zondag 11 november 2018

Keukenfilosofische mijmeringen tussen Parijs en Orleans

Tussen Parijs en Orleans tanken we op een indrukwekkend groot terrein — une aire — waar ze niet alleen diesel verkopen, maar ook souvenirs, boeken, kranten, koffie, brood, zoetigheid & vettigheid van het type dat er veel te smakelijk uitziet; waar je in een restaurant kort of lang kunt eten; waar je kunt plassen en je wassen, tukje doen of gewoon verpozen. Dat laatste is wat ik daar nu doe, in een gerieflijk zeteltje, terwijl mijn geliefde de laatste restjes van haar werk telefonisch van zich afschudt.
Wie iets wil weten over de macht van de olielobby, moet in zo’n aire een beetje speculeren over de omzet die daar gedraaid wordt. Wie wil weten waarom we te dik zijn, moet het assortiment in zo’n shop eens wikken & wegen.
Wat gaan archeologen denken als ze over tienduizend jaar zo’n aire opgraven? Zijn ‘t religieuze artefacten, zullen ze zich afvragen, gebouwd ter ere van koning auto? En wat bezielde die mensen om daar zo massaal naartoe te trekken? Ze gaan daar veel olieresten aantreffen en zich afvragen of daar olie geofferd werd om de kapitaalgoden gunstig te stemmen. U merkt het: keukenfilosofische mijmeringen dienen zich aan.
Ik fixeer een jonge vrouw en probeer haar letterlijke beweegredenen te achterhalen. Ze is alleen. Ze woont niet in de buurt, want buurtbewoners mijden uiteraard de tolwegen. Haar kledij leert me dat ze geen straathoer is, evenmin een rondreizende verkoopster, en ze is ook niet op weg naar een feestje. Ze neemt er de tijd voor, eet iets met teveel suiker uit de shop. Telefoon. Ze vertrekt.
Ik ben al iemand anders aan ’t observeren als ik haar weer opmerk, nu met kind. Ze gaan samen de toiletruimte binnen. Daarna verlaten ze de aire.
Ik fantaseer het gebeuren bij elkaar. Vader woont in Parijs en moeder in Orleans. Hij heeft het kind enkele dagen bij zich gehad en nu gaat het weer naar moeder. Afspreken doen de ouders halverwege. Daar is een fly-over die hen bij elkaar brengt. Na de overhandiging rijden ze elk naar een andere afrit en vandaar gaat het voor beiden, in tegenovergestelde richting, weer naar huis, misschien wel via de routes nationales, want nu de kleine afgeleverd werd luistert de tijd niet nauw meer.

Flor Vandekerckhove

vrijdag 9 november 2018

Bella ciao van Tom Waits

— Tom Waits © Anton Corbijn. —
Ik blader in 1-2-3-4, een fotoboek van Anton Corbijn, catalogus van een gelijknamige tentoonstelling in Antwerpen en eerder ook in Den Haag. (°) De titel spreek je uit als one-two-three-four, de hardop geroepen inzet van een rocksong in vierkwartsmaat, want Corbijn is de uitverkoren portretfotograaf van indrukwekkend veel rockers. In het boek: ruim vierhonderd foto’s van de groten van het genre, waarvan er al merkwaardig veel tot de geschiedenis toegetreden zijn.
De eerste aanblik toont een mannenwereld. Veel van die mannen lijken hard hun best te doen om er bijzonder macho uit te zien. Lachen lijkt verboden, het aantal zonnebrillen is groot. Wie langer kijkt ziet ook wel veel vrouwen die hun mannetje staan en mannen die graag het vrouwelijke in zich naar boven brengen.
Mijn oog blijft veelal haken aan beelden van singer-songwriter Tom Waits die er telkens zodanig gehavend uitziet dat hij heel het decor in haveloosheid met zich mee lijkt te slepen: schroot, wankele huizen, afgebladderde gevels, tractor van het autokerkhof, zetel recht van 't stort …
Dat Tom Waits me telkens opvalt is niet toevallig, want ik wil al enige tijd iets schrijven over diens nieuwste song. Het lied staat op Songs of Resistance 1942-2018 (°°), album van rockgitarist Marc Ribot. Daarop brengt Waits een eigen versie van Bella ciao, een folk ballade die Italiaanse antifascisten in de Tweede Wereldoorlog zongen. En nadien ook wij, ja wij ook, tijdens tal van betogingen en andere vurige bijeenkomsten waaraan we deelnamen, een echte linkse klassieker. Volgens Ribot hebben Italiaanse vrienden hem gezegd dat Waits het lied laat klinken alsof het uit de mond van een oude ‘partigiano’ komt. Dat zou best kunnen, want de foto’s van Corbijn tonen me dat Tom Waits er ook wel uitziet als een oude partizaan.
Jem Cohen maakte een video van Waits’ Bella ciao. Ik plaats het filmpje hieronder. Je zult zien dat de maker zijn best doet om de actualiteit van het lied te benadrukken.
Flor Vandekerckhove

