maandag 13 augustus 2018

’t Kan wreed waaien op de kaaien (3)



HotelIn hotel California ging ze me voor: ‘Welkom in ons verblijf,’ zei ze, ‘al onze kamers hebben een prachtig uitzicht.’  Op de binnenkoer zag ik gasten dansen. De gastvrouw lachte er vertederd om en zei: Dansen is goed om je de dingen te doen vergeten.’  Daardoor komt het wellicht ook dat ik alle daaropvolgende gebeurtenissen vergeten ben. Ik herinner me alleen nog dat ik op de nachtportier stootte die me spottend zei: ‘Kalm, man, kalm, dit is een eenrichtingshotel. Het is alleen maar bedoeld om mensen te ontvangen. Je kunt desgevallend wel uitchecken, maar weet dat weggaan geen optie is.’ 



Hand — Hij omklemde mijn pols: ‘Toen ze mijn schip aan de ketting kwamen leggen heb ik hem gezien. Ik heb De Hand gezien.’ Door de medicatie geraakte de schipper moeilijk uit zijn woorden. ‘De Hand vernietigt ons’, vervolgde hij. Ik vroeg hem waarom De Hand dat zou doen. ‘Dat is de aard van het beestje’, zei hij.  ‘s Avonds vertelde ik erover in de kroeg. Ik zei: ‘De schipper is tot inzicht gekomen.’  Daar moesten ze hard om lachten. ‘O ja,’ zei iemand, ‘Waarom zit hij dan in ’t zothuis?’ Ik schraapte mijn keel en zei: ‘Dat komt door De Hand.’


Valke — Altijd weer gebeurde het dat meneer Valke omhoog begon te gaan. Hij steeg gestaag en zette zich als een vlieg tegen ’t plafond. Vervolgens schoot hij door de openstaande poort naar buiten. De stilte die daarop volgde werd daarna aan stukken gereten door mevrouw Valke die onbedaarlijk luid begon te lachen. Ze lachte op een manier die zeer aanstekelijk was, zodat ook wij op den duur onbedaarlijk luid begonnen te lachen. Onze lach botste tegen het metaal en kaatste terug, tot diep in onze lendenen. In de eerste plaats in die van mevrouw Valke die van al dat lachen klaarkwam.


[De drie bovenstaande extreem korte verhalen hebben een ontstaansgeschiedenis. Ze vinden hun oorsprong in mijn ‘vissersverhalen’ uit 2015-16. Die schenken me geen voldoening meer. Al lang zoek ik naar een manier om ze te herschrijven. De oplossing heb ik gevonden in wat in ’t Engels a drabble heet, een verhaal van exact honderd woorden, Niet meer, niet minder. Ik plaatste al eerder vergelijkbare ‘verdrabbelde’ vissersverhalen. U vindt ze hier en daar.]

Flor Vandekerckhove

zondag 12 augustus 2018

’t Kan wreed waaien op de kaaien (2)

Deze drie verhalen hebben een ontstaansgeschiedenis. Zij vinden hun oorsprong in de ‘vissersverhalen’ die ik in 2015-16 geschreven heb. Die schenken me geen voldoening meer. Al lang zoek ik naar een manier om ze te herschrijven. Die heb ik nu gevonden in wat in ’t Engels a drabble heet, een verhaal van exact honderd woorden, Niet meer, niet minder. En elk woord telt! Er staat overigens al een eerste reeks 'verdrabbelde' vissersverhalen in de blog en die vind je hier. (Flor Vandekerckhove)



Taboe — We staan op ’t einde van de pier en wachten. De pastoor heft een hymne aan. De meisjes roepen: ‘Dáár!’ Sierlijk als een mooie vrouw die met een perfecte zwemslag door de golven klieft, glijdt het schip voorbij,  We joelen, de meisjes ontbloten uitdagend hun borsten. Ik roep: ‘Kijk schipper, er staat een pastoor op de pier!’ Waarop de schipper ons zijn bloot gat toont. Terwijl het schip onverstoorbaar zee kiest, staren wij het na. De meisjes knopen hun blouses dicht en terwijl we op onze schreden terugkeren, neemt de pastoor ons op de pier nog vlug de biecht af.


