werd. Ook dat momentum leverde een stukje op. (**) Tot vandaag heb ik ook onthouden wat ik aan ’t doen was toen Armstrong op 21 juli 1969 op de maan voet aan wal zette. Laat het me je vertellen.
Het was zomer, we waren jong en dus aan ’t feesten, Michael, Neil, Buzz en ik. Na de obligate kroegentocht waren we in dancing Cosmo aan de toog blijven plakken. Veel volk, want 21 juli is aan de kust het absolute toppunt van het zomerseizoen.  We wierpen benevelde blikken naar de meiden die zich uitdagend rond de dansvloer ophielden. Dansen wilden wij echter niet, want straks werd de maanlanding op de TV uitgezonden. Neils ouders waren ’t land uit en hij had het huis vrij. Daar zouden we, zo hadden we afgesproken, die uitzending bekijken. Daar was het nu nog een beetje te vroeg voor. We hadden nog een uurtje vol te maken.
Terwijl dat uur vorderde werd mijn lonkende blik opgevangen door een wondermooie Walin die me stoutmoedig in de ogen keek. En keek. En bleef kijken.
Ik was twintig en had daartegen geen verweer. Maanlanding of niet, ik schoof voorzichtig in haar richting op, tot wanneer de feromonen het helemaal overnamen en ik haar, tegen de televisieafspraken in, toch ten dans vroeg. Ik werd daarin geholpen door Tom Jones die de hit Love Me Tonight inzette met de toepasselijke zin: I know that it's late and I really must leave you alone. Als uitnodiging voor een vluggerdje valt er geen betere openingstekst te bedenken.
Om een lang verhaal kort te maken: ik nam de mooie Walin met me mee naar het huis van Neil. (Yes I know that our love is too new, but I promise it's going to be true.) 
Terwijl Michael en Buzz zich daar in de sofa nestelden en Neil de televisie scherp stelde, zocht mijn ondernemende Walin een geschikte kamer uit op de bovenverdieping. Terwijl de song van Tom Jones door mijn hoofd bleef spoken, volgde ik in haar spoor: ‘Please let me stay and don't you send me away, oh no, no.
In de slaapkamer van Neils ouders gingen we helemaal uit de bol, mijn Walin en ik. Zij bleek er heel bedreven in te zijn en ik liet het initiatief helemaal aan haar over, want ik was maagd, het was mijn eerste keer en ik moest uiteraard nog alles leren. Ik leerde daar bijvoorbeeld een pak Franse woorden die ik nooit eerder gehoord had (en die ik later, vreemd genoeg, ook niet in het woordenboek kon vinden).
Lang duurde het allemaal niet, want ik moest, zoals gezegd, nog alles leren. Net op het ogenblik dat Neil riep: ‘Vlug, kom vlug naar beneden, jullie missen de maanlanding. Kom!’… kwam ik klaar. Wat Armstrong daar verder op het scherm ook over gezegd mag hebben, voor de mensheid was dat maar een kleine stap, maar voor mij was ’t een reuzensprong.
Flor Vandekerckhove

dinsdag 11 maart 2014

Stem een trotskist in ’t parlement!