(°) Anton Corbijn. 1-2-3-4. Uitgeverij Hannibal. 2015. Wie zich dat boek wil aanschaffen dient prijzen te vergelijken, want de ene vraagt er dubbel zoveel voor als de andere. 
(°°) Marc Ribot. Songs of Resistance 1942-2018. © 2018 Noice Inc., under exclusive license to Anti. UPC/EAN Code: 45778760466. Meer info hier.



woensdag 7 november 2018

Kustvissers tegen elektrische visserij

— Nieuw in het kustvissersprotest is de aanwezigheid van een Frans spandoek, een deugddoend signaal van internationale solidariteit. —   

Op zaterdag 4 november vertonen verschillende televisiezenders beelden van een actie van Vlaamse kustvissers. Het bericht herinnert me aan de tijd waarin ikzelf als journalist actief was. Ik herken schipper Marnix Verleene die op zijn typische manier dingen zegt die misschien wel niet helemaal juist zijn, maar heel zeker evenmin helemaal onjuist, en ik herken de rode vanen van de klimaatactivisten, aangevoerd door de onvermoeibare Filip De Bodt die de vissers al vele jaren terzijde staat.
Hun wrevel betreft de pulskor, een succesvolle maar verboden visserij door middel van elektrische pulsstoten. In Nederland passen 84 vaartuigen die verboden techniek wel toe, zogezegd ter wille van de wetenschap. Dat doen die Nederlanders ook hier, vlak voor de deur. Ter vergelijking: de Belgische vissersvloot telt minder dan 70 schepen, de Vlaamse kustvissersvloot minder dan tien.
Het is niet de eerste keer dat kustvissers tegen die elektrische visserij protesteren. Dat hebben ze ook al in maart 2014 gedaan. De actie past zelfs in een merkwaardig lange traditie van vissersprotest tegen overbevissing. Het eerste pamflet dateert van 1860 — ja, ik bedoel 1860, niet 1960!
In de Vlaamse visserijgeschiedenis keert dat protest sindsdien regelmatig weer. De eerste titel die ikzelf in Het Visserijblad boven zo’n actie zet dateert van 1989 en luidt: Boze vissers: kustwateren moeten beschermd worden.
De feiten bewijzen het: de actie tegen het gebruik van pulskorren maakt deel uit van een voortdurend vissersprotest tegen overbevissing. Terecht vraagt u zich af waarom het probleem in 158 jaar niet opgelost werd. Dat heb ik me als journalist ook afgevraagd. En ik denk dat ik daar het antwoord op ken. Je moet maar eens kijken naar De kustvisserij en het recht van de sterkste. Kort samengevat: it’s capitalism stupid!

