zaterdag 21 juli 2018

De coiffeur van James Ensor en ook van mij

— Duinenstraat Bredene. Nu is 't daar
een tattooshop, maar in mijn prille
kindertijd was 't een kapperszaak. —
Nu is daar een tattooshop, maar in mijn prille kindertijd was ’t een kleine kapperszaak. Die werd uitgebaat door François Van Outryve, door ons ’t coiffeurtje genoemd. Ik herinner me die mens en na enig doordenken herinner ik me ook zijn echtgenote; een ouder koppel, aan het einde van het actieve leven.
François Van Outryve was onze buurman en hij was mijn eerste coiffeur. Ik herinner me dat de mij opgelegde coupe en brosse heette, kort geknipt haar dat achterover werd gekamd. Mede door een ietwat pijnlijk aangebrachte harde zeep bleef het borstelig rechtstaan.
’t Coiffeurtje was een minzaam man. Van hem kreeg ik regelmatig kapotte spullen cadeau, door mijn moeder brol genoemd, maar waarmee ’t wel leuk spelen was. Ronduit indrukwekkend was de filmprojector die hij me schonk, inclusief filmpjes die de projector helaas niet weer oprolde, zodat de vloer na ’t bekijken van zo’n filmpje vol pellicule lag. Al die filmpjes toonden beelden uit de kolonie, want ’t coiffeurtje had een zoon die missionaris (geweest?) was.
Die zoon herinner ik me niet, maar doordat hij memoires gepubliceerd heeft, weet ik dat hij Lucien heette. Die memoires bevinden zich hier in het Oostendse stadsarchief.
Enkele dagen geleden wees Luc Blomme me erop dat François Van Outryve zich de coiffeur van James Ensor mocht noemen. Ten bewijze voegde hij er een kopie van een tekening bij, een zelfportret van Ensor waarin deze de lof van ’t coiffeurtje bezingt: François Van Outryve possède plusieurs mains pour raser, peigner, arroser, frictionner, bouchonner, étriller, doucher, asperger, torchonner le Br.James, son client récalçitrant et content.’ En getekend door de meester zelve.
De baron kwam uiteraard niet naar de Duinenstraat in Bredene om zich te laten bijknippen. Dit is wat de memoires van Lucien Van Outryve me daarover leren: Ik ben geboren in de Langestraat 44 op 9 December 1923 op de plaats waar nu het Europacentrum staat. (…) Er waren dancings, cinema’s, er werd al eens een robbertje gevochten, maar alleen 's nachts, en meestal zonder veel schade. En het was een handelsstraat, toch zeker van het Kursaal tot de Capucijnenstraat. Mijn vader was er kapper, dames en heren, en verdiende de kost voor zeven monden, want na mij kwamen er nog vier meisjes bij.’ Het is daar, in de Oostendse Langestraat, dat 't coiffeurtje Ensors haar mocht knippen. Betalen deed de baron, minstens één keer, in natura.
Luc Blomme kreeg de kopie pakweg veertig jaar geleden van zijn schoonzus, een verpleegkundige die in Brugge een Van Outryve placht te verzorgen. Zegt Luc daarover: ‘In die tijd waren fotokopieën uitsluitend zwart/wit, maar Van Outryve had de kopie achteraf zelf zo getrouw mogelijk ingekleurd.’
Enter Karel Mestdagh, zoon van Francine Van Outryve die destijds in de Duinenstraat mijn — toen al volwassen — buurmeisje was: De tekening werd inderdaad door James Ensor gemaakt voor mijn grootvader. Ensor was regelmatig klant, en mijn moeder vertelde met trots dat ze nog op zijn schoot had gezeten. De originele tekening heeft na de dood van mijn grootvader altijd bij nonkel Lucien aan de muur gehangen. Lucien deelde ook met groot enthousiasme kopieën van de tekening uit. Mijn broers, mijn zus en ikzelf hebben er allemaal een hangen. Toen nonkel Lucien naar het woonzorgcentrum verhuisde heeft hij het origineel aan zijn jongste zus Liliane gegeven. Het hangt nu in de inkomhall van haar huis in Somerset, Kaapstad Zuid Afrika, waar ze al vele jaren woont.’
Flor Vandekerckhove


