maandag 24 september 2018

Ik heb geen vrienden

— In de hoogste kringen noemen ze me wel eens maatje, maar ik blijf majesteit zeggen, ik hou afstand. [Op de foto: Elisabeth II van het Verenigd Koninkrijk (links) en ik.] —  

In de krant lees ik dat iemand een app ontwikkeld heeft die leert hoe je vrienden kunt maken, want: ‘Je leert eigenlijk niet echt hoe je dat doet als volwassene.’
Dat is nu echt wel het laatste wat ik me wil aanschaffen, denk ik, terwijl ik het blad omsla. En terwijl ik dat aan ’t doen ben beslis ik om een dwarsliggend stukje aan de vriendschap te wijden.
Verleden jaar heb ik een citaat gesprokkeld dat me daarbij van pas komt. Het komt uit de mond van Katelijne Boon, presentatrice van de Koningin Elisabethwedstrijd. Ze vertelt over de tijd waarin ze zwaar ziek was: ‘Ik heb beseft hoe belangrijk de zorg van een verpleegkundige is.’ Ja, dat begrijp ik. Daarna zegt ze: ‘Of de tijd die vrienden voor je maken.’ Er volgt een voorbeeld. ‘Bij het presenteren van De tuin van Eden op Klara gaf Bart Stouten subtiel boodschappen voor me door. Dat zijn dingen die je niet vergeet.’
Dat zo’n soort Stouten me in mijn miserie subtiele boodschappen zou doorgeven, dat is voor mij echt een nachtmerrie. Als ik ziek ben, verwacht ik ook wel boodschappen, maar dan van iemand die voor mij naar de Colruyt gaat. Voor de rest verwacht ik verpleging, ik verwacht een dokter, ik verwacht iemand die de boel opkuist, maar ik verwacht geen vrienden, en hun subtiele boodschappen nog minder.
Kijk, ’t zit zo. Ik stort mijn hart niet uit en verwacht ook niet dat een ander dat bij mij doet. Als ik uit eten ga dan doe ik dat bij voorkeur niet bij jou thuis en verwacht maar niet dat ik jou uitnodig om bij mij thuis te komen eten. Ik zie je graag, maar uitsluitend van op afstand. Samengevat: ik heb geen talent voor vriendschap.
Ik sta daar niet alleen in, ik verkeer in goed gezelschap. Dat leert me het citaat waarmee ik dit stukje afsluit: ‘Ik wil niet bemind worden! (…) Vriendinnen of vrienden heb ik nooit echt gehad, dat moet ik eerlijk toegeven. Het zit gewoon niet in mij om mijn hart uit te storten. (lacht) Ik ben min of meer asociaal, in die zin dat ik dagen alleen kan doorbrengen. We zijn ook geen koppel dat dinertjes geeft. We zijn geen netwerkers. We hebben daar geen behoefte aan.’ Ik lees het op 4 juni in De Morgen, het is Christine Van Broeckhoven die het daar zegt. En zo denk ik er ook over, wat niet wil zeggen dat Van Broeckhoven daarom een vriendin van me is hé.

Flor Vandekerckhove

zaterdag 22 september 2018

Marc Van Middelem: alive & kicking

Mij ga je niet gauw op reünies tegenkomen. Maar godver, dit doe ik toch wel graag: een spoor opdelven dat naar een kennis uit lang verleden dagen leidt. 
Soms loopt zo’n spoor dood. Dat lijkt ’t geval te worden voor wat betreft José Decramer, aka Sokètje. Mijn zoektocht naar Patrick Van Molle liep zelfs dood aan diens voordeur in ’t Brusselse. Maar meestal leidt het naar een goed gesprek, zoals met Jean-Pierre Casier. Of met Dina Martein, Wilfried Laforce, Marc Cromphout, René Deweert, Jean-Pierre Boentges, Jan Decreton, Georges Verleene en Noël Denys. Of naar trieste verhalen, omdat de protagonisten overleden zijn, zoals Marcel Van Paemel en Jacques Chandler. Soms voert het ons naar nevenverhalen, zoals naar de passie die leraar Alfons Vandenbussche op latere leeftijd ontwikkelt voor het maken van films, of naar verhalen over de toneelstukjes die we in onze jeugd opgevoerd hebben (Erik Poppe en Rob Tas). Het spoor leidt naar interesses die we indertijd gemeen hadden, met Yvon Kermarrec bijvoorbeeld, of naar herinneringen aan gemeenschappelijke doelstellingen, zoals met Eric Corijn. Soms leidt het zelfs naar een stukje over vaders, bijvoorbeeld over deze van Bernard Vanneuville en die van Werner Verbiest. En een enkele keer gebeurt ook het omgekeerde: iemand volgt een spoor dat bij mij uitkomt, dat is wat Gerdje Noels gedaan heeft, en ook dat heeft een mooi stukje opgeleverd.
— Marc Van Middelem (rechts) en Flor Vandekerckhove,
op 2 juni in Oostende. —