Flor Vandekerckhove

dinsdag 6 november 2018

In het kielzog van John Bauwens


Wanneer ik in 1988 weer aan de kust kom wonen word ik daar algauw geconfronteerd met enige plaatselijke particulariteiten. Een ervan betreft het bestaan van een oude, Franstalige Oostendse bourgeoisie, weliswaar naar de rand gedrongen, maar toch nog zichtbaar present. In de wereld van de pers bijvoorbeeld, waar de familie Lanoye tot in 1994 Le Courrier du Littoral uitgeeft, en in de visserij waar de familie De Vestele tot vandaag de scheepswerf Industrielle des Pêcheries (IDP) uitbaat. À propos: beide families hebben nog met elkaar gemeen dat ze van Oostendse kapers afstammen; ik bedoel maar: die mensen torsen het gewicht van de geschiedenis.
Gaandeweg leer ik er enkele telgen van kennen, Matthieu De Vestele, Jacques Lanoye en Charles Decrop (†), consul van Duitsland. Ook die laatste stamt trouwens af van een kaper, een van de Westkust. Met elk van hen breng ik menig aangename stonde door, want die mensen hebben altijd wel tijd voor een goed gesprek. En ze mogen van thuis uit Franstalig zijn, ze beheersen ook als geen ander het Oostendse dialect.
Maar het blijven natuurlijk wel bourgeois. Dat is wat ik bedenk terwijl ik een invitatie bemonster. Het betreft een filmvertoning over de Pêcheries à Vapeur, een historische Oostendse rederij. (°) De prent is geproduceerd door nakomelingen van John Bauwens, een van de grootste captains of industry die de stad gekend heeft, en ja, ook hij is telg van kapers. Het is een film die me erg interesseert, want ik heb vroeger al uitgebreid over die mens en zijn werken geschreven. Wie dat stuk wil lezen klikt hier.
Ik wil die film wel zien, maar ik denk niet dat ik ga kijken. Er is ten eerste de entreeprijs. Voor mij en mijn vriendin komt dat op 70 €. Dat is wel inclusief receptie, maar die wordt aangeboden door Rotary Oostende, een club die ik liever een beetje op afstand houd. De opbrengst gaat naar het Koninklijk Werk Ibis, mede gesticht door John Bauwens en een constante in het medelijden van de Oostendse bourgeoisie. De geüniformeerde jongens van Ibis zorgen in ruil al eens voor het decor, een praktijk waaraan ik veel aandacht besteed heb in mijn roman Amandine.
Maar goed, dat ik wat ik ervan denk. De kans dat u daar anders over denkt is reëel, zelfs groot. Wie er meer over wil weten, of wie een uitnodiging ambieert en die niet gekregen heeft, richt de steven naar siriusart88@gmail.com.
Flor Vandekerckhove


(°) In het kielzog van John Bauwens, Reder ter Visserij gaat op zaterdag 8 december om 19.00 uur door in de loodsen van IDP Shipyard, Vismijnlaan te Oostende. Toegangskaarten (incl. receptie): 35 € /pp. Vóór 20 november te betalen op rekening BE 41 3631 3564 1810 van Les Voiles du défi vzw. Met de uitdrukkelijke vermelding: benefietavond 8/12. [Info via siriusart88@gmail.com.]

zondag 4 november 2018

We worden oud

Ik denk dat ik ermee opgehouden ben. Of 't zou moeten zijn dat ik me kan herpakken. Dat laatste blijf ik wel hopen, want ik maak mezelf graag wijs dat ik het joggen weer opneem op de dag dat ik 70 word. Da’s in februari, wat me toelaat nog enkele maanden te trunten.
Hopelijk sneeuwt het op die dag niet, want alle redenen zijn goed om in mijn zetel te blijven zitten: ’t is te laat, te vroeg, te nat, te droog, te donker, te koud, te warm… Ik heb nog maar pas gegeten of ik moet nog eten… Ik heb een verkoudheid of er is er een op komst… Ik heb hier een pijntje of dreig er daar eentje te krijgen… De gevolgen zijn ernaar. Conditie vervliegt, spiermassa verdwijnt, gewicht explodeert, buikje wordt buik, diabetes loert om de hoek en daarachter verschuilen zich talrijke hart- en vaatziekten. (En wie dat alles overleeft krijgt alzheimer.)
Oud worden. Enkele jaren geleden werd hier in het park een fitnessparcours aangebracht. Goed initiatief, dacht ik, en ik maakte er meteen gebruik van. Starten deed ik aan de turnbar, een hoog horizontaal aangebrachte ladder waaraan je je hangend, sport na sport, van de ene naar de andere kant manoeuvreert. Ik koos voor dat toestel omdat ik daar in mijn jeugd goed in was. Sterke armspieren, kinderspel.
Ik klom tot boven, hing me aan de eerste sport en… bleef daar onbeweeglijk hangen. Ik had moeite om te begrijpen wat er aan de hand was. Er passeerde een wandelaar die zich duidelijk afvroeg wat ik daar zolang hing te doen. Ik probeerde de indruk te wekken dat ik dat regelmatig deed, een tijd lang aan de turnbar hangen, dat het een vorm van yoga was, een yoga die hij niet kende, hangyoga. Zodra hij uit het zicht was haalde ik alles uit de kast, wat resulteerde in enig gewiebel, maar de tweede sport bleef ook al wiebelend buiten mijn bereik. Intussen overviel mij een even diepzinnige als verschrikkelijke gedachte: ik ben zelf nog in leven, maar mijn armspieren zijn alreeds tot stof & as vergaan! 
Er passeerden weer wandelaars. Ik wachtte tot ze ver genoeg waren en liet me vallen. De daaropvolgende twee jaar had ik verrekt veel pijn aan de schouders.

