dinsdag 18 juni 2019

Elk z’n goeienavond, Oostende bonsoir


Hoe zou ik mijn avonden doorbrengen, mocht ik de drank destijds niet laten staan hebben? Vaak heb ik me die vraag gesteld, en Arno heeft hem nu beantwoord. Hij formuleert dat antwoord in Oostende bonsoir, een prachtige song.
Oostende bonsoir portretteert niet alleen de stad — schoon maar triestig — maar verhaalt ook hoe een prille zeventiger zijn avonden drinkend doorbrengt. Zouden dat ook mijn avonden geweest zijn? Wellicht. Meer dan dat valt er misschien niet van te zeggen, want een roos is een roos is een roos (°). Daar tegenover staat dat Arno De Laatste Vuurtorenwachter niet is. De Langestraat is de Opex niet; de Chèvre folle is Zeemansverlangen niet; een rocker is geen eenling; en een songtekst is geen gedicht.
In een song ligt de nadruk op de melodie, in een gedicht is dat op de woorden; poëzie is literatuur, song is muziek. Ja, ik weet het: er zijn gedichten die je op muziek kunt zetten en sommige songwriters zijn tegelijk grote dichters, maar dit ene verschil zal niemand aanvechten: gedichten worden gedeclameerd, songs gezongen. En ’t is daar dat ik naartoe wil.
Mijn geliefde zou ’t me nooit vergeven mocht ik beginnen zingen. Ook daardoor kan mijn variante op Arno’s avonden alleen een gedicht zijn.
Laat me eens kijken. Het artwork dat Danny Willems aan Arno’s song toevoegt doet me beseffen dat ik in stijl zal moeten uitrukken. Uit de kast haal ik m’n pitteleir en m’n chapeau buse, ik trek de vuurtorendeur achter me dicht en trek de oostelijke strekdam op. Daar, op ’t einde, laat ik mijn stem over de golven bulderen, zodat hij de branding affronteert, de havengeul traverseert en aan de overkant arriveert, alwaar het gedicht, in de stad, hopelijk in goede aarde valt en u het verder verspreidt als ware het een lopend vuurtje.
Arno’s song kunt u daar op youtube beluisteren. Mijn gedicht is hier op de podcast te aanhoren.
Flor Vandekerckhove




(°) Dit verhaal werd in gang gestoken door een zin die Frank Vandekerckhove — Frank-in-America, geen familie — me opstuurde: ‘Een roos is een roos is een roos’. Frank heeft ooit een opstel onder die titel moeten schrijven en de zin is hem bijgebleven. Hij stuurt me die nu op in het kader van een experiment dat ik enige tijd geleden aanvatte. Daarbij vroeg ik de lezers of ze me een zin wilden geven. In ruil beloofde ik hun een verhaal. Meer erover staat hier. Je kunt trouwens nog altijd deelnemen en me je zin opsturen. (Maar Frank zal wellicht wel de meest verafgelegen afzender blijven.)  

Het antwoord dat 
De Laatste 
Vuurtorenwachter 
formuleert op 
Oostende bonsoir 
staat op de podcast. 
U kunt het beluisteren. 
Klik hier.

maandag 17 juni 2019

O Captain! My Captain!


