donderdag 28 mei 2020

Motocross aan de vuurtoren

— Drie beelden van de motocross, de vierde foto toont ons hoe het Vuurtorendok uitgegraven wordt. —

De foto’s werden me toegestuurd door mijn oud-schoolmakker Freddy Versluys. We zien een motorcross op de Oostendse Oosteroever. De toeschouwers bevinden zich op het duin en op de muren van het Fort Napoleon, de wedstrijd ontplooit zich gedeeltelijk in het dal waar nu het Vuurtorendok is. Versluys is zelf motocrosser geweest, mag zich zelfs Europees kampioen noemen, maar hij staat niet op die beelden, ze dateren, zegt hij, van voor zijn tijd. [Over Freddy’s palmares zijn we een stukje aan ’t voorbereiden: kortelings op dit scherm.]
Maar wanneer is dat dan, ‘voor zijn tijd’? Op de foto’s valt het Vuurtorendok niet op te merken, mag ik vermoeden dat het nog niet uitgegraven werd? Danny Desport schrijft me: 'De werkzaamheden aan het Vuurtorendok zijn gestart in 1976. Het dok was oorspronkelijk bedoeld als ligplaats van de Jetfoil onder P&O. Later is de Jetfoil overgeheveld naar de RMT, en het dok heeft nooit gediend waarvoor het ontworpen werd, want de boten meerden aan nabij het station.' Ook Willy Dumarey reageert. Willy woonde destijds met zijn ouders in de Victorialaan. Waardoor hij me foto’s van de plek kan tonen uit ’69, ’73 en 75. Geen dok te zien, evenveel bewijzen dat het Vuurtorendok ten vroegste van ’t midden de jaren zeventig dateert. Hier staat het dan ook met zoveel woorden in een ‘Bondige geschiedenis van de havenontwikkeling: Het Vuurtorendok, de derde RMT-aanlegpost, de Diepwaterkaai en het nieuwe Oosterstaketsel in beton komen er medio 1970.’ De foto’s van de motocross dateren dus van voor 1976. Maar van welk jaar dan wel? Misschien weet gij het.
Flor Vandekerckhove

[Voor de liefhebbers: meer foto’s van de bouw van dat dok heb ik hier staan.]

Gauw! is een gratis e-boek. Het past perfect in uw elektronische brievenbus. Vraag ernaar via liefkemores@telenet.be

dinsdag 26 mei 2020

‘Dat, mevrouw, toont de ware kracht van poëzie!’

Abigaïl en Koning David.
Het gedicht ontplooit zich tijdens een vreselijke winterse sneeuwstorm. Plaats van het gebeuren: Brugge. De protagonist ondergaat daar onverwachts een voetwassing, waardoor de witte woensdag voor hem, en alleen voor hem, een Witte Donderdag wordt. Dat zoiets gebeurt, mevrouw, toont de ware kracht van poëzie! Onder het gedicht staat een filmpje waarop u mij dat gedicht met zwoele, doch krakende stem hoort declameren. De toegevoegde beelden weerspiegelen de sfeer die het gedicht uitstraalt: oude, koude Brugse straten versus jonge, warme Brugse interieurs. 


Witte woensdag

Zonder dat hij een speciale bestemming heeft tjoolt mijn broer tijdens
Een sneeuwvlaag doorheen de stad over slecht onderhouden voet
Paden en in nauwe straatjes terwijl paardenkoetsen rakelings naast 
Hem scheren waarin toeristen zich verkleumd laten rondrijden.

In zo’n straatje met zo’n slecht onderhouden stoep botst hij tegen 
Iemand aan die gehaast is en evenmin als hij aandachtig is en mijn
Broer voelt een pijnscheut in zijn enkel en verzwikt als die enkel 
Is verliest hij zijn evenwicht en komt hij in de goot terecht.

Vanuit de goot kijkt hij omhoog naar de mens die hem omvergelopen
Heeft en die mens blijkt omwille van het verhaal een adembenemend 
Mooie vrouw te zijn die hem vanonder haar mantelkap met reeën
Ogen aankijkt en de obligate vraag stelt of hij zich bezeerd heeft.