Vandaag neem ik je mee naar Marc Van Middelem, waarmee ik ooit de schoolbanken gedeeld heb. Wie wil weten welke dat juist waren moet hier maar eens op drukken. Marc vind je er onder het nummer 20.
Daarna zien we elkaar niet meer, een kwarteeuw lang. Als ik hem in de vroege jaren negentig toch weer ontmoet is dat in Oostende, in ‘t Kroegske, waar journalisten, dichters en andere verworpenen der aarde elkaar, onder het vaderlijke oog van Iwein Scheer, broederlijk op de rug slaan.
Van Middelem heeft in die dagen een dwarse kijk op ’t leven. Dat hij stevig sigaretten rokend door ’t leven gaat belet hem bijvoorbeeld niet om de Tien kilometer van Brussel te lopen. Die dwarse kijk komt ook tot uiting in zijn fotografie. Ik herinner me een foto die hij van de Bredense burgemeester Willy Vanhooren maakt. De socialisten zijn van naam veranderd en de partij heet vanaf dan sp.a. Voor een grapje is Willy altijd wel te vinden. Marc fotografeert de burgemeester naakt, een fles bronwater van het merk Spa bedekt zedig ‘s mans geslacht. ‘t Is een stunt, een persiflage op een bestaande reclame van het watermerk, de foto haalt de nationale pers. (Ik formuleer dit alles onder voorbehoud, want via mijn herinneringen aan de jeugd van Freddy Buffel heb ik mijn geheugen wel ferm leren wantrouwen.)
Dan volgt er weer een lange periode waarin ik Van Middelem niet zie. Hoe het zich in mijn geheugen nestelt weet ik niet, maar lange tijd denk ik dat hij overleden is. Op de schoolfoto’s plaats ik een (†) achter zijn naam.
In 2017 krijg ik een mail uit het hiernamaals, dat in Mariakerke bij Gent blijkt te liggen: Doe het kruisteken achter mijn naam maar weg, ben nog springlevend. Marc’. Hij kan natuurlijk zeggen hij wil, denk ik eerst nog, maar wanneer Iwein Scheer met de kunstenares Renée Lodewijckx trouwt, teken ik op het trouwfeest present om er mijn lange verhaal Ananas voor te lezen, een herinnering aan de betogingen die destijds steevast in Iweins Kroegske uitmondden. Onder de genodigden herken ik meteen Marc Van Middelem. En zoals je ’t op de foto ziet: hij is wel degelijk alive & kicking!

Flor Vandekerckhove

donderdag 20 september 2018

De man die zijn haar kort liet knippen

In ’t doorgaan had ik de mooie Marokkaanse werkeloos in de kappersstoel zien zitten en in ’t terugkeren vroeg ik haar of ze me wilde knippen. De jongeman, die achteraan naar de Wereldbeker voetbal zat te kijken, had ik in ’t doorgaan niet opgemerkt.
Er kwamen nog mannen binnen. Waardoor de situatie er in de spiegel opeens als volgt uitzag: vijf Marokkaanse mannen met alt right haarsnit, een mooie Marokkaanse en ik.
Zij wilde weten waar mijn scheiding lag — die lag al ver in het verleden, maar dat zei ik niet — en of ik een glas water wou. Ik vroeg haar om vijf centimeter weg te knippen. Ze zei me hoe mijn coupe heette. Daarna zei ze nog dingen die ik nooit eerder gehoord had, want het Oostends van de nieuwe Oostendenaars is niet helemaal gelijk aan dat van de oude.
De mannen keken Wereldbeker, een van hen keek nors naar haar, ik keek naar haar schaar en zij keek naar mijn haar. Glimlachend zei ze dat ze het professioneel ging aanpakken en ze zei dat zo nadrukkelijk dat ik eraan begon te twijfelen of ze wel een coiffeuse was. Tegelijk dacht ik aan een slagzin die me in ’t leven al veel geholpen had: geen paniek, het is toch te laat.
Toen ze ermee klaar was zag ik dat het meeviel. En ’t bleek ook stukken goedkoper te zijn dan wat blonde godinnen me ervoor aanrekenen. Afrekenen deed ik met de nors kijkende man. Haar gaf ik een fooi. Ze zei dat ik terug moest komen. De norse man zei niets.
’s Avonds zat ik naast mijn vriendin die niet eens opmerkte dat ik geknipt was. Wat drie dingen kon betekenen. Of ’t was goed gedaan, want niets valt zo erg op als een slechte haarsnit, of de tijd dat mijn vriendin me met aandacht placht te bekijken is voorbij. Of beide.