Voor de jongeren: links van Trotski staat Stalin.
Het was donker, koud en nat. De wind geselde mijn wezen. Ik stond te bibberen voor de poort. Ik was erheen gestuurd door het partijtje waarmee ik me geaffilieerd had. In mijn tas zat een stapel vlugschriften. Tien meter verder stond nóg iemand. Eveneens met vlugschriften. Ook hij was daar naartoe gestuurd, maar door een ander partijtje. Terwijl we beiden wachtten tot de nachtploeg de fabriek zou binnentrekken, rookte hij een sigaret. Ik ging naar hem toe om er een te bietsen, maar hij antwoordde kordaat: ‘Gij krijgt geen sigaret, gij zijt een vuile trotskist.’ 
Ik weer weg.
Echt meegemaakt, meer dan veertig jaar geleden. Deze oude koe uit de linkse gracht neemt u mee naar de fanatieke groepjes die uit de gebeurtenissen van mei 68 ontsproten zijn. Ik verwelkom u daarmee tegelijk in de verbazingwekkende wereld van stalinisten en trotskisten.
Ook ik was op zoek gegaan naar een club om mijn jeugdige dadendrang te botvieren en het partijtje waarin ik terechtgekomen was leek me daar zeer geschikt voor. Dat het trotskisten betrof was een bijkomstigheid, want ik was een simpele jongen uit West-Vlaanderen die van toeten noch blazen wist.
De mens die me een sigaret geweigerd had daarentegen, was een stalinist. Zelf begreep ik uit dat incident dat wij bij die stalinisten niet geliefd waren.
Niet alleen bij de stalinisten trouwens. Gaandeweg ondervond ik dat niemand van trotskisten hield. We werden gelijkelijk veracht ter linker- en ter rechterzijde. Anarchisten snoven laaghartig als ze ons ontwaarden, socialisten smeten ons buiten en fascisten staken onze lokalen in de fik. Niemand hield van ons, zelfs de trotskisten zelve niet, want die waren ook nog eens verdeeld in vijandige kampen als daar zijn pablisten, morenisten, lambertisten en nog andere rare tisten.
Ik begreep daar eerlijk gezegd niet veel van, en nog minder dat sommige trotskisten ons, ook trotskisten dus, verweten géén trotskist te zijn! Dat vond ik merkwaardig, want waarom zouden we valselijk een etiket claimen waar niemand van hield?
Gaandeweg leerde ik bij. Ik las een boek waarin onomstotelijk bewezen werd dat Trotski met de nazi’s gecollaboreerd had en daarna las ik een boek waarin onomstotelijk bewezen werd dat die bewering onzin was. Ik las de tekst van een club die glashelder aantoonde dat mijn partijtje heimelijk stokken in de wielen van de revolutie stak. Waarna een andere mij leerde dat mijn partijtje geen oog had voor het dagdagelijkse lot van de werkman omdat het met die stokken juist de revolutie aanzwengelde. Sommigen verweten ons dat we verkeerde thema’s naar voor schoven, terwijl anderen ons verweten dat we voor dezelfde thema’s geen oog hadden. Ik begreep uiteindelijk wel dat al dat gehakketak deel uitmaakte van de cultuur van die groepjes, en dat je je daar best niet al te druk om maakte. Je kunt van Cercle zijn of van Club, als er maar gevoetbald wordt. (Zei ik al dat ik uit West-Vlaanderen kom?)
In tegenstelling tot wat u op de foto boven ziet, staat Stalin hier rechts van Trotski.
Ook anderen hebben dat inmiddels wel begrepen. Want kijk, bij de eerstvolgende verkiezingen komt er een partij op die gegroeid is uit dat stalinisme en op die lijst ontwaar ik voorwaar makkers die ik uit het trotskisme ken. Werken die twee nu toch wel samen zeker!
Dat trotskisme ken ik inmiddels goed genoeg om te weten dat die samenwerking niet door alle trotskisten gesmaakt wordt. En jawel, minstens één heeft zich inmiddels afgescheurd omdat, zo toont hij overtuigend aan, de anderen de erfenis van Trotski verkwanselen.
Terwijl ik dat zo’n beetje aan ’t uitpluizen was, stootte ik op een blog die met brio het omgekeerde bewijst. (*) Ene Nico toont daarin overtuigend aan dat de stalinisten… trotskisten geworden zijn. Allemaal! Ook dr. Kris Merckx, ook partijleider Peter Mertens! Allemaal, uitgezonderd Nico.
Nico heeft op zijn blog een fotootje geplaatst. Hoe langer ik naar die foto kijk, hoe meer ik er de man in herken die me veertig jaar geleden, aan de poort van die fabriek, een sigaret geweigerd heeft!
Eindelijk, Nico, kan ik wraak nemen. Ik zal voor de PVDA+ stemmen, een lijst die boordevol trotskisten staat. Eindelijk kan er weer eens een trotskist in ’t parlement gestemd worden, Peter Mertens bijvoorbeeld. 
Tenslotte, Nico, — ook niet onbelangrijk — wens ik u mee te delen dat ik inmiddels opgehouden ben met roken. En ik verhoop van u hetzelfde.
Flor Vandekerckhove

(*) http://culturalrevolutionstart.blogspot.be/

zondag 9 maart 2014

Winnaar (verhalen uit het Sparrenbos 4)