De titel is van de Amerikaanse dichter Walt Whitman, maar zelf ken ik hem van in The Dead Poets Society. Hier gebruik ik O Captain! My Captain! als eerbetoon aan Pia Klemp, kapitein van de Iuventa.
Het is mijn oud-strijdmakker Rik De Coninck die me naar de kapitein leidt: ‘Het is het moment om iets over die Duitse Pia Klemp te schrijven. En wat een foto!’ Vooral dat laatste trekt me over de streep: wat een foto!
Het beeld werpt me terug in de tijd. Hoeveel keer heb ik niet soortgelijke foto aanschouwd: een schipper die in de kapiteinsstoel poseert; de troon van waaruit hij, altijd met een even rustige als zelfzekere blik, over schip en bemanning waakt — maar hier is hij een vrouw.
Het beeld herinnert me ook aan de katernen die Jo Clauwaert destijds voor Het Visserijblad maakte en waarin hij de tattoos van de Vlaamse vissers inventariseerde, wat resulteerde in een archief van meer dan honderd beelden met overdadig getatoeëerde zeemannen, in deze XXIste eeuw trots getuigend van die oude maritieme cultuur — maar hier is de getatoeëerde zeeman een vrouw.
’t Is niet toevallig dat ik telkens dat vrouw zijn benadruk, want er is iets wat me begint op te vallen. Het zijn de vrouwen die vandaag het roer in handen nemen. In de Verenigde Staten nemen merkwaardig veel vrouwen het op tegen Trump, en ik bedoel niet in de eerste plaats de talrijke madammen die zich in de Democratische Partij als presidentskandidaat presenteren, maar degenen die met gebreide, veelal roze, mutsen — pussy hats — de straat optrekken. Ook de Time’s Up movement die de achterlijke mores van Hollywood aanklaagt wordt geschraagd door vrouwen. Wie op youtube naar filmpjes kijkt van het verzet van Brazilianen tegen de superrechtse maatregelen van hun president, zal het ook opvallen: de vrouwen staan vooraan. In Europa zijn het de klimaatspijbelaars die door meiden aangevoerd worden: Greta Thunberg, Anuna De Wever & Kyra Gantois, Adelaïde Charlier … Wis & waarachtig: la femme est l’avenir de l’homme.
En er is ook Pia Klemp die op de meest letterlijke manier het roer in handen neemt. Zij leidt een schip dat in de Middellandse Zee mensen in nood gered heeft. Omdat het vluchtelingen betreft neemt de Italiaanse regering het schip in beslag en klaagt ze de Duitse Klemp (36) aan. In ’t slechtste geval staat haar 20 jaar gevangenis te wachten. Klemp stelt daartegenover dat het redden van mensen voor elke kapitein een plicht is.
Wie het, zoals Rik, voor kapitein Klemp opneemt, kan een petitie te haren bate tekenen. Wat inmiddels al 150.000 mensen gedaan hebben. Ik wil dat ook doen, maar de link die De Coninck me hier doorstuurt brengt me helaas niet verder. 't Schijnt, meldt men me, aan mijn browser te liggen. Probeer het eens met je eigen browser, zou ik zeggen.

Flor Vandekerckhove


Het zeer korte verhaal ‘Burgerzin’ 
past wel bij dit stukje over Pia Klemp, 
vind ik. 
Het staat in mijn bundel 
99 extreem korte verhalen 
voor beginners & gevorderden. 
Het gaat over echt gebeurde toestanden 
in de haven van Zeebrugge. 
Maar alle overeenkomsten 
met bestaande havenkapiteins zijn 
louter toeval. 
U kunt ernaar luisteren op de podcast. Hier !

zaterdag 15 juni 2019

In memoriam Joris De Voogt

— Joris De Voogt toont ons zijn collectie glasnegatieven. 
Ze dateren van 1860. (Foto Jo Clauwaert.) —
Op 28 december 2018 overlijdt Joris De Voogt (°27 maart 1953). Aan dat overlijden wordt hier ruchtbaarheid gegeven, maar dat is me destijds ontgaan. Dat ik er nu over schrijf komt doordat diens dochter, Hanna, in Joris’ archieven ontdekt dat hij ook in Het Visserijblad gepubliceerd heeft. Waarna ze contact met me opneemt.
Joris De Voogt werkt inderdaad vanaf 2011 mee aan het maandblad dat op het einde van 2013 ophoudt te bestaan. (°) De uitgeweken Bruggeling opent in 2009 een wijnbar in de Oostendse visserswijk Opex; Jo Clauwaert, vormgever, mederedacteur en fotograaf van het blad, wordt er klant. Moeiteloos overhaalt hij De Voogt om regelmatig een column te schrijven. In 2013 heet die Een praatje bij een plaatje. Waarin De Voogt telkens een foto van Clauwaert becommentarieert. Maar in 2011 staat boven Joris’ bijdrage Zio Gio vertelt, titel die de liefde van reisschrijver De Voogt voor Italië verraadt … en voor de wijnen die dat land produceert.
Hoe hij de integratie in de visserswijk ervaart, vertelt Joris in zijn eerste column.
In 2009 ben ik aangespoeld in de Vuurtorenwijk. Excuseer: op den Opex. Want dat heb ik intussen geleerd: Oostende­naars spreken nog altijd over den Opex. Als ex-copywriter ben ik een taalfreak en zo heb ik geleerd dat je niet ‘in’ maar ‘op’ den Opex woont. Er bovenop dus. 
Anderhalf jaar geleden heb ik mijn wijnbar Zio Gio geopend. Heel den Opex verklaarde me zot. Ze hadden ook wel een beetje gelijk. Een wijnbar op den Opex! En dan nog uitgebaat door een aangespoelde Bruggeling. Stel je voor. In Oostende moet je niet al te luid zeggen dat je van Brugse komaf bent. Maar intussen woon ik er bijna twee jaar en ik vind den Opex een formidabele plek om te wonen. Het is een dorp in de stad. De mensen zeggen elkaar hier goeiedag op straat, waar vind je dat nog? Op den Opex hebben we alles wat we nodig hebben: winkels, cafés, vishandels … noem maar op. Stel dat Oostende zou overstromen zoals in 1953 (mijn geboorte­jaar!), dan nog kunnen we hier maandenlang overleven.  In het begin dacht ik dat de Opexnaars een laag zelfbeeld hebben. “Dat is hier het nègerdorp”, hoorde ik vaak. Het schijnt te maken te hebben met de kolenlossers van vroeger. So what, dacht ik, wat is er mis met een nèger of een kolenlosser? Intussen heb ik door dat de Opexnaars wel degelijk hun trots hebben. Ze koesteren hun scheldnaam als een geuzennaam. Zo kennen we de Opexnaars weer.
Het overlijden van Joris De Voogt kwam heel onverwachts. Hanna: Hij ging op donderdagochtend 27 december met een pijnlijk been naar de huisarts. Die stelde een spierscheur als diagnose. De vrijdagnamiddag nam mijn vader opnieuw contact op met de huisarts maar die bleef erbij dat het een spierscheur was. 2 uren later is hij overleden. Een diepveneuze trombose in het been leidde tot een longembolie, en kort daarop volgde een hartstilstand.’

