zondag 25 februari 2024

Uitwaden, uitwandelen, uitwaaien, uitwieden, uitweiden

IN Twee Oneliners van de eensnarige bezemsteelbas stelde ik u al dit unieke instrument voor dat Bert voor me maakte. Dat instrument is exact wat de naam zegt: een bezemsteel waarop een snaar gespannen staat. Het geluid van de aangeslagen snaar wordt versterkt door de BIRDIE, een machientje om verliefd op te worden. Ik heb de eensnarige al aangewend bij ’t declameren van dit driezinnenverhaal, vandaag doe ik het nog eens, maar nu bij ’t debiteren van een oneliner, terwijl ik — optimistisch als ik ben — wadend de winter uitwandel. En zoals steeds: de oneliner telt 17 lettergrepen, geen kapitalen, geen leestekens. (Flor Vandekerckhove)

De winter uitwaden op YouTube
Wadend in de branding wandelen we weer de wintermaanden uit
[116]
De digitale publicaties (pdf en EPUB) van De Lachende Visch zijn gratis. 
Mail erom (en vermeld de titel: in dit geval ‘200’, dan begrijp ik het wel.): liefkemores@telenet.be.

zaterdag 24 februari 2024

Uitverkochte cinemazaal



Stop Making Sense! Net als wij aan de beurt zijn: UITVERKOCHT! Ik ga naar de mens die me eerder zijn tickets wilde verkopen, zeg dat ik me bedacht heb, wat maakt dat we de concertfilm toch kunnen zien. Uitverkochte cinemazaal! Nooit eerder meegemaakt. Ik monster het publiek dat van alle leeftijden is, mensen waarvan ik mag vermoeden dat ze weten waarvoor Talking Heads staan, waarvan ik zelfs vermoed dat velen de film niet voor ’t eerst zien. Mijn dochter zag hem als piepjonge tiener in de Gentse Studioscoop, Tania zag hem zelfs drie keer in de Oostendse Rialto. De film werd nu geremasterd en daardoor krijg ook ik de kans om hem, 40 jaar later, te zien. 
In 1984, jaar waarin Stop Making Sense uitkomt, ken ik Talking Heads niet, ik denk niet dat er iemand in mijn Gentse kennissenkring is die dat wel doet. Als wij in die tijd naar de cinema gaan is ’t naar Nineteen Eighty-Four, omdat we dat boek gelezen hebben of naar The World According To Garp om dezelfde reden. Van de eerste film hoorde je destijds te zeggen dat het boek beter was, van de tweede herinner ik me dat ik hem in Amsterdam zie, waar ik me in het marxisme bekwaam. Daar zegt iemand me dat Garp haar aan mij laat denken, ik weet niet meer of ik daar toen blij om moest zijn of juist niet.
Al wat ik later over Talking Heads leer, haal ik uit Wouter Bulckaerts Vinylpraat (°), boek waarin ik wel degelijk over de band lees, bewijzen m’n aantekeningen die hun plaats verworven hebben in het gat van mijn geheugen. En nu kijk ik die concertfilm uit.
Na afloop applaudisseert het publiek, ook dat heb ik nooit eerder in een cinema meegemaakt. Onderweg naar huis leert Tania me Talking Heads beter kennen, ze vertelt me dat het overmaatse kostuum van frontman David Byrne geïnspireerd werd door traditioneel Japans theater. Met dat oversized pak drukt Byrne uit dat het lichaam de muziek veelal vlugger begrijpt dan het hoofd dat doet; de truc met het pak toont ons die gedachte: groot lijf, klein hoofdje. Ha, ik zie dat er hier zo’n kostuum in de aanbieding staat: 93 dollar, in plaats van 199.


Stop Making Sense
. Regie Jonathan Demme. Concertfilm 1984, Talking Heads. 85 minuten. Ik zie de film op 22 februari 2024 in Lumière Brugge. Er volgt daar nog een vertoning op zondag 25 februari om 20 uur. (Veel kans dat ook die uitverkocht geraakt.)


(°) Wouter Bulckaert. Vinylpraat. 255 pp. Epo Berchem. 2020.


