dinsdag 15 januari 2019

De schrijver als sjamaan

— Alan Moore (links) en Jeroen Olyslaegers. Zoek de zeven verschillen. —   

Op Net Gemist, een plek op ’t internet waar je afgelopen programma’s van de Vlaamse televisie bekijkt, verblijf ik een wijl bij Alleen Elvis blijft bestaan. In een fragment toont Jeroen Olyslaegers ons daar iets over Alan Moore, een van zijn inspiratiebronnen. Ik zoek die documentaire op en word in The Mindscape of Alan Moore van mijn sokken geblazen door wat die mens me vertelt. (°) 
Alan Moore is stripauteur en schrijver van fantasy, genres dat me vooral vervelen. Daar tegenover staat dat ik niet voor het eerst gegrepen word door wat zo’n fantasy-auteur me over de stiel vertelt. Ik heb dat eerder al ervaren bij Ursula Le Guin, Neil Gaiman, J.G. Ballard en vooral bij de trotskist China Miéville.
En nu de anarchist Alan Moore (°1953). Wanneer hij veertig wordt roept hij zichzelf uit tot magiër. Dit is wat hij er hier over zegt: ‘Het lijkt me in mijn werk wel veel energie te hebben gegeven. Ik publiceer nu waarschijnlijk meer boeken dan ik ooit gedaan heb, meer zelfs dan toen ik nog jong en monter was. Ik produceer behoorlijk veel pagina's. Veel daarvan betreffen nieuwe inzichten in mijn eigen creatieve processen, die ik aan magie te danken heb. Want wanneer ik over magie spreek, heb ik het in zekere zin alleen over het creatieve proces. Magie is voor mij iets uit niets, een konijn uit een hoed of een comic die uit mij tevoorschijn komt terwijl ik in een leunstoel zit met een volledig lege geest.’
In The Mindscape of Alan Moore hoor ik hem dit zeggen: ‘Magie, in z’n vroegste vorm, wordt vaak omschreven als ‘de kunst’. Ik meen dat dit volkomen letterlijk is, en dat kunst — of het nu literatuur is, muziek, beeldhouwen of wat dan ook — de wetenschap is van het manipuleren van symbolen, woorden of beelden, om bewustzijnsveranderingen mee te veroorzaken. En ik geloof dat dit de reden is waarom een kunstenaar of schrijver in de huidige wereld het best te vergelijken is met een sjamaan.’

Flor Vandekerckhove

(°) VRT. Canvas. Net gemist. Alleen Elvis blijft bestaan. Met Jeroen Olyslaegers. 15 december 2018. Ik heb geen idee hoe lang na datum je daar de getoonde reportages kunt bekijken. Maar ik heb hem wel hier gevonden: The mindscape of Alan Moore op https://www.vrt.be/vrtnu/a-z/the-mindscape-of-alan-more/2005/the-mindscape-of-alan-more-s2005/.

zondag 13 januari 2019

De toekomstige lotgevallen van Siegfried in Gent

Heel Gent rijdt met belgerinkel naar de winkel. Voetgangers overspoelen straten & pleinen. Gewemel alom! Een slogan klinkt almaar luider over de stad: Sieg-fried bui-ten! Sieg-fried bui-ten!
Niemand krijgt dit nog onder controle, echt niemand. ’t Is nochtans geprobeerd, maar de coup is mislukt. Op de Blaarmeersen hebben de Vlaams-nationalisten de Slag der gulden wielvelgen verloren. De knippen hebben stand gehouden. Aan de Brugse Poort worden de buitgemaakte wielvelgen thans verdeeld onder Bulgaren die met zo’n dingen wel raad weten, aldus twittert Theo Francken.
Met hun vaandels onder de arm ontvlieden Siegfrieds laatste bondgenoten de stad. Zijn chauffeur heeft het stuurwiel aan een parkeermeter gehangen. Zelf heeft Siegfried zich listig in een sociale woning verscholen, de plek waar je hem ’t minst zou zoeken. Wat doet hij daarbinnen? Hij verbergt zich tussen de andere schimmels die in Gentse sociale woningen welig tieren.
Een stoet gele hesjes nadert. Siegfried zit met de poepers: Sieg-fried bui-ten! Sieg-fried bui-ten! Haastig bedenkt hij een list. Uit het kot haalt hij een klein velootse en uit de kast een bleiw majootse, hij verkleedt zich in een tsjeef die koomiskes doet. (°) Terwijl de stoet voorbijtrekt, treedt hij, zoals geëist, naar buiten en scandeert een sloganvariante: Ik-ben bui-ten, ik-ben bui-ten! In verwarring gebracht door deze vreemde verschijning maken de gele hesjes een cirkel rond Siegfried. De stemming is wat ze is.
Onverwachts komt Mieke, schepen van trouwpartijen, aangefietst. Ze is niet alleen een tsjeef, maar ook een gutmensch. ‘Voorwaar ik zeg u,’ roept ze kordaat, ‘laat deze man gaan of ’t zal over heel Gent kikvorsen regenen.’ Waarmee ze een Bijbelvers uit Exodus in stelling brengt, iets wat in haar tijd wel meer gedaan werd. Ferme madam als ge ’t mij vraagt, maar of haar plaag daadwerkelijk over Gent zal nederdalen, moet de toekomst zelf maar uitmaken.
Flor Vandekerckhove