Flor Vandekerckhove

dinsdag 18 september 2018

Tien cafés die me getekend hebben

1. Kiosk — Na de afrit kom je in een anachronisme terecht. Mensen, in overjaarse kledij, bewegen zich haastig voort, op weg naar huizen die de oorlog overleefd hebben. Rond het centrale Kerkplein liggen de kroegen en een ervan is mijn stamcafé. Het is er niet om aan te zien, maar de drank is spotgoedkoop. Ik geniet er van onbeperkt krediet, want ik ben de enige klant met een betrekking. En voor vijfhonderd frank — niet eens dertien euro — gaan de vrouwen er met je naar bed. Je moet ze zelfs een beetje afremmen, want voor ’t zelfde geld zweren ze je eeuwig trouw.


2. Tijl — De Tijl is al een bruine kroeg nog voor het begrip geijkt wordt. Bruine banken doen aan far west treinen denken, zwartgerookte fresco’s verwijzen naar een Vlaams verleden dat nooit bestaan heeft, Tijl & Nele. In die tijd speel ik chapeau, een variant op poker, en hoe meer ik drink hoe meer ik verlies. Wat maakt dat ik na afloop nooit mijn consumpties kan betalen. Dat doe ik later wel in natura. Uit mijn vaders winkel pik ik voldoende gebraden kippen mee om in de Tijl mijn schuld te vereffenen. Na een pokeravond eet iedereen daar kip aan ’t spit.


3. Cap Horn — Ik struikel binnen. Het café zit barstensvol. Het is me meteen duidelijk dat ik daar niet gewenst ben. Iedereen staat in stilte naar mij kijken. In ’t midden staat een man gekleed — nauwelijks gekleed — in lingerie. Ik wil alweer weggaan, maar daarvoor is het nu te laat. Achter me gaat de deur op slot. De sfeer is grimmig. Links van de bar zie ik een grote bel hangen. Ik trek aan de koord, het geluid vult heel de gelagzaal: tournée générale! Niemand lacht, niemand beweegt, niemand spreekt. Op de toog liggen lijntjes coke. Ik vraag of ze ook pils hebben.


4. Alida Elke zondagavond om zes uur teken ik in het café present. Ik ben twaalf. Norbert Olders en Robert Willaert zijn er ook. Het ruikt er naar bier en bruine zeep. Een indrukwekkend buizenstelsel verbindt de stoof met de schoorsteen. Alleen wanneer wielerclub De Duinensprinters de dienst uitmaakt, zijn er meer dan twee tafels bezet. Daar zitten de kaarters, oude mannen met boerenpetten op. Niemand verheft de stem, er is geen muziek. Je kunt het schoffelen van de kaarten horen, een flesje dat ontkurkt wordt, een rochel die iemand ophoest. Dan gaat Car 54 where are you? van start, ons feuilleton.

5. Keetje — Aan de wanden hangen realistische schilderijen. In de jukebox zit Je ne regrette rien van Piaf. Er is Duvel. De waard Eddy wordt geassisteerd door iemand die we onterecht kleine Eddy noemen. Alle mannen hebben baarden, alle vrouwen dragen rolkraagtruien. Ik maak er mijn stamcafé van. Wie me vinden wil moet me daar zoeken. Dat doet ook JP uit Bredene, die me daar komt opzoeken. Toevallig ben ik er niet aanwezig. De waard speelt kaart terwijl hij rechtstaat. Eddy ziet hem rondkijken en wil weten wie hij zoekt. Zegt JP: ‘Ik zoek iemand met een baard.’ Twintig vingers gaan omhoog.

6. Veegeetje — In 1991 publiceert uitgeverij Manga mijn eerste verhalenbundel. Een van die verhalen wordt geïnspireerd door het Oostendse visserscafé Veegeetje. Daarin omschrijf ik het café als volgt: ‘Het was een zwart café, een café zonder naam, midden op de kaai, maar daar wel weggestoken achter een winkeltje. Je komt er maar binnen nadat je een garagepoort opent en daarna een koertje oversteekt. Niemand weet van het bestaan ervan, behalve enige honderden vissers, enkele tientallen vislossers, enige smeden, lassers en nettenbreiers.’ Nu, meer dan een kwarteeuw later, sluit het café. Ik ga er wel nooit, maar ik ga ’t toch wel missen.