Flor Vandekerckhove


(°) Ik moet een beetje voorzichtig zijn in mijn uitlatingen. Het Visserijblad is eind 2013 opgehouden maandelijks te verschijnen. Evenwel: sinds 2014 publiceert de vzw Climaxi jaarlijks een speciaal nummer, om de toorts brandend te houden als het ware. Wie er meer over wil weten vraagt het aan filip@climaxi.org.

— Pronkstuk in Zio Gio's wijnbar was de 16 meter lange lichtwand met historische foto's van Britse vissers. (Fotomontage Jo Clauwaert) —

vrijdag 14 juni 2019

Op zoek naar een Bagatelle

(1) Al sinds mijn tiende hou ik mezelf voor dat dit de villa is waar taverne artistique Bagatelle zich destijds heeft bevonden. (2) Verkeerdelijk, want dit is daadwerkelijk de taverne artistique Bagatelle. (3) Zo ziet het interieur van de taverne eruit op de postkaart die ik al van in mijn kindertijd koester. (4) Ook dit is een foto van het interieur.

Al sinds mijn kindertijd koester ik een postkaart. Die bevindt zich tussen vaders familiefoto’s, maar al gauw eigen ik me hem toe. Al vanaf mijn tiende zie ik mezelf aan die tafel zitten: laarzen, hoedje, sik en snor, kijkend naar mijn oeuvre aan de muur. Op de tafel staan kruiken, het vers van Minne indachtig: ‘veracht de burgerman, / doch ledig zijne kruiken.’

Links, de man in de Bagatelle. Rechts, zelfportret
(1914) van George-Emile Leback. 
Die Bagatelle geef ik ook meteen een plek: het is de villa in de duinen, die je ziet vlak voor de tram vanuit De Haan Wenduine binnenrijdt, links van de Koninklijke Baan, ter hoogte van het einde van de Duinbossen. Klopt niet met wat op de achterkant van mijn postkaart staat, Dans les Dunes entre Blankenberghe et Wenduyne, maar aan die woorden hecht ik geen belang, al van kindsbeen ben ik immers van de school van Ken Kesey: 'To hell with facts! We need stories!'
Tot nu! Ik ga mijn vermeende Bagatelle fotograferen. Prachtig gebouw, idyllische plek (foto 1). Lijkt bewoond: handdoek aan de wasdraad, verzorgde pelouse, lans om de planten te bewateren … Mijn Bagatelle wordt erdoor onttoverd. Ik maak dat ik wegkom voor men de honden op me afstuurt.
Ik zoek er een afbeelding van op de Beeldbank van het Kusterfgoed, maar vang bot. Toch ontdek ik een Bagatelle in de duinen (foto 2), maar dat is niet ‘de mijne'. Ik spartel nog een beetje tegen: het interieur van mijn postkaart (foto 3) is niet voor de honderd percent gelijk aan dat van de Beeldbank (foto 4): ik zie andere tafels en stoelen. De ramen kloppen wel en het interieur ademt eenzelfde sfeer.
Ik geef me gewonnen, ook omdat een nieuwe queeste zich aandient. De beschrijving van een van de Beeldbankfoto’s luidt hier: Bagatelle, Valerius De Saedeleer? in de Blankenbergsesteenweg.’ Hoezo Valerius De Saedeleer? Is de man waarmee ik me al zoveel jaren vereenzelvig De Saedeleer? Het internet leert me al gauw dat dit niet het geval is: Valeer is een dik ventje, de man op de foto is slank.
Wie is die man dan wel? Ik googel ‘artiste peintre Wenduyne’ en vind onder meer Georges-Emile Leback, een kunstenaar die minstens één landschap in Wenduine geschilderd heeft, Petite dune, die daar wel meer verblijft, er zelfs begraven werd. Ik roep zijn beeltenis op, plaats die naast de man in de kroeg en zie voorwaar dat er geen twijfel mogelijk is: de man die daar zo parmantig zit, ben ik niet, dat is waarlijk George-Emile Leback.
Flor Vandekerckhove

