woensdag 26 juli 2017

Zo oud als de straat


In Bredene loop ik door de Duinenstraat. Hij bestond al toen ik een kind was en hij bestaat vandaag nog steeds. Opeens houd ik halt en vraag me af: hoe oud is die straat eigenlijk?
Zo oud als de straat is een uitdrukking. Hij staat voor verschrikkelijk oud. Is de Duinenstraat verschrikkelijk oud of is hij slechts gewoon oud?
Wat we weten is dit: de Duinenstraat is niet als straat begonnen, maar als dijk. Raoul Eeckhout (°) heeft een lyrische inleiding nodig om het ontstaan van die dijk te beschrijven: ‘Zeer lang heeft het geduurd vooraleer de Noordzee in haar rusteloze twist-dans de kuststreek, zoals wij die nu kennen, uit haar elastische schoot schudde, en terdege hebben, in dichterbij gelegen eeuwen, verscheidene mensengeneraties eraan gewroet en gekneed om haar naar hun gading te krijgen.’
Tiende en elfde eeuw brachten ‘eens te meer overstromingen. (…) Deze keer stelden de inwoners zich te weer en werden de eerste grote dijken ontworpen. Deze dijken die vertikaal op de kustlijn werden gebouwd, zijn kennelijk aangelegd om de bedreigde bewoonde gebieden tegen het zeewater te beschermen.’
Zijdeling is de naam van de dijk die ons hier interesseert. Hij moet de achterliggende nederzetting beschermen: ‘Het is op deze dijk dat de huidige Duinenstraat, Sluizenstraat en Oudenburgsteenweg liggen.’
Ik weet niet of je die dijk al vanaf de start een straat mag noemen. Als dat het geval is dan is zo oud als de straat hier: sinds de middeleeuwen, en da’s dan inderdaad verschrikkelijk oud. Maar misschien is de dijk gedurende eeuwen een talud gebleven en wordt hij pas een straat wanneer er huizen op/naast gebouwd worden.
Architect Erwin Mahieu heeft me erop gewezen dat de eerste huizen in de Duinenstraat niet parallel aan maar dwars op de dijk staan. Vandaag zijn daarvan nog altijd enkele voorbeelden te zien, maar niet veel meer; dit jaar is er alweer een afgebroken. Binnenkort zullen er geen meer resten. Zou iemand ze geïnventariseerd hebben?
In zijn concreetheid kennen we de Duinenstraat als een fenomeen van lintbebouwing. Wie van de duinen naar het dorp trekt doet dat via een lange huizenrij. Ik ga op zoek naar het begin ervan.
De oudste foto die ik vind dateert van vlak voor de Eerste Wereldoorlog. (°°) We bevinden ons op de hoek die gevormd wordt door Kapel(le)straat-Driftweg en Duinenstraat. De straathoeken zijn op dat moment nog onbebouwd.
De rechtse straathoek wordt ingepalmd door tennisvelden van het chique Grand Hotel de l’Espérance dat achter die hoek, in de Driftweg, ligt. De tennisvelden zijn met gaas afgebakend. Aan die kant kunnen we maar één gebouw zien staan: de garage van dat hotel.
De linkerhoek, waar in 1923 hotel Helvetia komt te staan, ligt braak. Achter de hoek staan twee huizen. Het eerste is de kruidenierszaak In den anker. Dat huis is niet zo oud als de straat, want het wordt in 1913 voor Alfred Constandt gebouwd. Maar het is wel ouder dan de bestrating, want kasseien komen er in de Duinenstraat pas in 1936. Achter de winkel ligt een onbebouwd stuk en dan volgt de herberg van Hypoliet Decuyper; misschien is dat gebouw wel ouder. Het zijn hoe dan ook de eerste ondernemingen van de Duinenstraat die een graantje proberen mee te pikken van het ontluikende toerisme.
Waarna er op de foto, langs de lange rij lantaarnpalen, alleen nog polders te zien zijn. Als ik de loupe neem en mijn ogen tot spleetjes knijp, zie ik, in de verte, één, twee, misschien wel drie gebouwtjes. De afstand kan ik niet inschatten.
Zie ik in de verte zo’n ‘dwars op de dijk gebouwde’ huizen staan? En zijn die zo oud als de straat?
Flor Vandekerckhove