Flor in spoken word dient om de gedeclameerde versies van mijn verhalen/gedichten kenbaar te maken. 

donderdag 22 februari 2024

Wat zochten de Russen in dat dorpje?

Vlak naast Veules-les-Roses biedt een bunker mooi uitzicht op de almaar verder afbrokkelende kusten van Normandië. (An apple a day keeps the doctor away.) Rechts: Aleksej Bogoljoebov vindt er inspiratie voor tal van schilderijen.



Woensdag 21 februari 2023. — Tania stapt vandaag een stuk van de Wandelroute GR21, af, van de cimetière marin in Varangueville tot aan een dorp 26 kilometer verder, Veules-les-Roses, bekend als Frankrijks mooiste. Daar wacht ik haar op.
Bij een watermolen valt me een plakkaat op, ter ere van de ‘Passage des Peintres Russes, Mouvement des Ambulants, 1867-1900’. Dan vraagt een mens zich toch af: wat komen Russen in zo’n Frans dorpje zoeken?
Die Russische kunstschilders noemen zichzelf ‘zwervers’ of ‘trekkers’⇲. In plaats van 't academisme dat hen antieke taferelen oplegt, kiezen ze voor 't schilderen van het leven zoals het is, ze slaan de deuren van de academie achter zich dicht en trekken eropuit. De Franse impressionisten doen iets soortgelijks, daar kunnen die Russen iets van leren.
Met een beurs van de tsaar trekt Aleksej Bogoljoebov van 1856 tot 1860 naar Parijs om het onder de knie te krijgen. De Franse professor laat Aleksej niet alleen die nieuwe manier van schilderen kennen, maar ook het dorp Veules-les-Roses. De Rus is van beide onder de indruk: ‘Het was voor mij een echte revolutie! Ik bestudeerde hoe deze mensen naar de natuur keken.’
Twaalf jaar later is Bogoljoebov niet alleen een bekende schilder geworden, hij is ook een Russische ambtenaar met een luizenbaan in Parijs. Hij keert terug naar Veules-les-Roses en brengt zijn protégés Ilja Répinen Vasili Dmitrijevitsj Polenov mee. Er volgen nog Russen en op 9 juli 2005 herdenkt het dorp hen met het plakkaat dat mij tot dit stukje inspireert. Aleksej Bogoljoebov heeft dus niet voor niets geleefd en ik verhoop van u hetzelfde.

De digitale publicaties (pdf en EPUB) van De Lachende Visch zijn gratis. 
Mail erom (en vermeld de titel): liefkemores@telenet.be

dinsdag 20 februari 2024

Een blog, wat is dat eigenlijk?

De Laatste Vuurtorenwachter vervangt vooral m’n oude kladboekjes. Die schriftjes hadden alle charmes die elitaire lezers aan ’t papieren boek toekennen. Ze hadden ook nadelen: ze lagen stof te verzamelen, waren slordig geschreven, soms onleesbaar, ik legde er al eens eentje verloren en hoe groter de stapel hoe moeilijk het werd om iets weer te vinden. Omdat ik De Laatste Vuurtorenwachter deel met lezers is de blog beter geschreven, iets weervinden doe ik met een simpele 'druk op de knop', de hyperlinks maken m’n leesnotities rijker en mezelf maken ze wijzer dan ik anders ooit had kunnen worden. En ook dit: de blog leert me hoe te schrijven in digitale tijden.