Flor Vandekerckhove

zaterdag 3 november 2018

Ken Loach: ‘Het is niet gemakkelijk om een verhaal te vertellen dat de kracht van het collectief verduidelijkt.’

— Regisseur Ken Loach tijdens de première van zijn film I, Daniel Blake
in Londen, oktober 2016. (Foto Joel Ryan/Invasion/AP)
 —   
’t Is niet dat ik me met Ken Loach wil vergelijken, laat staan dat ik me op zijn hoogte wil plaatsen, want hij is een meermaals gelauwerde filmmaker en ik ben een marginale blogger. Toch hebben we een en ander gemeen. Eerstens is er die gelijkaardige politieke keuze die ons gevormd heeft tot wie we zijn. Mij interesseert het te weten wat Loach daar op ’t einde van zijn leven over denkt, want ‘t is een kwestie die me, wat mezelf betreft, ook bezighoudt. Er is nog een vraag die we gemeen hebben: hoe maak je een goed verhaal. 
Ken Loach (°) is een kunstenaar die gevormd is door het trotskisme. Met stalinistische dictaten over kunst moet je bij hem dan ook niet afkomen: ‘Elke zin die aanvangt met “kunst zou moeten…” is verkeerd, omdat het de verbeelding of de perceptie is van zij die schrijven, schilderen of weergeven die bepaalt welke rol kunst speelt..’
Zoals dat bij elke kunstenaar het geval is, worstelt ook Loach met het probleem van vorm en inhoud, en hoe het ene het andere bepaalt: ‘Zelf denk ik dat het aanvoelen van collectieve kracht heel belangrijk is. En daar wordt het moeilijk. Het is niet gemakkelijk om een verhaal te vertellen waarin die collectieve kracht meteen duidelijk wordt. Het is grof en dwaas om elke film te eindigen met een vuist in de lucht en een militante oproep tot actie. ‘t Is een blijvend dilemma: hoe vertel je het verhaal van een arbeidersgezin, dat op tragische manier vernietigd wordt door politieke en economische omstandigheden, er tegelijk over wakend dat je de mensen niet in wanhoop achterlaat.’
Hij vertelt hoe hij dat in een welbepaalde scène heeft aangepakt: ‘Wanneer de vrouw, In I, Daniel Blake, een voedselpakket aan een andere vrouw geeft, een vrouw die niets heeft, zegt ze niet: “Hier is uw liefdadigheidsvoedsel”, neen ze zegt: “Kan ik u helpen bij het winkelen?” Aan de ene kant staat deze generositeit, en aan de andere kant zie je de staat, die welbewust op de meest wrede manier handelt, goed wetende dat het mensen naar de honger voert. De kapitalistische maatschappij zit gevangen in deze schizofrene situatie en het hangt van ons af om de solidariteit te organiseren.’
Kunst maken is niet gemakkelijk, maar aan revolutionaire politiek doen is dat nog minder. Hoe kijkt Loach terug op het politieke engagement dat hij met het marginale trotskisme deelt. Maakt hij daar op zijn leeftijd (82) een negatieve balans van op? Dat lijkt geenszins het geval, want dit is wat hij zegt: ‘Onlangs sprak ik met enkele aardige mensen in Japan, die een artikel aan het schrijven waren, en ik legde de nadruk op het begrijpen van klasse en conflict. Een zeer lieve vrouw zei me “We gaan uw film aan de Japanse overheidsverantwoordelijken tonen.” Ik zei ‘Waarom?” en zij zei, “Wel, om hen van gedacht te doen veranderen,” en ik antwoordde, “Maar dat is juist het punt dat ik wil maken! Ze zullen niet van gedacht veranderen, ze zijn gebonden om de belangen van de heersende klasse te verdedigen. Ze moeten niet overtuigd worden, maar verwijderd!” Het is iets wat moeilijk uit te leggen valt, omdat de idee om een systeem te laten functioneren er zo diep ingebakken zit. Dat is een van de verschrikkelijke erfenissen van de sociaaldemocratie, die we moeten bestrijden. (…) Daarom is het nodig dat we de hele idee van overgangseisen weer tot leven wekken. We moeten eisen stellen die absoluut redelijk zijn, gebaseerd op de belangen van de arbeidersklasse.’ Oftewel: Ken Loach blijft trotskist tot in de kist. (°°)
Flor Vandekerckhove


