donderdag 24 september 2020

Een zachte golfslag die uitrolt op ’t strand (Of hoe de zee de vorm bepaalt)

Van Allen Ginsberg staan twee bundels in mijn kast: Eén, Proef mijn tong in je oor, de indrukwekkende selectie die Simon Vinkenoog in 1973 vertaalt, en twee, The Fall of America, waarmee Ginsberg in 1973 de National Book Award for Poetry wint. Beide zijn me dierbaar, van beide heb ik veel geleerd — en nóg! — en over beide mag je in de toekomst stukjes in deze blog verwachten. 
Aan Ginsberg heb ik de vorm te danken waarmee ik een doorbraak in mijn poëzie realiseer: het aanwenden van rijmloze kwatrijnen. Niet dat Ginsberg me die vorm voordoet, wel vertelt hij in Proef mijn tong in je oor over zijn eigen zoektocht naar een hem passende vorm. Hij doet het op advies van Kenneth Rexroth die hem zegt alle academisme te mijden. Ginsberg experimenteert en komt tot een stijl waarin hij zijn eigen unieke vorm vindt: een lange lijn gebaseerd op een lange ademtocht: ‘Idealiter is elke regel van 'Howl' een enkele ademhalingseenheid. Mijn ademhaling is lang — dat is de maat, een fysiek-mentale inspiratie van gedachten vervat in het elastiek van een ademhaling.’ Ik weet niet of mijn ademhaling langer dan wel korter is dan deze van Ginsberg, maar hij is, ook gezien het verschil in leeftijd waarop onze poëzie zich ontwikkelt, in elk geval rustiger. Wat hij me leert is dat elke dichter zijn eigen beat moet vinden. Mij heeft dat geleid naar rijmloze stanza’s van kwatrijnen die elk een zachte golfslag vormen, uitrollend over 't strand, veelal bij kabbelende zee. Stefaan Pennynck heeft dat als eerste opgemerkt: de gedichten ‘worden in vrije versvorm met een aangehouden ritme gebracht: telkens vier lijnen die ons een een stap verder brengen en de voordrager (en toehoorders) een adempauze geven.’ Wat is dat anders dan mijn eigen beat (ritme), waarvan Vinkenoog zegt ‘dat de maat niet is afgestemd op boodschap of lettergrepen tellen, maar gevoel (…)’ ? En als de vorm (golfslag) dan ook nog eens samenvalt met de inhoud, zoals in 'De mij resterende taak'…

Flor Vandekerckhove



’t Was niet voor ’t eerst dat ik een teken kreeg want eerder was er een twee

Honderdjarige eik geweest die me bij laagwater op het strand hologig had

Staan nakijken terwijl iedereen toch weet dat er op het strand geen twee

Honderdjarige eiken staan die wandelaars bij eb staan aan of na te kijken


En die keer dat een vis me een half uur lang lachend vergezeld had ter

Wijl ik door de branding heen aan ’t stappen was en die me vanuit het

Water toeriep dat mij op hoge leeftijd nog een taak restte die me ken

Baar gemaakt zou worden op de dag dat ik tweeënzeventig worden zou


Daarna viel de winter over ’t land en toen het vrijdag 12 februari geworden

Was van het jaar waarin ik tweeënzeventig werd omgorde ik de oude hart

Slagmeter en nam mijn narrenstok ter hand en in guur weer trotseerde ik de 

Bries om tot aan de plek te waden waar ik de vis tot mij had horen spreken


Maar omdat het van die dingen zijn die nooit geschieden zoals aan

Gekondigd maar onverhoeds en buiten je weten om liep ik op die dag 

Dat ik tweeënzeventig werd vergeefs door ’t ijskoude water tot aan de

Strekdam alwaar ik de duinen traverseerde en waar mijn teleurstelling


Ver in de bossen van Vlaanderen onverhoeds een storm ontketende zo 

Hevig dat herten en reeën en wilde zwijnen eraan ten gronde gingen

En bomen ontworteld geraakten en geveld en al wat ik daar zelf van zag 

Was een regenvlaag die ver van mij over het land aan ’t trekken was


Dat het ontketenen van die storm de mij resterende taak geweest was

Had ik nooit geweten ware het niet dat ik het zeven jaren later op ’t laag

Waterstrand vernam van een levendbarende hagedis die uit de twee

Honderdjarige eik kwam afzakken om het mij lispelend mee te delen


Flor Vandekerckhove


De mij resterende taak op youtube

www.youtube.com/watch?v=zODNn20wtd4



dinsdag 22 september 2020

Rechtse pater, linkse pil

Uit Gauw!, een boek 
over mijn twaalf eerste levensjaren, 
waarin feiten en fictie 
haasje-over 
met elkaar spelen. 
Een e-boek (PDF of Epub) 
102 bladzijden. 
Hoe heb ik de jaren 50 ervaren? 
Hoe wordt een kind in die tijd opgevoed? 
Het boek (e-boek, PDF of ePUB) is gratis 
en wordt meteen opgestuurd 
naar elkeen die erom vraagt. 