Roeschaart — Voor me ligt het lege blad dat me zo’n schrik aanjaagt. Wat is het toch dat me ’t schrijven belet? Zou het de roeschaard zijn? Laat me eens kijken hoe Duribreux erover schrijft: ‘Bij elke dertiende seconde klieft de straal van den vuurtoren zijn sluierige gedaante; doch telkens, na een weifeling, hervormt hij zich en drijft verder. Boven de witgewuifde nokken van de huizen ontneemt de wind hem steun. Plots stuikt hij neer en wordt onzichtbaar.’ De roeschaard is op me neergestuikt en belet me zijn verhaal te schrijven. (Of ’t zou moeten zijn dat ik dat zojuist gedaan heb.)



Lurre — Hij vertelde over de jaren vijftig, in de Oostendse vismijn, werkdagen die om zes uur ’s morgens begonnen en tot zeven, acht uur ’s avonds konden uitlopen. Tussen het vele werk door mocht hij er wel vlug een gaan kraken. Dat had hij ook nodig, want met zijn drankmisbruik ging het van kwaad naar erger. Lurre besloot er zelf een punt achter te zetten. Op een dag nam hij de fiets, reed ermee het staketsel op, fietste tot helemaal op ‘t einde van die pier en hield niet op met trappen toen de diepe zee het van het land overnam.

(Wie terug wil spoelen naar de eerste reeks 'verdrabbelde vissersverhalen' klikt hier.)

zaterdag 11 augustus 2018

Leren schrijven met papa

In De Standaard der Letteren kom ik onder de indruk van een reisverhaal. (°) De Nederlandse schrijver Auke Hulst bezoekt in Georgia het huis waarin de schrijfster Flannery O’Connor haar korte leven geleid heeft.
Dat krantenstuk is zo goed geschreven dat ik in de bieb op zoek ga naar een boek van die Hulst. Zodoende stoot ik op een bundel waarin hij in Amerika nog meer huizen van dode mensen bezoekt, schrijvers en rockers, want Auke Hulst schrijft zelf songs en is ook in muziek geïnteresseerd. Aan het boek hangt trouwens een CD met teksten die hij onderweg schrijft en opneemt. (°)
Een van de huizen is dat waar Ernest Hemingway zichzelf voor het hoofd schiet. ‘De fatale dag liet niet lang op zich wachten. Hemingway stond als altijd vroeg op, en hoewel Mary zijn wapens achter slot en grendel had verstopt, wist hij waar de sleutel lag: op het raamkozijn boven de spoelbak in de keuken. In zijn rode badjas ging hij stilletjes naar beneden, koos een dubbelloops jachtgeweer. Liep toen naar het halletje, een ruimte zo klein als een biechtstoel. Hij liet de kolf op de grond rusten en bukte. De loop kuste zachtjes zijn voorhoofd, precies tussen zijn wenkbrauwen (…) Toen haalde hij de trekker over.’ Omdat Ernest Hemingway door zijn aanhang papa genoemd wordt heet dat hoofdstukje Papa kissed a gun.
Dat Auke Hulst dat huis kan bezoeken dankt hij aan Jon Maksik, een gepensioneerde rector. Die mens is van mening dat Hemingway als schrijver onderschat wordt. Hoezo onderschat? Wat volgt zou niet misstaan in mijn reeks ‘Leren schrijven met…’. Maksik ‘beschrijft een scène uit The Sun Also Rises, waarin verteller Jack Barnes een Spaanse kathedraal binnengaat, diep in gedachten over zijn gezelschap, stierengevechten en zichzelf. Weer buiten, vertelt Barnes “waren mijn vingertoppen en mijn duim nog vochtig, en ik voelde ze drogen in de wind”. ‘Niet één keer heeft Hemingway het over wijwater,’ zegt Jon. ‘Het is allemaal suggestie. Het zit allemaal onder het oppervlak.’
Flor Vandekerckhove


(°) Auke Hulst. Laatste halte: Milledgeville. In DSL, 6 juli 2018. 
(°°) Auke Hulst. Motel Songs. Ambo/Anthos A’dam. 2017. 290 p.