(°) Tsjeef (katholiek), koomiskes (boodschappen), velootse (fietsje), bleiw (blauw) en majootse (shirt) zijn Gentse woorden. Freek Neirynck zei me hoe ik ze moest schrijven.


vrijdag 11 januari 2019

Nicolas Calas: surrealist en trotskist

— Surrealisten in ballingschap. 1945, in de New Yorkse woning van kunsthandelaar Pierre Matisse. Van links naar rechts: André Breton, Esteban Frances, Suzanne Césaire, Jackie Matisse, Denis de Rougement, Elisa Breton, Sonia Sekula, Elena Calas, Yves Tanguy, Nicolas Calas (centraal in beeld, geknield), Marcel Duchamp, Patricia Matta, Roberto Matta, Teeny Matisse en Aimé Césaire. —   


In 1938 reist de Franse surrealist André Breton naar Mexico, waar hij de verbannen Russische revolutionair Leon Trotski opzoekt. Dat bezoekt werpt vruchten af, een Manifest voor een onafhankelijke revolutionaire kunst dat Trotski en Breton samen opstellen. De tekst moet de basis leggen waarop een Internationale Federatie voor Onafhankelijke en Revolutionaire Kunst (FIARI) gebouwd wordt. Er ontstaan afdelingen in Parijs, Londen, New York en Mexico.
Surrealisme en trotskisme zijn twee verschillende dingen. Toch zijn er die beide in een persoon verenigen. Over de dichter Benjamin Péret heb ik het hier al gehad. Ook de Grieks-Amerikaanse dichter en kunstcriticus Nicolas Calas (1907-1988) is tegelijk surrealist en trotskist.
In Parijs werkt Nicolas Calas samen met de Amerikaan Sherry Mangan om daar de Parijse sectie van de FIARI te organiseren. Mangan is auteur, dichter en journalist, hij laat niet na om een boek van zijn surrealistische kameraad Nicolas Calas in Amerika bekend te maken. In Partisan Review bespreekt Mangan dat boek niet kritiekloos, maar hij sluit zijn bespreking wel onomwonden af met ‘Dit boek is ongetwijfeld het meest stimulerende dat Frankrijk dit jaar geproduceerd heeft.’ (°)
In de surrealistische theorie is Calas vooral bekend voor zijn essay ‘Naar een derde surrealistisch manifest’. Daarin ontwikkelt hij de idee dat het surrealisme zal mislukken als de revolutie uitblijft. Calas blijft het surrealisme levenslang trouw, maar met de koude oorlog komt wel de politieke ontgoocheling. Die overwint hij in de jaren zestig. Enthousiast begroet hij de studentenrevoltes en dat geldt eveneens voor het artistieke verschijnsel pop art. Ook politiek blijft hij actief, zo schrijft hij voor de Griekse krant Antistassi, een in Londen uitgegeven verzetskrant tegen de Griekse militaire junta.
Hieronder vertaal ik een gedicht van Calas. In Four O’Clock verenigt hij surrealisme en trotskisme. Het gedicht wordt door de Amerikaan Alan Wald als volgt geduid. ‘In deze passage kunnen de Himalaya's staan voor de Naropa University (een Tibetaans boeddhistische unief in Boulder, Colorado, waar Calas uitgenodigd gast was door Allen Ginsberg); "Aardse omwentelingen" voor sociale revolutie; "De fusie van terreur en schoonheid" voor het surrealisme; "Mount Athos" voor de nalatenschap van religieuze rijkdommen; "Aurora" voor de Romeinse godin van de dageraad; en "Four O'Clock" voor de Vierde Internationale. Men voelt dat Calas trouw blijft aan Surrealisme en Revolutie (…) dat hij nog steeds in de verwachting leeft van een authentieke sociale transformatie.’
Flor Vandekerckhove