vrijdag 20 juli 2018

Tom Paine & Bob Dylan

— Tom Paine en Bob Dylan. —
In een van zijn Dylanboeken (°) heeft Greil Marcus het over twee manieren om een Dylansong te interpreteren. De passage is interessant omdat ze op meer dan alleen maar songs toegepast kan worden, en op meer kunstenaars dan alleen Dylan.
Hij haalt het voorbeeld aan van As I Went Out One Morning. Alan Jules Weberman heeft dat lied een welbepaalde betekenis gegeven: de song houdt verband met een diner waarop aan Dylan de Thomas Paine Prijs uitgereikt wordt. In zijn dankwoord veroorzaakt Dylan daar veel ophef, omdat hij zegt dat hij begrip kan opbrengen voor Lee Harvey Oswald, moordenaar van John Kennedy. Dylan wordt ervoor uitgejouwd. Volgens Weberman zegt Dylan in die song eigenlijk dat hij er niet van houdt om uitgejouwd te worden.
Marcus hoort iets anders: ‘Ik hoor in die song soms een vluchtige reis doorheen de Amerikaanse geschiedenis; de zanger wandelt in een park, komt naast een standbeeld van Tom Paine te staan en stoot daarbij op een allegorie: Tom Paine, symbool van vrijheid en revolte, in tekstboeken en door comités van standbeelden ingelijfd als patriot, en nu in die rol als geweldenaar van een meisje dat de vrijheid tegemoet rent — geketend, naar het zuiden, de bron van vitaliteit in Amerika, — weg van Tom Paine.’ De betekenis van het lied wordt dan volgens Marcus: ‘We hebben onze geschiedenis op zijn kop gezet; we hebben onze eigen mythes geperverteerd.’
In de daaropvolgende paragraaf zegt hij: ‘Nu zou het verbazen mocht dat ook in Dylans gedachten geweest zijn toen hij de song schreef. Dat is de kwestie niet. De kwestie is dat Dylans songs kunnen dienen als metaforen die ons leven verrijken, door ons als bij toeval inzicht te bieden, zowel in de mythes die we met ons meedragen, als in het leven dat we leiden, metaforen die versterken wat we al weten en ons leiden naar plekken waar we eerder nooit naar keken, terwijl ze tegelijk die percepties emotioneel versterken door de kracht van de muziek die met de woorden meebeweegt.’
Webermans manier is, zegt Marcus ‘logischer, meer lineair, en misschien zelfs correcter, maar ze steriel. Mijn manier is geen antwoord, maar een mogelijkheid, en ik denk dat Dylans muziek over mogelijkheden gaat en niet over feiten, net als een standbeeld niet de besteding van publieke fondsen is, maar de toegangspoort tot een visie.’
Flor Vandekerckhove


(°) Greil Marcus. Bob Dylan by Greil Marcus. Writings 1968-2010. Uitg. PublicAffairs, USA. 537 p.

