zondag 24 september 2017

Betsy van ‘t Sas

— Foto uit het politiedossier. —
Op 1 juli 1952 verdween Betsy uit haar woning, gelegen in de Buurtspoorwegstraat te Bredene. Niemand wist waarom, niemand wist waarheen. Na enige tijd werd haar woning aan een jong koppel verhuurd, Betsy werd door de Bredenaars vergeten. 
Twee jaar later reed verzekeringsagent Deschaede in ‘t donker naar huis. Onderweg ramde hij een paaltje. Hij vervolgde zijn weg, ging naar bed en sliep tot hij door de politie wakker gebeld werd. 
Dit is wat Deschaede toen verklaarde: ‘Toen ik op 1 juli 1954 om 23 uur, via de Prinses Elisabethlaan, huiswaarts keerde, zag ik plots een obstakel opdoemen. Bleek dat een naakte vrouw in ’t midden van de weg stond. Ik kon haar net ontwijken, maar raakte wel een paaltje.’
Van de vrouw was nadien geen spoor meer te bekennen. Hij kon wel een persoonsbeschrijving geven: ‘Ze had lang blond tot bruin haar en soortgelijk schaamhaar. Wat me opviel was dat ze ook over borsthaar beschikte, eveneens bruinachtig blond.’
De wijkagent herinnerde zich een foto van de twee jaar eerder verdwenen Betsy. De commissaris heropende het dossier.
Sindsdien blijven er meldingen komen. In 1958 spot een Bredenaar Betsy op de Wereldtentoonstelling. In 1960 neemt ze met ontblote borst deel aan een betoging tegen de Eenheidswet. In mei '68 zou ze het Bredense politiebureau met stenen bekogeld hebben. Iemand die onbekend wenst te blijven zegt dat hij Betsy verleden jaar op het naaktstrand gespot heeft, maar nu met grijs borsthaar. 
Normaliter hecht ik weinig geloof aan zo’n getuigenissen, maar onlangs zag ik een vrouw die me erg aan haar liet denken. Waarom dacht ik in die vrouw Betsy te herkennen? Had zij haar boezem ontbloot? Neen! Had ik een pluk borsthaar uit haar blouse zien priemen? Neen! Had ik enig borsthaar horen knapperen? Neen! Ik kon er geen zinnige verklaring voor geven en dat kan ik vandaag nog altijd niet.

Flor Vandekerckhove

zaterdag 23 september 2017

Herinneringen aan ’t Stapelhuis




Toen de RAL in 1977 voor het eerst aan de parlementsverkiezingen deelnam kun je dat geenszins een electoraal succes noemen. Toch had de campagne dat partijtje versterkt. Ik herinner me een bijeenkomst van mensen die in Gent actief aan de campagne meegewerkt hadden. Overdrijf ik als ik zeg dat daar toen honderd mensen aanwezig waren?
Ook omdat we niet wilden beseffen dat dit maar een tijdelijk succesje was, beslisten we dat de RAL een groter Gents lokaal behoefde.
Dat vonden we in een leegstaand pakhuis in de Frans Ackermansstraat. We verbouwden het tot een heus centrum dat we toepasselijk ’t Stapelhuis noemden (andere voorstellen varieerden van Germinal tot Hotsi Trotski.) Op de hoogste verdieping maakten we drie (vier?) vergaderlokalen en een secretariaat met bibliotheek; op de tussenverdieping kwam een boekwinkeltje en een zaal met bar, goed voor toch wel honderd mensen. Waren de toiletten op de benedenverdieping? Stond daar de verwarmingsketel? Die verdieping bleef hoe dan ook onafgewerkt. Ik vermoed dat de RAL, later SAP, daar tot het einde van het huurcontract gebleven is, tot 1987.
Dit stukje wil het geheugen openwrikken, zowel ’t mijne als dat van anderen, want ik ga proberen herinneringen te sprokkelen die met dat centrum te maken hebben.
De RAL organiseerde in dat gebouw wekelijks de Vrijdagen van ’t Stapelhuis. Dat ‘Socio-Kultureel Centrum’ was ook een open huis. Naast de RAL en de jongerenbeweging ervan, SJW, had ook de Turkse DHKD daar een basis. De grote zaal werd ruim gebruikt, ook door buurtbewoners. Ik herinner me pingpongtafels, een cursus elektronische muziekcreatie, repetities van een toneelgroep rond Arne Sierens en van een punkgroepje rond Erik Goeman, een Turks trouwfeest, een druk bijgewoond feest van anarchisten… Vooral op vrijdagen was het druk in de bar. Een getrouwe klant was Eric Temmerman die de zieltogende feestzaal Vooruit zou omvormen tot wat het nu is, en ook daar heette het voortaan ‘Socio-Kultureel Centrum’.