DE SCHAARS GEWORDEN paperbackeditie van The Weblog Handbook kost bij amazon.nl waarlijk 89 euro plus 15 voor de bezorging, maar voor de onuitputtelijke e-versie vragen ze daar maar € 4,50. (°) Voor de prijs moet ik het bijgevolg niet laten. Inmiddels heb ik het al uit. In 't jaar waarin Rebecca Blood dat boekje schrijft (2002) schat ze het totaal aantal blogs op een half miljoen; geen idee hoeveel het er nu zijn. Iets geleerd? Welzeker.
De weblog is voor alles een digitaal instrument dat gebruik maakt van de mogelijkheid om op in ’t wereldwijde web van het ene document naar een ander te springen, in de terminologie: linken. ’t Is iets wat ik met deze blog ook wel doe, maar dat linken de essentie van een blog is, is een krasse uitspraak. Verder in het boek zegt Rebecca Blood zelfs resoluut: ‘Ik zou zelfs zo ver gaan te zeggen dat als je niet naar het primaire materiaal linkt wanneer je naar literatuur verwijst je geen weblog bijhoudt. Zelfs als je dagelijks post.’ En ook: ‘Het zijn de links die het doen, zij creëren een transparantie die met geen enkel ander medium mogelijk is. En het is de link die de weblog onderscheidt van een soort schrijven dat gewoon uit de oude media naar het internet is overgeplant.’  Zo'n posts zonder links noemt de auteur 'online journals'. 
Rebecca Blood onderscheidt drie soorten weblogs. 
1. FILTERS. Zo’n blog laat geen eigen verhalen zien, tekst bestaat uit enkele zinnen die je voorbereiden op wat de post je wil tonen, de blogger zegt: dat is wat ik op ’t internet gevonden heb, je moet daar echt eens naar kijken. De post dient exclusief om te wijzen naar wat zich elders op ’t net bevindt. Wie naar het archief van rebecca’s pocket⇲ kijkt, ziet meteen wat ze bedoelt. Wat daar staat is niet te vergelijken met de blog die u nu leest. De eerste blogs, zegt Rebecca, waren allemaal van dat filtertype. Ze beantwoordden aan een behoefte om in het almaar uitdijende internet de weg naar interessante plekken te vinden. Omdat er zoveel te ontdekken was, werden de blogs snel aangevuld, soms meer dan eens per dag.
2. BLOGS. Een tweede soort noemt Rebecca Blood gewoonweg BLOGS, da’s wel een verwarrende naam, vind ik, ze had beter DAGBOEKEN gezegd: ‘Korte teksten en het onderwerp is ‘t dagelijks leven van de schrijver, met links die ondergeschikt zijn aan de tekst. (…) Als er links worden opgenomen, lijkt dat bijna als bijzaak. Die links zijn veelal verwijzingen naar de definitie van het woord. Dit soort sites domineerden medio 2000 het webloguniversum.’ Een voorbeeld maakt het duidelijk, 't zijn dagboeknotities: Scripting News
3. NOTEBOOKS. Soms persoonlijk, soms gefocust op de buitenwereld, Ze onderscheiden zich van de tweede soort doordat ze langere stukken te zien geven, soms verhalen. Teksten zijn korter dan een essay en langer dan die in de tweede soort blog, ze zijn ook beter geredigeerd. De links zelf spelen een strikt ondersteunende rol. Dat is wat De Laatste Vuurtorenwachter doet: een blog als persoonlijke creatieve ruimte. De Laatste vervangt enerzijds de gelijknamige column die ik vanaf 1988 in Het Visserijblad schreef — er is hier dus ook wel sprake van een 'oneliner journal' — anderzijds vervangt deze blog ook de notitieboekjes die ik in pre-internettijden placht bij te houden. ’t Is geen toeval dat het label ‘leesnotities’ een van de meest voorkomende items van mijn blog is: wat vroeger in schriftjes — notebooks — terechtkwam, komt nu in de blog, waarbij ik dankbaar gebruik maak van het fenomeen hyperlink, in dit eigenste stukje zeven keer. 't Is waar dat ik binnenin typische handpalmverhalen (die ook eerst in deze blog terechtkomen) zo'n links probeer te mijden, omdat de kracht van het 'super korte' erdoor dreigt verloren te gaan, maar dat los ik al eens op door in de titel een link toe te voegen die naar een gedeclameerde versie van het verhaal leidt, een YouTubevideo waarop je me hoort spreken, soms ondersteund door muziek, veelal met (bewegende) beelden; ook hier maak ik dus gebruik van wat blogbepalend is: de hyperlink. Wat Blood over essays zegt is waar: speciaal voor publicatie in De Laatste creëerde ik een apart genre, het mini-essay, essay-achtige tekst die korter is dan wat een essay normaliter te zien geeft. Deze soort weblogs, zegt Rebecca Blood, is sterk gegroeid sinds de introductie van Blogger in 1999, veelgebruikte gratis service voor het updaten van posts; ’t is ook van Blogger dat ikzelf voor deze publicatie gebruik maak.
Flor Vandekerckhove