(°) Op de website van The Nation las ik een lang interview met de Britse filmregisseur Ken Loach, inmiddels 82. Lorenzo Marsili stelde de vragen. Zelf vertaalde ik er de zinnen uit die ik hierboven heb afgedrukt. Mijn keuze werd bepaald door wat ik voor mezelf bruikbaar acht, maar het interview zelf is veel rijker dan mijn selectie, het is een aanrader en het staat hier. Mocht je al lezend fouten ontdekken in mijn vertaling, dan mag je me die altijd laten weten, ik zal met je opmerkingen zeker rekening houden.
(°°) Meer over Loach’ verbondenheid met het trotskisme staat hier.

donderdag 1 november 2018

’t Kan wreed waaien op de kaaien (7)

Curator — Heel de bemanning wordt weggekocht, de stuurman trekt naar hier, de motorist naar daar, de scheepsjongen naar ginder, een matroos vindt links vaart en een andere rechts. Het schip blijft liggen. Dat is erg, want dat is roestend kapitaal, dat is een lening die niet afgelost wordt, dat is de bank die meedeelt dat het vaartuig aan de ketting gelegd zal worden. Dat is een schipper die aan de drank gaat. Zo’n vaartuig dat aan de kant blijft liggen, dat is ook een curator die met het faillissement van de rederij belast wordt en er met de redersvrouw vandoor gaat.


Boevenwagen — De rederij had niemand gevonden die Pincket wilde vervangen. Die was overboord gegaan en werd sindsdien vermist. Daardoor lag het vaartuig tegen de kaai. Omdat een schip moet varen werd koortsachtig naar een oplossing gezocht en die werd ook gevonden.
Het gebeurde in de jaren zestig wel meer dat veroordeelde vissers daarvoor uit de cel gehaald werden. Op de kaai stopte dan ook een boevenwagen die de ontbrekende matroos vanuit de gevangenis naar ’t schip bracht. De ploeg was nu compleet. Eindelijk kon het schip zee kiezen. En toen we weer naar huis kwamen stond die boevenwagen er al weer.


Kruwer — Een onverklaarbare tristesse daalde over me neer. ’t Moet zijn dat het me aan te zien was, want de waardin zei: ‘Ach, we hebben het allemaal meegemaakt. ’t Komt doordat je de eeuwige kruwer ontmoet hebt.’ 
Ik protesteerde‘Het was een meisje’. Daar moest ze hard om lachen. ‘Soms een kraai, soms een man, soms een oude vrouw, soms een meisje’ zei de waardin, ‘maar altijd leiden ze je naar de dieperik.’ Het meisje had me inderdaad geleid en ik was gevolgd. Ze had een val gezet. Ik besefte dat ik, net als iedereen in dat visserscafé, reddeloos verloren was.


[Bovenstaande verhalen vinden hun oorsprong in ‘vissersverhalen’ die ik in 2015-16 geschreven heb. Die schenken me geen voldoening meer. Al lang zoek ik naar een manier om ze te herschrijven. Die manier heb ik nu gevonden in wat in ’t Engels a drabble heet, een verhaal van exact honderd woorden, niet meer, niet minder.]