donderdag 9 augustus 2018

Huis te koop


’t Is iets wat ik niet graag doe, want ze is niet erg geïnteresseerd in mijn verhalen, maar toch beslis ik om er mijn vrouw bij te betrekken. ‘Kom’, zeg ik, ‘ik heb een getuige nodig’.
Ze wil me wel vergezellen, zegt ze, maar niet voor ze daar klaar voor is. Tegen die tijd is ’t donker.
Onderweg vertel ik haar over de autopech die ik daar had en ook over die keer dat ik het huis heropzocht. Daarop zegt ze: ‘Je bent weer een verhaal aan ‘t verzinnen hé’.
Ze wordt pas echt geïnteresseerd als ik de auto vlak voor het huis parkeer. Het ziet er anders uit dan de vorige keren, vind ik, en de toegangspoort is dicht. Samen kijken we naar het opvallende bordje For sale dat prominent aan het hek hangt.
‘Je hebt me niet gezegd dat het te koop staat’, zegt mijn vrouw, half vermoedend dat we hier staan omdat ik mijn zinnen op de koop gezet heb. Ze zegt: ‘Wat zouden wij met zo’n groot huis aanvangen?
Voor de rest is daar niets te zien wat op mijn avonturen wijst. Mijn suggestie om over het hek te kruipen wijst ze resoluut af: ‘Kom, we gaan.’
Op de terugweg malen de gedachten me door het hoofd. Is dat niet vreemd, zo’n Engelstalig bordje For sale op een huis in Vlaamse velden, en zonder telefoonnummer waarnaar je kunt bellen?
Nauwelijks honderd meter verder moeten we stoppen om koeien door te laten die van de ene naar de andere wei verplaatst worden. In ‘t pikkedonker! De oude boerin die de dieren begeleidt roept me in ’t licht van mijn koplampen toe: ‘Het leven dient zich aan als een ontzaglijke opeenhoping van spektakels.’
Ik begrijp niet helemaal wat ze zegt en knik haar vriendelijk toe, maar tegelijk slaat de schrik me om het hart. Zeker weten doe ik het niet, maar ik denk dat ik in die boerin de oude vrouw herken die me al twee keer naar de schuur van het huis begeleid heeft. Ik beslis er mijn ongelovige vrouw maar niets over te zeggen.
De tocht naar het huis heeft haar nergens van kunnen overtuigen. ‘Je bent het slachtoffer van je eigen fantasie’, zegt ze. ‘Maar ik begrijp wel hoe ’t komt. ’t Staat goed uitgelegd in het boek dat ik aan ’t lezen ben.’
Ze steekt me De spektakelmaatschappij in handen. Ik sla het boek open en lees het eerste aforisme: ‘Het gehele leven van de samenlevingen waarin de moderne productieverhoudingen heersen, dient zich aan als een ontzaglijke opeenhoping van spektakels…’
Ik krijg het er koud van. ‘Is dat niet exact hetzelfde als wat die oude boerin ons zei?’ vraag ik.
‘Hou toch op,’ antwoordt mijn vrouw, ‘schrijf nu maar gauw dat verhaal, zodat we ervan af zijn.’
Flor Vandekerckhove

(Vervolgt)