(°) Rebecca Blood. The Weblog Handbook. Practical Advice on Creating and maintaining Your Blog. 2002. Perseus Publishing. 208 pp.
De digitale publicaties (pdf en EPUB) van De Lachende Visch zijn gratis. Mail erom (en vermeld de titel: in dit geval ‘200’, dan begrijp ik het wel.): liefkemores@telenet.be.

maandag 19 februari 2024

Lezen op het scherm / Schrijven voor het scherm

Deze digitaal gemaakte collage dient alleenlijk om u naar een diepe lezing van onderstaand essay te lokken. (De tekeningen komen uit Giants of the Earth, SF-verhaal van Capt. S.P. Meek uit 1931. [ComicBooks+]) 


DE AMERIKAANSE Maryanne Wolf waarschuwt tegen het ‘alleen nog op een scherm lezen': ’Wie alleen op schermen leest, wordt minder empathisch’. (°) En ook: ‘Leer kinderen diep lezen, dan worden ze authentieke, autonome mensen: de beste buffer tegen demagogen.’ Je zou bijna vergeten dat Hitler uit de tijd van het papieren boek stamt.
Wolf vindt het belangrijk om ‘diep’ in een tekst te gaan, iets wat moeilijk wordt als je scrolt. Wat ze zegt is uiteraard juist, maar er zijn ook mensen die dat niet zo erg vinden, Alessandro Baricco bijvoorbeeld: ‘‘Het idee (…) dat je diep moet gaan op dat wat we bestuderen, tot we de essentie ervan bereiken, is een mooi idee dat aan het uitsterven is; daarvoor in de plaats komt de instinctieve overtuiging dat het wezen der dingen niet een punt is maar een baan, dat niet in de diepte verborgen zit maar over de oppervlakte verspreid ligt, dat het niet binnen in de dingen schuilt, maar zich vertakt aan de buitenkant ervan, waar ze daadwerkelijk beginnen, dat wil zeggen overal.’ (°°)
Veel van wat Maryanne Wolf zegt is interessant voor de internetschrijver die ik wil zijn, producent van e-literatuur. Lezen in het digitale tijdperk is inderdaad anders dan toen we op papier lazen. Wolf doet daar onderzoek naar: ‘De milliseconden die we onderbewust gebruiken om dieper in een tekst gezogen te worden, hebben we niet als we op schermen lezen. We scrollen naar het volgende, bladeren en wieden in het woud van informatie dat rondom ons woekert.’ En ook dit is interessant: ‘Diep lezen is in principe ook mogelijk op een scherm, maar het vereist een zeldzaam bewustzijn van de lezer.’ 
Daar voeg ik aan toe: ‘En van de schrijver’. Sinds ik eind 2013 beslist heb alleen nog digitaal te publiceren, denk ik in de praktijk na over literatuur op ’t scherm. Een blogpost is inderdaad anders dan een column op papier, een verhaal op een digitale drager moet anders zijn dan soortgelijk verhaal op papier, een digitale auteurslezing verschilt van soortgelijke lezing in een zaal… Internetschrijvers moeten de valkuilen van het digitale schrijven/lezen kennen en manieren vinden om die te ontwijken, Omgekeerd ook, ze moeten de extra’s van het digitale benutten, en alzo het schrijven/lezen verrijken. (°°°) Zelf ben ik ervan overtuigd dat we terzake nog een lange weg te gaan hebben, zowel schrijvers als lezers.
’t Is inderdaad iets wat zowel schrijvers als lezers moeten leren en voor mijn generatie is ‘t wellicht te laat, voor lezers van mijn generatie zijn teksten alleen maar interessant als ze er eerst kunnen aan ruiken. De moeite die ik terzake doe wordt door hen niet altijd beloond; dat komt, denk ik, doordat we in een overgangstijd leven. Lezers doen, zoals Wolf zegt, op een scherm nauwelijks moeite om zich in de daarvoor nochtans geschikt gemaakte tekst te verdiepen. Ik doe het bijgevolg in de eerste plaats voor mezelf: welke verworvenheden van een op geletterdheid gebaseerde cultuur kan ik meenemen naar dit nieuwe tijdperk? Hoe benut ik de extra's van het digitale. (°°°°) Zelf vind ik dat onderzoek tig keer boeiender dan het papieren kermiscircuit waar zoveel collega-auteurs blijkbaar graag in toeven.
Er is een detail dat mij treft. Maryanne Wolf citeert Proust: ‘Literatuur is het vruchtbare mirakel van communicatie dat plaatsvindt in eenzaamheid.’ Zelf hoor ik op YouTube Stephen Elliott zeggen: ‘Schrijven is de drang om te communiceren terwijl je de drang voelt om alleen te zijn.’ Proust is een man van het papieren boek, Elliott daarentegen tekent, als filmer en als essayist, zeer present op ’t internet. Toont Eliotts uitspraak niet dat de verworvenheid van Proust naar het digitale tijdperk kan meegenomen worden? 
Diep op de problematiek ingaan? Kijk naar deze YouTube-film⇲. Als ge daarvoor de tijd niet hebt, kijk dan tenminste naar deze video. Of luister naar een podcast waar Wolf over ‘digitaal lezen’ spreekt: ‘Onze soort bevindt zich opnieuw temidden van een communicatietransitie. Even belangrijk als voorgaande transities, zoals deze van een niet-orale naar een mondelinge communicatie of van een orale cultuur naar een gebaseerd op geletterdheid. De huidige transitie is er een van een op geletterdheid gebaseerde cultuur naar een digitale.’ 