woensdag 31 oktober 2018

Waarom plaats ik hier leesnotities als u die toch niet leest

Minst bekeken in deze blog zijn stukjes die het over woorden hebben die me elders opvallen, beklijvende passages in een boek, merkwaardige plotwendingen … Ik verzamel ze onder het weinig wervende lemma leesnotities. Vroeger deed ik dat in schriften, maar in de blog kan ik ze gemakkelijker weervinden. Aan die leesnotities hebt u niet veel, dat begrijp ik wel, maar voor mij zijn het hebbedingetjes.
Momenteel lees ik Het voyeurshotel (°), een proeve van New Journalism. Ik hou wel van het genre, maar niet van dit boek. Toch is het een leesnotitie waard. De voyeur bespiedt een triootje, de auteur beschrijft het seksspel van die drie en vlak daarna staat: ‘Ze lagen nog een poosje ontspannen met zijn drieën op het bed en praatten over de verkoop van stofzuigers.’ Wat een formulering! Tussen het naspel en die stofzuigers staat zelfs geen punt. Sterk! Zoiets verdient een leesnotitie.
Ik hou van journalistiek die leest als een roman, maar ook van het omgekeerde: een roman die leest als verslaggeving.
Zo’n ervaring bezorgt Goldberg (°°) van Bert Natter me. Minstens honderd bladzijden lang denk ik: die Natter heeft dat allemaal zelf beleefd, dat kan niet anders.
Pas op pagina 135 slaat de twijfel toe: ‘Bij een bank wissel ik Nederlandse nieuwe guldens voor Saksische talers.’ Ha, denk ik eerst nog onachtzaam, het gebeurt vóór ’t bestaan van de euro. Maar op bladzijde 165 ontkurkt hij een fles wijn uit 2017. In een boek dat in 2015 verschijnt valt dat zelfs een slordige lezer als ik op. Maar het duurt nog tot pagina 264 voor ik te weten kom dat het verhaal zich in 2020 afspeelt: pure fictie, verzinsel, een leugenachtige vertelling.
Hoe het met die nieuwe guldens van bladzijde 135 zit kom ik pas op pagina 311 te weten: ‘Tijdens een of ander actualiteitenprogramma had ik een paar jaar geleden mijn licht mogen laten schijnen over de toestanden in voormalig Duitsland, het losmaken van de Friezen, de deling van België en Spanje, de terugkeer van gulden, frank, mark en talloze andere idiote valuta, grenscontroles, oorlogsdreiging, de algemene teloorgang van de Europese Unie, het uiteenvallen van Europa (…)’ Dat Bert Natter zoiets pas in ’t midden van zijn boek kenbaar maakt, en niet in de eerste bladzijden waardoor de fictie me meteen duidelijk was geweest, da’s een staaltje van vakmanschap dat ik wil onthouden: leesnotitie.
Flor Vandekerckhove

(°) Gay Talese. Het voyeursmotel. Vertaald door Jan Sietsma en Hennie Volkers. 2016. Lebowski Publishers, Amsterdam. 208 blz. 
(°°) Bert Natter. Goldberg. 2015 Uitgeverij Thomas Rap. 629 blz.

dinsdag 30 oktober 2018

Familiegeheimen

Hubert — Margriete laat haar kinderen achter en trekt naar Brussel. Niemand kan me zeggen waarom. Haar moeder krijgt de zorg over Margrietes nageslacht. De dochter, Christine, komt uiteindelijk in een instelling terecht en eindigt haar leven ergens in Eeklo, in een project van begeleid wonen. Margrietes zoon, Hubert, gaat, zoals veel Vandekerckhoves, in Frankrijk in de bieten werken. Daar leert hij een Frans meisje kennen. Hij brengt haar mee naar Oudenburg, waar ze een café opent. Hubert, die sigaretten smokkelt, trekt uiteindelijk weer de grens over, nu op de vlucht voor het gerecht. Hij verdwijnt en laat de Française hier achter.

DorsenIn onze straat bevond zich het woonerf van boer Jerome Lagast. Jaarlijks werd daar graan gedorst (koren, gierst of rogge, daar wil ik vanaf zijn). Voor ons, kinderen, was dat een grote gebeurtenis, want op het erf van Lagast stond dan een grote landbouwmachine die met veel lawaai zijn ding deed. Overal stro. ’t Was een uniek moment van tewerkstelling, want er kwam ook handwerk aan te pas. Nonkel Camiel was daar dan dagloner. Over hem wist mijn moeder te vertellen dat hij altijd de laatste was om aan ’t werk te gaan en de eerste om ermee te stoppen.