Dit gedicht past hier wel bij, vind ik. Ik wandel op de Spinoladijk die Bredene met de Oostendse Oosteroever verbindt. De zang die Auden in As I Walked Out One Evening aan de spoorwegbrug beluistert, hoor ik beneden aan de dijk. Weide wordt strand en het water van Audens rivier is bij mij dat van de zee… 
Voor de rest ben ik toch wel dicht bij de oorspronkelijke tekst gebleven en ik heb ook de rijmstructuur gevolgd. Bovendien heb ik, zo denk ik toch, de geest van het gedicht gerespecteerd. U kunt ernaar luisteren op de podcast: 
klik hier !

donderdag 13 juni 2019

Mijn makkers


Ooit had ik een uitgever … Die zin had hier kunnen stoppen, want hij zegt op zichzelf al genoeg. Bijvoorbeeld dit: ooit zag iemand een marktwaarde in mij.
Maar wat ik kwijt wil is iets anders: ooit had ik een uitgever die me placht te betalen met andermans boeken. Dat komt doordat die uitgever ook een boekwinkel had. Wanneer hij krap bij kas zat liet hij me winkelen tot hij vond dat ik genoeg aan mijn boek verdiend had. Voor hem was dat voordelig en mij kon het niet schelen, want wat ik aan dat schrijven verdiende was ’t spreken niet waard. Anders had ik met het geld wellicht toch maar boeken gekocht.
Het systeem had het bijkomende voordeel dat ik me al eens iets aanschafte dat ik anders heel zeker had laten liggen. Mystieke werken van Johannes van het Kruis bijvoorbeeld. Of alles van Charles Bukowski, maar in ’t Engels.
Mooie poëzie! Zowel van die Johannes als van Charles Bukowski.
Van die laatste wil ik een en ander vertalen. En ik begin met my comrades, een gedicht over de schrijversgilde.

Flor Vandekerckhove

Het gedicht my comrades van Charles Bukowski komt uit de bundel Love Is A Dog From Hell, Poems 1974-1977. Uitg. Santa Barbara. Black Sparrow Press. 1983. 307 pp. Mijn vertaling kun je op podcast beluisteren. Klik hier !


Luister naar 
'mijn makkers' 
op podcast:
 Klik hier !