7. Vispit — De privéclub ligt op de Oostendse Oosthelling en heet Le Club. Wij zeggen de Vispit, omdat er onder de glazen dansvloer een verlicht aquarium gebouwd werd. Wie aanbelt wordt eerst in een spionnetje gekeurd. Dan pas gaat de deur open. Of niet. Ik ken de uitbater. Meer zelfs, mijn naam staat in de lijst van de beheerders. De consumpties kosten overdadig veel geld. Iedereen drinkt whisky, champagne, ingewikkelde cocktails… Zelf drink ik pils. Als ik een rondje geef doet de waard teken aan zijn barman dat al die dure consumpties mij niet meer dan pils mogen kosten. Solidariteit tussen dronkaards.

8. Antigone — Ik probeer de locatie op Google Streetview te traceren, maar het lukt me niet. In mijn herinnering ligt het café in Kortrijk dicht bij de theaterzaal Antigone. Ik herinner me dat de theaterdirecteur er vaste klant is, men zegt: minnaar van de waardin. Zelf sleep ik daar veel volk naartoe, zoveel zelfs dat ik er gratis consumeer, het hoogst bereikbare voor een drinker. De laatste keer dat ik er geweest ben heeft de dochter des huizes me uitgeleide gedaan. Onderweg bedrijven we de liefde in het natte gras. ’s Anderendaags besef ik dat de waardin me haar dochter aangeboden heeft.


9. Artiest —Wanneer de slager, rechtover de kroeg, aan zijn dagtaak begint, staan wij nog aan de toog. Het levert een vreemde confrontatie van blikken op die elkaar kruisen. In mijn jaszak: On the road van Jack Kerouac, een schrijver met een in drank gedrenkt leven. Over die Kerouac zegt Auke Hulst in een voetnoot: ‘Maar de drank is ook wat hem beetje bij beetje vermoordde; zijn lichaam, zijn geest, de schrijver in hem. Ik arresteer u wegens verval, zei een agent hem ooit. De drank knaagde van binnenuit gaten in Jacks weke voertuig.’ De slager rechtover de deur werkt haastig voort.


10. Onvindbaar — Al dat drinken heeft nergens toe geleid. Verdwalen, ontsporen, ontaarden, verloren lopen, de weg verliezen. Dat is wat letterlijk in me opkomt als ik aan die tijd terugdenk. Zoals aan die keer dat ik een café bezoek waarvan de naam voor eeuwig in alcohol verloren gegaan is. Daar leer ik woefkes drinken, jenever met sinaasappelsap, een moordende mix voorwaar. Op een keer, na ’t verlaten van die kroeg, besef ik dat ik mijn jas vergeten ben. Ik keer op mijn stappen terug om die jas te halen… en ik vind die niet weer, de jas niet, en evenmin de kroeg.

[Naar de inhoud zijn bovenstaande stukjes vignetten, korte impressionistische tafereeltjes die een beeld schetsen van een bepaald moment in een bepaalde plaats. Bedoeling van zo’n vignet is een scherp beeld te geven van personage en omgeving. Qua vorm zijn het drabbles, een Engels woord dat via de bende achter Monty Python een literaire betekenis gekregen heeft. De Birmingham University SF Society is vervolgens met de term aan de haal gegaan en ordonneert dat een drabble altijd honderd woorden lang is, niet 99, niet 101, exact honderd, titel niet inbegrepen. Een drabble is bijgevolg een extreem kort handpalmverhaal, in bovenstaand geval een vignet, dat aan die strenge honderd woorden regel voldoet. (Flor Vandekerckhove)]

zondag 16 september 2018

Vader is er niet (meer)