(°) In de DS-reeks ‘Zieners’. Maryanne Wolf. In De Standaard, 10 februari 2024. Maryanne Wolf schreef Reader, Come Home: The Reading Brain in a Digital World. 277 pp. Uitg. Harper. 2018. Andere vorsers die zich over het e-lezen buigen: Niels Bakker. Digitaal lezen — Doen we het al. (2010); Nicolas Carr. The Shallows: What the Internet is Doing to our Brains. (2011); Naomi S. Baron. Words onscreen: The Fate of Reading in a Digital World. Oxford University Press. (2015). Vorsers die er de positieve kant van onderzoeken: Adriana Bus en collega’s. The Promise of Multimeida Stories for Children. (2006); Dan Hastler-Forrest; Transmedia: Verhalen vertellen in het digitale tijdperk. Amsterdam University Press. (2013); M. Perloff. Unoriginal Genius: Poetry by Other Means in the New Century. University of Chicago Press. (2011).
(°°) Alessandro Baricco, De barbaren, De Bezige Bij, 2012, 237 blz.
(°°°) Internetschrijvers die bewust met het probleem bezig zijn: dichter Tonnus Oosterhoff, met bewegende gedichten op zijn website; auteurs die al lang met het digitale experimenteren: Stuart Moulthrop (Victory Garden, 1992), Michael Joyce (Afternoon, 1990), 
Patchwork Girl van Shelley Jackson, en Figurski at Findhorn on Acid van Richard Holeton; 't zijn verhalen waarbij de lezer de verdere gang bepaalt, hyperlinks leiden naar de mogelijkheden. Een lange lijst met auteurs, critici en werken van elektronische literatuur. Hier staat veel theorie over hyperteksten daar misschien nog meer. 
(°°°°) Ik wil niet per se een specialist van de hyperlink worden, ik heb ook ’t geld niet om de daarvoor ontworpen hulpmiddelen als Storyspace en Tinderbox⇲ in huis te halen, ik pak die beperkingen aan door me op extreem korte verhalen te richten, minder complexe teksten dan bijvoorbeeld een roman of een scenario.