dinsdag 11 juni 2019

De vrouw van Castro leidt de productie

Mijn makker heet Aimé en hij emigreert naar Cuba. Prompt noemt iedereen hem Castro. Ik ben de enige die nog Aimé zegt, maar hoe langer hoe meer zeg ook ik wel Castro.
Castro stelt het daar goed en in zijn brieven proef je het sambaritme dat daar over de dingen heerst. Hij komt goed rond / Hij blijft gezond / En als het moet / Houdt hij zijn mond. In Cuba bouwt hij mee aan een fabriek die flessen produceert. Daar valt hij ook voor een Cubaanse schone. Wij, achterblijvers, hebben het meteen over de vrouw van Castro, want Aimé zien we, denk ik, hier niet meer terug. De liefde viert / De samba zwiert / En ‘t huis wordt ook / Heel goed bestiert.
Ook de foto’s leren me dat Aimé het daar goed stelt, hij is mooi bruin en indrukkend is de fabriek die hij daar gebouwd heeft. Indrukwekkend is trouwens ook de vrouw van Castro. Gisteren zei ik nog tegen mezelf: zelfs de foto’s die Castro ons stuurt stralen samba uit. Een mooie vrouw / En nooit meer kou / Altijd goed weer / Wat wil je meer.
Castro’s vrouw werkt in die flessenfabriek. Ze leidt er de productie. In ’t midden staat een grammofoon. En als de plaat ten einde is, schrijft Aimé me, stopt uiteraard de muziek, maar tegelijk stopt ook het werk. Ze draait de plaat /De samba schalt / Het werk wordt vlot weer aangevat / Ze schudt haar kont / Ze kijkt eens rond / En als het moet / Roert ze haar mond.
‘k Weet het wel, ’t is allemaal propaganda van Castro, want ’t is niet voor niets dat we Aimé Castro noemen, maar ‘t is ook een mooi verhaal. En bovendien is ’t echt gebeurd. Alhoewel let wel: op vraag van de betrokkenen werden de namen veranderd. De vrouw van Castro is niet echt Castro’s vrouw, Aimé is niet echt Castro en Castro is zeker niet onze Aimé.
Flor Vandekerckhove



Al enige tijd wil ik me aan een prozagedicht wagen. Ik zei tegen mezelf: Allee hop, probeer eens een prozagedicht, baat het niet dan schaadt het niet. En toen ik hier enige tijd geleden een reeks stukken begon te posten over een evenement dat in Cuba had plaatsgegrepen, besloot ik om er eentje over dat land te maken; een experiment met een genre dat nieuw voor me is.

'De vrouw van Castro leidt de productie’ bestaat al langer op podcast. Voor ik er een geschreven weergave van zou posten wilde ik er nog een beetje aan schaven. Dat is inmiddels gebeurd. En kijk, ik publiceer vandaag twee versies van het verhaal: een prozagedicht en een in vrije verzen. Welk een is de betere? Wel, de tijd zal ’t uitwijzen nietwaar; wie weet hoe ik daar binnen een jaar over denk. ’t Zijn trouwens niet twee versies, maar drie! Drie voor de prijs van één, want ook de moederversie is uiteraard nog te beluisteren: klik hier !

zondag 9 juni 2019

De man die Blote Betsy liet zitten (°)


Op de tekening zie je mij op het Duinenplein van Bredene zitten. Ik zit op een kruk, pal in ‘t midden van de waterpartij, op de sokkel waar anders Blote Betsy staat. U vraagt zich af wat ik daar zit te doen, maar zelf denk ik al aan de gevolgen. Dat ik daar zit betekent dat Betsy — waarmee ik één keer geslapen heb en daarna nooit meer — weet dat ik me thans op haar terrein bevind. Wat een situatie!
Nog voor Betsy terugkomt moet ik een tekst klaar hebben die alles goedmaakt. Ik slaag daar ook wel in, zij het met veel moeite, want ’t is niet gemakkelijk typen als je op zo’n sokkel zit. Helaas vergeet ik het document te bewaren. Ik moet alles overdoen.
Het toetsenbord van de laptop is intussen op onverklaarbare wijze in een pianoklavier veranderd. Wat me danig op de proef stelt, want pianospelen is aan mij niet besteed. Wachten is evenwel geen optie, want daar komt de tram met Betsy al aan. Ik speel een intro en dat gaat me wonderlijk genoeg goed af. Maar een intro is natuurlijk het hele stuk nog niet. Ik temporiseer, herhaal het thema, varieer en ritmeer, voeg noten toe, laat andere weg, en daar komt uit het klavier plotsklaps de tekst tevoorschijn die me redden zal. Luid weerklinkt het als muziek over het plein: Wie niet in staat is een fout te maken is tot niets in staat.
Stormachtig applaus. Vanuit de ramen van de flats dwarrelen rozenblaadjes over me neer. Het volk juicht: 'Leve onze volksschrijver! En hij mag er wezen!' Betsy roept: 'Alles is vergeven en vergeten! Ga in vrede!'
'Zo,' zeg ik tegen mezelf, terwijl ik me een weg door het water waad, 'daar heb je je weer eens goed uit geluld.'
Flor Vandekerckhove

(°) Het verhaal werd in gang gestoken door de zin die Freddy Versluys me opstuurde: Wie niet in staat is een fout te maken is tot niets in staat.
Hij deed dat in het kader van een experiment dat ik enige tijd geleden aanvatte. Daarbij vroeg ik lezers of ze me een zin wilden geven. In ruil beloofde ik hun een verhaal. Meer erover staat hier. En weet je wat? Je kunt nog altijd deelnemen en me je zin opsturen.