— Op de voorgrond: veterane Adriënne Depreester.
De mens met al dat haar, — ook mijn haar was toen 
anders — aan de toog, ben ik, inmiddels zelf veteraan. —
Nu volgt een oproep! Heeft iemand foto’s liggen van de gevel van ’t Stapelhuis, van de indrukwekkende traphal, van de zaal, van activiteiten die aldaar doorgingen, van de verbouwingswerken, van… Want voor onze wankele geheugens is enig beeldmateriaal van groot belang.
Dat laatste ondervond ik toen ik bovenstaande foto’s probeerde te duiden. Omdat de rugzijde het vermeldt wist ik meteen dat het een ‘Veteranenfeest’ betrof dat op 12 december 1981 doorging. Gevierd werden Adriënne Depreester, een overbuurvrouw die zich al gauw in de werking ingeschakeld had, Richard Fordeyn, een oudere sympathisant en Oscar Vereecken, een historisch lid van de Gentse trotskistische beweging; over hem heb ik hier een in memoriam gepubliceerd.
Van dat feest heb ik drie foto’s. Ik heb ze een beetje rondgestuurd en we hebben op één na (nummer 10) alle namen kunnen weervinden. Da’s niet zonder slag of stoot gegaan, want ja, het nummer 5, waarin we eerst Rik De Coninck meenden te herkennen, blijkt uiteindelijk dr. Jan Van Bouchaute te zijn. En het nummer 9 was voor de enen Karin Criel en voor de anderen Robbie Ghekiere (Gelukkig weet Karin nog welke haarsnit ze in 1981 had. Lang haar is Robbie. Of Rudy Velghe, dat kan ook.) Merkwaardig is ook dat Willie Panhuis even dacht dat zij de vrouw achter het nummer 10 was, maar inmiddels is ze daar van afgestapt en ook hier heeft de haartooi naar zekerheid geleid: ‘Mijn haar was toen langer’.
En dit zijn de namen: 1. Wim Sebrechts; 2. Richard Fordeyn; 3. Raf Verbeke; 4. Chantal Desmet; 5. Jan Van Bouchaute; 6. Frank Van Maroey; 7. Eddy Decreton; 8. Marijke Colle; 9. Robbie Ghekiere [hier past enig voorbehoud. Volgens Eddy Decreton is dat zeker Robbie niet; Sabine Dick denkt hier Rudy Velghe in te herkennen]; 10.?; 11. Luc Van Buynder; 12. Maria Buysse.
Ik zei het al: zo’n foto’s openen het geheugen. Nog voor we ons de naam van de vrouw achter het nummer 12 herinnerden — Maria Buysse — wist Marijke Colle al dat de echtgenoot ervan over een stencilmachine beschikte nog voor de RAL zich zo’n gesofistikeerd productiemiddel kon veroorloven. Dát waren tijden!
Flor Vandekerckhove


— Dit is niet ’t Stapelhuis, maar het gebouw dat er gekomen is nadat het huis afgebroken werd. Het geeft een idee van de grootte van het centrum. —