De digitale publicaties (pdf en EPUB) van De Lachende Visch zijn gratis. Mail erom (en vermeld de titel en vermeld de titel: in dit geval ‘200’, dan begrijp ik het wel.)liefkemores@telenet.be.

zondag 18 februari 2024

Een ongeluk komt nooit alleen

LAVA is een van de 200 driezinnenverhalen die ik aan ’t schrijven ben. Bij het declameren van LAVA laat ik me begeleiden door de drummer van GarageBand. De gif in het YouTubefilmpje is van Joel Remy, ik vond hem op GifService

Lava op YouTube
[838]
Lava — Doordat hij te dicht bij de kachel zat, vatten zijn knieën vuur. Naar de keuken lopend om zijn knieën te blussen, stak hij onderweg heel het huis in de fik. In de keuken ontstond een kratertje waaruit een lavastroom vloeide dat dezelfde dag nog heel het land van de kaart veegde. (
Flor Vandekerckhove)

De digitale publicaties (pdf en EPUB) van De Lachende Visch zijn gratis. Mail erom (en vermeld de titel: in dit geval ‘200’, dan begrijp ik het wel.): liefkemores@telenet.be.

zaterdag 17 februari 2024

Zo vond ik uiteindelijk tóch Sokètje

Klasfoto van de 2de Latijns-Griekse klasse b, 1965-66, in het college van Oostende. Bovenaan van Links naar rechts: Daniël Crabeels, Alexis Ghys, Ronald Dufait, Robert Eggers, Johan Decramer. Onderaan van links naar rechts: José Lermyte, Dirk Van Buren, Paul Van Huele, Wilfried Vandenbussche, Wilfried Cafmeyer, Patrick Moenaert. Klastitularis Dennis Beel. (Met dank aan Jef Passchyn voor de foto.)


VIJF JAAR GELEDEN start ik een queeste, ik ga op zoek naar een jeugdmakker, jongen die meer dan een halve eeuw geleden kort in Bredene komt wonen. Al wat ik heb is een bijnaam, Sokètje, en een herinnering: toffe kerel. Er komt een kleine doorbraak wanneer diens oud-klasmakker Daniël Crabeels een naam ophoest, Decraemer en een vermoedelijke voornaam, José. Ik surf heel ’t internet af, langdurig en intens, maar José Decraemer blijft onvindbaar. Verleden maand wil ik de queeste afronden en in een blogpostverzamel ik alles wat ik in al die tijd te weten ben gekomen: omzeggens niets. 
Je weet: als de nood het hoogst is… De redding heet in dit geval Jef Passchyn die een schoolpalmares uit 1964-65 opdelft. (°) Daarop staan namen van jongens die in ’t college van Oostende de derde Latijns-Griekse klasse afronden, inclusief een Johan (niet José) Decramer (niet Decraemer). De vergissing van Crabeels valt te begrijpen: Decraemer komt heel veel voor, Decramer is zeldzaam. En Johan wordt mettertijd gemakkelijk José.
Vanaf dan is het gemakkelijk, althans voor Passchyn die het telefoonnummer van Johan Decramer (°1948) opsnort. Ik bel en herken meteen Sokètjes stem. Mij herinnert hij zich niet en hij aanhoort mijn vertelling met onverholen wantrouwen. Dat wantrouwen heeft, zegt hij, met ’t internet te maken: ‘Ik haat de sociale media!’ Ik vraag hem of hij anderen herkent op de groepsfoto’s die ik hem doorstuur: ‘Ik herken niemand.’ Ik vraag hem om een recente foto: ‘Liever geen foto.’ 
Het contact verloopt moeizaam. Mailverkeer zit Johan Decramer duidelijk niet in de vingers en ik heb ook het vermoeden dat Sokètje meer indruk op ons gemaakt heeft dan wij op hem. Neen, hij herinnert zich niet dat we hem Sokètje noemden: ‘Ik vermoed dat ik in mijn onnozele ‘puberklaps’ over een nachtlampje verteld heb. Komt dat Sokètje daarvandaan? Ik weet het niet. Misschien heeft het met paarden te maken, ooit droeg ik de bijnaam Calo, wat stalknecht betekent, omdat ik als manneke van 12-13 bij mij thuis veel in de manège vertoefde en ook veel te paard reed.’ Daar voegt hij fijntjes aan toe: ‘Als de Brèningenaars mij meer met Johan aangesproken hadden had je me gemakkelijker gevonden.’ Ja, dat is waar. Over zijn verblijf in Bredene zegt hij nog: ‘Ik heb maar anderhalf jaar in ’t college van Oostende schoolgelopen. Mijn laatste jaar heb ik in ’t atheneum van Roeselare afgelegd. Dus heb ik ook maar anderhalf jaar in Bredene verbleven, bij mijn groottante langs moederszijde, ze was ook mijn doopmeter. Ik begrijp dat het voor jullie overkwam alsof ik zomaar opeens verdween, maar voor mij was dat logisch, Bredene was tijdelijk, 't was een passage.'
Na ‘t middelbaar studeert Johan Decramer in Gent bedrijfspsychologie en daarna werkt hij ‘in de centrale diensten van een grote organisatie’. Ik stel nog wel vragen, hij belooft te antwoorden: ‘Ik beperk mij wel tot feiten en cijfers, Mijn diepste hartroerselen, waarnaar je lijkt te hengelen, krijg je niet, het lijkt te veel op Facebooktoestanden en consorten.’  
Op die antwoorden wacht ik nog. Feit is: Paul Jambers zou met zijn vragen —  wie is hij, wat doet hij, wat drijft hem? — aan Johan Decramer een zware dobber hebben. Mocht iemand er nog aan twijfelen: neen, Johan heeft geen FB-profiel.