Ik zoek een passend gedicht voor de podcast 
en kies voor The Woman That Had More Babies Than That 
van de Amerikaanse modernist Wallace Stevens (foto). 
Het gaat over de zee, 
over zeerand, branding, golfslag 
en een hoofd dat op een plein staat. 
Het gaat over natuur en kunst en over het verschil daartussen. 
Ik heb het vertaald 
en u kunt ernaar luisteren: klik hier !

vrijdag 7 juni 2019

Iemand moet het hem zeggen


— Links: Anuna De Wever & Kyra Gantois, rechts Jean-Pierre Rondas. —

Op 29 mei werd de 69ste Arkprijs van het Vrije Woord overhandigd aan Anuna De Wever & Kyra Gantois. Ik was daar uitgenodigd en 'k had er ook wel present willen tekenen, maar Antwerpen was me een beetje te ver. Daardoor mis ik nu mijn kopje tussen die van de twee frisse meiden, een selfie die ik bovenaan dit stukje had kunnen plaatsen.
Ik zoek het net af naar een vervangende foto en stoot onderweg op een cynisch stuk dat Jean-Pierre Rondas over de toekenning pleegt. Waardoor het onderwerp van mijn post zich als vanzelf wijzigt. Want ja, iemand moet het hem zeggen, en niet in zijn oor: wat een ouwe zeur zeg!
Tot mijn ontzetting zie ik dat die mens nauwelijks ouder is dan ik. God, zeg ik — ik die anders nooit bid — laat me nooit zo’n ouwe zeur worden.
De toekenning is, dixit Jean-Pierre Rondas, een flater, een blunder en een miskleun. Het comité is niet beter dan een krantenredactie die een hype achternaholt. Verder gaat hij wild te keer tegen Jeroen Olyslaegers, de zomerfestivals, klimaatberoepslui, een continu drammerig en activistisch gemoraliseer, tegen woede en angst waarin niks wordt beredeneerd en alles wordt geponeerd, tegen tenenkrullend simplisme. En met veel te veel woorden ook tegen het boekje van die twee meiden (°), dat volgens hem te veel woorden telt. Zo gaat dat, in dat wel 2000 woorden lange stuk, maar door en door en door.
Dan heb ik nog niet eens het einde van zijn tirade bereikt. Waardoor ik me afvraag: wie leest dat nu eigenlijk? Of het zouden andere oude, verzuurde mannen moeten zijn.
Op de site die ‘s mans stuk publiceert zoek ik naar diens gelijkgezinden. Sommigen zijn nauwelijks de veertig voorbij, zie ik, en alreeds gelijkhebbers van de oude stempel, kommaneukers uit roeping, lieden die overal een kaakslag in zien, klagers over de ondergang van strenge zeden & goede manieren. Aan hen kleeft het stof dat zich in vaders vaandel opgehoopt heeft. Op die site ontmoeten ze elkaar, een stek waar de geur van pijptabak nog in de meubels hangt en die daardoor goed lijkt op gelagzalen die De blauwvoet heten, Odal, Arendsnest, Roeland of De leeuw van Vlaanderen. Nadat hij daar zijn stukje geponeerd heeft slaan ze hem op de rug en zeggen: ‘Goed gedaan Jean-Pierre, iemand moet het hen zeggen. Houzee.
Flor Vandekerckhove


(°) Anuna De Wever & Kyra Gantois, opgetekend door Jeroen Olyslaegers, Wij zijn het klimaat. Een brief aan iedereen. Amsterdam, De Bezige Bij, 2019. ISBN 978 94 031 6860 9.


Op zoek naar een passend stukje voor de podcast, 
herinner ik me 'Rijmdwang en ander ongemak in de schemering', 
een gedicht dat ik in 2018 geschreven heb. 
Ja, dat past wel bij deze blogpost 
die het over bange blanke mannen heeft. 
De titel van het gedicht 
wijst naar mijn ietwat geforceerde poging 
om het een rijm op te leggen. 
'Ander ongemak' slaat op de inhoud. 
De schemering en de nacht zijn metaforen. 
U hoort het hier.