woensdag 18 juli 2018

Geloof me nóóit


Om de zoveel jaar loop ik een jeugdvriendin tegen het lijf. We nuttigen dan een koffie en halen ouwe koeien uit de sloot. Dat zijn er nogal wat, want we gaan al een hele tijd mee.
Tijdens onze jongste ontmoeting vraag ik haar of ze nog altijd zo’n injectiespuit op zak heeft. Die herinner ik me van een vorige koffie. Ze had me toen over hartproblemen verteld, die acuut geworden waren tijdens een verre voetreis. Daar was ze ternauwernood aan de dood ontsnapt door een spuit die recht in haar hart geïnjecteerd moest worden. Sindsdien had ze altijd zo’n spuit op zak.
Terwijl ik haar daaraan herinner trekt ze grote ogen. Er is iets met het hart ja, en in geval van nood is er een pilletje. Maar een spuit? ‘Jij weet zeker niet wat dat inhoudt, zo’n spuit in je hart steken?’ vraagt ze lachend. Voor de zoveelste keer wordt ’t mij duidelijk dat je mij nóóit mag geloven als ik me iets meen te herinneren. De injectiespuit verdwijnt weer in de krochten van mijn wankele geheugen en we spreken over iets anders.
Enkele dagen geleden kijk ik voor de zoveelste keer naar Pulp Fiction, het onvolprezen meesterwerk van Quentin Tarantino. Voor de zoveelste keer geniet ik van de scène waarin huurmoordenaar John Travolta en gangsterliefje Uma Thurman de twist dansen.
Niet veel later volgt de scène waarin dat gangsterliefje door een overdosis geveld wordt en ei zo na het tijdelijke met het eeuwige wisselt. Om haar te redden moet Travolta een dosis adrenaline recht in 't hart steken.
Opeens valt mijn frank. Niet mijn vriendin, maar Uma Thurman kreeg een spuit in ’t hart geïnjecteerd. Ik heb die twee met elkaar verwisseld.
Hoe is ’t mogelijk? Die vriendin gelijkt geenszins op Uma Thurman, ze houdt zich ver van de drugs en voor zover ik weet houdt ze zich ook ver van ’t gangstermilieu. Hoe heb ik die twee dan met elkaar verwisseld?
Alzo nadenkend valt mijn frank voor de tweede keer — wat merkwaardig veel is in zo’n korte tijd. Ha, denk ik, ’t komt natuurlijk door die twist. In de sixties hebben wij die ongetwijfeld samen gedanst. In mijn geheugen heeft Thurman zich daartussen gewrongen en van de weeromstuit neemt mijn vriendin de plaats van Uma in tijdens de injectiescène van de film. Ja, zo moet ’t gegaan zijn en… se non è vero è ben trovato
De scène plaats ik hieronder, je moet maar eens kijken.
Flor Vandekerckhove





maandag 16 juli 2018

Ode aan de muizen

— Vachel Lindsay —
De Amerikaanse dichter Vachel Lindsay schreef Here ’s to the mice in 1915. Het gedicht staat in een recent heruitgegeven bundel. (°) Kopen hoeft niet, want heel dat boekje kun je hier ook gratis & voor niets beluisteren. Dat komt doordat de gedichten tot het publieke domein behoren, ze zijn van u en mij.
Wie het beluisteren van een hele dichtbundel iets teveel van ‘t goede vindt, kan nog elders terecht, want daar kun je dat ene gedicht horen en alleen maar dat.
Dat je die verzen kunt beluisteren meld ik niet zomaar, Vachel Lindsay was immers van mening dat gedichten gezongen moeten worden, of gechant. In die opnames is daar niet veel van te horen, vind ik, maar ’t is dan ook niet Lindsay zelf die ze declameert. Spijtig, want ‘s mans foto bij dit stukje geeft ons een idee hoe hij daarbij tekeer kon gaan.
De zin die boven het gedicht tussen haakjes staat is van Vachel Lindsay zelf. Dat hij hoopt dat de socialisten alsnog koningshuizen gaan onttronen lijkt vandaag ietwat van de pot gerukt, maar in 1915 was het dat al veel minder. In die tijd sleepten vorstendommen — Kaiser and Czar — miljoenen mensen de dood in, en toen moesten ook de socialistische teerlingen inderdaad nog geworpen worden.
Heeft het zin om dat gedicht vandaag in herinnering te brengen? Wel zeker, er zijn nog altijd muizen aan ’t werk. Je ziet ze niet, maar ze zijn er wel.

Flor Vandekerckhove




(°) Vachel Lindsay. Chinese Nightingale and Other Poems. 2005 (oorspronkelijk in 1917). Uitg. Bibliolife. 140 p.
Aangezien het werk van Lindsay tot het publieke domein behoort zijn al de gedichten van deze bundel ook gratis te lezen en te downloaden op http://www.gutenberg.org/ebooks/592.

zaterdag 14 juli 2018

En route

(Foto Michiel Hendryckx)