Op 11 oktober 1962 opent paus Johannes XXIII, een sympathieke dikzak, de ramen van zijn doening in Vaticaanstad en spreekt de aldaar verzamelde bisschoppen aldus toe: ‘Als we willen dat alles blijft zoals het is, moet alles veranderen.’ Je houdt dat vandaag niet meer voor mogelijk, maar dat evenement speelt een grote rol in ons jonge leven. In het college worden debatten gevoerd: voor- en tegenstanders gaan met elkaar in de clinch; in gedachten stellen we een delegatie samen die onze verlangens, dan wel eisen, aan Rome overmaakt. We spreken van oecumene, catechese, diaconie, hermeneutiek, dogmatiek en synode alsof het niets is. En als we nu eens het altaar omkeren? Of de stoelen? En als we nu eens alles laten staan en de pastoor omkeren? En als we het nu eens in de volkstaal doen? Of in ’t Engels, dat verstaat iedereen. En als we de duur van de mis nu eens halveren, ik denk wel dat mijn vader dat zou appreciëren. En als we de catechismus afschaffen? Kunnen we het orgel laten zwijgen en de elektrische gitaar het werk laten doen? Mogen we de hostie in onze handen nemen, ook als die handen ongewassen zijn? Mogen we erop bijten? Bestaat de duivel? Zo ja, waarom niet? Zullen we onze verzuchtingen per fiets naar Rome brengen, per trein of met Ford Mustangs en mannen met een zwarte moustache?
En in die debatten staat rechts van álles Marcel Brauns, een pater die het wel heel erg bruin bakt. U kent die mens niet, maar in die tijd laait de vraag op of hij wel dan niet uit de partij, de orde en de kerk gegooid moet worden. De partij is die van de Vlaams-nationalisten, die in het college over vaardige agitatoren beschikt, zowel in het lerarenkorps als onder de leerlingen; de orde die met deze Marcel danig verveeld zit is die van de jezuïeten, die hem uiteindelijk zal exclaustreren, jawel: exclaustreren, en de kerk, ja dat is onze moeder de heilige kerk die in die tijd alle richtingen uitgaat, maar daarom nog niet deze die nazipater Brauns voor ogen staat. Zijn uitgangspunt zie ik later treffend verwoord in een titel van zijn tijdschriftje: ‘Vlaanderen heeft geen pillen nodig, maar kinderen!’  Met zo’n standpunten isoleert hij zich, zeker van mij, een puber die van zichzelf vindt dat hij al lang genoeg kind geweest is in Vlaanderen, een land dat, zo vind ik in die tijd, zijn kinderen niet echt verdient. De bijbelse slang heeft dan ook niet de minste moeite om me te overtuigen van de voordelen van de pil. Het rijk van de seksuele vrijheid dat de pil scheikundig opent, deze boom van goed & kwaad, waarvan ook ik later straffeloos de felbegeerde vruchten zal plukken, blijft duren tot het aidstijdperk zijn intrede doet. Aids! De straffe Gods noemt pater Brauns het. Maar tegen die tijd luistert er al niemand meer naar die vent. Of het zouden al diegenen moeten zijn die vandaag alweer voor de Vlaams-nationalisten stemmen. Of hoe reactionair gif zijn werk doet! Want daarvan ben ik overtuigd: de voedingsbodem van al het nationalisme is lang geleden in de colleges gelegd, in de scholen waarin wij onze jeugd slijten.’
Flor Vandekerckhove