(°) Partisan Review is een Amerikaans cultureel tijdschrift waarover ik het wel meer heb. Het heeft zelfs een apart label in de alfabetische lijst van onderwerpen die u rechts in de blog aantreft. In de lente-editie van 1939 wordt het boek van Calas door Mangan (schuilnaam Sean Niall) in zijn rubriek ‘Brief uit Parijs’ besproken. U kunt dat nalezen als u hier klikt, want alle nummers van Partisan Review zijn op ’t internet in te kijken.


woensdag 9 januari 2019

Grace Paley, Raf Verbeke en ik

— Gino Russo (links) en Raf Verbeke. © Reporters Quinet. —   

Veel verhalen van Grace Paley zijn er eigenlijk twee. Het ene speelt zich in de persoonlijke sfeer af, het andere is iets wat in de wereld gebeurt. Toch schrijft ze niet over verschillende dingen, de twee vallen samen. Soms gebeurt het in een enkele zin: ‘Toen bespraken we hoe het SALT-verdrag de basis miste waarop het plafond moest rusten, lazen we een gedicht dat een van zijn dochters had geschreven, keken naar een televisieprogramma dat de ondergang van de Europese textielindustrie bekend maakte, en toen gingen we met elkaar naar bed.’ En elders: ‘(…) en toen werden de kinderen geboren, en daarna had ik op dinsdagavond altijd die vergaderingen, en toen begon de oorlog (…)’
Voor haar is dat gemakkelijk, want haar alter ego engageert zich ten volle in de wereld en doet thuis ook de was en de plas. Dat geldt nog meer voor mijn lievelingsschrijver Isaak Babel. Hij verhaalt over de tijd waarin hij als embedded journalist aan een veldtocht deelneemt. Als diens alter ego onderweg naast een onthoofd lijk wakker wordt ligt het persoonlijke verhaal wel heel dicht bij dat van de wereld.
Ook ik heb me in de wereld geëngageerd, maar die tijd ligt achter me. Waar ik nu, op de drempel van mijn zeventigste, over schrijf is dit: ik zit in de zetel en vertel over kleine dingen die zich daar, via de onontwarbare wegen van de creativiteit, ontvouwen. Dat levert stukjes op waaraan ik veel genoegen beleef, en u hopelijk ook, maar als ik de kwaliteit ervan wil verhogen moet ik aan mijn huiselijkheid toch een beetje wereld toevoegen.
Ik moet nog een beetje experimenteren om uit te vissen hoe ik dat op eigen wijze kan doen. Al enigszins geslaagd vind ik Alleen maar waargebeurde feiten, en misschien ook Keukenfilosofische mijmeringen tussen Parijs en Orleans. Maar hoe moet ik het bijvoorbeeld doen in het stukje dat ik hier nu nog aan ’t schrijven ben?
Terwijl ik daar over nadenk ga ik koffie zetten. Plots ontvouwt de wereld zich in een krant die op het aanrecht ligt. Mijn oog wordt aangetrokken door een foto van twee gele hesjes die hun medestanders toespreken. Ik kijk aandachtig naar het beeld en herken naast Gino Russo voorwaar mijn oude strijdmakker Raf Verbeke.