(°) R. Eekhout, Zoeklicht op Bredene, 1968.  
(°°) E. Mahieu & F. Huygebaert, 100 jaar Bredene aan Zee in beeld, 2001.

maandag 24 juli 2017

Schrijver zoekt toondichter


Wanneer de avond valt en tegelijk de regen, vraagt een mens zich al eens af of er van zijn verhalen een lied te maken valt. En via ’t internet werpt hij een visje uit, dat, naar hij hoopt, bij een toondichter terechtkomt die in de beslotenheid zijner woonkamer enthousiast uitroept: ‘Wel zeker, hier valt een bijzonder mooi lied van te maken.’ Waarna die mens zich meteen achter het klavier zet.
In ’t Nederlands klinken de openingszinnen van dat visje — mijn eerste Vlaamse liedtekst in het lichtere genre — alzo:  In ‘t jaar voorwaar, dat vreemde jaar / Waarin haast niets meer mocht / Was hij toch nog op zoek gegaan / Naar tgene wat hij zocht.
In ’t Engels — want ik heb dat visje ook al in ’t Engels uitgeworpen — luidt het enigszins anders. Dat komt doordat ik daar andere uitvoerders voor ogen heb. In het Engels sprekende gedeelte van de wereld zie ik mijn songs gezongen worden door een soort Dubliners: Oh, all tobacco shops were closed /The year the law forbade to smoke / ‘t Was hard to find a cigarette / ‘Cause smokes were worth their weight in gold.
De Nederlandse tekst zou dan weer, vind ik, goed liggen in de mond van Drs. P.: In ‘t deurgat stond een weduwe / Op ’t venster stond haar naam / De zoon had haar op straat gezet / En voor haar stond een kraam.
In Dublin is er geen sprake van een kraam, maar van een clandestiene dealer, maar in beide gevallen gaat het om zware tabak van de onvolprezen weduwe van Nelle: His dealer sold him heavy stuff / The kind you’d like so much to puff.
Die dealer maakt van de schaarste gebruik om daar overmatig veel geld voor te vragen, maar ook aan het Nederlandse kraam is de klant de pineut: Betalen deed hij veel te veel / Voor ’t laatste pak van ’t land / Van Nelle stak haar geld snel weg / En de tabak in zijn hand. // Dat komt doordat ’t verboden is, / Zei ze, en hij moest gaan / Dat is het laatste pak zei ze, / Daarna is het gedaan.
Waarna we de gebruiker, in beide talen, volgen naar een plek waar hij rustig kan genieten van zijn aanschaf: Hij trok ermee naar ’t kerkhof / Ging zitten op een bank / En rolde daar zijn vloeitje / En zei daarbij: goddank.
De Laatste zou evenwel geen Vuurtorenwachter zijn, mocht het lied geen moraal meekrijgen: roken is slecht voor de gezondheid! De held krijgt een attaque: In his chest he felt a pain / Went down on the graveyard ground / The fag fell down, out of his mouth / Straight in the dirty shirt he wore.
Met als gevolg dat hij helemaal in de fik schiet: De peuk viel uit zijn mond / en stak zijn hemd in brand / Nu lag hij daar te branden / En dat was heel gênant.
In ’t Engels komen er vervolgens welbepaalde derden aan te pas: His wife went out to find her man / So did his child and the police. In ’t Nederlands is er geen sprake van vrouwmensen, flikken of nageslacht, maar het resultaat is ‘t zelfde: Men zocht hem hier, men zocht hem daar / Men zocht hem in heel ’t land / Hem vinden echter deed men niet / Hij was heel opgebrand.
Beide liedteksten zijn gebaseerd op het verhaal Een roker in rook opgegaan, dat ik in 2011 gepubliceerd heb. De volledige Engelse songtekst — weliswaar in een Engels waarvan we in West-Vlaanderen zeggen dat er haar op staat — vind je daar. De volledige Nederlandstalige liedtekst plaats ik hieronder, want wijlen mijn ex-schoonvader zei altijd: je weet nooit hoe een koe een haas vangt. (Zelden werd de uitdrukking ‘een waarheid als een koe’ meer recht gedaan.)