Mijn eerste keer op youtube

zondag 20 september 2020

Over Franz, de zoon van James

— Franz Wright in zijn marcelleke. —

De Amerikaan Franz Wright (†) schrijft niet alleen gedichten, hij vertaalt er ook. Iets wat ik eveneens graag doe. Zo leer ik hem trouwens kennen, als iemand die gedichten vertaalt. Op de vraag wat hij dan voelt, antwoordt hij hier: ‘(…) Het komt het dichtst in de buurt van zoiets als het uiteenhalen van een klein horloge (…) en het weer in elkaar steken om erachter te komen hoe het is gemaakt. Een betere manier kan ik me niet voorstellen voor iemand die probeert te achterhalen waar we het over hebben: een gedicht (…)’ Zo is dat, ook bij mij, vertalen heeft ook mij geleerd wat dat is, een gedicht. Zo’n mens wil ik dan beter leren kennen, en dus ga ik op zoek naar diens eigen poëzie. 
Nu volgt een anekdote. Op die zoektocht passeer ik graag eens langs Genius, een site die niet alleen songs analyseert, maar ook gedichten, zelfs hele boeken (ik gebruikte de site intens toen ik Moby Dick aan ’t lezen was.) Voor het vertalen van gedichten vind je er soms bruikbare duiding. Daar stoot ik nu op een gedicht dat heet: Lying in a Hammock at William Duffy’s Farm. Godver, zo gaat het door mijn hoofd, ik ken dat gedicht. En jawel, het staat hier, door mij mooi vertaald en al. Alleen zet ik daar niet, zoals Genius, Franz Wright onder, maar James Wright. Franz? James? Iemand moet zich vergissen, ’t zij Genius, ’t zij ik. Een kwartier googelen leert me dat Genius mis is: ge-moet-zo-oppassen-met-dat-internet! Tijdens dat kwartier leer ik nog meer. James en Franz zijn niet alleen allebei dichters, ze zijn ook vader en zoon. En ze hebben alle twee de Pulitzer Prize gewonnen, een unicum in de literaire tralala van Amerika.
Voilà. Dat moet volstaan als inleiding. Ik vertaal Home for Christmas, waarin we iets vernemen over de moeilijke verhouding tussen Franz en James, de zoon en de vader, de dichter en de dichter. Als toetje voeg ik er aan toe dat ik, na het vertalen van onderstaand prozagedicht, meteen naar Amazon gemaild heb om mij sofort een hele dichtbundel van Franz Wright toe te sturen. Waardoor ik nog veel meer te weten gekomen ben over de moeilijke verhouding tussen die twee. U hoort er nog van.
Flor Vandekerckhove


De kracht van mijn gedicht op youtube

vrijdag 18 september 2020

Dichters bij het woord


Wat mag ik van Artslag verwachten? Sinds ik me bij dat kunstplatform aangesloten heb, probeer ik ter zake een debatje los te wrikken. Dat is daar niet de gewoonte en 't maakt me er niet meteen tot vriend; wat een geluk dat ik me niet omwille van de vriendschap lid maak. Waarom dan wel? Daarover gaat dat loswrikken. Omdat ik een schrijver ben, doe ik dat al schrijvend, open & bloot. Ik doe het via posts in De Laatste Vuurtorenwachter en via (open) antwoorden op brieven die me vanuit die organisatie toegestuurd worden. Voorbeelden van ‘t eerste: Elk kunstwerk ontvliedt zijn maker en Verwerp het cliché! Omhels het geheim!, voorbeeld van het tweede zijn de open antwoorden die ik formuleer op de uitnodiging om deel te nemen aan Dichters bij het woord, manifestatie waarvoor ik bedank(*) 
Dat laatste komt me nu op een scheldkanonnade van een van de genodigde heu ‘dichters’ te staan. Ik zou daar niets over zeggen, ware het niet dat hij — mateloos & onverstaanbaar scheldend — de vinger op de wond legt, zelfs diep ín de wonde steekt. Naast me ligt namelijk een boek dat die mens laat ons zeggen gepleegd heeft, en waarin meer schrijf-, tik-, spel-, stijl- en andere taalfouten staan dan bladzijden. Uiteraard ontzeg ik niemand zijn hobby, maar als zo’n hobby de norm wordt… En dat is inderdaad wat ik vrees. 
Het heir van beeldende Artslag-kunstenaars wordt aangevoerd door mensen die in hun discipline een hoog niveau bereiken. Dat ze daarin anderen stimuleren wordt in toenemende mate zichtbaar, bijvoorbeeld in de beeldentuin van de Persepit. Anderzijds is het mijn vrees dat de norm bij de Artslag-woordkunstenaars een kwalijk hobbyisme is.
Vandaar ook dat ik in dat open antwoord de betalingskwestie opwerp. We zouden er allemaal baat bij hebben, mocht de Persepit een ontmoetingsplaats van hoogwaardige dichters worden. Dat zou niet alleen aangenamer zijn om naar te luisteren, het zou ook de eigen productie van Artslagdichters en -schrijvers stimuleren. Uiteraard gaan/moeten die genodigde dichters dat niet gratis komen doen, ze moeten daarvoor vergoed worden en niet met aankoopbonnen of drankbonnetjes.
Flor Vandekerckhove

(*) Dichters bij het woord gaat op 18 oktober door, van 14 tot 17 uur in het Artslaglokaal De Persepit in Wenduine.