De tram zit vol volk dat tijd zat heeft en toch gehaast is. Een vrouw eist een zitplaats op, want ze is tachtig. Een vrouw weigert haar plaats af te staan, want ze is zeventig. Een jongen kijkt op zijn telefoon naar schoenen die hij wil kopen, waarna een gesprek volgt over schoenen die je kunt kopen. Velerlei plastic muziekjes laten weten dat er berichten zijn. Ik richt de blik naar buiten, maar mijn oren blijven helaas binnen. Kinderen blèren, ouderen klagen want ze zijn tachtig of zeventig, ijzer schuurt op ijzer, mannen grommen, vrouwen grommen een octaaf hoger, kinderen grommen zoveel octaven hoger dat het joelen heet. Een vrouw roept dat haar tas tussen de deur zit en dat alles kapot is.
Ik heb er genoeg van. Als de tram stopt stap ik uit. En zo komt het dat ik me onverhoeds in Blankenberge bevind. Uit de tram breng ik mijn slecht humeur mee. Dat die stad veel weg heeft van een overvolle tram helpt ook niet.
Ik trek me terug in een expositieruimte. Daar hangt werk van Michiel Hendryckx (°1951) die mij ooit, en wel hier, in mijn jonge doen gefotografeerd heeft.
Die mens is, lees ik, rusteloos, altijd in beweging. Op reis, ook in zichzelf. Voor altijd, en route. ‘t Is iets wat ik met hem gemeen heb, zij het dat mijn route kleinschaliger is.
De fotograaf, zegt de tekst ook, rijdt graag verloren. Zelf loop ik al verloren om de hoek. Hendryckx is een kosmopoliet, ik ben een dorpeling.
Vanaf zijn pensionering ‘maakt Hendryckx alleen nog de beelden die hij – bij manier van spreken – in zijn huis graag aan de muur wou zien.’ Ik heb dat ook, ik schrijf alleen nog stukjes die ikzelf graag lees.
Michiel en ik groeien op aan de kust. We delen ervaringen van die streek, zoals deze die ik van zijn website pluk: ‘De klapdeur tussen het restaurant en de keuken was de grens tussen het hoofse en het vulgaire. De klanten werden in de keuken met de meest gortige bewoordingen omschreven en eens de klapdeur voorbij, was er van die commentaar niets meer te merken.’ Ons moet ge geen muilen leren trekken.
Ik bekijk de foto’s. Ik weet niet of hij ’t graag zal lezen, maar hij bekijkt de dingen op een surrealistische manier. Ik wil ’t niet dikker maken dan het is, maar veel van die beelden laten me aan René Magritte denken. Hieronder confronteer ik enkele werken van die twee met elkaar.
Daarna moet ik de tram naar huis nemen. Deze keer valt de rit valt me niet zwaar. Dat komt door de foto’s die ik gezien heb. Of door het ijsje dat ik daarna genuttigd heb, dat kan ook.
Flor Vandekerckhove

Michiel Hendryckx. En route. Nog tot zondag 30 september in De Meridiaan, Casinoplein 9 in Blankenberge. Er is een kleine, fijne catalogus te koop: 15 €. Op 14 augustus is er om 19 uur een meet & greet met de fotograaf.

(— Telkens: links Magritte, rechts Hendryckx. —)

donderdag 12 juli 2018

Waar is Sokètje (II)

— 1965 in Nijlen. Sokètje is nummer 4. — 1. Chris Stuyts (†); 2. Marc Loy; 3.Gilbert Boey; 4. José (?) Decraemer a.k.a. ‘Sokètje’; 5. Ivan Schamp; 6. Roland Vanmassenhove; 7. Jan Vangeluwe; 8. Koenraad Levecke (†); 9. Flor Vandekerckhove; 10. Lucien Leroy; 11. Erik Poppe; 12. Willy Versluys; 13. Hugo Pauwels; 14. Danny Crabeels; 15. Bert Tas; 16. Serge Schout; 17. Paul Vangeluwe; 18. Lucien Geryl. —