De laatste roker
(songtekst)

In ‘t jaar voorwaar, dat vreemde jaar
Waarin haast niets meer mocht
Was hij toch nog op zoek gegaan
Naar tgene wat hij zocht.

Hij zocht het hier, hij zocht het daar
Hij zocht het overal
En vond opeens een winkeltje
‘t was bijna niemendal.

In ‘t deurgat stond een weduwe
Op ’t venster stond haar naam
De zoon had haar op straat gezet
En voor haar stond een kraam.

Maar wat hij zocht en vond hij niet
Geen shag dus ook geen drum
Geen Malboro geen Lucky Strike
Dat zag hij niet lig-gun.

Betalen deed hij veel te veel
Voor ’t laatste pak van ’t land
Van Nelle stak het geld snel weg
En de tabak in zijn hand.

Dat komt doordat ’t verboden is,
Zei ze, en hij moest gaan
Dat is het laatste pak zei ze
Daarna is het gedaan.

Hij trok ermee naar ’t kerkhof
Ging zitten op een bank
En rolde daar zijn vloeitje
En zei daarbij: goddank.

Daar op die bank genoot hij
Ten volle van de smaak
De weduwe van Nelle
Haar shag was altijd raak.

Dat kon niet blijven duren zo
Opeens was er die pijn
Een mens denkt dit, een mens denkt dat
’t Zal een attaque zijn.

De peuk viel uit zijn mond
en stak zijn hemd in brand
Nu lag hij daar te branden
En dat was heel gênant.

Edoch, lang duren deed dat niet
En da’s toch interessant
En tegen ‘t ochtendgloren ja,
Was hij heel opgebrand.

Men zocht hem hier, men zocht hem daar
Men zocht hem in heel ‘t land
Hem vinden echter deed men niet
Hij was heel opgebrand.
© Flor Vandekerckhove

zondag 23 juli 2017

James Baldwin legt de vraag bloot die het antwoord verbergt

In 1979 begint de Amerikaanse schrijver James Baldwin (1924-1987) aan een tekst te werken. In Remember this House wil hij zijn herinneringen neerschrijven aan Martin Luther King (†1968), Malcolm X (†1965) en Medgar Evers (†1963), zwarte activisten die in de U.S.A. vermoord werden. Het boek geraakt niet af.
Filmmaker Raoul Peck zorgt er nu voor dat Baldwins project toch gerealiseerd wordt. Hij maakt een documentaire over Martin Luther King, Malcolm X en Medgar Evers. En daar voegt hij James Baldwin aan toe. Dat laatste doet hij op twee manieren. Enerzijds wordt de schrijver een van de vier belichte personages, anderzijds horen we hoe acteur Samuel Jackson Baldwins onafgewerkte tekst voorleest.
De film is spitsvondig. Peck bouwt als het ware verder aan de tekst die Baldwin niet afgekregen heeft. We krijgen niet alleen de heftige taferelen van vroeger te zien, beelden die Baldwin voor ogen had toen hij zijn tekst schreef, toestanden die hij in die tekst vermeldt. Peck koppelt dat nu aan het hedendaagse black lives matter protest, waardoor de film demonstreert dat de actualiteit in het verlengde van dat verleden staat: de strijd gaat door.
Ik zal niet de enige zijn die na het zien van de film op zoek gaat naar James Baldwin, een naam die nog bekend in de oren klinkt, maar waar we voor de rest niet veel meer van weten.
Hier vind je een goede bespreking van de film. Maar op ’t internet vind ik ook The Creative Process, een essay uit 1962 dat Baldwin in zijn bundel The Price of the Ticket opneemt. In dat essay heeft hij het over de rol van de kunstenaar in de maatschappij. Ik streep een opvallende passage aan en hoop dat ik die mooi vertaald krijg.
‘De kunstenaar onderscheidt zich van alle andere verantwoordelijke actoren in de maatschappij - politici, wetgevers, opvoeders en wetenschappers - door dat hij zijn eigen proefbuis is, zijn eigen laboratorium, waarin hij hoe dan ook volgens zeer strikte regels werkt. (…)  De maatschappij mag sommige dingen voor waar aannemen; maar de kunstenaar moet altijd weten dat er onder de zichtbare dingen iets anders schuilt en dat alles wat we doen daarop steunt. Een maatschappij moet ervan uitgaan dat er stabiliteit heerst, maar de kunstenaar moet weten, en hij moet ons laten weten, dat er onder de hemel niets stabiel is. Men kan geen school bouwen, een kind onderwijzen of een auto rijden zonder dat men een en ander als vanzelfsprekend beschouwt. De kunstenaar daarentegen kan en moet niets als vanzelfsprekend aanvaarden (…) hij moet de vraag blootleggen die het antwoord verbergt.’
Flor Vandekerckhove