— Twee vaders: Hugo Brandt Corstius (links) en Ton Hulst. —
Hét vaderboek der vaderboeken, dat van Karl Ove Knausgård, ga ik nooit lezen, wegens te lang voor het korte leven dat me rest. Wel heb ik onlangs twee andere vaderboeken gelezen, hele mooie trouwens, een van Jelle Brandt Corstius (°) en een van Auke Hulst. (°°)  
Die twee boeken hebben veel gemeen. Het zijn reisverhalen en memoires tegelijk en in beide proberen de auteurs te achterhalen welke man hun vader was. Er is ook een groot verschil, Aukes vader is lang geleden overleden, die van Jelle sterft kort voor de zoon het boek begint te schrijven.
Jelle Brandt Corstius leest Vader van Karl Ove Knausgård, terwijl hij vanuit Amsterdam helemaal naar de Middellandse Zee fietst om daar een beetje as van zijn overleden vader Hugo te verstrooien: Knausgård werkt intussen verslavend. Meestal vecht ik tegen mijn slaap om het hoofdstuk uit te lezen. Het minutieus beschrijven van zijn leven is hypnotiserend. Zijn vader blijkt ook een hoop te verzinnen, Knausgård weet nooit wat hij kan geloven.’
Bij Auke Hulst is dat niet anders: ‘Hoe kan ik de feiten en de sterke verhalen nog ontvlechten? En ‘t geldt evengoed ten huize Brandt Corstius: ‘Zo kon hij mij alles wijsmaken; zoals “Ik zat ooit bij de Black Panthers” of “Ik belandde ooit in de gevangenis omdat ik met zwarten vooraan in de bus ging zitten”. (…) Later ging ik natuurlijk wel twijfelen aan al deze mededelingen. (…) Toen ik een abonnement op The New York Times nam, kreeg ik er toegang tot het archief bij. Zonder erbij na te denken tikte ik de zoekterm “Brandt Corstius” in. Er kwam één resultaat uit. Een artikel van 1 september 1961 met de kop ‘DUTCH WRITER FREED — New Orleans judge drops charges in rare incident.’ Bleek dat hij was opgepakt toen hij met Afro-Amerikanen voor in de bus was gaan zitten.’
Vaders mogen rechts (Ton Hulst) dan wel links (Hugo Brandt Corstius) zijn, het zijn moeilijke mensen. Auke Hulst: ‘Hij sliep vier uur per nacht. Mensen hielden van hem en hadden ruzie met hem. Hij dronk teveel (…) hij rookte, twee pakjes per dag, Caballero zonder filter. Hij werkte te hard en was er bijna nooit. (…) Hij was bezig zichzelf uit te drukken als een sigaret.’
— Twee zonen: Jelle Brandt Corstius (links) en Auke Hulst. —
Jelle is zoon van de bekende Hugo Brandt Corstius, maar ook Aukes vader, Ton Hulst, genoot enige bekendheid. Hij maakte radio, had een talkshow, gaf een eigen krantje uit. ‘Diplomatiek was hij allerminst. (…) De directie wilde hem ontslaan, waarop vader zijn zendtijd misbruikte om een hartgrondig “Ton Hulst moet blijven!” de ether in te slingeren. Toen de directie die faux-pas tegen hem wilde gebruiken bij de rechtsgang, bleek de bewijslast te zijn vernietigd. Moeder, die als RONO-receptioniste de taak had programma’s te archiveren, had de band ontvreemd, en getweeën hadden ze de opname ritueel verbrand in een kuil.’
En dan die van Jelle: Jarenlang had hij een polemiek met van Gogh gehad die steeds smeriger werd. Van Gogh had ons telefoonnummer in de krant gezet, waardoor we steeds door gekken werden gebeld. Hij had geschreven dat mijn vader het met mijn zussen deed. Dat zijn de dingen die ik me herinner.’ Ronduit smerig van die van Gogh, maar daarna staat er: ‘Ik maakte me geen illusies, mijn vader was vast geen haar beter.’ 
Ook Pim Fortuyn mocht zich in de toorn van Jelles vader verheugen. Wanneer de zoon verneemt dat Fortuyn vermoord werd, rent hij naar zijn vader: ‘Mijn vader was half in slaap. “Fortuyn is doodgeschoten!” schreeuwde ik. “Ik heb een alibi!” riep hij triomfantelijk terug, en hij lachte luid om zijn eigen, kostelijke grap.’
Flor Vandekerckhove


° Jelle Brandt Corstius. As in tas. Das Mag uitgevers. 2016. 152 pp. 
°° Auke Hulst. Motel Songs. Ambo/Anthos A’dam. 2017. 290 pp. Over dat boek heb ik hier eerder al iets gepubliceerd. Misschien is dit wel de geschikte plaats om een citaat te plaatsten uit Buitenwereld, binnenzee, een ander boek van Auke Hulst. In een voetnoot staat daar: 'Vaderloosheid is een terugkerend thema bij reizigers. De eerste zin van het oorspronkelijke manuscript van On The Road luidt: 'I first met Neal not long after my father died…' en in de laatste zin schrijft Kerouac over 'Old Neal Cassady the father we never found'. Ook ik ben vaderloos — Ton Hulst overleed in 1983, 43 jaar oud, twee dagen voor mijn achtste verjaardag.'

vrijdag 14 september 2018

’t Kan wreed waaien op de kaaien (5)

Molfiet De ambulance slipt en stopt in ‘t midden van het kruispunt. Niet tot stilstand komt de draagberrie waarop de molfiet ligt vastgesnoerd. De achterdeur schokt open. De brancard schuift uit de wagen. De chauffeur ziet hoe de draagberrie op zijn weg een oud vrouwtje omver rijdt. De chauffeur springt uit de auto, legt de aangereden vrouw vlug bovenop de molfiet, schuift de brancard weer in de ambulance en rijdt met loeiende sirenes naar de spoed. Doordat het vrouwtje òp hem ligt krijgt de koude molfiet het weer warm, wat zijn herstel erg bespoedigt. Het vrouwtje daarentegen sterft van de emoties.