De Perselaar op youtube

In Ronse loop ik als een echte slekkentrekker mijn eigen fiertel



Wekelijks begeef ik me naar een uiteinde van het oude graafschap Vlaanderen en kijk of er iets te zien valt. Het is mijn ironisch antwoord op de Vlaamse identiteitspolitiek die — zelf zou ik niet weten waarom — zo’n opgang maakt. In die grensplaatsen zoek ik enige volksverbondenheid. In Bornem vind ik zoiets vlak bij het gemeentehuis, in Dendermonde op een randparking, in Geraardsbergen op de markt en in Zarlandinge op de kerkmuur.
Deze week vind ik het in Ronse, naast de St.-Hermesbasiliek. Onder de toren van dat imposante gebouw ligt de Kleine Markt en op de hoek staat een leuk cafeetje. Ietwat verder trekt een beeld mijn aandacht. De waardin legt me uit dat het de belleman is. Jaarlijks leidt hij de Fiertelommegang en dat gebeurt omzeggens 33 kilometer lang, op het trage ritme van zijn belgerinkel; zo traag dat de Ronsenaars er slekkentrekkers om genoemd worden. Omdat ik een slekkentrekker van nature ben, voel ik meteen de volksverbondenheid, en wel als een fontein, in mij opborrelen. 
Aan de fiertelommegang op Drievuldigheidsdag ga ik daarom nog niet deelnemen, maar niets belet me om op deze zonnige septemberdag mijn eigen fiertel aan te vatten, te meer omdat Sint Hermes me tijdens ’t fiertelen van de krankzinnigheid kan redden. En zo komt het dat er sinds kort fotografische bewijzen van mij en de belleman bestaan, fiertelend op een manier die ze daar nooit eerder gezien hebben.
Heb ik al gezegd dat Ronse een faciliteitengemeente is? Dan mag ik dit stukje ook wettelijk in ‘t Frans afsluiten: Saint Hermès guérit les fous des environs et laisse les habitants de Renaix tels qu'ils sont. (*)
Flor Vandekerckhove

(*) ‘Sint Hermes geneest al de gekken van de omstreken, en laat de Ronsenaars ongemoeid.’ Da’s een vuiltje van onze Waalse landgenoten, als ge ’t mij vraagt.

Van Paul Carteus die in de gemeenteraad van Ronse zetelt, kreeg ik deze brief: 'Dank dat u onze mooie stad in de kijker wil plaatsen. Echter zal ik uw post niet verspreiden aangezien er een grove fout in staat. U zegt dat de fiertel zo traag de ommegang doet. Dan moet u eventjes redeneren, 32 km, om 8u ’s morgens vertrekken en ’s avonds om 17u terug met een middagpauze van anderhalf uur. Dat is heel vlug stappen. Alleen bij het verlaten van het centrum ’s morgens en de plechtige intrede ’s avonds stapt men in processietempo. Als je geen geoefend stapper bent is het de hele dag afzien geblazen! We weten dat de tweede bijnaam van de Ronsenaars, de ‘slekketrekkers’ is. De slekke trekken betekent dat de ruiters op het einde van de Fiertelommegang op de Grote Markt een aantal sierlijke en ietwat gekompliceerde figuren reden als een soort huldebetoon. Vandaar de naam slekketrekkers. Ik vraag mij af wat die cafébazin u wijs gemaakt heeft? Trouwens er zijn maar weinig Ronsenaars die weten dat ze ook slekketrekkers genoemd worden. Wij Ronsenaars zijn ‘zotten’. Wat betreft dat Franse zinnetje. Het is juist dat het een vuiltje is van de jaloerse Waalse buren. En in Ronse voegt men er aan toe: … parceque les Renaissiens n’ont pas besoin de guerrison. (en het rijmt nog ook.) Dus als u uw post verbetert zal ik er publiciteit voor maken.' Ik zou zeggen, Paul jongen, na deze verbetering staat niets u nog in de weg om uw (slekken)gang te gaan: verspreid dit maar!

Terugkerend naar zee kwam ik dan ook 
nog eens in het oog van de storm terecht

woensdag 16 september 2020

Hoe lang het duurt

In 2008 neem ik de trein naar Toulouse
en onderweg vat ik een gedicht aan, 
een liefdesgedicht.
Melig! Melig! Melig!
Wanneer ik 1000 kilometer verder
van de trein stap, 
heb ik in mijn schriftje
nog maar
het embryo van een gedicht, 
een onvoldragen vrucht.
In 2020,
pas nadat ik mijn eigen
poëtisch ritme gevonden heb,
komt het tot baren, 
in rijmloze kwatrijnen,
die als golven
van een kabbelende zee
op het strand uitrollen.
Het hiernaast staande beeld
komt uit onderstaand filmpje
waarin ik aan het gedicht 
het door mij nagestreefde
surrealisme-light
toevoeg.