Mocht die mens een doodgewone man met een confectiepakkie an 
Geweest zijn dan had mijn broer hem doodgewoon verwenst en alle 
Hulp geweigerd maar in plaats daarvan is het een meisje waarmee 
Je anders nooit eens botst en vervolgens in de goot terechtkomt.

Dus antwoordt hij dat het wel meevalt en aanvaardt hij de verzorgde
Hand die hem te been helpt en terwijl zijn enkel danig begint te zwellen
Stelt hij haar op zijn beurt de vraag of zij zich bezeerd heeft en 
Daar staan ze dan samen op de stoep zij de schone hij het beest.

Allemaal goed en wel maar hij heeft zijn voet wel degelijk verzwikt en
Stappen is schier uitgesloten en dus biedt zij hem haar arm aan en
Zegt dat ze vlakbij woont en zal kijken of ze iets kan doen en mankend
Gaat hij mee met die mooie vrouw die hij van haar noch pluimen kent. 

Hij ruikt haar parfum en voelt de warmte van haar arm en zo komen
Die twee gearmd in zo’n typisch Brugs huisje terecht dat wel heel
Oud & gammel lijkt maar dat geenszins is want achter het trap
Geveltje schuilt een verborgen wereld van sjieke design en dure antiek.

De vrouw helpt hem in een leren zetel waarin ze eerst een handdoek legt
Want zijn broek is kleddernat en ze bergt haar mantel op en haalt haar 
Verbanddoos en een teil warm water en ze gaat op haar knieën voor
Hem zitten en helpt hem uit zijn schoenen en zijn kleddernatte kousen.

Binst hij gebiologeerd naar haar roodgelakte nagels kijkt legt zij zijn
Voet tussen haar dijen en daarna in de teil warm water en terwijl ze
Zacht over zijn zwelling wrijft wordt deze witte woensdag voor hem
Een Witte Donderdag en zij de bijbelse Abogaïl en hij wordt koning David.

En dat hij als een postmoderne versie van David tot Abigaïl gekomen is 
Te Karmel en dat ze op elkaar gebotst zijn opdat hij haar tot vrouw neme
En dat zij op zal staan en met haar aangezicht ter aarde buigen en dat
Ze niet alleen zijn voeten wassen zal maar hem ook tot huisvrouw wordt. 

Dat is het moment waarop ik me ernstig begin af te vragen of ik van dat
Verhaal ook maar iets mag geloven want mijn broer is iemand die de
Werkelijkheid danig weet te verbloemen net als ik trouwens want het 
Is bekend dat ik enig kind ben en bijgevolg broers noch zusters heb.

Flor Vandekerckhove

Witte woensdag op youtube

zondag 24 mei 2020

‘Bredene zal ten oosten, zoals Mariakerke ten westen, een uitbreiding van Oostende worden’

Ik doe La Cote belge de La Panne à Knocke weg, want ik kom plaats tekort. Geen jaartal. Op de cover een tekening: le phare d’Ostende. Ik herken er de tweede vuurtoren in, deze die het van 1860 tot 1915 uitgezongen heeft. Ergens in die tussentijd werd dat boek gedrukt en het maakt wellicht deel uit van de nieuwe mode die in die jaren ontstaat: het toerismeboek. Oud dus, en een beetje te spijtig om het zomaar in een boekenruilkastje achter te laten. Ik denk dat ik het ten huize van Stefaan Pennynck onder de mat leg, die kan er wellicht een zinvolle bestemming aan geven. 192 bladzijden en daarvan wordt welgeteld een halve pagina gewijd aan Bredene, mijn thuisgemeente. Veel kan hier nog niet te zien geweest zijn. Ik vertaal het stukje. Misschien komen geoefende volkskundige auteurs alzo te weten in welk jaar het boekje gedrukt werd.
Breedene, van breed en dunne, heeft een oppervlakte van 1814 hectaren en een bevolking van 5000 inwoners.’t Is een kuststation dat nog aan ’t ontstaan is. Achter de duinen en langs de elektrische tramweg Oostende-Blankenberge trekken zich al enkele villa’s en hotels op. L’oeuvre du Grand Air heeft er een groot gebouw gezet waar talrijke ziekelijke kinderen tijdens het zomerseizoen verblijven.Op initiatief van Z.M. Leopold II is men begonnen, vanaf Bredene, met proeven van bebossing: lindebomen, wilgen, populieren enzovoort. De kleine sparrenbomen zijn bijzonder mooi. Tussen de ijzerweg en de macadamweg, wisselen bloemperken en kreupelhout elkaar af. Bovenop een duin heeft men, voor je aan de golf komt, een afdakje in de vorm van een paddenstoel gebouwd, vanwaar men een zeer mooi uitzicht heeft op de weiden, bewerkte velden en beboste delen. Bredene zal ten oosten, zoals Mariakerke ten westen, een uitbreiding van Oostende worden. Een kapel, gebouwd in 1715, ter ere van Onze-Lieve-Vrouw van de Duinen, en beter bekend onder de naam Ons Lieve Vrouw Kapelletje [dat staat er in ’t Nederlands] is in de omgeving een gerenommeerd bedevaartsoord.
Voilà. Meer staat er niet over Bredene, en ’t is daarenboven niet allemaal correct. Maar misschien is ’t voldoende om de publicatieperiode van dat boek, ergens tussen 1860 en 1915 dus, een beetje aan te scherpen. Heren folkloristen, ga uw gang!
Flor Vandekerckhove