Flor Vandekerckhove

dinsdag 8 januari 2019

Balans & Perspectieven

Sinds het ontstaan ervan werd deze blog al 322.000 keer bekeken, een cijfer dat, terwijl ik het neerschrijf, alweer voorbijgestreefd is. Een jaar geleden staat de teller nog op 253.000. Dat betekent dat er in een jaar tijd 69.000 nieuwe views genoteerd werden.
Enkele jaren geleden, in 2016, post ik 247 stukjes, een recordaantal. Da’s ook overdadig veel, want dat betekent dat ik tijdens dat jaar haast dagelijks een nieuw verhaal publiceer. Ik moet me echt een beetje leren matigen, zei ik toen. In 2017 slaag ik daar nog niet goed in, maar verleden jaar is het me wel gelukt: 186 gepubliceerde stukjes, gemiddeld eentje om de twee dagen.
In de rechtermarge van de blog staat een top tien van de meest gelezen posten. 2018 brengt twee nieuwe topstukken voort. Op 7 staat Sigaretje voor de gele trui, het waargebeurde verhaal van de sigarettenrokende renner Staf Van Slembrouck. Het wordt op 8 gevolgd door een gedicht, Zijt ge niet beschaamd, een eerbetoon aan de dit jaar door geweervuur omgekomen kleuter Mawda Shawri. Toch wel straf dat een gedicht in de top-tien kan belanden.
Het meest recente maandgemiddelde leert me dat de blog dagelijks bijna 200 keer bekeken wordt, 199,36 keer om exact te zijn. Dat is al meer geweest (in 217 zelfs 292/maand) en ook al minder (in 2016 is ‘t 150). Ik denk dat 200 een mooi en nastrevenswaardige gemiddelde voor mij is. Om dat cijfers spectaculair te doen stijgen is een promotiecampagne nodig, geld dus, en als er iets is waarmee ik me niet langer wil bezighouden dan is het wel dat. De promotie van De Laatste Vuurtorenwachter ligt daarmee volledig in handen van de lezers; zij zijn het die anderen op het bestaan van deze blog kunnen wijzen, zij zijn het deze blog, bijvoorbeeld via Facebook, bekendmaken.
Wat je ook doet in ’t leven, het lijkt altijd op fietsen. Dat geldt ook voor de blogger. Tot nu heb ik vooral kilometers gemaald. Da’s nodig om het spel in de benen te krijgen. Om de kwaliteit van de blog te verhogen moet ik nu een tandje bijsteken en ‘t is daarover dat ik een beetje mediteer in een stukje dat u moeiteloos vindt wanneer u klikt op Grace Paley, Raf Verbeke en ik.

Flor Vandekerckhove

zondag 6 januari 2019

En toch zal ik weer opstaan

Op dezelfde dag dat ik een e-reader in huis haal sterft in de Verenigde Staten Maya Angelou (1928-2014). Om met dat toestel te leren omgaan haal ik — ik beken: op onrechtmatige wijze — al haar boeken in huis, waaronder ook The Complete Collected Poems Of Maya Angelou, goed voor 227 bladzijden poëzie.
Van zo’n e-reader kan veel gezegd worden, maar niet dat je al die gedownloade boeken vervolgens ook leest. Heel ‘t oeuvre van Maya Angelou is jarenlang ongeopend op de planken van mijn reader blijven staan.
Verleden week sla ik dan toch Maya’s poëziecollectie open, en nu ben ik erg onder de indruk van wat daar staat. Zozeer zelfs dat ik er een gedicht in zoek dat ik kan vertalen.
Mijn keuze valt op Still I Rise, ook omdat ik op youtube een filmpje vind waarin Angelou dat gedicht zelf declameert. Je moet daar zeker eens naar kijken; net als ik zal je daarvan onder de indruk zijn. Ik plaats het onderaan.
Eerst de vertaling. Die is niet zonder slag of stoot verlopen, want er zit her en der een rijm in dat gedicht, dat het ritme mee bepaalt en ’t is niet gemakkelijk om dat rijm naar het Nederlands over te brengen, zonder dat geforceerd te laten overkomen. Dus heb ik het eerst vertaald zonder me aan enig rijmschema te houden. Daarna heb ik een beetje met dat rijm geëxperimenteerd, en me hier en daar een dichterlijke vrijheid toegemeten. Wat denk je? Is het resultaat aanvaardbaar?

Flor Vandekerckhove



En nu naar de dichters performance kijken!