De ontmoeting met de einder
Aan Tania Menu

Ooit had ik het plan opgevat om tot aan de einder te varen 
Maar toen ik besefte dat die vaartocht een vlucht was kwam
Me dat goed uit want ik ben niet zo’n zeemens en ik hang zelf
Te veel aan een landvast vast om mijn schip de zee op te jagen

Waar ik wel goed in ben is waden in de branding met mijn
Broekspijpen opgerold zodat ik de golfslag tegen mijn naakte
Kuiten voel breken en daarna ook voelen kan hoe de zee naar
De einder terugkeert om daarna nog eens hetzelfde over te doen

En bijgevolg komt het mij toe te dichten hoe goed het voelt bloot
Voets door ’t water te waden met m’n schoenen ter hand weg
Zakkend in ’t zand dat aan mijn voeten zuigt waarna de afdruk
Die ik daar achterlaat meteen weer gevuld wordt met zand

En te schrijven over de zee die van de einder naar hier komt ter
Wijl ik rustig mijn gang ga tussen sparrenbossen op duinen die
Naar de bossen leiden die van De Haan tot in Wenduine strekken
Waar ik via een duinpan die Persepit heet het duin traverseer

Om daarna via het strand blootsvoets weer te keren en te genieten 
Van de herhaling van water dat mijn voeten overspoelt en dat zich 
Daarna weer naar de einder terugtrekt in een spel van rijzen en deinen 
en een streep in het zand trekt om die bij vloed weer te overschrijden

Of wanneer de wind me gebiedt het anders te doen en ik via gene
Zijde van de duinen de grens van het strand opzoek en door ’t water
Wadend traag maar gestaag de golfslag doorklievend tot aan de strek
Dam trek en daar op het strandhoofd mijn schoenen weer aantrek 

En terugkerend naar jou geen reden bedenken kan om niet weer 
In de appel te bijten die je me aanreikt waardoor ik al die jaren die
Tochten blijf maken wadend door aftrekkend en opkomend tij en net
Als de zee geen reden vind om de tocht niet nog eens over te doen

En wat is dat anders dan het spel van onz’ handen dat ons tot aan de
Einder verenigt in een zee van opkomend en aftrekkend tij en waarin 
Ik mijn adem als de golfslag voel breken telkens je vingers een lijn op
Mijn lijf achterlaten die je vervolgens traag in uitdijende lust overschrijdt

Flor Vandekerckhove

De ontmoeting met de einder in het surrealisme

maandag 14 september 2020

Het hiaat in mijn bibliografie

— Still uit een filmpje waarin het verschil tussen een stencilmachine (rechts) en een alcoholduplicator (midden) uitgelegd wordt.  De vrouw links bedient een typemachine. Wie zich de werking van deze drie machines herinnert is al van zekere leeftijd. —


Tot enkele tellen geleden vertoonde mijn bibliografie een ernstig mankement. Onvermeld daarin was ‘Poëzie van de Flor — een keuze uit zijn werk van vroeger tot nu’ (1974). Mijn ex-echtgenote vond er in ’t diepste van haar kuiswoede een exemplaar van weer. (Ja, sommige van mijn ex-en spreken wél nog met me.)
Dertien gedichten. Oplage: dertien exemplaren, geproduceerd met een alcoholduplicator, toestel waarvan u wellicht nooit eerder gehoord hebt, geenszins te verwarren met de stencilmachine. De werking wordt even ouderwets hilarisch als ontroerend degelijk uitgelegd in een filmpje.
Wat kan ik van de bundel zeggen? Ten eerste maakt hij ons duidelijk dat ‘schrijven’ en ‘publiceren’ een halve eeuw geleden al in me zat. Ten tweede leer ik eruit dat mijn lezerscorps in al die tijd nauwelijks toegenomen is (wel is het flink verouderd.) Ten derde valt het hiaat op tussen deze eerste publicatie (1974) en het jaar van mijn tweede: 1990. Vanwaar die leemte? Wel, het antwoord is: kinderen! In die 16 jaar heb ik me onledig gehouden met de kweek. Maar van zodra mijn broed op eigen kracht verder kon, herinnerde ik me de gevleugelde woorden van Harry Mulisch in Voer voor psychologen: 'De schrijver trouwt een vrouw, krijgt kinderen, wordt journalist en schrijft niet meer. De schrijver wordt ziek en kan niet meer schrijven. De schrijver wordt op de tramrails door een meteoor getroffen en is dood. Dat alles is een gebrek aan talent.’ En vanaf dat moment, waarde dertien lezers, is er geen houden meer aan, zoals u ongetwijfeld alreeds hebt opgemerkt.
Mocht u zich afvragen — wat weinig waarschijnlijk is — welke poëzie ik vóór 1975 schreef, weet dat het antwoord hieronder staat. Ten behoeve van mijn biograaf benadruk ik dat het poëem verraadt dat ik in die tijd in de publiciteit werkzaam was. En tot mijn totale lezerscorps zou ik zeggen, bekijk het eens; baat het niet, dan schaadt het niet. (Flor Vandekerckhove)
Dit is een mededeling II

je rijdt veel beter in een
ford mustang
zoals je in een 
ford mustang 
rijdt
zo rijd je nergens
rijden is plezant
rijden is plezant
rijden is plezant 
in een 
ford mustang
zonder wielen
hoog op de gele
ford mustang
rijd je door berg en dal
dan dal dal
mijn ford mustang is fantastic