De geboorte van mijn wijk maakt me lyrisch. 
Maak op youtube kennis met Karel, 
de imaginaire stichter van Bredene Duinen.

vrijdag 22 mei 2020

Leren dichten met Chase Twichell

Chase Twichell (°1950) is een Amerikaanse dichter. Ze wordt erg beïnvloed door het zenboeddhisme. Vandaar haar uitspraak:Zazen en poëzie zijn beide studies van de geest. Ik vind de innerlijke druk die uitgeoefend wordt door emotie en door een koan vergelijkbaar op verrassende en onvoorspelbare manieren. Zen is een prachtige zeef om een gedicht in te gieten. Het haalt alles weg wat niet essentieel is.’
Het meesterlijke gedicht Bad Movie, Bad Audience komt uit haar bundel Horses Where the Answers Should Have Been (New and Selected Poems) uit 2010. Voor mij is het een eer dat ik u dit mag laten kennen, Chase Twichell is waarlijk groot.
Flor Vandekerckhove

— Poëzie vertalen, ’t is iets wat ik graag doe. Het is ook een goede manier om het ‘vak’ van het dichterschap onder de knie te krijgen. In de blog vindt u al vele tientallen gedichten die ik vertaald heb, vooral van Amerikaanse dichters. Zij hebben me ook zeer beïnvloed voor wat betreft mijn eigen gedichten. In ‘De man die sneller schijt dan zijn schaduw’ staan tien vertalingen. De almaar groeiende bundel (inmiddels al meer dan 100 bladzijden) is een e-boek en wordt u gratis aangeboden. Vraag ernaar via liefkemores@telenet.be. —