OsschaertWe moeten beslag op zijn vangsten leggen’ zeggen de schuldeisers tegen hun advocaat. Dus probeert hij om de visserij van de Concordia in kaart te brengen. Dat gaat moeizaam, omdat het reilen en zeilen van dat schip omfloerst wordt door een nevel van spookverhalen over een vaartuig dat, gejaagd door de winst, ten eeuwigen dage op zee rondwaart, aangevuurd door een vervloekte kapitein die naar de naam Osschaert luistert en ongrijpbaar lijkt. Dat ziet er niet goed uit voor de advocaat, want in ’t contract dat hij met de schuldeisers opgemaakt heeft staat klaar en duidelijk: geen buit, geen fluit.  


DickLange Dick kwam regelmatig haar tank bijvullen, want hij was haar brandstofleverancier. Dat ging als volgt. Nadat hij De Weeuwe genomen had liep hij tien keer al die trappen op en af, telkens goed voor vijf verdiepingen, met aan elke arm een jerrycan; opwaarts waren ‘t volle, de trap afgaand waren ‘t lege. Echt mannenwerk. Na afloop offreerde De Weeuwe de bezwete Dick ter afkoeling een deugddoend glas en terwijl de twee een kort gesprek voerden, vergoedde ze hem voor bewezen diensten. Daarna trok Dick weer verder, misschien wel naar een andere weduwe, maar dat waren uiteraard haar zaken niet.


[Bovenstaande verhalen vinden hun oorsprong in ‘vissersverhalen’ die ik in 2015-16 geschreven heb. Die schenken me geen voldoening meer. Al lang zoek ik naar een manier om ze te herschrijven. Die manier heb ik nu gevonden in wat in ’t Engels a drabble heet, een verhaal van exact honderd woorden, niet meer, niet minder.]

Flor Vandekerckhove

woensdag 12 september 2018

Het Visserijblad leeft !

Weet ik wel dat ik in de krant sta? Neen, dat weet ik niet. Geen nood, het knipsel zal in mijn bus vallen. In afwachting kan ik ’t al bekijken op de site van Het Laatste Nieuws. En ja, daar ontwaar ik mijn beeltenis, geflankeerd door deze van Filip De Bodt (midden) en Jo Clauwaert (met hoody).
Het artikel brengt verslag uit van een persconferentie. Teken ik daar present? Neen, want in die dagen ruil ik het ruisen van de zee in voor het kabbelen van een bergriviertje, en het geschreeuw van meeuwen voor het typische polifinario van de kroet.
Hoe kom ik dan op die foto terecht? Wel, ik zal ’t u zeggen.
Van 1988 tot 2013 struikel ik door ’t leven als uitgever-redacteur van Het Visserijblad, een merkwaardig tijdschrift waarvan u hier de geschiedenis kunt nalezen. In 2013 ga ik met pensioen. De titel stel ik ter beschikking van elkeen die het maandblad in dezelfde geest wil voortzetten.
Er is op dat moment maar weinig kans dat zoiets ook gebeurt, al is het maar omdat de Vlaamse visserij daarvoor veel te klein geworden is.
Toch is er nog enige continuïteit. Ten eerste haal ik de column uit het blad weg, De Laatste Vuurtorenwachter. Ik maak er de u inmiddels welbekende blog van. Daarnaast maak ik nóg een weblog. Die heet Het VOORLAATSTE! Visserijblad: ‘In afwachting dat iemand de titel overneemt houdt deze blog een oogje in het visserijzeil’. En last but not least zijn er de oud-medewerkers Filip De Bodt en Jo Clauwaert die van geen ophouden weten. Jaarlijks blijven ze, geruggensteund door de vzw Climaxi, een papieren editie van Het Visserijblad produceren, nu al voor de vierde keer.
De persconferentie waarnaar Het Laatste Nieuws verwijst gaat over weer zo’n nieuw nummer. Daar staan wel enkele verhalen van mij in, maar voor de rest heb ik er niets mee te maken. Dat ik toch op die foto sta komt doordat ik dat tijdschrift een kwarteeuw lang gedragen heb, iets wat blijkbaar nog niet vergeten is. Of, waarschijnlijker, doordat Het Laatste Nieuws het niet nodig vindt een nieuwe foto te betalen als er nog een oude in de schuif ligt.
Hoe dan ook, wie het meest recente Visserijblad thuisgestuurd wil krijgen, laat dat als de weerlicht weten aan filip@climaxi.be. Hem kennende zal hij daar meteen gevolg aan geven.
Zelf mijmer ik nu verder over de zegeningen van de pensioengerechtigde leeftijd en over oude mensen, de dingen die voorbijgaan.