I’m Not Your Negro. 2016. USA, Frankrijk, België. Regie Raoul Peck (Haïti).  95 min.



donderdag 20 juli 2017

Laatste avondmaal in Casino-Duinhof

— In 1958 begon de Vlaamse charmezanger Henk De Bruin het casino van Bredene uit te baten. Hij noemde het Casino-Duinhof. — 

Naast mij zat een IJslandvaarder die nog met Hugo Claus gedobbeld had toen die negentien was en in Oostende op het hoogste verdiep van het Hotel de Londres sliep. Terwijl hij zijn vlees aan stukken reet zei hij: ‘De eindtijd is aangebroken.’ En met zijn tanden trok hij nog een stuk varken uit de homp.
De visser uitte op die manier wat wij allemaal wisten: het casino van Bredene had zijn beste tijd gehad. En nu Henk De Bruin er ook de brui aan gaf…
Koelkasten, voorraadkamers, kelders en opbergrekken van het etablissement waren leeggehaald en al wat daar stond was klaargemaakt en op tafel gezet. Frieten en kroketten. Bergen gekookte aardappelen en vlees van soorten. Mayonaise à volonté. Kazen, taarten, soep en borrelhapjes; alles door elkaar. Ik liet mijn blik over de tafel glijden. In de verte zag ik ook sla staan en da’s — zo dacht ik meteen, maar waar haalde ik het? — gezond om te eten, er zijn veel bekende atleten die enkel leven van sla. Bovendien was er ook knolraap & lof, schorseneren & prei.
Aan de overkant van de tafel stond iemand op. Hij liet een boer en zei met luide stem: ‘Wie er wil uitzien als Marlon Brando is ijdel. We gaan ons gewoon dood vreten.’ Wat merkwaardig is, want die woorden komen uit de film La grande bouffe en die was toen nog niet gemaakt. Waaruit blijkt dat er wel degelijk magie in de lucht zat toen we ons allemaal, groot & klein, arm & rijk, in het casino verenigd hadden om Henk De Bruin uit te wuiven.
Ik keek naar de graaiende handen van mijn disgenoten. Al het voedsel stond niet alleen door elkaar gepresenteerd, het werd ook door elkaar gegeten. En al dat eten werd met sloten drank doorgespoeld.
Dat kon niet blijven duren. De aardappelen werden koud, het vlees schaars en de drank geraakte op.
De vreetpartij liet een slagveld achter. Er waren er zelfs die met het hoofd op tafel, in hun eigen kots, in slaap gevallen waren. De grens van de wansmaak was daarmee fors overschreden. Ik stond op, verwijderde me van de dis en ging naar buiten.
Daar stond Henk De Bruin. ‘Hoe gaat ’t daar binnen?’ vroeg hij me.
‘Ze gaan je afscheidsdiner niet gauw vergeten,’ antwoordde ik naar waarheid. 
Daar was hij blij om, zei hij, anders bleef al dat eten daar toch maar staan. ‘Ik moet je nog iets vragen’, zei hij vervolgens.
‘Henk,’ antwoordde ik, ‘laat maar komen, je weet dat je op mij kunt rekenen.’
‘Je moet me beloven,’ zei hij, ‘dat je hier ooit een verhaal over schrijft.’
Ik wilde nog vragen welk verhaal zijn voorkeur had, maar dat ging niet, want Henk De Bruin haastte zich plotsklaps naar de Avenue le Grand, waar de 4 aankwam die hem voorgoed uit Bredene weg zou voeren.
Als enige was ik getuige van dit historisch moment. Ik kreeg er koude rillingen van en wuifde Henk na tot de bus achter de Groenendijk verdwenen was. Daarna ging ik weer naar binnen om nog een toetje te eten. 
Bijna zestig jaar later postte ik dit verhaal in deze blog. Belofte ingelost!
Flor Vandekerckhove