Eind juni begin ik aan een zoektocht naar een makker waarvan ik me alleen de bijnaam herinner, Sokètje. Wie dat stukje leest zal niet verwonderd zijn dat ik hem niet gauw vind, want de gegevens zijn schaars. Toch valt al 1 en ander te rapporteren. 
Er zijn er wel meer die zich die jongen herinneren. Erik Poppe (op de foto onder nr 11): ‘Ik herinner mij Sokètje zeer goed: een bijzonder sympathieke gast die, zoals je terecht schrijft, zich direct in onze groep thuis voelde. Wat ik mij nog ‘t meest herinner is zijn fiets: bijzonder was dat die een soort ossenkopstuur had (nu is dat gemeengoed, maar toen absoluut een bezienswaardigheid). Met twee paar remmen! Op die manier kon hij altijd remmen, waar hij het stuur ook vasthield. Had hij zelf gemonteerd, weet ik ook nog. Volgens mij had hij zijn bijnaam te danken aan het Franse soquet, het gedeelte van de lamp. Waarom we hem die bijnaam gaven, weet ik niet, maar vermoedelijk had het met zijn technische vaardigheden te maken. Ik heb hem later niet meer gezien, want hij verdween even plots als hij gekomen was. Maar die ‘freins’ op zijn fiets ... ja, dat was toch geniaal.’ Ook Francine Kerkaert herinnert zich die jongen: Sokètje herinner ik me goed, hij woonde ergens aan het kapelletje. Ineens was hij daar en plots was hij weer weg.’
’t College, waar Sokètje school liep, doet ook een duit in het zakje, maar die duit helpt ons niet vooruit: Onze data worden "slechts" 30 jaar bijgehouden. Bijgevolg hebben wij geen documentatie / resultaten van leerlingen van 1968.’
Dan komt onverwachts dit briefje van Marc Loy (op de foto, nr 2): Misschien is er een lichtpuntje. Ik interviewde onlangs Patrick Moenaert, oud-burgemeester van Brugge. Als ik me niet vergis heeft hij Sokètje in Oostende als klasgenoot gekend.’
— José (?) Decraemer, a.k.a. Sokètje —
‘Spijtig’, zegt de oud-burgemeester, ‘maar ik weet alleen dat Sokètje plots overgewaaid kwam, ten hoogste tijdens de twee laatste jaren van de humaniora. Hij was een prima gast. Zijn naam ken ik niet meer. Maar…’ voegt hij eraan toe, ‘advocaat Danny Crabeels, ook van Bredene, kan u wellicht helpen.’ Enkele dagen later volgt er nog meer post van Moenaert: ‘De kwestie boeit me. Laat je me iets weten als je meer verneemt? Dank. Patrick.’
Die Crabeels (nr 14 op de foto) — ‘ook van Bredene’ — ken ik wel — godver ja, dat ik hem ken! — maar ik sta niet meteen te popelen om hem iets te vragen. De ervaring leert me immers dat hij bijzonder heftig op mij reageert. Bovendien weet ik dat hij momenteel Céline aan ’t lezen is, de absolute meester van de scheldpartij, reden te meer om voorzichtig te zijn. Maar kijk, terwijl ik de kwestie in beraad hou, komt zijn antwoord vanzelf. Ik redigeer dat een beetje, want hij schrijft, laat ons zeggen, nogal fragmentarisch: ‘Sokètje was thuis in Roeselare onhandelbaar geworden, en werd daarom naar Bredene gestuurd, waar hij in het huisje van weduwe Blanckaert verbleef, een familie van campinguitbaters. Zijn naam is Decraemer en zijn voornaam José, maar dat laatste ben ik niet zeker.’  
Vandaar dat ik mijn vraag — Waar is Sokètje? — kan verfijnen. Ik laat die thans wereldwijd als volgt weerklinken: Waar is (José?) Decraemer, door ons Sokètje genaamd? 
Als gij nu die vraag overneemt en erover begint te twitteren, mailen, skypen, instagrammen, chatten, posten, faceboeken, en er — waarom niet? — ook in real life over begint te lullen, dan bestaat er waarlijk een kans dat we Sokètje, die overduidelijk nog steeds in onze harten woont, thuisbrengen.
Op zo'n melige zin kan alleen een toepasselijk lied volgen uit de tijd dat Sokètje ervandoor ging. Generatiegenoten! Denk Sokètje in plaats van Jojo en druk nu op deze juke box knop.
Flor Vandekerckhove

P.S.: Mag ik u nogmaals verzoeken om aanvullingen et tutti quanti niet naar mij persoonlijk op te sturen, maar in een reactie, onderaan dit stuk te plaatsen. Dan heeft iedereen er iets aan hé.

dinsdag 10 juli 2018

Een schip vergaat, Honderden kijken machteloos toe

— In die tijd was de fotografie niet voldoende ontwikkeld om in zo’n weer op grote afstand plaatjes te schieten. Er werd beroep gedaan op tekenaars om de ramp te verbeelden. Dat resulteerde in deze naïeve prent waarin we links het scheepje zien en twee vissers die in de mast kruipen. rechts op de inzet, boven het Westerstaketsel, staat de foto van de omgekomen schipper De Groote. (Prent uit de collectie van wijlen Omer Vilain.) —   