Flor Vandekerckhove

maandag 10 september 2018

Ooit was ik een man met een vergunning


Het stond onlangs in de krant: Stropers roven golfbrekers kaal. Op die strandhoofden groeien mosselen en er zijn mensen die met emmers vol huiswaarts keren. Mag niet, want wie zonder vergunning mosselen plukt doet aan stroperij.
Zelf heb ik het nog maar zelden gezien. Toen ik een knaap was heb ik een scheepje zien ankeren nabij zo’n strandhoofd. Er werd een sloep te water gelaten, waarmee mannen tot vlak bij de golfbreker voeren. Daar schepten ze de sloep vol.
Veel later heb ik zelf in zo’n sloep gezeten. M’n maat Mong Ruysschaert had in Brouwershaven een caravan staan en hij ging in het Grevelingenmeer mosselen scheppen, gewoon in z’n blootje, gewoon met de schop. Je zag de schelpen zo op de bodem liggen. Twee keer scheppen en je had avondeten voor vier.
’t Is lang geleden dat ik van Mong nog iets vernomen heb. Hopelijk heeft hij daar geen vergiftiging opgelopen. 
Hier, vlakbij Oostende, zou ik het niet durven te wagen. Mosselen filteren immers het water. Hoe dichter zo’n strandhoofd bij de haven ligt hoe meer vuil zo’n beest verwerkt. In zo’n schelp blijven pcb’s en schadelijke bacteriën achter.
In 1998-99 had ik dat nochtans wel mogen doen. Toen had ik een verlofkaart op zak, uitgereikt door ing. Dirk Vitse. De mosselen moesten eetbaar zijn, minstens 3,5 cm lang en geplukt worden op werkdagen tussen zonsopgang en –ondergang ’t Was me wel verboden om de ‘beballaststenen’ om te keren, als ik dat al gekund had.
Neen, die vergunning heb ik nooit gebruikt. Voor mij is 't een heerlijk document dat juist omwille van zijn nutteloosheid de moeite van ’t bewaren waard blijft.

Flor Vandekerckhove

P.S.: Dirk Vitse heeft me na publicatie van dit stukje een en ander verduidelijkt: ‘De reden waarom er mosselkaarten gegeven werden was dat de Hollanders mosselzaad kwamen stelen van onze strandhoofden. Dit zaad werd dan uitgezet in de Oosterschelde. Nu halen ze het zaad in de Waddenzee, maar ook daartegen bestaat weerstand.'

zaterdag 8 september 2018

Alle dagen nieuwe woorden


— De natte droom van Dries Van Langenhove. Dit beeld zou wel eens een meme (spreek uit miem) kunnen worden. —

Haast alle dagen leer ik nieuwe woorden kennen. Vandaag zijn dat onder meer politoeren en landvalling. Het eerste staat in Memoires van een biograaf van Onno Blom. Politoeren is schoonwrijven. Landvalling, mijn tweede nieuwe woord, is niet een verkoudheid die je op de akkers krijgt. Landvalling is het omgekeerde van afvaart. Het komt van Joseph Conrad: ‘Landvalling en afvaart markeren de cadans en de koers van een schip. Van wal naar wal gaan, beknopter kan men het aardse lot van een schip niet beschrijven.’
In de Woordenlijst van de Taalunie vraag ik landvalling op. De site vraagt zich af of ik me niet vergis: ‘Bedoelde u misschien tandvulling?’ Dat denk ik niet, neen.
Ik sta in een lift waarin een tweetalig plaatje zegt waarheen ik moet bellen mocht die lift onderweg blijven steken. In ’t Frans heeft men het over dépannage en in ’t Nederlands over ontstoring. Ontstoring is nieuw voor mij. ‘t Is blijkbaar ook nieuw voor het groene boekje, want daarin wordt het niet vermeld. Toch een mooi woord: ontstoring.
Sinds ik de reportage over de fascisten van Schild & Vrienden gezien heb, mag ik ook meme (spreek uit miem) aan mijn woordenschat toevoegen. In combinatie met ontstoring geeft dat: Sinds we de memes van Schild & Vrienden kennen is de N-VA aan een diepgaande ontstoring toe.