woensdag 20 mei 2020

In memoriam Michel Piccoli

Juliette Gréco en Michel Piccoli, 
een koppel tussen 1966 en 1977.
Op 12 mei overleed Michel Piccoli (1925-2020), acteur en filmregisseur. En voor uiterst links een steun & toeverlaat. De Franse trotskist Alain Krivine vermeldt hem in zijn memoires. (°) Ik vertaal het citaat als herinnering aan Piccoli, en ook wel omdat het duidelijk maakt hoe heftig de periode was die op het evenement volgde dat we als Mei 68 kennen. 
We schrijven 1973. De Franse trotskisten slaan een bijeenkomst van fascisten uiteen en de Ligue wordt buiten de wet gesteld: 
’De Liga was vertrokken voor een tweede ronde van “onwettelijkheid”. Zijn belangrijkste verantwoordelijken, min of meer gezocht door de politie, maakten weer gebruik van adresboekjes om vrienden te zoeken die bereid waren hen te herbergen. Daniel Bensaïd en Henri Weber waren bij Marguerite Duras beland, ik werd verwelkomd bij Lucienne Hamon, later bij Michel Piccoli en Juliette Gréco, in de rue de Verneuil. Ik had Michel Piccoli ontmoet op bijeenkomsten georganiseerd door Michel Rotman, een van onze leiders, die met het artistieke milieu vertrouwd was. Het contact was gemakkelijk gelegd, want Piccoli was nieuwsgierig in alles. Net als Sartre en vele anderen in de jaren zeventig wilde hij zich meer engageren en hij stelde zich zelfs vragen over zijn beroep. In tegenstelling tot wat de mao’s met de kunstenaars deden die ze beïnvloedden, hadden wij hem afgeraden om “naar de fabriekspoorten” te gaan. Elkeen moest in staat zijn om vanuit zijn eigen vaardigheden een positieve rol te vervullen. Hij kwam ons opzoeken in de bistro in de Guéménéesteeg. We dronken een glas, achteraan in de gelagzaal, voor het oog van waard en klanten die versteld stonden van het gezelschap waarin ze toefden. Zonder dat hij uiteraard al onze standpunten deelde, had Michel Piccoli drie jaar later nog eens de gelegenheid om ons een dienst te bewijzen. De Liga wilde een lening afsluiten om een rotatiepers te kopen, wat ons zou toelaten het dagblad Rouge quotidien uit te brengen. Ondanks de waarschuwingen van zijn bankier stelde hij zich garant voor de lening en hij bracht als aanbetaling een studio in die hij in de rue Monsieur-le-Prince bezat. Zijn vertrouwen en zijn vrijgevigheid maakten de geboorte van de drukkerij Rotographie mogelijk, die nog altijd actief is.’
Hier past een liedtekst bij, vind ik.
Those were the days my friend / We thought they'd never end / We'd sing and dance forever and a day / We'd live the life we choose / We'd fight and never lose / For we were young and sure to have our way.
Flor Vandekerckhove

(°) Alain Krivine, Ca te passera avec l’âge. Flammarion. 2006. ISBN 978-2-0806-8340-3. pagina 142.

De boerin uit West-Vlaanderen en de kersentijd 

dinsdag 19 mei 2020

Strijd om een spandoek

We gaan op zoek naar de namen. Dit is wat we inmiddels al hebben: 1. kan Freddy Demeester zijn 2. Roger Dhondt; 3. Daniël Eyland, 4. Jacques Deschacht, 5. Philemont Vanstichel, 7. Franky Deblock, 8 Raf Gythiel; 9. Dirk Vandepitte, 11. Philip Vermeulen, 12. Jean Vandecasteele, 13 Tom Melssens …

In de tijd dat ik Het Visserijblad uitgaf boog ik me al eens over archieven van plaatselijke kranten: Zeewacht, Nieuwsblad van de Kust, Kustbode, Tijdingen, Het pennoen, Voor allen, Le Courrier du Littoral, De Kinkhoorn … Het viel me telkens op hoe hard Oostendenaars voor elkaar waren en hoe luid de journalisten hun eigen mening over de bladzijden lieten weerklinken. Dat gold niet in het minst voor De Stoeten Ostendenoare, stadskrant die vanaf 1976 tot begin jaren negentig het debat danig wist aan te zwengelen.
In juni 1985 titelt de frontpagina van het maandblad: De blijde intrede van een spandoek in Oostende. Daaronder een mooie montage waarop enig geharrewar te zien is en op de achtergrond De blijde intrede van Christus in Brussel, meesterwerk van James Ensor. De foto van het incident (niet gesigneerd, maar waarvan ik intussen weet dat hij van Jean-Jacques Soenen komt) wordt in de krant nogmaals groot afgedrukt en daar luidt de titel: Goekint nie wieder! Het artikel is van Demo en ik ben nog altijd op zoek naar de naam achter het pseudoniem.
Demo gaat er hard tegenaan. In een wel zeer lang uitgesponnen inleiding verwijst hij naar het nationaal-socialisme, afsluitend in kapitalen: ’DAT NOOIT MEER!’ Waarna hij gezwind naar de dagorde overstapt: ‘In de traditionele 1-mei optocht wordt een spandoek ‘CVP + PVV = afbraak RMT op last van burgemeester Goekint verwijderd.’ Die burgemeester wordt een ‘despotische CVP-er’ genoemd, en Demo vermoedt sterk dat deze in zijn despotisme geruggensteund wordt door zijn ‘even rechtse politiecommissaris (een mislukte Vlaamsblokker nota bene).’ Ja, zo gaat het er indertijd aan toe in de Oostendse gazetten.
Omdat ik verschillende betrokkenen herken, vraag ik links en rechts, maar toch vooral links, naar de achtergrond. Dit is wat Daniël Eyland (nummer 3 op de foto) me vertelt: ‘De week voor de 1-mei optocht spraken stadsbestuur en ACOD (dit was al jaren zo) af om te kijken welke slogans er al dan niet aan bod zouden komen. Het spandoek ‘CVP en PVV = afbouw RMT’ werd geweerd. Dus vervoegde ik pas na het officiële vertrek de stoet, met het door mij weggemoffelde spandoek, waar zowel politiemannen in burger als de toenmalige BOB hard naar op zoek waren. Op het kruispunt voor het stadhuis was het prijs. Na veel trekken en duwen kreeg de politie een stuk van het spandoek in handen. Het voorval haalde de nationale pers en de televisie. De burgemeester mocht het bij de CVP in Brussel gaan uitleggen.’ 
Flor Vandekerckhove