Op 12 maart 1906 woedt er een verschrikkelijke storm over de kust. In zijn Groot Oostendsch Liedtboeck (°) beschrijft Jef Klausing die als volgt: ‘Het staketsel kwam bij het hoge tij onder de golven, de baren sloegen over de zeedijk, de visserskreek liep over: het water stroomde in de straten en liep tot in de handelsdokken.’
De rol die twitter vandaag speelt, werd toentertijd door liedzangers vervuld. Een van hen twitterde aldus: ‘Een wreed tempeest was moordend losgebroken / Bij menschen heugnis nooit ontstaan…’
Dat belette de Oostendenaars niet om te gaan kijken: ‘De mensen op de zeedijk zagen een visserssloep met het noodsein in de mast ten westen van de Stroombankboei, rechtover het Kursaal, die in grote nood verkeerde. Twee bemanningsleden waren in de mast gekropen. Intussen was het schip aan ’t zinken, een man viel uit de mast, de andere ging onder met het zinkende schip.' 
De toeschouwers verwittigden de reddingsdienst die… verstek liet gaan: ‘Het duurde tot 17,40 u., veel te laat, vooraleer de staatssleepboot met de reddingsboot op tui de haven verliet. Het vaartuig was onder de ogen van de honderden toeschouwers op de zeedijk, in het zicht van de haven, met man en muis vergaan. (…) Pas na enkele dagen kon men vaststellen dat het hier ging om de O.233 De Matigheid van eigenaar/stuurman Rudolf De Groote en dat er vijf slachtoffers waren.’ Vlak voor de ogen van de Oostendenaars waren Rudolf De Groote, Prosper Steenkiste, Pierre Vilain, Joseph Bly en Joseph De Coninck de verdrinkingsdood gestorven.
In mijn collectie knipsels vind ik een krantenstukje waarin de volkskundige auteur Omer Vilain aan de ramp herinnert: ‘Normaal gezien moest de reddingsboot bij zwaar stormweer stand-by liggen. Hierbij moest de bemanning ervoor zorgen dat er constant voldoende stoom op de ketel zat zodat het stoomschip —zo nodig— meteen kon uitvaren. Maar dit was nu duidelijk niet het geval (…) de mannen zaten in een café aan de Visserskaai.’ (°°) Het veroorzaakte de nodige commotie. De mannen van de staatssleepboot werden ontslagen.
Flor Vandekerckhove

(°) Jef Klausing. Het groot Oostensch liedtboeck. 1991. Uitg. Emiel Decock. 606 p.

(°°) Omer Vilain over de tijd van toen. Vissersboot verging voor de ogen van veel Oostendenaars. De Zeewacht. De datum ontbreekt; wellicht in de editie rond 12 maart 1996.

zondag 8 juli 2018

Vierenvijftig, vierenvijftig, vierenvijftig…

- Foto uit de collectie van
het museum Psychiatrisch
Centrum Dr. Guislain. -
In Gent woonde ik niet ver van het Psychiatrisch Centrum Dr. Guislain en dat centrum lag op de weg naar mijn werk. Ik passeerde er dagelijks. Aangezien ik in ploegendienst werkte was dat nu eens ’s morgens, dan weer ’s middags of ’s avonds.
’s Morgens en ’s avonds was het daar altijd muisstil, maar ‘s middags waren de patiënten in de tuin aan ‘t werk. Vanaf de straat kon je hen niet zien, want er was een hoge muur omheen die tuin gebouwd, maar je kon ze wel horen. Telkens ik de muur passeerde hoorde ik wel honderd man in koor zeggen: vierenvijftig, vierenvijftig, vierenvijftig…
Het rituele vierenvijftig herhaalde zich dagelijks: vierenvijftig, vierenvijftig, vierenvijftig… Ik had geen idee waar dat getal voor stond, en wat me eerst alleen maar nieuwsgierig maakte werd al gauw een kleine obsessie.
’t Was een hoge muur en ik kon er niet overheen kijken, maar ergens halverwege had ik een kijkgat opgemerkt. Respect weerhield me er lange tijd van om door dat kijkgat te gluren, maar het werd almaar moeilijker om me in te houden.
Dat ging zo door en door. Ik trok naar mijn werk en achter de muur hoorde ik altijd maar dat vierenvijftig, vierenvijftig, vierenvijftig…
Op een dag werd het me teveel. Toen ik weer aan dat kijkgat passeerde en weer vierenvijftig, vierenvijftig, vierenvijftig… hoorde, hield ik de pas in. Nadat ik me ervan vergewist had dat niemand toekeek, gluurde ik stiekem met één oog door het kijkgat.
Razendsnel stak iemand aan de andere kant een bezemsteel door het gat, vlak in mijn oog, en toen ik, danig geschrokken, betrapt, en met een pijnlijk blauw oog, maakte dat ik wegkwam, hoorde ik de patiënten aan de andere kant van de muur enthousiast roepen: vijfenvijftig, vijfenvijftig, vijfenvijftig…
Flor Vandekerckhove