vrijdag 22 september 2017

De Bijbel als inspiratiebron

Inspiratie vindt een mens overal: op straat, in de folklore,  in songteksten, in de krant, in het geheugen, in de Bijbel… ’t Is over die laatste bron dat ik u heden een stonde wil onderhouden.
Ook ik heb menig stukje gemaakt dat op een Bijbels fundament gebouwd werd. Dat is bijvoorbeeld het geval voor De repetitie, een verhaal geïnspireerd door het boek Openbaringen. Je moet geen exegeet zijn om daarin het Laatste Oordeel te ontdekken. Maar ’t zijn toch vooral de kenners die van zinnen zullen snoepen als: ‘En ik zag een engel nederdalen uit de hemel met de sleutel des afgronds en een grote keten in zijn hand; en hij greep de draak, de oude slang, dat is de satan, en hij bond hem duizend jaren, en hij wierp hem in de afgrond en sloot en verzegelde die boven hem, opdat hij de volkeren niet meer zou verleiden.’
Dat geldt ook voor Twee urnen, over twee ruziënde broers die elkaar niets gunnen, zelfs de as niet van een overleden derde broer. Het herinnert aan de Bijbelse broers Esau en Jacob; je weet wel, die van het bord linzensoep.
Soms is de Bijbelse inspiratie helemaal gecomposteerd. Dat heb ik ondervonden in een stukje gebaseerd op Deuteronomium 14:6. Dat was al bijna helemaal af toen ik het verhaal naar Bredene verplaatste, waar het veranderde in een beschrijving van een etentje. Uit de Bijbel blijft alleen bewaard: ‘De eindtijd is aangebroken’. Je moet maar eens kijken. Het heet Laatste avondmaal in Casino-Duinhof.
Hetzelfde geldt voor Het vierspan van de hippodroom dat op de vier ruiters van de Apocalyps voortbouwt, maar waarvan uiteindelijk alleen de woorden ‘kom en zie’ overblijven. En ook de paarden.
Zo’n oneigenlijk gebruik van de Bijbel is overigens niet zonder gevaren. Dat weet ik sinds ik een boek gelezen heb over leven & werk de fantasyschrijver Neil Gaiman. (°)
In 1987 schrijft die mens een verhaal, bestemd voor een bloemlezing: Outrageous Tales from the Old Testament (Verschrikkelijke verhalen uit het Oude Testament). Gaiman zegt daarover: ‘En het volgende wat er gebeurde was dat mijn verhaal er op een haar na voor zorgde dat een Zweedse uitgever (…) naar de gevangenis gestuurd zou worden.’
‘Ik hervertel daarin het verhaal, uit Het Boek Richteren, dat een verschrikkelijke groepsverkrachting was die met moord eindigt, dat vervolgens eindigt met de kerel die zijn vrouw in stukken snijdt en een stukje van haar opstuurt naar elk van de stammen van Israël om zodoende te protesteren tegen die akelige gebeurtenissen. En het is afschuwelijk. En het staat in de Bijbel. De mensen zouden die verhalen uit de Bijbel moeten kennen. Dat was het hele uitgangspunt van Outrageous Tales from the Old Testament: we overdreven niet. Toen vernam ik dat onze Zweedse uitgever tegen een veroordeling aankeek omwille van het afgebeelde geweld tegen vrouwen en ik schreef een essay  ter zijner verdediging. Alleen het feit dat het verhaal helemaal vanuit de Bijbel verteld was hield hem, zo vermoed ik, uit de gevangenis.’ (°)
Flor Vandekerckhove


(°) Hayley Campbell. The Art of Neil Gaiman. 2014. Uitg. Ilex, Lewis (UK). 320 pp.

— De vier ruiters van de Apocalyps. Ik gebruikt het verhaal als inspiratiebron voor Het vierspan van de hippodroom. Behalve de vier paarden en de woorden ‘Kom en zie’, die in het verhaal achtergebleven zijn, is van die inspiratie niets meer te zien. —