Nieuwe, vervolledigde Bibliografie Flor Vandekerckhove — Publicaties: ‘Poëzie van de Flor — een keuze uit zijn werk van vroeger tot nu’ (1974, geen ISBN); 'Titels', vijf teksten gedrukt op perkamentpapier, bij vijf zeefdrukken van Luc Martinsen (1990); ‘De Smaak van Zeewater’ (verhalen, 1991; ISBN 9073627052); ‘Het Kasteel’ (roman, 1992; ISBN 9073627133); ‘De Trein’ (novelle met frontispice van Luc Martinsen; Wettelijke depot D/1993/6650/1,1993); ‘Zout op je Huid’ (pamflet, 1993; Wettelijke Depot D/1993/6650/2); ‘Kleine Scheepswerf, Grote Staking’, dagboekaantekeningen rond de staking op de Oostendse APS-scheepswerf in 1993-’94, 1994; Wettelijke Depot D 1994/6650/2); De vissers zijn de negers van de stad (pamflet, 1994; Wettelijke Depot D/1994/6650/3), ‘Er zijn grenzen’ (pamflet, 1995); ‘Naar de kloten’ (toneel,1995); ‘Pretpark KustCenter’ (toneel, 1997); ‘Hoe de Vliegende Hollander Amerika ontdekte en al de rest’ (toneel, 1998); de drie voornoemde toneelstukken werden in 1999 gebundeld en uitgegeven als ‘In weer & wind’ (toneel, 1999; Wettelijk Depot D/1998/6650/1); ‘Dekt de vlag de lading niet’ (pamflet, 1999; Wettelijk Depot D/1999/6650/1); ‘De slag der sporen van hormonen in het vlees’ (feuilleton in veertien delen, gepubliceerd in 1999-2000 in Het Visserijblad); ‘Polemist ter zeevisserij’ (essays over de visserij, 2002; Wettelijk Depot D/20026650/1); ‘Femme fatale’ (toneel, 2000); ‘Allo Auto’ (toneel 2002); ‘De Poldergeesten van Bredene’ (roman, 2005; ISBN 9080984612); ‘Brieven aan een jonge journalist’ (2006, essays; Wettelijke Depot D/2006/6650/1); Alles is in beweging (vier essays over vissers & cultuur, met tekeningen van Jo Clauwaert, 2010; Wettelijke Depot D/2010/6650/1); Weinig stichtende kerstverhalen (verhalen, met tekeningen van Jo Clauwaert 2010; Wettelijke Depot D/2010/6650/2); Amandine (roman, 2012; Wettelijk Depot D/2012/6650/1); Gauw! (fictieve memoires, e-boek, 2014); Zeer kort (verhalen, e-boek, 2015); De x-files van Bredene (verhalen, e-boek, 2017), ’t Kan wreed waaien op de kaaien (e-boek, verhalen, drabbles, 2018); Het huis (een allegorie, e-boek, 2018); 99 extreem korte verhalen (verhalen, met een voorwoord van Delphine Lecompte, drabbles, e-boek, 2019): De man die sneller schijt dan zijn schaduw (gedichten, e-boek, met een voorwoord van Stefaan Pennynck, 2020); Gauw! (vertelling, geheel herziene uitgave, 2020); Zelfonderzoek (ism Marijke Vandekerckhove, beeld en tekst, 2020); Femme Fatale Revisited (work in progress, 2020/2021).
Komt dat zien! Komt dat zien!
Femme Fatale Revisited 
is een surrealistisch toneelstuk in wording.
Wordt verwacht tegen Theater Aan Zee 2021. 
Daarin komt een gedicht voor 
waarin De Nar zijn liefde aan de Femme Fatale verklaart. 
Nün Sind Unser Zwei op youtube! 

zaterdag 12 september 2020

Niets is vanzelfsprekend (*)

Als men je naar 
je eerste keer 
vraagt
dan vraagt men je veelal 
naar de eerste keer 
dat je 
‘het’ 
gedaan hebt.
Maar 
er is 
een eerste keer 
voor alles
en 
niets 
is vanzelfsprekend.
[Onderaan staat de film
van het gedicht:
passende muziek &
surrealistische beelden.]


Mijn eerste keer

Je vraagt me wanneer het mijn eerste keer was en 
Ik herinner het me niet of toch niet meteen maar nu
Ik er zo’n beetje over nadenk valt het me te binnen
Dat het in ’t midden van de Bondfilm Goldfinger was

Of aan ’t begin ervan en ik voor ’t eerst met haar naar de
Cinema trok en ’t was ook de eerste keer dat ik haar
Rok kon optillen en dat mijn goldfinger een weg naar
Haar Web Of Sin zocht waarover Sherley Bassy zong

En tegelijk met de Kiss of Death from Mister Goldfinger 
Voelde ik voor ’t eerst de natte hete gloed in mijn broek
Of neen misschien was het toen ik haar met me had
Meegelokt om op mijn kamer naar postzegels te kijken 