De tentoonstelling Zomergasten loopt in Museum Dr. Guislain, Gent nog tot 23 september. Meer info hier.

vrijdag 6 juli 2018

Enric Marco: bedriegen als levenswijze

— Enric Marco (°1921): meester-bedrieger. —
De man die in 2001 voorzitter wordt van een Spaanse vereniging van overlevenden uit Duitse concentratiekampen blijkt daar tijdens WO II nooit geweest te zijn. Zijn kampervaringen heeft hij verzonnen. In 2004 wordt hij ontmaskerd.
Hij is daarmee niet aan zijn proefstuk toe. In 1978-79 wordt Enric Marco secretaris-generaal van de anarchistische vakbond CNT. Javier Cercas, die ’s mans levensloop beschrijft (°), vraagt zich af hoe dat mogelijk was. ‘Hoe is het mogelijk dat een man die tijdens het bewind van Franco niet alleen geen enkele bemoeienis had gehad met de CNT, maar ook niet met de rest van het antifranquistisch verzet en die vijfentwintig jaar in zijn garage opgesloten had gezeten en veertig jaar lang geen vinger had uitgestoken om het franquisme omver te werpen of om de omstandigheden van de arbeiders onder Franco te verbeteren (…) Hoe is het mogelijk dat zo’n man op zo’n belangrijk moment de controle kon krijgen over zo’n belangrijke organisatie, een anarchistische of anarchosyndicale vakbond die tijdens de veertig jaar van het franquisme verboden was, die vóór het franquisme de grootste vakvereniging van het land was en dat daarna ook weer wilde worden?’
— De oude Federica Montseny, ooit een anarchistische minister,
spreekt op 2 juni 1977 het van Franco bevrijde volk toe.
Op het spreekgestoelte was ze voorafgegaan door Enric Marco. —
Cercas ontrafelt de vele tegenstellingen waaruit die vakbond op dat moment bestaat: ballingen versus inheemsen / ouderen versus jongeren / anarchosyndicalen versus representanten van de tegencultuur / preciezen versus rekkelijken / hervormers versus revolutionairen / voorstanders versus tegenstanders van geweld. Marco, die nergens bij hoort, komt bij velen over als de enige die al die tegenstellingen kan overbruggen.
Dat hoofdstuk is voor mij om nog een andere reden interessant. Het maakt me duidelijk dat ik wellicht deel had uitgemaakt van die CNT. Na de clandestiniteit onder dictator Franco (1892-1975) zet de vakbond de deuren wagenwijd open, waardoor de organisatie een vergaarbak wordt van de meest uiteenlopende stromingen, facties en ideologieën: ‘Milieuactivisten, praatgroepen, homoactivisten, feministen, coöperatisten, aanhangers van de antipsychiatrie, belangenverenigingen van gevangenen, leden van de FAI (de Iberisch-Anarchistische Federatie), radencommunisten, anarchocommunisten, libertaire communisten, autonomen, radikalinski’s die in meerdere of in mindere mate voor geweld waren, drop-outs, trotskisten, leden van de Revolutionaire Arbeiders Partij, linkscommunisten, geïnfiltreerde leninisten, spontanisten, naturisten en zelfs christenen in schaapskleren’. Ja, ik zou in Spanje ongetwijfeld van dat zootje deel uitgemaakt hebben.
Op youtube staat een filmpje over de eerste publieke manifestatie van de CNT, die na de dood van Franco uit de clandestiniteit treedt. Op 2 juli 1977 stromen daarvoor in Barcelona minstens honderdduizend mensen samen. Het filmpje is van bar slechte kwaliteit, maar ’t is goed om er hier toch eens naar te kijken, omdat het je een idee van de tijdgeest geeft.
Na een inleidend strijdlied zien we de bedrieglijke Enric Marco die meteen het hoge woord begint te voeren. Na hem volgen José Peirats (1908-1989), de oude hoofdredacteur van de CNT-krant en de nog oudere Federica Montseny (1905-1994), de enige anarchiste die ooit mevrouw de minister genoemd kon worden.
Ja, ik zou die oudjes daar staan toejuichen hebben; want terwijl ik in het boek de CNT-passage aan ’t lezen ben, hoor ik mezelf luidop denken: godver ’t waren waarlijk vreugdevolle, wonderbaarlijke en hoopvolle tijden.