woensdag 20 september 2017

Deur

Ik ben in Gent, stad waar ik lange tijd gewoond, gefeest, vergaderd, gewerkt, gedronken en rondgelopen heb; vooral dat laatste, rondgelopen. Daar loop ik nu weer, omdat ik ergens zijn moet, ergens waar ik niet ga geraken, want terwijl ik door de stad aan ’t stappen ben passeer ik straten waar ik gewoond, gefeest, vergaderd en gedronken heb; vooral dat laatste, veel gedronken, en waar ik nu telkens een wijl blijf hangen, zoals ik dat destijds ook gedaan heb, maar nu om de voorbije tijd op te snuiven, te mijmeren en te speuren naar dingen die gebleven zijn.
Ik herken kamervensters waarachter ik gevrijd en geslapen heb, of gevrijd en niet geslapen, kroegen waar ik placht te drinken, lokalen waar vergaderd werd en bedrijven waar gewerkt moest worden. Straten die veertig jaar geleden al bergafwaarts liepen doen dat nu nog steeds en gebouwen die toen al helemaal versleten waren blijken tot vandaag toe stand te houden.
Ik passeer fietsers die daar veertig jaar geleden ook al reden en die erin geslaagd zijn onveranderd te blijven, wat uiteraard onmogelijk is, en waarbij ik me begin af te vragen of ze de kinderen — misschien al kleinkinderen — zijn van degenen die ik in hen meen te herkennen.
Ik beslis her en der foto’s te maken van plekken die ik onderweg passeer en waar ik gewoond heb, gefeest, vergaderd, gewerkt, gedronken en geleefd; vooral dat laatste, veel geleefd. Aldus mijmerend kom ik recht tegenover een huis te staan, in mijn herinnering het meest charmante huis dat ik ooit bewoond heb; wat niet per se zo geweest is, want ik herinner me ook het huisnummer, 5, en nu ik ernaar sta te kijken zie ik dat het 181 is.
De voordeur zelf herinner ik me goed — een scheve voordeur vergeet een mens niet gauw ­ — en ik zie dat de deur ook nu nog scheef staat.
En dan gebeurt er iets. Hoe langer ik naar de deur kijk hoe rechter hij komt te staan.
Ik neem er mijn tijd voor en de overbuurvrouw komt in haar deurgat staan. ‘Mevrouw’, vraag ik, ‘die deur daar’, en ik wijs naar de overkant, ‘staat die volgens u scheef of recht?’
Ze werpt een haastige blik op de deur, waarna ze haar ogen tot spleetjes knijpt en die geconcentreerd op mij richt, zodat, mocht ik onverhoeds Allahoe akbar roepen, ze mijn signalement gedetailleerd kan doorgeven.

Flor Vandekerckhove

zondag 17 september 2017

Nina Hagen-Thorn en het welzijn der dieren

— Nina Hagen-Thorn
(1900-1986) —
Dierenwelzijn, er is de jongste tijd weer veel om te doen. Activisten infiltreren in slachterijen en ontbloten daar praktijken die je echt niet wil zien. De dag dat de mensheid zich gaat afvragen wat voorafgaande generaties bezield heeft om zich met zo’n barbaarse praktijken in te laten komt naderbij.
Ik heb hier eerder al een stukje gepubliceerd over twee pioniers van het dierenwelzijn, waarmee ik verbonden geweest ben: een Vlaamse senator die zich, tot grote ergernis van de vissers, het welbevinden van de vis aantrok en een Amerikaanse trotskist die in de jaren zeventig enkele bijzonder geslaagde acties op zijn palmares mocht schrijven.
Momenteel ben ik een boek (°) aan ’t lezen over de malaaien die Russische schrijvers ten deel vielen tijdens Stalins Grote Zuivering. Mijn oog blijft hangen aan een passage over de dichteres Nina Hagen-Thorn.
Zij werd niet een keer, maar twee keer naar de Goelag gestuurd, eerst van 1936 tot 1942 en een tweede keer van 1947 tot 1952. Daar wilde men haar daden van terrorisme laten bekennen die ze niet gepleegd had. Tijdens de ondervragingen deed ze iets waar maar weinig anderen in slaagden: ze weigerde zichzelf te beschuldigen. In 1956 werd ze gerehabiliteerd wegens gebrek aan bewijzen.
In de kampen voerde Nina letterlijk het werk van paarden uit. Samen met andere vrouwen werd ze voor een kar gespannen waarop bijvoorbeeld brandhout vervoerd werd.
In haar memoires schrijft ze: ‘Na het kamp heb ik veel medelijden voor de dieren beginnen voelen: zij zowel als wij werden geconfronteerd met dezelfde onmacht tegenover een blinde en almachtige kracht.’
‘Ik was een dier onder het juk geweest en ik voelde groot medelijden voor de andere geketende dieren. Ik heb het nagegaan: de uitdrukking van de ogen en het gedrag van een wezen dat zich onder het absolute gezag van een ander bevindt zijn bijna identiek bij dier en mens. Ik heb meerdere jaren met paarden gewerkt. Ik weet hoe ze zich verzetten en hoe ze gedomineerd worden. Er is geen opvallend verschil in het gedrag van een kudde paarden en een kudde mensen.’
‘Dat houdt niet in dat men mensen moet misprijzen, wel dat men dieren dient te respecteren.’
Flor Vandekerckhove