dinsdag 7 augustus 2018

Don Quichot, de film, het essay

Het is du jamais vu! Nooit eerder, in mijn toch al lange carrière als filmconsument, heb ik het mogen meemaken dat ik alléén in de zaal zit. Dat komt doordat we ons op dat moment in de hittegolf bevinden en da’s slecht weer voor cinema-uitbaters. ’t Komt ook doordat The Man Who Killed Don Quixote (°) slechte kritieken krijgt, terecht.
Ik zou de film niet eens vermelden ware ’t niet dat hij een kapstok is om iets over een essay te vertellen dat Don Quichot probeert te duiden. (°°)
Het personage van Michel de Cervantes is het product van een tijdperk waarin twee tegenstrijdige productiewijzen naast elkaar bestaan: Het systeem van feodale uitbuiting, dat al minstens sinds de 14e eeuw in ontbinding was, stierf maar niet af (…) Tegelijkertijd werd de burgerlijke maatschappij maar niet definitief geboren, laat staan dat ze zich consolideerde. We zitten dus in de overgang tussen het stervende feodalisme en de eerste opkomst van het kapitalisme.’
In de publieke ruimte verschijnt Don Quichot als een feodale heer: hij bezit wapens en heeft dienstpersoneel. In de privéruimte zien we hem als een arme man die zijn schamele vermogen opsoupeert. Hij is niet in staat zich aan de op komst zijnde nieuwe tijden aan te passen.
Don Quichot leest ridderromans. Maar in het feodalisme bestond slechts het ene Boek, dat de waarheid en het eensluidende woord van God bevatte. Het kritische lezen, het vermogen om het oneens te zijn en de mogelijkheid om het boek te sluiten uit verveling bestonden niet : de lezer was geen vrij subject dat onafhankelijk tegenover het boek stond, maar een dienaar onderworpen aan een strikt liturgische lezing.’
Daardoor verwart Don Quichot die ridderromans met de realiteit en dat doet hij ook met de spitstechnologie die hij in de vorm van windmolens te zien krijgt: voor hem zijn het reuzen. De twee rivaliserende werelden die naast elkaar bestaan verklaren ook de dialogen tussen Don Quichot en zijn vermeende schildknaap: ‘Sancho blijft bijvoorbeeld onvermoeibaar aan de ridder vragen om een loon, waarop Don Quichot voortdurend antwoordt dat er in geen enkele ridderroman sprake van is dat schildknapen verloond werden. Sancho vraagt hem ook of dat loon, mocht hij het ooit krijgen, per maand of per dag betaald zou worden (…), en dringt op die manier een burgerlijke tijdslogica op aan het natuurlijke tijdsverloop van het feodalisme, waarin de relatie tussen meester en horige niet onderhandeld of opgedeeld werd, maar integendeel vastlag voor het leven.’
Er staat nog veel meer in het van marxistische finesses bulkende essay dat ik u, in tegenstelling tot de film, wel aanraad, maar net als de film had ook het essay minder pompeus mogen zijn. En korter.
Flor Vandekerckhove

(°) Terry Gilliam. The Man Who Killed Don Quixote. 2018. 132 min. 
(°°) David David Becerra Mayor. Het gramsciaans monster Don Quichot. In Lava nr 4. U leest het hier.

zondag 5 augustus 2018

’t Kan wreed waaien op de kaaien (1)

Onderstaande verhalen hebben een ontstaansgeschiedenis. Ze vinden hun oorsprong in mijn ‘vissersverhalen’ uit 2015-16.
Die ouwe verhalen schenken me geen voldoening meer. Al lang zoek ik naar een manier om ze te herschrijven. Die manier heb ik nu gevonden.
In oorsprong zijn die verhalen al kort en een aantal ervan zijn meteen als handpalmverhaal gepubliceerd. Toch vind ik ze allemaal te lang.
De oplossing heb ik gevonden in wat in ’t Engels a drabble heet, een verhaal van honderd woorden. Niet meer, niet minder. En je begrijpt dat elk woord telt. Net als deze inleiding die eveneens honderd woorden telt.
Flor Vandekerckhove




BalHet bal is voor ’t laatst doorgegaan in 1955, op de scheepswerf van Panesi, aan de Nieuwe Werfkaai in Oostende. Het daaropvolgende jaar weigeren de vissers om de scheepsbouwers nog ten dans uit te nodigen. De arbeiders proberen wel om er alleen mee door te gaan, maar die poging mislukt deerlijk. Daarmee komt een einde aan het meest merkwaardige feest van de Oostendse vissersgemeenschap, Het bal der mannen, dat zijn oorsprong vindt in tijden waarin de jacht nog meester over de dingen is, de tijd waarin Ezau zijn eerstgeboorterecht nog niet verkwanseld heeft voor een bord soep, linzensoep nog wel!