woensdag 19 juli 2017

In memoriam George Romero

— George Romero (1940-2017) —
Op 16 juli is filmregisseur George Romeo overleden. in een stukje waarin ik het genre van de zombiefilm onderzoek heb ik die mens al bejubeld. In Over de lifestyle van zombies schrijf ik: ‘Regisseur George Romero brengt heel deze thematiek mooi in beeld in Land of the Dead (2005). Wie in dat land van de doden nog leeft doet dat in een streng bewaakte stad, genre Antwerpen tijdens veiligheidsfase 4+. De bewakers trekken zo nu en dan de door zombies bewoonde wereld in om conserven te halen, zodat de streng gecontroleerde middenklasse kan blijven consumeren.' 
'Romero’s film speelt zich af in zijn eigenste Pittsburgh, ooit het centrum van de Amerikaanse staalindustrie. Die bestaat daar nu niet meer. De stad is thans in handen van de kapitalist Kaufman (Dennis Hopper). De zombies proberen die stad wel op Kaufman te heroveren en ze worden daarin geleid door Big Daddy die nog altijd zijn overall draagt, een verwijzing naar de oorspronkelijke bewoners van Pittsburgh, die het verkeerde soort kleren dragen. (Wat in Amerika, zo weten we inmiddels, al voldoende is om overhoop geschoten te worden.)' 
'Over de verhouding tussen de filmbeelden en Pittsburgh zegt regisseur Romero dat de stad eertijds een bloeiende immigrantengemeenschap was. Het was, zo zegt hij in dat interview, een soort Amerikaanse droom, waarin weliswaar niemand besefte dat de arbeiders tweederangsburgers bleven. En, dit zegt hij ook: ‘it just so happens that it’s now a reflection of the entire country.’
Onlangs moest ik weer aan die film denken. Op 7-8 juli ging in Hamburg de zogenaamde G20 door, een bijeenkomst van leiders uit 19 industriële landen en de Europese Unie. Daar werd op straat hevig tegen geprotesteerd. Een groep activisten trok daarbij mijn volle aandacht. Zij hadden zich in zombies verkleed en trokken in kleine groepjes zwijgend en traag door de stad. Zo zullen we eindigen, luidde de boodschap, als we de machtigen der aarde verder hun gang laten gaan. Godver, dacht ik meteen, Romero’s zombies hebben het witte doek verlaten!

Flor Vandekerckhove

— Dit is geen beeld uit de zombiefilm Land of the Dead. Romero’s zombies hebben het witte doek verlaten.  — 

dinsdag 18 juli 2017

Jan Decreton: de zee, heel dikwijls de zee…


1. Ronny Billiauw, 2. Ronny David, 3. Georges Verleene, 4. Bernard Verhaeghe, 5. Marc Heddebauw, 6. Jacky Van Middelem,  7. Serge Schaut, 8. Filip Blomme, 9. Jan Decreton, 10. Ivan Schamp, 11. Edmond Vanrenterghem, 12. René Zonnekeyn, 13. Hubert Vlietinck, 14. Marc Brouckaert, 15. Leo De Wever, 16. Michel Boedt, 17. Paul Van Middelem, 18. Jean-Pierre Boentges, 19. Rik Bevernagie, 20. Jacques Croos, 21. Willy Deroo, 22. Jean Vandenbussche, 23. René Deweert, 24. Albert Driessen, 25. Eddy Despeghel. 26. Ronny Demey, 27. Julien Vereyck, 28. Rik Brouckmeersch, 29. Luc Van Hollebeke, 30. Johny Werbrouck, 31. Arnold Van Cap­pel, 32. Martin Neyrinck, 33. Dirk Kimpe, 34. Gerrit Van den Bon, 35. Roland Hillewaert, 36. Noël Soreyn. 37. Klastitularis Alfons Vandenbussche. Jan Decreton (9) stuurde me de namen door. Hij werd daarin ferm geholpen door Albert Driessen (24).