Flor Vandekerkhove

(°) Javier Cercas. De bedrieger. 480 p. Nederlandse vertaling Jos den Bekker. Uitg. De geus. 2017.

woensdag 4 juli 2018

Autopech (Het huis 1)


‘Geesten zijn de rafels en flarden van het leven van alledag, informatie die je verzamelt zonder te weten wat je ermee moet doen, kennis die je niet kunt verwerken, het zijn de kaarten die je uit de kaartenbak hebt gegooid, inktvlekken op het papier.’
Die woorden heb ik bij Hilary Mantel gesprokkeld. (°) Ik weet niet of het waar is wat ze daar zegt en dat geldt ook voor haar bewering dat elke woonst zo’n geesten herbergt. Wel heb ik een huis gekend waar krachten aanwezig waren die ik niet kon duiden. 
Ik was met de auto in panne gevallen. Ik kon hem nog laten uitbollen tot op de oprijlaan van een groot landelijk huis, en daar stond ik dan. Lege benzinetank.
Aan het geroezemoes te horen was daar veel volk. Ik klopte aan en een oude vrouw deed open. Ze nam me mee naar de schuur. Daar wees ze me een plek aan waar ik kon overnachten. Ik zei dat ik benzine nodig had, maar ze negeerde m’n vraag en keerde terug naar haar gezelschap.
In de schuur vond ik een jerrycan. De stop rook naar benzine. Ik nam mijn vondst mee naar buiten en werd daar geconfronteerd met een indrukwekkend groot kampvuur waarrond wel tien, twintig mensen zaten. Een onweer dat juist losbarstte scheen hen niet te deren en de plensbui kon evenmin beletten dat het vuur hoog oplaaide.
Ik herkende de oude vrouw. Ik maakte haar duidelijk dat ik de benzine ging gebruiken en gaf haar al het geld dat ik op zak had. Op hetzelfde moment doorkliefde een enorme bliksemschicht het gewelf, het was alsof de natuur de transactie bezegelde.
Ik slaagde erin om de benzine in de tank te gieten en startte de motor. Ik loste het koppelingspedaal. De motor blokkeerde. Ik probeerde het nog eens en weer blokkeerde de motor.
In mijn achteruitkijkspiegel zag ik hoe heel het gezelschap langzaam op me afkwam. Er ging een dreiging van uit en ik voelde hoe angst zich van me meester maakte. Tevergeefs probeerde ik nogmaals de auto te starten.
Ik opende het portier en liep vlug rond de auto. Ik geloofde nauwelijks mijn ogen toen ik zag dat de wielassen op houtblokken stonden; de wielen waren weg. Mijn angst sloeg om in paniek en ik ontvluchtte het huis.
Het was alweer aan ’t dagen toen ik de stad bereikte. Ik toog meteen naar de garage, waar ik uitlegde waar mijn auto stond. De garagist zou de wagen takelen en intussen toog ik met een vervangwagen naar het werk.
‘s Avonds vertelde de man me dat hij de auto gemakkelijk gevonden had. Neen, niet op de oprijlaan van een groot landelijk huis, gewoon langs de weg. Het takelen was een ingewikkelde klus geworden, zei hij, omdat iemand er met de wielen vandoor gegaan was.

Flor Vandekerckhove
(Vervolgt)
(°) Hilary Mantel in De geest geven. Vertaald door Gerda Baardman en Anne Jongeling. 2016. Uitg. Atlas Contact, A’dam/A’pen. 236 p.