Clementine — Uit de Franse bietenstreek brengt Hubert Vandekerckhove zijn Clementine mee naar België, waardoor die Clementine verre aangetrouwde familie van me wordt. Hubert en Clementine heb ik nooit gekend, maar van Georgette weet ik dat ze vlakbij de steenbakker van Oudenburg een café uitbaatten. Dat is niet blijven duren. Hubert, die sigaretten pleegt te smokkelen, moet de vlucht naar Frankrijk nemen. Waarna de familie nooit nog iets van hem verneemt. Na enige tijd vertrekt ook Clementine, terug naar haar vaderland. Ze leert een man kennen die bij haar intrekt. Op een dag vindt ze hem op de zolder aan een koord.

Drenkeling — Georgette is een oude achter-achter-achternicht van mij. Ze verblijft hier ferm tegen haar goesting in ’t woonzorgcentrum. Ik probeer in extremis nog enkele familieverhalen uit haar te halen, zoals deze. Een van haar nonkels — ze herinnert zich zijn naam niet goed, ze denkt Camiel — is verdronken. Dat gebeurt tussen Gistel en Snaaskerke, waar hij van een brug gesmeten wordt. De jonge Camiel had zijn oog op een meisje laten vallen, wat door andere jongemannen niet gewaardeerd werd. Ze wilden hem een lesje leren en wachtten hem op aan die brug. Wat dat meisje daarvan vond is niet meer te achterhalen.

Achttien — Om te vieren dat ik juist achttien geworden was ging ik een glas drinken bij Trio’s. Aan de toog stond mijn nonkel te ouwehoeren. Ik ging naast hem staan. Hij was verwonderd me daar te zien. Ik zei naar waarheid: ‘Ik ben hier nog nooit geweest’. Daar moest hij schamper om lachen. ‘Hoe oud ben je nu?’ vroeg hij. Ik zei: ‘Achttien.’ Ik zag de spot in zijn ogen toen hij me vroeg: ‘Wat heb je nu eigenlijk al gedaan in je leven?’ Ik boog het hoofd, want ik wist dat hij gelijk had. Alreeds achttien en nog niets gedaan.

[Een drabble is altijd honderd woorden lang, niet 99, niet 101, exact honderd, titel niet inbegrepen. Een drabble is bijgevolg een extreem kort handpalmverhaal dat aan die strenge honderd woorden regel voldoet. (Flor Vandekerckhove)]


zondag 28 oktober 2018

België voelbaar aanwezig in Frans bergdorp


Men zegt dat je overal in Europa op Hollanders stoot. Dat is waar. Maar wie goed kijkt vindt alom ook tekenen van een sterke Belgische aanwezigheid.
De houtstapel links op bovenstaande fotomontage maakt me daar bewust van. Hij bevindt zich in het Franse bergdorpje Vabre. Onder de stapel staat een kist: EIGENDOM VISMIJN ZEEBRUGGE 1986. ’t Schijnt dat je zo'n viskisten overal in Europa aantreft, merkwaardig genoeg ook in bergstreken waar er in de verste verte geen zee te bekennen valt.
De hakker van dat hout bezit wel meer Belgische objecten. Op de middenfoto zit ik broederlijk naast hem, maar ’t is het schilderij boven de fauteuil dat uw aandacht trekt. Het werk verbeeldt een vrouwenfiguur die, als een Belgische leeuwin, vanaf de berg naar het dorp in het dal klauwt. U herkent meteen het Vlaamse neo-expressionisme. Trouwe lezers herkennen zelfs de hand van de maker ervan, Luc Martinsen, waarover De Laatste Vuurtorenwachter zo nu en dan een stukje schrijft.
Ook lijfelijk kent Vabre een sterke Belgische aanwezigheid, bijvoorbeeld in de figuur van Jules van camping Le Roussy. Dat het een Belgische uitbater betreft verraadt de wegwijzer al, rechts in de fotomontage. In de lente ga ik daar eens frieten eten, wat ongetwijfeld zal resulteren in nieuwe verhalen over Vabre, en ware ’t niet dat het zo melig klinkt dan zou ik dit stukje nu afronden met: waar Belgen thuis zijn.

Flor Vandekerckhove