(°) Jef Passchyn, die de Oostendse collegejaren 1960-1969 aan ’t reconstrueren is, vindt ook een foto. Daarop zien we de jongens van de tweede Latijns-Griekse klasse in 1965-66. Ik plaats de foto in hoofding.


De digitale publicaties (pdf en EPUB) van De Lachende Visch zijn gratis. 
Mail erom (en vermeld de titel): liefkemores@telenet.be

vrijdag 16 februari 2024

Introductie van de eensnarige borstelsteelbas

DE ONELINER van de  bezemsteel is een van de 100 poëtische oneliners die ik aan ’t schrijven ben; eigenlijk twee, ’t is een dubbele. Die oneliners zijn oefeningen in bondig schrijven, iets wat een internetschrijver goed moet leren doen, de spanningsboog van de surfende internetlezer is immers kort. De oneliners maken deel uit van een zoektocht naar geschikte literaire vormen voor ’t internet. En ’t zijn oefeningen, vergelijk ze met piano-oefeningen van de pianist, kleiwerkjes van de beeldhouwer, ’t schetsboek van de tekenaar; ik doe het om de stiel — schrijven op 't internet — goed in de vingers te houden. 
Mijn poëtische oneliners zijn altijd één lijn, 17 lettergrepen, geen leestekens, geen kapitalen. De oneliner komt uit het niets en verdwijnt daar ook weer in. 


Twee oneliners van de bezemsteel

op YouTube

www.youtube.com/watch?v=JmlP2YnIJdU

[284]


* van een oude bezem en een nieuwe snaar maakt hij een bassigaar 
* een houten steel en een gespannen snaar worden zo een bassigaar


De digitale publicaties (pdf en EPUB) van De Lachende Visch zijn gratis. 
Mail erom (en vermeld de titel: in dit geval ‘200’, dan begrijp ik het wel.)

donderdag 15 februari 2024

Veel onbekende kanten van Joan Baez en ook eentje van Patti Smith

Links Joan Baez tijdens een optocht van de Afro-Amerikaanse burgerbeweging. Links van haar James Baldwin, rechts James Forman. (Uit de documentaire film Joan Baez: I Am a Noise. (Foto: Matt Heron/Magnolia Pictures.) Rechts Patti Smith en Joan Baez, vriendinnen.