Is 't een hoax? Is 't een gedicht?
John Lennon leeft! 


'John Lennon leeft’ werd toegevoegd aan de dichtbundel 
‘De man die sneller schijt dan zijn schaduw’. 
De bundel (e-boek, PDF, + 100 bladzijden) is gratis. 
Vraag ernaar via liefkemores@telenet.be.

zondag 17 mei 2020

Verwerp het cliché! Omhels het geheim!

— Bragolinkindje —
Enkele dagen geleden publiceerde ik een open brief aan de dichters van Artslag, startend met een bombastisch 'Mannen en vrouwen van het woord’. Ik schreef dat ik van de doorgewinterde Artslagdichters verwacht had dat ze me terzijde zouden staan in mijn ontluikende dichterschap. En daarna gaf ik hun de volle laag: ’In mijn dadendrang stelde ik vervolgens een bundel samen.Tot vervelens toe heb ik u over het bestaan van dat gratis (!) boekje geïnformeerd. Daar kreeg ik van uwentwege nauwelijks (zelfs géén) reactie op.’ Afsluiten deed ik tongue in cheek: ‘U hoeft het boekje daarom nog niet te bestellen hoor.’ 
Wat ze dan ook niet deden.
De open brief werd op FB gedeeld door een vakbondsactivist, een schilder, een actrice en een woordkunstenaar. Er kwam ook een interessant antwoord van een beeldhouwer. Die hoort me graag mijn gedichten declameren, maar ’t is moeilijk, schrijft hij, om ze te lezen. Dat begrijp ik wel. Het is in deze een beetje zoals Zadie Smith over David Foster Wallace schrijft: ‘Zijn lezer moet zichzelf eigenlijk zien als een musicus, die het blad muziek — de gave van het werk — over de muziekstandaard uitspreidt, en de keuze maakt dit te spelen. Eerst komt er het instuderen, dan de bekwaamheid met het instrument, daarna het tijd doorbrengen met de bladmuziek, en dan het spelen, telkens en telkens weer opnieuw.’ In vergelijking met DF Wallace is mijn poëzie weliswaar kinderspel, maar je moet er toch ietwat je verstand bij houden. Een beeldhouwer die heel de dag in steen gekapt heeft, is daar begrijpelijkerwijze te moe voor. 
Soms gebeurt het toch. Vandaag laat iemand me weten dat ze een gedicht van me op youtube hoort, waarna ze op zoek gaat naar de tekst; iemand anders beluistert datzelfde gedicht en laat me daarna weten dat ze dat straks nog eens zal doen. Die twee zijn dan dan wel geen dichters, ze weten verdomd goed wat poëzie is. Samen met Stefaan Pennynck, die mijn bundel inleidt, vormen ze nu mijn lezerstrio. (Nog één en ze kunnen kaarten.)
Aan de beeldhouwer antwoord ik dat het lezen van poëzie enige vorming veronderstelt. Niet dat je school moet lopen, wel: hoe meer poëzie je leest, hoe meer je poëzie leert te vatten. En ik vraag hem: is dat dan anders in de beeldhouwkunst? Net zoals hedendaagse sculpturen in merkwaardige vormen tot ons komen, zo is dat ook met poëzie. Alleen wie de moeite doet om — in het begin desnoods potlood ter hand — klaarheid in het poëem te scheppen, slaagt erin het muziekje te ontdekken. Ergo: poëzie lezen is zoeken naar het verborgen muziekje, net zoals je dat doet wanneer je… een sculptuur waardeert. Beeldhouwen is een kunst en het resultaat onderscheidt zich van de postuurkes die je in ’t passeren al eens op de vensterbank ziet staan. Schilderen is een kunst en het resultaat onderscheidt zich van zo’n huilend 'bragolinkindje' dat ik ter illustratie bij dit stukje plaats. Fotografie is een kunst en het resultaat onderscheidt zich van de zoveelste ‘zon zien zakken in de zee’. Poëzie is een kunst en het onderscheidt zich van het gestamel van de verliefde medemens die, ontregeld door ’t spel van de hormonen, woorden onder elkaar begint te schrijven, in plaats van naast elkaar.
Wel dan, dichters van Artslag, dames en heren van het woord, ik vraag u het u ten laatste male: als gij al de moeite niet opbrengt, wie dan wel?
Flor Vandekerckhove