MieteHet schip kwam nimmer weer. Miete Delanghe had daar niets mee te maken, maar de vissers dachten van wel. Zo verwierf Miete een kwalijke reputatie die haar evenwel geen windeieren legde. Ze liep nu dagelijks de Visserskaai af. Bij het horen van haar stem haastten de schippers zich om haar een handvol garnalen aan te bieden. Met die waar trok Miete Delanghe de stad in, waar de gevels haar schelle stem weerkaatsten. Omdat zij daar veel succes mee had werd haar roep door andere viswijven overgenomen. En daardoor komt het dat haar woorden alom te horen waren: Vasche gernoas zie!



Oog — ‘Ze is een vat vol tegenstrijdigheden,' zegt de dichter. Het oog van de storm blijkt dus een vrouw te zijn. ‘Ze is een wandeling op het scherp van de snee’ zegt hij, ‘een tehuis voor oude mannen die hun tanden op de liefde stukgebroken hebben.' Ik kijk hem met grote ogen aan. 'Stel je een plek voor', zegt de dichter, 'waar het warm en veilig is; stel je een mooie vrouw voor die zegt: kom binnen, ik ben je schuilplek voor de storm.' Maar, voegt hij er bezwerend aan toe: 'Ga niet al te licht binnen in die goede nacht.’



Hope — Rond haar hing de weeë geur van garnalen. ‘Ik ken je’, had ik gezegd, ‘jij bent Hope van de viswinkel.’ We raakten in gesprek en het was aan ’t dagen toen we naar haar flat trokken. We probeerden te vrijen, maar dat ging niet goed omdat ik in slaap aan ’t vallen was. Al gauw volgde een gevangenisdroom. Toen ik de openstaande celdeur ontwaarde greep ik mijn kans en sloeg op de vlucht. Althans, dat probeerde ik, want hoe hard ik ook liep, ik geraakte nog geen meter dichter bij de deur die zich intussen alweer aan ’t sluiten was.

(Er staat al een volgende reeks ‘verdrabbelde vissersverhalen’ in de blog: klik hier.)

vrijdag 3 augustus 2018

Zeg het met drabbles

— 2016 — Flor Vandekerckhove leest zijn vissersverhalen voor in De Grote Post Oostende. (Foto: ofwel Jo Clauwaert, ofwel Benny Blasé't Is te lang geleden, ik weet het niet meer.)   

In 2015-16 toerde ik ’t land rond. Op podia, groot en klein, declameerde ik mijn vissersverhalen. Bij zo’n tour hoort normaliter een boekje dat te koop aangeboden wordt. Dat is er niet van gekomen.
Daar prijs ik me nu gelukkig om. Op het podium bekken die vissersverhalen wel lekker, maar in de beslotenheid zijner woning laten ze de schrijver onbevredigd achter. Te uitleggerig, te expliciet, te lang, te anekdotisch… Dat wil je niet op papier vereeuwigd zien.
Al lang probeer ik die cyclus naar een hoger niveau te tillen. En nu heb ik een vorm gevonden die eindelijk bevredigende, zelfs merkwaardige resultaten oplevert: de drabble.
Drabble is een Engels woord dat Google vertaalt als krabbel, maar als literaire term (nog) geen Nederlands equivalent heeft. Ook in Duitsland, Frankrijk en Spanje, leert Wikipedia, zegt men trouwens drabble.
Het is de bende achter Monty Python die het woord voor ’t eerst een literaire betekenis geeft. In Monty Python’s Big Red Book (1971) is drabble een gezelschapsspel waar je als winnaar uitkomt als je er als eerste in slaagt een roman te schrijven. Het reglement bepaalt dat honderd woorden volstaan, oftewel: Monty Python in zijn goeie doen. De Birmingham University SF Society gaat vervolgens met de term aan de haal en ordonneert dat een drabble altijd honderd woorden lang is, niet 99, niet 101, exact honderd, titel niet inbegrepen. Een drabble is bijgevolg een extreem kort handpalmverhaal dat aan die strenge honderd woorden regel voldoet.
Ik begin met de vorm te experimenteren en constateer dat het niet voor de hand ligt om een verhaal in exact honderd woorden verteld te krijgen. Je wikt en weegt, alle anekdotiek gaat richting papiermand, schoonschrijverij is contraproductief, hele paragrafen maken plaats voor de korte suggestie van één woord. Waardoor… de onbevredigende vissersverhalen uit 2015-16 onverwachts een vorm krijgen die er waarlijk mooie verhalen van maakt. Is dat niet wonderlijk?
Ik schaaf er nog een beetje aan en als ze klaar zijn laat ik ze op Rome en de wereld los, zodat ook u kunt nagenieten van de verbeelding die de visserij destijds in mij opgeroepen heeft. U zult zien dat ’t wreed kan waaien op die kaaien.