DE DOCUMENTAIRE Joan Baez: I Am a Noise (°), volgt de intussen 83-jarige singer-performer op haar afscheidstournee; tussendoor komt de filmploeg bij haar thuis, waar Baez het bilan van haar leven opmaakt. We komen veel te weten over dit icoon van de sixties, lichtend voorbeeld voor wie door die tijd gegrepen werd, zeker voor wie er de geuzennaam soixantehuitard aan overhoudt.
Bepalend voor de richting die de film uitgaat is een bergplaats waarin de filmmakers vrij toegang krijgen. Daar heeft Joans moeder omzeggens alles over haar beroemde dochter bewaard: dagboeken, tekeningen, brieven, audio-opnames van therapiesessies en psychiatrische verslagen waarvan Joan zelfs het bestaan niet wist. We ontdekken Joans tekentalent, we vernemen veel over de even intense als problematische verhouding tussen de drie getalenteerde zussen. En er is het geheim dat misschien wel in Joans onderbewustzijn sluimert, dat misbruik laat vermoeden, iets wat in die film onduidelijk blijft, maar dat haar, en haar jongere zus, wel met een getormenteerd leven opzadelt en de twee vrouwen uiteindelijk richting therapeut drijft. De nu als single levende Baez vertelt onomwonden over haar mannen, concluderend dat ze beter in een verhouding van een tot 2000 functioneert dan in een verhouding van een tot een. De getuigenis van haar zoon, die deel uitmaakt van haar band, bevestigt dat.
’t Is veel om in één film te vatten: singer-performer, activiste, vrouw, dochter, moeder, lover, een periode die tachtig jaar beslaat… Vooral omdat veel ervan, in ’t geval van Baez, een aparte, volledige film kan dragen.
Nog voor de documentaire goed en wel van start gaat, word ik al gegrepen door een mededeling: Executive Producer Patti Smith. Ook omdat ik niet goed weet wat een uitvoerend producentis/doet, zoek ik 't op. Surfend over ’t net kom ik op een plek die me inleidt in de mij tot hiertoe onbekende betrokkenheid van Patti bij de filmwereld, als componist, acteur, scenarioschrijver, verteller, regisseur en dus ook als uitvoerend producent, bijvoorbeeld van deze docu over 
Joan Baez, haar vriendin en voorbeeld.
Twee Grand Old Ladies, Joan Baez en Patti Smith! Ik rond af met een quote van die laatste: ‘When I was younger, I felt it was my duty to wake people up. I thought poetry was asleep. I thought rock 'n' roll was asleep.’
Flor Vandekerckhove

(°) Miri Navasky, Maeve O’Boyle , Karen O’Connor. Joan Baez: I Am a Noice. 113 minuten. Mead Street Films. USA. 2023. Zelf zag ik de film op 13 februari 2024 in Lumière Brugge.

De digitale publicaties (pdf en EPUB) van De Lachende Visch zijn gratis. 
Mail erom (en vermeld de titel): liefkemores@telenet.be.

woensdag 14 februari 2024

Drie oudemensenproblemen waarvoor ik u wil behoeden

Zelfs als jonge dertiger bereidde ik me al voor op m’n oude dag. Het komt me nu goed van pas, want zo kijkt een zeventigplusser televisie. (Het mormel aan mijn voeten: de hond van mijn leven.)


ALREEDS driekwarteeuw! Zolang toef ik al op deez aarde. Da’s geen geringe prestatie, denken althans 250 FB-vrienden die me erom meenden te moeten feliciteren. Omdat ik sommigen ervan een beetje ken, weet ik dat ze ’t vooral nodig vonden mij met genoegen op m'n naderende einde te wijzen. 
Hoe ik me erbij voel? Wel, ’t is wat het is: sloffend ben ik op weg naar de tachtig. Een ervaringsdeskundige van het leven, dat is wat ik geworden ben. Sta me toe dat ik u wijs op wat u nog te wachten staat. En kom me achteraf niet zeggen dat ge niet verwittigd waart. (Flor Vandekerckhove)


I.
SIXPACK. Nu is ’t voor u wel te laat om er nog aan te beginnen. Mocht ge in uw puberteit echter zo lui niet geweest zijn, dan had u dit kunnen voorkomen. Druk hier.

[87]


II. PIJLSNEL. Ik ken een schrijver die een boek klaar liggen heeft, met tekeningen. De naam van die tekenaar is hij inmiddels echter vergeten. Zelf ben ik intussen de naam van die schrijver vergeten. Over mijn ervaringen met het kwakkelende geheugen. Klik hier.

[101]


III. GANG. Hoe het me verder ook vergaat, een ding is zeker, goed aflopen is er niet bij. Ik moet erover waken dat ik niet in die gang terechtkom. Duw op deze link.

[126]



De digitale publicaties (pdf en EPUB) van De Lachende Visch zijn gratis. 
Mail erom (en vermeld de titel: in dit geval ‘200’, dan begrijp ik het wel.): liefkemores@telenet.be