Inmiddels staan dertig van mijn gedichten op youtube. Om dat te vieren, voeg ik daar een handpalmverhaal aan toe: #MeToo




— De dichtbundel ‘De man die sneller schijt dan zijn schaduw’ (e-boek, PDF, +100 blz.) is gratis. Vraag ernaar via liefkemores@telenet.be. —


vrijdag 15 mei 2020

De geschiedenis van mijn blaffer (het gedicht)



In die tijd gaat het slecht tussen De Laatste Vuurtorenwachtersechtgenote en 
Mij — de man die zichzelf De Laatste Vuurtorenwachter laat noemen omdat zijn 
Laatste Vuurtorenlicht de resten van een wereld belicht die samen met een
Generatie van babyboomers en soixantehuitards aan het verdwijnen is.  

Het gaat zo slecht tussen De Laatste Vuurtorenwachtersechtgenote en mij 
Dat ik haar uit de weg wil ruimen en me daartoe in ’t zwarte circuit een wapen 
Heb aangeschaft dat officieel Baretta M nine heet maar dat ik net zoals de 
Verkoper dat doet niet Baretta noem maar blaffer en de kogels heten bullets.

De verkoper wijst me op de slagpin en toont me dat die recht is en hij zegt 
Dat ik daarop moet letten omdat er veel brol op de tweedehandsmarkt is en
Om iets te zeggen zeg ik dat het op de automarkt niet beter is want dat ik ooit 
Een occasie Rover gekocht heb waarmee ik nadien alleen maar miserie had.

Nu moet ik alleen maar in De Laatste Vuurorenwachtersofa blijven wachten 
Op de  thuiskomst van De Laatste Vuurtorenwachtersechtgenote en intussen 
Vul ik het magazijn van de tweedehandsblaffer met bullets en streel ik teder 
De Laatste Vuurtorenwachterskat die niet weet wat hem te wachten staat. 

De blaffer ligt voor me met een magazijn gevuld met bullets maar De Laatste 
Vuurtorenwachtersechtgenote daagt niet op omdat ze er zowaar vandoor is
Met een Duitse blonde surfer die ik sindsdien das Schwein noem en waardoor
Ze aan de dood met de kogel ontsnapt en ik aan een lange gevangenisstraf.

De Laatste Vuurtorenwachterskat mag van geluk spreken omdat hem het
Asiel bespaard blijft maar ik heb wel die blaffer aan mijn been omdat de valse
Verkoper het wapen niet terugneemt omdat het niet meer schoon is wat 
Dikke vette zever is want ik heb de blaffer niet gebruikt en de bullets evenmin. 

Op de salontafel kan ik zo’n blaffer uiteraard niet laten liggen en na enig 
Overleg met mezelf beslis ik om hem in De Laatste Vuurtorentuin te begraven 
En ik haal een spade uit Het Laatste Vuurtorenschuurtje en graaf een put van 
Een meter diep waarin ik de blaffer dump terwijl de kat oogluikend toekijkt.

Tegen die tijd begint het alweer te dagen in den oosten en ik doof Het Laatste
Vuurtorenlicht waarna ik me naar de bedsponde begeef waar ik de slaap niet 
Eens kan aanvatten door het geluid van een angstwekkende knal van het
Soort waarvan men zegt dat het als een donderslag bij heldere hemel is.