vrijdag 4 januari 2019

Cafeetje in Leffinge

Leffinge is een Vlaams dorp dat in een agrarisch gebied ligt, per definitie een streek waar men het de nieuweling niet gemakkelijk maakt. Maar ook dit is waar: eens men die nieuweling aanvaardt, komen de verhalen wel los.
In Leffinge gaan die verhalen al eens over Koenraad — zeg maar Koen — een jeugdvriend die daar in de vroege jaren zeventig, samen met zijn gezellin Marry, een kroeg uitbaat.
In Koens tijd wordt dat cafeetje druk bezocht en het speelt in onze levens een niet onbelangrijke rol. Ik herinner me doffe muren, fletse gordijnen, een niet pretentieuze gevel en een onbeschroomd ouderwetse inrichting. Boven de tapkast hangt een schilderij van een gezin dat aardappels eet.
Ook is er die lampenkap waaraan niet alleen een lamp, maar ook een verhaal vasthangt. Dat gaat over een meisje dat verdwaalt. Aan de bosrand ontwaart ze een onbewoond huis. Ze kijkt door het raam en ziet het skelet liggen van een man wiens tante soortgelijke lampenkap …
Maar wacht! Voor ik verderga moet ik iets bekennen. Veruit het meeste wat hierboven staat komt uit Sneker caféook bekend als Cafeetje in Sneek, lied van de onovertroffen Drs. P.
Koen is fan van die mens. Telkens Sneker café op de draaitafel ligt, legt hij ons het zwijgen op. We moeten luisteren en verinnerlijken alzo die wervelende liedtekst. Daarna doen de jaren hun werk. In mijn hoofd vervaagt het interieur van Koens cafeetje. Het wordt beetje bij beetje vervangen door beelden uit het lied waarnaar hij ons verplicht heeft te luisteren.
Zo! We hebben inmiddels voer genoeg om een flink eind weg te lullen over de dwaalwegen van de memorie; over het wankele geheugen van de ouder wordende mens in het algemeen en dat van mij in het bijzonder; over werkelijkheid & verbeelding; over de manier waarop de tweede de eerste voedt; en of het wel waar is dat de eerste de tweede overtreft. Tegelijk weet ik zeker dat Koen ons meteen het zwijgen zou opleggen en wat hij ook meteen zou opleggen is de naald. Op de plaat. Dat kun je trouwens zelf ook doen als je hier drukt.

Flor Vandekerckhove

zaterdag 22 december 2018

Mijn laatste kerstfeest

Een mens kan het zich haast niet voorstellen, maar ooit was ik een kerstfan. Dat veranderde drastisch tijdens het jaar dat ik het ‘Nodig een eenzame uit’ in daden probeerde om te zetten.
Uit een omvangrijke longlist selecteerde ik de ex-lieven waarvan ik wist dat ze single gebleven waren en mijn bloed wel konden drinken. Al die haat wilde ik in vrede omzetten — liefde spreekt uit zijn mondeken teer. Ik nodigde hen uit om, naast de kerstboom, bij de feestdis aan te schuiven.
Eerst wilde ik die kerstboom maagdelijk houden, want hoe schoon zijn uwe bladeren, maar op de valreep ging ik toch een hoop fikfak halen, alles aan minder dan de halve prijs, wegens alreeds kerstavond.
Ik vergat helaas mijn huissleutel. Daar stond ik nu te blinken met een doos vol klatergoud en het was al aan het deemsteren. Met veel moeite klom ik achteraan over de muur. Bleek dat ook de achterdeur op slot was. Ik schatte de breedte van een ruit, sloeg het glas stuk en wrong me door het raam tot ik … bleef steken. Terwijl ik daar hing— ziet eens hoe alle zijn ledekens bevenhoorde ik de bel overgaan. Ik wilde roepen, maar was daar in die houding geenszins toe in staat.
Telkens zich een nieuwe genodigde aanmeldde luisterde ik naar de bel en daarna naar een resem wrede verwensingen. Ook moest ik voortdurend aanhoren hoe de dames intens met mijn aldaar achtergelaten doos klinkklank in de weer waren. En uiteindelijk niets meer: heilige nacht, alles slaapt, eenzaam wacht. Dat laatste sloeg op mij.
Het was alweer aan ‘t dagen toen de buurman me met zijn ladder kwam bevrijden. Vanuit diens woning belden we de slotenmaker. Die trok grote ogen toen hij op de stoep de wraak van mijn genodigden aanschouwde: kapotte kerstbollen, vertrapt kaarsvet, onthoofde rendieren, engelenhaar alom, leeggespoten bussen schuimsneeuw, verknipte kerstmutsen, jingle bells all the way
Toen de slotenmaker me de rekening presenteerde riep ik met luide stemme: ‘Nooit zal ik nog aan kerst deelnemen, God is mijn getuige!’ Waarna een bliksemschicht het hemelgewelf doorkliefde en een stem vanuit de hoge sprak. Het was John Lennon die me in een soort West-Vlaams Engels zei: 'And so this is Xmas / And what have y’ e nu were ge-done?'  Ik zweer het!