Flor Vandekerckhove

woensdag 1 augustus 2018

Het huis heropgezocht


Terwijl ik een gedicht van Vachel Lindsay aan ’t vertalen was, kwamen de gebeurtenissen in alle hevigheid terug: ‘Dit is voor de middernachtelijke rakkers, / Die de tronen knagend wegknagen.’ Die middernachtelijke rakkers lieten me meteen weer aan het huis denken dat ik in paniek ontvlucht was. Dat ik die gebeurtenis met het verhaal Autopech van me af had kunnen schrijven, bleek wishful thinking te zijn.
Omdat er van slapen toch niets meer in huis zou komen, stapte ik in de auto en reed het parcours af dat ik ook die nacht had afgelegd. Het kostte me nauwelijks moeite om het huis weer te vinden. Ik reed nog een kilometer verder, parkeerde de auto uit het zicht en keerde te voet terug.
Weer ging ik de lange oprijlaan op, weer klopte ik op de voordeur en weer herkende ik de oude vrouw die ook toen de deur geopend had. Weer gaf ze me geen kans om iets te zeggen en weer nam ze me mee naar de schuur. Weer wees ze me de plek aan waar ik kon overnachten en weer ging ze weg. De tekens logen niet: dit bood me de kans om aan Autopech een vervolg te breien.
Een peertje gaf licht genoeg om de vier wielen te zien liggen. ‘t Waren overduidelijk de mijne. Erbovenop lagen een achteruitkijkspiegel en twee zijspiegels, een voor elke autodeur. Had ik met malafide sjacheraars te maken die auto-onderdelen in ’t zwart verkochten? Verbouwden ze hier auto’s?
Door een kier zag ik dat de bewoners weer het kampvuur aan ’t opstoken waren. Ik wachtte tot ze zich in de kring verzameld hadden en sloop stiekem weg uit de schuur. Behoedzaam opende ik de achterdeur van het huis en ging naar binnen.
Dat had ik niet mogen doen, want niet iedereen had zich al rond het vuur verzameld. Ik had de deurklink nog vast toen ik al een schim ontwaarde die zwijgend en dreigend op me afkwam. Eerst herkende ik er de oude vrouw in, maar een tel later transformeerde de schim zich in een jonge vrouw die me de stuipen op het lijf jaagde.
Net zoals ik dat de vorige keer gedaan had liet ik de boel de boel en stormde weer naar buiten. Via een grote boog rond het kampvuur maakte ik dat ik van het erf wegkwam.
Ik kwam bij m’n auto, startte de motor en reed terug naar huis. Toen ik de wagen achterwaarts in de garage wilde parkeren, zag ik tot mijn ontstentenis dat de achteruitkijkspiegel weg was en de zijspiegels van de portieren eveneens.

Flor Vandekerckhove



maandag 30 juli 2018

Sigaretje voor de gele trui

— Staf Van Slembrouck (1902-1968) draagt de gele trui in de Ronde van 1926. Hij wacht niet tot na de rit om er een op te steken. —   