In mijn Laatste Vuurtorenpyjama loop ik helemaal De Laatste Vuurtorentrap 
Af om beneden De Laatste Vuurtorentuin te aanschouwen die het decor 
Geworden is van iets wat een waar drama genoemd mag worden met alom
Omgewoeld zand en losgerukte helmgraszoden en kalkminnend duindoorn.

Uit een put waarvan ik begrijp dat het de kuil is waarin ik tijdens de voorbije 
Nacht de blaffer begraven heb kringelt een rookpluim omhoog en in die put 
Zie ik De Laatste Vuurtorenkat deerlijk gehavend naast de blaffer liggen want
Het beest heeft de trekker overgehaald en zijn eigen muil half weggeschoten.

Ik haal het arme dier uit de kuil en breng het mee naar binnen in De Laatste
Vuurtoren alwaar ik het in De Laatste Vuurtorenmand leg waarna ik ook de
Blaffer weer in huis haal en terwijl ik voel dat hij nog warm is besef ik dat ik
Als dierenvriend (en als mens) weer eens danig tekortgeschoten ben.

Wanneer ik binnenkom is De Laatste Vuurtorenkat alweer de oude afgezien  
Dan van een muil die half weggeschoten is en terwijl ik zijn indrukwekkende 
Wonden lik kijkt hij me met een vernietigende kattenblik aan en zegt
Zie nu wat ervan komt als je zo’n verhaal niet op tijd weet te stoppen?

Flor Vandekerckhove

De geschiedenis van mijn blaffer op youtube

— Het gedicht werd toegevoegd aan de almaar uitbreidende bundel 
‘De man die sneller schijt dan zijn schaduw’. 
De bundel is gratis. Vraag ernaar via liefkemores@telenet.be. —

woensdag 13 mei 2020

Leren schrijven met Richard Brautigan (2) (°)

Over de literatuur van James Tate zegt Matthew Zapruder dat het poëzie is, zich van proza onderscheidend door ‘een informele maar toch halsbrekende, absolute bereidheid om de geest te volgen waar hij ook gaat. Dat is een vrijheid die zelfs in het beste proza niet gevonden kan worden.’ Hola! Vind ik die vrijheid niet evenzeer in schitterend proza, bijvoorbeeld in Richard Brautigans Forel vissen in Amerika? (°°) Proza toch?
Al bladerend blijft mijn oog vasthangen aan Sea, Searider, een van die verhalen. De titel verwijst wellicht naar bluesnummers met identiek uitgesproken titels, See Seerider (ook wel C C Rider): In dirty blues songs it often refers to a woman who had liberal sexual views, had been married more than once, or was skilled at sex.’ 
En het verhaal gaat alzo.
De schrijver wacht in een boekwinkel tot 1959 voorbij is. De boekhandelaar overtuigt een vrouw om met de schrijver te vrijen. Die stemt toe: ‘Ik kon niet anders, want mijn lijf was als vogels op telefoondraden die de wereld omspannen en zachtjes door wolken worden gewiegd.’ Ja, dan sla je zo'n aanbod natuurlijk niet af. Na afloop vertelt de boekhandelaar wat er eigenlijk gebeurd is. Blijkt dat de schrijver en de vrouw in dat korte moment in de Spaanse burgeroorlog gevochten hebben: ‘Een keer, toen jij naar het front was, las ze Anatomie van de droefgeestigheid en maakte 349 tekeningen van een citroen.’ Na de val van Barcelona trekt het koppel de plas over: ‘Toen de boot tegen Amerika stootte, gingen jullie, zonder een woord uiteen en zagen elkaar nooit weer.’  Daarna trekt de schrijver naar Mexico waar hij een dorp overneemt. Nadat de boekhandelaar hem dat alles verteld heeft, leest de auteur verder in het boek dat hij bij ’t binnenkomen opengeslagen heeft.
Als dat niet getuigt van ‘een informele maar toch halsbrekende, absolute bereidheid om de geest te volgen waar hij ook gaat’, dan weet ik het ook niet meer. En ’t is een verhaal, ’t is proza.
Maar misschien ook niet. In een biografie (°°°) lees ik over Brautigans eerste korte verhalen de veelzeggende opmerking: ‘If stories they are’, gesteld dat het verhalen zijn. En omdat Forel Vissen in Amerika het eerste prozaboek is van iemand die eerst uitsluitend dichter was, is ook dit belangrijk: 's mans levensgezellin 'would later remark that he had to teach himself to write prose: everything he did seemed to come out as poetry (…)’ Misschien is Sea, Searider een prozagedicht, poëzie dus, en geen prozaverhaal. Héhé.
Flor Vandekerckhove