Flor Vandekerckhove

vrijdag 21 december 2018

De schilder en de schilder


— Edvard Munch. ‘Schilder bij de gevel’. 1942, olie op doek,90 x 68 cm. —

In 2017 stelt de Noorse schrijver Karl Ove Knausgård een tentoonstelling samen met veelal onbekende, soms zelfs nooit eerder tentoongestelde werken van zijn landgenoot Edvard Munch, alom bekend als de schilder van De schreeuw.
Een van die werken heet Schilder bij de gevel. Het dateert van 1942 en werd nooit eerder geëxposeerd. Op het internet vind ik er zelfs geen beeld van. Ik haal het uit het boek dat Knausgård n.a.v. die tentoonstelling schrijft. (°)
Knausgård gebruikt dat doek om ons uit te leggen wat schilderkunst is. ‘Het schilderij (…) is geen zelfportret, maar het nodigt uit tot reflectie over wat schilderen voor Munch betekende, door het verschil tussen enerzijds de man die het huis schildert, en die dat midden in de wereld doet, en anderzijds Munch die er een schilderij van maakt, en die eveneens midden in de wereld staat, maar niet op dezelfde manier, want terwijl de verf die de huisschilder op de muur aanbrengt ook als materie in de wereld bestaat, creëert de verf die Munch op het doek aanbrengt ook nog eens een andere wereld. (…)’
Eerder had ik al een notitie gemaakt van een lange zin in dat boek, die eigenlijk hetzelfde zegt: ‘Kunst is zelf een deel van de wereld, uiteraard, net zoals alles wat we maken een deel van de wereld is, maar kunst onderscheidt zich van de dingen door altijd méér te zijn, omdat ze niet alleen een object in de wereld is, maar bovendien een werkelijkheid op zichzelf creëert, naast of boven de werkelijkheid die we gewoonlijk zien en waar we ons gewoonlijk in ophouden.’
Knausgård komt daar in dat boek wel meer op terug, zoveel zelfs dat ik er eerder al een apart stukje van gemaakt heb. In de blog heeft dat een merkwaardige titel gekregen, Knausgård ontmoet Anna Karenina in het schildersatelier’, het staat hier.
Flor Vandekerckhove


(°) Karl Ove Knausgård. Zoveel verlangen op zo’n klein Oppervlak. Een boek over de schilderijen van Edvard Munch. Vertaling: Sofie Maertens en Michiel Vanhee. A’dam 2018. Athenaeum — Polak & Van Gennep. 254 p.

woensdag 19 december 2018

Wat Elvis en ik met elkaar gemeen hebben

Altijd val ik in onmin met lieden die mijn teksten wel willen publiceren, maar dan alleen op voorwaarde dat ik ze eerst een beetje in hun kraam wring. Daar krijg ik iedere keer weer purperen puisten van; aan mijn verhalen wordt niet geraakt, noch voor het geld, noch voor de show.
Door de bank genomen ben ik nochtans een gemakkelijke mens; je mag me een slag in het gezicht geven, je mag me belasteren, me bij 't zeventiende zetten, mijn fiets ontvreemden, me een trotskist noemen, mijn grenadine uitdrinken, tegen mijn gevel pissen, van en met mij mag je al doen wat je wil, maar je moet wel mijn schrijfsels respecteren.
Bij het gerenommeerde huis EPO laat ik een boek vallen omdat men vindt dat ik van die roman beter een stuk literaire non-fictie zou draaien. Bij De Zeewacht laat ik een wekelijkse column vallen omdat men vindt dat ik er geen verbeelding in mag klutsen. En nu is er een plaatselijke nieuwssite die nog wel mijn stukken wil plaatsen, maar alleen op voorwaarde dat en afgezien van … En daar plaatst die mens dan, bewust van zijn redactionele macht, een kromme slotzin achter: Indien je hiermee niet kan verzoenen zullen we de samenwerking helaas moeten stoppen.’ Ah, antwoord ik, laat er ons dan meteen maar mee stoppen. Waarna de kat en ik samen de hond uitlaten.
Elvis had dat ook. Je mocht zijn huis afbranden, zijn auto stelen, zijn sterke drank uitdrinken, hem op de grond slaan, maar je moest wel van zijn blauwe suède schoenen afblijven. Ik begrijp die Elvis wel. Let’s go cat, walk the dog.

Flor Vandekerckhove