Mijn ploeg, Groene Leeuw, had niet zo’n goede renners. En zelf was ik daar de slechtste van. Daardoor komt het dat ik al vlug weggepromoveerd werd: ik werd ploegleider. Zonder al teveel verwachtingen keek ik uit naar wat mijn kopmannen, Ivan Demulder en Freddy Decabooter, ervan zouden bakken. Niets dus. 
Oudere wielerfanaten zullen Demulder aan de Tour de France koppelen, maar mijn Ivan was helaas geen ronderenner. En wie bij Decabooter aan een sprinter denkt, moet weten dat mijn Freddy in die discipline kansloos was.
Toch heeft Freddy Decabooter een koers gewonnen, een bergrit. In die overwinning heeft Ivan Demulder een belangrijke rol gespeeld en, zo mag ik daaraan toevoegen, ook het tactisch inzicht van de ploegleider is daarbij van belang geweest.
De rit ging over het duin dat hier Sparrenbos heet. De eindmeet hadden we getrokken in de straat die, op ’t einde van dat duin, de Koninklijke Baan met de Kapelstraat verbindt. De bergrit ging van start ter hoogte van Frisco, u welbekend uit een verhaal dat ik eerder al in deze blog gepubliceerd heb.
Aan de koers namen nog andere ploegen deel. Er was Carpano waarvan Lucien Van Aerde de kopman was, en Faema met te duchten renners als Ivan Van Looy en zijn meesterknecht Erik Sorgeloos; er waren nog andere ploegen, maar daarvan ben ik de naam vergeten en er was tenslotte ook een restgroep van renners zonder contract die we bij de Duinensprinters ondergebracht hadden: Koenraad, Jeepee, Johny, Patrick… De lijst is verre van volledig, maar het betreft een zootje dat nog slechter was dan mijn groene leeuwen. Sommigen hadden zelfs geen fiets, zoals Roland, of ze moesten hem onder broers delen, zoals Jan en Paul.
De paden in het Sparrenbos zijn nauw. De renners moesten zich bij de start per twee opstellen. Daar had ik tactisch op ingespeeld door Freddy Decabooter en Ivan Demulder in alle vroegte de eerste plaatsen te laten innemen. Decabooter kreeg als opdracht zo rap mogelijk te rijden, wat logisch lijkt, maar het tactische vernuft zat elders: Demulder zou zich in zijn wiel plaatsen en al zigzaggend beletten dat andere renners hem konden passeren.
Zelf was ik de renners voorgereden — Rodaniaaaa — en vanaf een duintop sloeg ik het wedstrijdverloop gaande. Freddy Decabooter kweet zich voorbeeldig van zijn taak. Met een hoofd dat, rood van de inspanning, van verre op een pompoen leek, smeet hij zich in het Sparrenbos. Hij trapte en trapte alsof het een langgerekte sprint was. Achter hem deed Ivan Demulder valselijk alsof hij alle moeite had om zijn stuur recht te houden en er ontstond meteen een kloof.
Met doodsverachting smeet Freddy Decabooter zich uiteindelijk het grootste duin af, stekerecht in de diepte die we als de duivelsput kenden. Hij deed het zo vlug dat ik het ergste vreesde, maar als bij wonder bleef hij recht. Na dat duin was het wel op, en met lood in de schoenen alsmede met verzuurde kuiten liet Freddy Decabooter zich tot aan de eindstreep uitbollen. Ver achter hem hoorde ik gevloek en tandengeknars van degenen die tevergeefs probeerden voorbij een zowel zwalkende als zwalpende Ivan Demulder te geraken. Freddy Decabooter won zijn eerste en enige wedstrijd.
Ik herinner me dat ik aan de meet stond te juichen en riep: ‘Freddyke, Freddyke wa doede nu?’ Een ongecontroleerde uitroep van vreugde die later, zij het in een licht gewijzigde versie (*), bekend geraakt is door de sportreporter Michel Wuyts.  Maar ik was eerst.
Flor Vandekerckhove

(*) Tommeke, Tommeke, wa doede nu?

zaterdag 1 maart 2014

Lijsternest (interludium 2)


Stijn Streuvels in het Lijsternest.
Eigenlijk zou ik een gevierd schrijver van korte stukjes moeten zijn, zoals mijn held A.L. Snijders er een is. In de brievenbus zou ik dan een uitnodiging vinden om een wijle in het Lijsternest te resideren, ten huize van Stijn Streuvels, net zoals de grote Snijders dat op de Angora Hoeve van Henriette Roland Holst gedaan heeft.
Ik zou daar over de beemden uitkijken, een beetje zoals ik hier nu ook al doe, en korte stukjes schrijven zoals dit. ’s Middags zou ik de fiets — misschien wel de gerestaureerde velo van Stijn zelve — uit de berging halen en ermee naar de Aldi rijden, zoals Snijders dat gedaan heeft, maar dan op zijn eigen fiets en naar de Albert Heijn. En daarna zou ik weer een stukje schrijven zoals dit. ’s Avonds zou ik, naast de haard gezeten, zo’n stukje, de inkt nog vers — printerinkt wellicht — voorlezen aan cultuurtoeristen, en naar huis verlangen, naar mijn gewone stek bij het raam, van waaruit ik over het dierenpark van camping Duinzicht kijk, waar de dingen, naar het woord van de jonge Nyk de Vries, gebeuren omdat ze rijmen.
Kijk, ’t is weeral van dat. Ik herinner me opeens dat ik wel degelijk, en meer dan eens, in het huis van Streuvels geslapen heb. Niet in zijn Lijsternest natuurlijk, want daar slaap je niet, daar resideer je, maar in de bakkerij in Avelgem, waar de schrijver voor de klanten gewoon Frank heette, net zoals de zoon van de bakker die er woonde toen ik daar sliep. 
Die bakker is zeven jaar lang mijn schoonvader geweest. In de winkel hing een opschrift: Hier schreef, bakte en kakte Stijn Streuvels. Nyk de Vries zou daar zeker een stukje over geschreven hebben, en A.L. Snijders ook. En ik, mocht ik een gevierd schrijver zijn, zo een die uitgenodigd wordt om een wijle in het Lijsternest te resideren, eveneens.
Flor Vandekerckhove