(°) Leren schrijven met Richard Brautigan (1) staat hier.
(°°) Richard Brautigan. Forel Vissen in Amerika. Vertaald door Peter van Oers. 2012. Uitg. Van Gennep A’dam. 160 pp. 
(°°°) Jay Boyer. Richard Brautigan. Western Writers Series, number 79. 1987. Arizona State University. 55 pp.


En wat denkt u? Is dit een verhaal? Of is ’t poëzie?

Het gedicht De gevaarlijkste tramhalte werd opgenomen in 
‘De man die sneller schijt dan zijn schaduw’. 
De dichtbundel is gratis. 
Vraag ernaar via liefkemores@telenet.be.

dinsdag 12 mei 2020

De gevaarlijkste tramhalte



Wanneer de kusttram tussen Wenduine Molen en Zwarte Kiezel
Halte Konijnenpad passeert denk ik altijd aan de vrouw in het rag
Die mij daar ooit probeerde in te kapselen met haar Midden
Klassenzwart en Jimmy Choo en geruïneerde nagels.

Er waren kaartjesknippers in die tijd en betalen deed je nog met 
Belgisch geld ’t is dus lang geleden en ik herinner me niet eens 
Meer wat ik aan ’t doen was en waarom en waar ik naar op weg 
Was en waarom ik uitgerekend aan die tramhalte moest zijn.

In die tijd waren er nog geen weerwolvenvrouwtjes
Die zijn er pas gekomen nadat Margaret Atwood er veel later
Over geschreven heeft in iets wat Update On Werewolves heet
En dat ik datzelfde jaar enthousiast in ’t Nederlands vertaald heb.

Heel dat tramhokje was al door haar spinrag ingekapseld dat
Zag ik al van ver terwijl ik op het Konijnenpad aan het naderen was
Moeilijkheden voorvoelend en ik vertraagde zelfs mijn pas
En toen opeens keek ze op uit het boek dat ze aan ’t lezen was.

Ook dat boek was al in spinrag gewikkeld en toen ze me wenkte
Met een hand zag ik dat ook haar vingers al door het rag 
Aangetast waren en haar lippen en ze bleef maar wenken 
En ik bleef haar naderen als was ook ik al in haar web beland.

Toen zag ik haar roodomrande poten en hoe haar oogbollen knarsten
Net wat Margaret zoveel jaar later in haar gedicht zou zeggen
Harige danslaarzen en een duur sadofrans Vogue setje
Overal behaard deze schoonheid en ik zweer je dat ‘t geen sweater was.

Gelukkig passeerde toen de tram en ik deed teken met mijn hand
Om hem aan halte Konijnenpad te laten stoppen wat me niet gelukte
En ik zag dat de mij al sinds kindsbeen zo vertrouwde kusttram
Me in razende vaart voorbij reed als op de vlucht voor ’t ongewisse.

Ik keek naar de vrouw als om me ervan te vergewissen dat
Dit echt aan het gebeuren was en ik zag alleen maar spinrag
Dat kolossale proporties in aan te nemen was en ik koos
Het hazenpad vluchtend langs ’t Konijnenpad.

Het is me later nog wel overkomen maar dan aan andere haltes
Aan Krokodiel, Zwarte Kiezel, Moeder Lambic en Weg naar Vismijn
Namen die in mijn geest zo’n dingen plegen op te roepen maar nooit
Is het zo erg geweest als die ene keer aan tramhalte Konijnenpad.

Flor Vandekerckhove

De gevaarlijkste tramhalte met muziek van Dimer Geedts op youtube!

— De gevaarlijkste tramhalte werd toegevoegd aan 
de dichtbundel ‘De man die sneller schijt dan zijn schaduw’. 
De bundel (e-boek, PDF, 102 pp) is gratis. 
Vraag ernaar via liefkemores@telenet.be. —