Wat ik me goed herinner is de eerste keer dat ik correct
Woorden kon uitspreken waarin de letter R voorkwam
En van onder de keukentafel luid riep dat hoRden Ro
De Russen oveR de KoReaanse gRens gaan tRekken 

Toen moest de oorlog in Korea nog beginnen en ik weet
Nog dat mijn moeder bij het horen van mijn R-woorden
De straat opliep luid roepend Marcel Marcel kom luisteren
Je zoon is geen beenhouwer in wording maar een dichter

Ik herinner me de eerste keer dat ik naar school ging en 
Dat het buurjongetje moest wenen maar ik niet want ik was
Flink en vooral bijzonder blij dat ik eens van huis weg was
En ik herinner me ook de eerste keer dat ik een peer at

En een kiwi maar dat was later want ik herinner me dat het
Was nadat ik in de klas van meester Rotsaert voor ’t eerst 
Luidop een woord gelezen had en dat was kort nadat ik zon
Der me pijn te doen met mijn fietsje in de gracht gereden was

Ik herinner me de eerste keer dat ik geneukt heb en ik weet
Zelfs dat het op 13 november 1967 was toen haar ouders
Ergens heen moesten en we ’t huis voor ons alleen hadden 
Waarna ik even vreesde dat ik met haar zou moeten trouwen

Ik weet me te herinneren wanneer ik voor het eerst een 
Cheque ontving en ook wanneer ik voor het eerst een tele
Visie zag en ik herinner me als de dag van gisteren het
Moment dat ik voor ’t eerst een autoaccident veroorzaakte

Ik herinner me de dag waarop ik het bestaan van de sint
In vraag gesteld heb en daar bestaat zelfs een foto van 
Waarop je me vertwijfeld in de lens ziet kijken nadat ik een
Verscholen zijden lintje in ’s mans baard zien glanzen heb

Sindsdien weet ik dat ik niets geloven mag van al wat ze 
Mij voorhouden en dat ik alles in het licht van de rede moet 
Zien en dat alles wat een mens een eerste keer overkomt
Hem kneedt tot wat hij uiteindelijk worden zal en dat is

In mijn geval

Een oude man die in het geërfde huis van zijn moer woont
Waar hij samen met de tweedehandskat Polleke door het 
Raam naar een zwerm duiven kijkt die onwetend over wat 
Ons te wachten staat vol overgave het zwerk doorklieven

Flor Vandekerckhove

(*) De zin ‘Niets is vanzelfsprekend’ ontleen ik aan Lieve Depessemier. De woorden staan op de buitenmuur van de kerk in Zarlardinge. De steen maakt aldaar deel uit van de Bizar Kunstroute.

Mijn eerste keer op youtube.
Met passende muziek &
surrealistische beelden.

donderdag 10 september 2020

Heden penetreren we de wereld van Charlie Hédo


Iemand vraagt me om een exemplaar van ‘De man die sneller schijt dan zijn schaduw’, mijn onvolprezen poëziedebuut. Op zichzelf is de vraag al ongewoon, nog ongewoner is afzenders naam: Charlie Hédo. Dat is, vogel ik uit, het pseudoniem van een Vlaamse auteur: ‘Het werk van Charlie Hédo maakt deel uit van de grotendeels verborgen stroming der pornografische literatuur.’ Breek nou mijn klomp!
Ik stuur deze Charlie de dichtbundel op en stel hem tegelijk een vraag in de zin van: wat is dat daar allemaal? Zijn antwoord vormt het begin van een briefwisseling over het métier van e-boeken publicerende auteurs in het algemeen (zoals ik) en van vuile e-boekjes in het bijzonder (zoals hij). Zegt Charlie: ‘Ik vind dat ik eerder erotische literatuur schrijf, net omdat de seksscène meestal ondergeschikt is, maar mijn woordgebruik gaat soms de pornografische toer op, in die zin dat ik een kat een kat noem, tenzij het een kut is. Ik vind dat ik het platte moet opzoeken om zonder beperkingen van buitenaf te komen tot nieuwe, zelf gereguleerde erotische verhalen.’ En verder: ‘Ik probeer me niet zozeer te richten op de seksscène, maar vooral op wat eraan vooraf gaat, de verleiding; ook de aan de seks voorafgaande relaties tussen de personages, en de karakters, waarbij vooral de vrouwen venijnig uit de hoek kunnen komen.’ Hij bedenkt er de naam pornovelle voor, een woord om van te houden, vind ik.
Geldt dat ook voor ’s mans verhalen? Keuze te over. In de internetwinkel vind ik 95 titels onder de naam Charlie Hédo. Da’s nog niet al: achter de eveneens pornovelles publicerende Nathalie Delacroix schuilt dezelfde auteur en dan is er nog een stripreeks van Sylvia Dubois met scenario’s van… Charlie Hédo. Wat het totale oeuvre ver boven de 100 brengt. Ik vraag of hij me er eentje te lezen aanbiedt en krijg per kerende Erotische vakantielectuur 2020, een verhalenbundel, waarvan ik het eerste lees: De butler. Daarin verneem ik — ge moet er maar aan denken — wat er gebeurt als een vrouw Viagra tot zich neemt: ‘Zij stond stijf van de opwinding, al haar spieren waren gespannen, haar tepels priemden vooruit, haar dijspieren leken zich klaar te houden voor een spurt, haar kuiten puilden uit, haar rug kromde zich, als bij een kat die klaar is om te springen, haar nekspieren trilden en haar ogen waren bloeddoorlopen.’ De butler van dit zeer welstellende gezin — een ‘neger’, wat tot Charlies expliciete taalgebruik behoort — moet eraan geloven: ‘Ze had zijn gat al langer bloot gemaakt en nu trok ze zijn broek helemaal af. Op dat moment knikte de neger zijn kont naar voor en dreef hij zijn gevaarte in haar spleet.’ Dit gezellig samenzijn eindigt als volgt: ‘Genevieve kneep de zwarte ballen leeg en ze zoog haar mond op de zijne alsof er zo ook nog zaad te krijgen was en ze wilde niet dat het ophield maar op den duur viel de neger toch stil, want hij was geen neukmachine, hij was geen melkmachine, nee, hij was leeg.’
Een mens zou van minder. En nu naar bed.
Flor Vandekerckhove