De tijd van toen! Zouden er veel zijn die daar naar terugverlangen? Ik denk het niet. En voor wat mezelf betreft: heel zeker niet. Met nostalgie heeft een stukje als dit bijgevolg niets te maken. Waarmee dan wel?
Met herinneringen natuurlijk. Wat zo’n stukje ook doet is vorm geven aan een kleine pretentie van me: ik kan daar iets moois van maken. En ten slotte is er nog dit. Over elk van die jongens valt gemakkelijk iets te vertellen dat waard is om neergepend te worden. Er moet alleen iemand zijn die het doet. En dan krijg je voor bovenstaande foto alleen al 37 verhalen. Tot zover deze kleine introductie die niet had misstaan in Van Altamira tot heden.
De foto toont ons de Vijfde Moderne van het college in Oostende, schooljaar 1962-63. Zelf maak ik geen deel van uit van die klas, maar ik herken wel enkele dorpsgenoten: Ronny David (2), Serge Schaut (7), Ivan Schamp (10), Leo De Wever (15), Jean-Pierre Boentges (18) en Jean Vandenbussche (22). Een aantal ervan — in rood — komen elders in de blog al eens ter sprake. Ook over Georges Verleene (3), René Deweert (23) en titularis Alfons Vandenbussche (37) heb ik eerder al iets geschreven.
Op 1 juli krijg ik post van de mij onbekende Jan Decreton: ‘Via via ontving ik je blog’, zo start dat briefje, en het vervolgt met een indrukwekkende opsomming van namen waarnaar ik op zoek ben. Decreton is er zelf een van en dat geldt ook voor bovenstaande foto. Hier draagt hij het nummer 9.
In de sixties woont Jan (°1948, Veurne) in De Panne, en daar is de visserij nooit veraf: Het Visserijblad was bij ons heilig. Het kwam thuis bij mijn grootvader, die reder was, en daarna kwam het bij mijn vader. Vooral de besommingen waren voor hen van belang. Ik heb er hier nog enkele liggen. Eigenlijk waren die cijfers onjuist, want er werd in de jaren 60-70 zeer veel in het zwart verkocht. Wanneer mijn vader thuiskwam en moeder vroeg hoeveel ze ‘gemaakt’ hadden noemde hij altijd twee cijfers…’
Ah, leer ze me kennen, de vissers!
— Jan Decreton. —
Jan Decreton kiest een andere levensweg. Die leidt hem naar Halle. Hoe dat gegaan is vind ik op het internet: ‘Als kind tekende hij veel en graag, dus zag hij voor zichzelf in die richting een toekomst. Maar de toelatingsproef in St. Lucas werd geen succes, het werd een voorbereidend jaar. Een geluk bij een teleurstelling, want zo ontdekte Jan de fotografie.’
Die woorden worden uitgesproken tijdens een vernissage. De directeur van kunstacademie van Halle gaat met pensioen en dat is daar uiteraard reden genoeg om een blik op ‘s mans oeuvre te werpen. Dat oeuvre bestaat uit foto’s en de directeur in kwestie is… Jan Decreton.
Wel wel. En dit is wat de inleider in het getoonde ziet: ‘De zee, heel dikwijls de zee, heel dikwijls het Noorden – zijn zoon woont trouwens in Noorwegen. En een trek naar IJsland, waar zijn voorvaderen gingen vissen in de meest barre omstandigheden. De zee, met de strakke lijn van de horizon, blijft een constante in zijn werk. Van de eerste pagina van zijn eindwerk in 1969 tot vandaag. Waar het beeld bijna abstract wordt, met een gedurfd lange belichtingstijd om alle details weg te werken en alleen die eeuwige horizon over te houden. (…) We hopen dat die inspiratie niet verflauwt, en dat we in de toekomst nog geregeld werk van Jan Decreton mogen tegenkomen.’
Ik surf verder en stoot hier op zijn website. Je moet er zelf maar eens naar kijken; intussen sluit ik dit stukje af met een punt.

Flor Vandekerckhove