Flor Vandekerckhove

vrijdag 7 september 2018

Kunstenaar Bob Dylan

— Bob Dylan en Immanuel Kant (rechts) —
Bob Dylan is een beroepsmuzikant en een singer-songwriter, maar is hij ook een kunstenaar? De eerste die het zich afvraagt is vader Zimmerman en in die vraagstelling wordt hij later gevolgd door vele anderen.
Filosoof Theodore Gracyk formuleert een antwoord. (°) Dat dateert van lang geleden, maar sinds 2016, jaar waarin de Nobelprijs voor literatuur aan Dylan toegekend wordt, is de kwestie weer actueel geworden.
Om de vraag te beantwoorden, moet je uiteraard weten wat kunst is. Niet eenvoudig! Gracyk telt achtentwintig verschillende definities. Hij concentreert zich op drie ervan: de expressietheorie, het formalisme en Kants theorie van het genie.
De expressie-theorie legt de nadruk op authenticiteit, eerlijkheid, emotie, en minder op schoonheid. Gracyk rekent Dylancritici als Clinton Heylin, Paul Williams en Marcus Greil tot die strekking. Telkens Dylan erin slaagt de gemoedstoestand van een generatie uit te drukken mag Dylan een groot kunstenaar genoemd worden. Minder geslaagd zijn dan, althans volgens deze theorie, het album Self Portrait met veel covers van pop- en folksongs, en een song als Lily, Rosemary, and the Jack of Hearts, nochtans een bijzonder mooi verhaal, maar zoals gezegd: ‘mooi’ is geen punt in de expressie-theorie.
Formalisme daarentegen interesseert zich niet aan gemoedstoestanden en emoties. Kunst overstijgt immers leven & streven van de maker, alsook van de wereld waarin die leeft en het onderwerp waarover hij het heeft. Het formalisme buigt zich over de structuur van het kunstobject. Critici die zich vooral op de teksten van Dylan concentreren zijn, zegt Gracyc, veelal formalisten. Hij vermeldt Christopher Ricks in Dylan’s Visions of Sin en Michael Gray in zijn boek Song and Dance Man.
Kants theorie van het genie ten slotte stelt dat kunstenaars een idee uitdrukken. Wanneer ze dat gekunsteld doen dan zijn het amateurs, wie ’t op geniale wijze klaarspeelt, is een kunstenaar.
Gekunsteld is Dylan in zijn beginjaren. In Talkin’ New York en Song to Woody blijft hij te dicht bij zijn inspiratiebron, vooral Woody Guthrie. Geniaal wordt Dylan wanneer hij die bronnen overstijgt: ‘Het artistieke genie transformeert een bestaande traditie door er een onvoorspelbare originaliteit aan toe te voegen. Een succesvol werk stimuleert de verbeelding van het publiek om zich “te verspreiden over een veelheid van verwante voorstellingen.” Zodat het werk rijk is aan associaties, maar niet kan worden ingekapseld in één concept of één omschrijving. Kortom, genie vereist een natuurlijk talent voor het uiten van “onuitsprekelijke” ideeën, via het spel van de verbeelding.’ (°°)
Gracyk geeft een voorbeeld. Dylans Slow Train put uit wel het vat van de christelijke deugdzaamheid, maar de metafoor van de trein laat zoveel associaties toe dat het de song verheft boven een intimiderende boodschap à la dien de Heer! Dat Dylan een kunstenaar is blijkt, volgens Kants theorie, hieruit: diens songs hebben niet voor elke luisteraar dezelfde betekenis en bij elke nieuwe vertolking roepen ze weer andere associaties op. Mooi voorbeeld daarvan, vind ikzelf, is Desolation Row, song die sterke associaties oproept met Ensor. Daarover heb het al eerder gehad in Dylan ontmoet Ensor in Oostende.
Flor Vandekerckhove

(°) Theodore Gracyk. When I Paint My Masterpiece. What Sort of Artist Is Bob Dylan. In Bob Dylan and Philosophy. Ed. Peter Vernezze and Carl J. Porter. 2005. Uitg. Open Court. 225 p. 
(°°) ‘The artistic genius transforms an existing tradition through an infusion of unpredictable originality. A successful work prompts the audience’s imagination “to spread over a multitude of kindred presentations.” So that the work is rich in associations but cannot be encapsulated under just one concept or under one paraphrase. In short, genius requires a natural talent for expressing “ineffable” ideas through the play of imagination.’