Elk jaar, wanneer de renners een punt achter de Ronde van Frankrijk zetten, wordt het mij zwaar te moede. De zomer is, besef ik dan, half voorbij en het aftellen naar donkere tijden kan beginnen. Elk jaar ontwerp ik strategieën om de alzo ontstane tristesse te counteren. Tevergeefs, want nooit staat hij stil, de tijd, altijd gaat hij verder.
Dit jaar probeer ik de tour-de-france-tijd te rekken door er een stukje aan te breien over een plaatselijke wielerheld.
Ik heb het niet over de Bredenaar Marcel Seynaeve die inderdaad ook aan de Ronde deelgenomen heeft. Over Marcel heb ik hier immers al iets geschreven. Heden onderhoud ik u over de Oostendenaar Gustaaf Van Slembrouck, de man van drie (elders lees ik vijf) tourdeelnames. 
In deze van 1926 haalt hij het einde niet, maar in dat jaar draagt hij wel zeven dagen lang de gele trui. Die omgordt hij na winst in een van de langste etappes ooit: 433 km! Dat getal is zo indrukwekkend dat ik 1 & ander opzoek, het betreft de rit Metz-Duinkerke, de afstand klopt.
De foto toont het al: Staf is een fenomeen. Bekend is deze anekdote. Tijdens een koers ontsnapt hij uit de kopgroep. Als zijn voorsprong groot genoeg is, gaat hij in ‘t gras zitten om er eentje op te steken. Hij zit er nog als het peloton passeert.
Van Slembrouck baat bij leven en welzijn een fietswinkel uit. Zijn stadsgenoot Omer Vilain beschrijft die tijd: ‘Rond zijn dorpel hingen altijd jonge kerels, die al zijn wedervaren over de Pyreneeënritten uit zijn mond wilden horen vertellen. Dat deed hij graag.’ Zelf heeft Vilain ook naar Staf geluisterd: ‘Hoe hij eens in de Pyreneeën met een gebroken fiets staande, onmiddellijk voor de kinderfiets van een jongetje dat voorbijreed, 500 fr. wilde betalen, maar dat het jongetje antwoordde: ‘Wat moet ik met dat geld doen?’ (°)
Nergens wordt de opgave van Staf in de Ronde van 1926 zo plastisch beschreven als in ‘De Enige Echte Nederlandse Rooms-Katholieke Wieler Blog’ van Fabio Farelli : De etappe van Bayonne naar Luchon wordt de verschrikkelijkste ooit genoemd. Bij de start, rond middernacht, regent, hagelt en sneeuwt het. IJskoud was het. Wegen waren niet meer als dusdanig herkenbaar, de modder lag lagen dik. In die omstandigheden werden de renners vijf cols opgestuurd. de Aubisque, de Tourmalet, de Aspin, de Peyresourde, die vijfde kan Fabio niet achterhalen.' [schrijft Fabio zelf hé.]
‘Lucien Buysse valt aan, d'n Staf reageert en moet er met bandbreuk weer vanaf. Met zijn bevroren vingers kreeg hij de tube niet van de velg. Een Engelbewaarder vermomd als vrouwtje brengt hem 'n bakske warm water waardoor hij zijn vingers kan ontdooien. Met 35 minuten achterstand kan hij de achtervolging weer in.’
‘Op de Tourmalet is het zo erg dat hij van z'n fiets moet en er simpelweg niet meer opkomt. Hij wil opgeven maar wordt door Henri Desgrange, als gele trui-drager, verplicht om door te gaan. Staf gooit zijn fiets voor de automobiel van Desgrange en gaat er bij op de grond liggen met de roemruchte woorden "Rij mij maar steendood, nondedju, dat 't gedaan is!" Die dag verliest d'n Staf de gele trui en de Tour aan Lucien Buysse.’
Er waren toen wel meer verstokte rokers in het peloton. Daarvan getuigt onderstaande foto. Maar zelfs in de jaren zeventig waren koers en roken nog met elkaar verenigbaar, wat blijkt uit de advertentie die Eddy Merckx volgende woorden in de mond legt: ‘Ik heb naar een sigaret gezocht met weinig nicotine en teer, maar die toch smaak heeft. Daarom heb ik besloten op R6 over te gaan.’ Of Merckx daarvoor Gaulloises dan wel Groene St. Michel zonder filter rookte is me niet bekend.
Flor Vandekerckhove

(°) Omer Vilain in Langs ’t hard zand. Kleine Oostendse histories. 166 p. Uitg. Heemkundige kring De plate. 1973.

— De Ronde van 1927. Van Slembrouck geeft in het peloton een vuurtje aan collega Maurice Geldhof. De roker links is Julien Vervaecke. Die wordt dat jaar derde in het eindklassement. Geldhof wordt tiende en Van Slembrouck veertiende. —