En nu eentje van mij,
om het af te leren.

dinsdag 8 september 2020

Patti Smith en William Blake


Zoals veel andere groten die de ‘beat’ in Amerika heeft voortgebracht, houdt ook Patti Smith er een nauwe relatie met William Blake op na, dichter die bijna 200 jaar geleden gestorven is. Ze deelt die waardering met bijvoorbeeld Bob Dylan en Allen Ginsberg. Zij bezingt hem in My Blakean Year en in de intro zegt ze waarom ze die mens zo apprecieert, wat ze ook in dit interview doet. Haar appreciatie is dermate groot dat ze haar eigen selectie van diens werk uitgeeft. Daarin staat op bladzijde 113 het gedicht The Tyger dat mevrouw Smith hier ook op muziek zet, en dat ik onderaan vertaal. Ze doet daar trouwens interessante uitspraken over de relatie tussen poëzie en songtekst: ‘Ik heb mezelf altijd als schrijver beschouwd. Ik zou mezelf niet categoriseren als songwriter ... Het is maar een van de dingen die ik doe. Ik doe zoveel dingen. Ik besteed mijn tijd aan de manier waarop ik probeer te communiceren, waar het ook om vraagt.’ en verder: ‘Poëzie is een eenzaam proces. Liedjes zijn voor de mensen. Als ik een nummer schrijf, stel ik me voor dat ik het uitvoer. Ik stel me voor dat ik het geef. Het is een ander aspect van communicatie. Het is voor de mensen. Als ik ga zitten om een gedicht te schrijven, denk ik aan niemand. Ik denk niet na over hoe het zal worden ontvangen. Ik denk niet na of het mensen gelukkig zal maken of hen inspireren. Ik bevind me in een hele andere wereld. Een wereld van complete eenzaamheid. Maar als ik een nummer aan het schrijven ben, stel ik me voor dat ik het uitvoer. Ik stel me voor dat ik het geef. Het is een ander aspect van communicatie. Het is voor de mensen.’ 't Is een onderscheid waarin ik haar niet helemaal volg, wellicht omdat er, zoals ze trouwens zelf ook in dat interview zegt, een grensgebied tussen poëzie en songwriting bestaat waarin ’t een óók ’t ander is: ‘We schrijven altijd een bepaalde hoeveelheid poëzie voor de massa. Toen Allen Ginsberg "Howl" schreef, schreef hij het niet voor zichzelf; hij schreef het om zich uit te spreken. Om een zet te doen, om mensen wakker te maken. Ik denk dat rock-'n-roll, als onze culturele stem, die energie heeft opgepikt en nog toegankelijker heeft gemaakt.’
Over Tyger zegt ze nog: ‘Ik denk dat mij werd gevraagd om 'Tyger, Tyger' te lezen tijdens een museumvoorstelling. (…) En toen eindigde ik met het zingen ervan, want als ik het lees, hoor ik de muziek. William Blake stond bekend om zijn zangstem, en ik weet zeker dat hij deze gedichten zong, maar we hebben er geen verslag van.’
Zelf moet ik nog vermelden dat ik in mijn vertaling het rijm heb behouden. Ik spreek van tieger als een archaïsme vorm van tijger, waar Blake het archaïsche tyger gebruikt, terwijl men in zijn tijd ook al tiger schreef. 
Flor Vandekerckhove 

En ook hier zit muziek in, luister!