(°) Vitali Chentalinski. La Parole Ressuscitée. Dans les archives littéraires du K.G.B. Uit het Russisch in het Frans vertaald door Galia Ackerman en Pierre Lorrain. Editions Robert Laffont, Paris 1993. 462 pp. Het citaat van Nino Hagen-Thorn komt uit dat boek.

vrijdag 15 september 2017

Kludde uit de Kerkstraat

— De kerkstraat in Bredene Dorp. —
De kwelgeest Kludde was in Vlaanderen alom bekend en wat de boerin me in Bredene Dorp vertelde verschilde niet van wat ik elders al gehoord had: ’s avonds, op weg naar huis, werd haar man telkens weer belaagd door een Kludde en die liet hem niet los voor het weer dag geworden was.
Interessanter was het houvast dat ze aan haar verhaal toevoegde: ‘Kludde woont in de Kerkstraat’, zei ze, ‘de naam staat op de bel.’ Een adres!
Ik besloot erheen te gaan. 
Vandaag is die Kerkstraat grondig veranderd. Da’s daar nu een lust voor het oog, het is er ruim, er is een speelpleintje en een plantsoen, maar in de tijd waarover ik spreek was dat een benepen, smal straatje, met huizen die kort daarna gesloopt zouden worden.
In dat oude, smalle straatje liep ik deurbellen te monsteren die veelal naamloos waren. Vanuit een openstaand raam hield een jonge vrouw me goed in ‘t oog. Ik vroeg haar of er in de buurt een Kludde woonde. 
‘Ik denk dat je mijn moeder zoekt,’ zei de vrouw, ‘maar je zult haar hier niet vinden, want ze zit in ‘t kot.’ Het leek me verstandig om daar niet op door te vragen.
En is er ook een meneer Kludde?’ vroeg ik. 
Neen, die was er niet. ‘Ik ben hier heel alleen. Je zult het met de kleine Lolita moeten doen.’
Ze merkte mijn besluiteloosheid op en zei: ‘Wacht.’ Een moment later liet ze de sleutel op de stoep vallen. ‘Kom maar naar boven’, zei ze, ‘ik zal het je uitleggen.’
De trap had betere tijden gekend, de muren waren vaal, het rook er muf. Er lag een plaat op van Billie Holiday, mijn lievelingszangeres. Boven stond Lolita me in ‘t deurgat op te wachten. Nauwelijks twintig, misschien zelfs minder. Blote voeten, spannende rok, een blouse die een knoopje te ver openstond.
'Ik heb die plaat ook,’ zei ik naar waarheid.
‘Ha, tof, meneer is een kenner,’ antwoordde ze. ‘Ik heb ze allemaal, haar platen.’ 
In haar versleten woonst luisterden we vervolgens naar het repertoire van Billie Holiday. Ik had Lady sings the blues gelezen, de autobiografie, en zij had de film gezien. Lolita vond dat we veel met elkaar gemeen hadden en naarmate haar rok verder omhoog schoof, vond ik dat ook. We praatten & praatten, lachten & dronken, en we deden uiteindelijk alles wat Billie Holiday ons song na song voorzong. Weinig was dat niet, want Lolita bezat inderdaad al haar platen.
Het was alweer aan 't dagen toen ik de voordeur achter me dichttrok. Ik had een beetje geld achtergelaten opdat Lolita de week zou kunnen doorkomen. De boerin had gelijk, zo wist ik nu met zekerheid, Kludde bestond wel degelijk. En terwijl ik de Kerkstraat uitliep om naar de vroegmis te gaan, streelde ik de zuigplek die Lolita Kludde in mijn hals achtergelaten had.

Flor Vandekerckhove

woensdag 13 september 2017

Leren schrijven met Bob Dylan


— Van de Vietnamoorlog tot Operatie DesertStorm. Waarom ik bovenstaande combinatie kies, lees je op ’t einde van deze tekst. —

In Kronieken (°) meldt een van Dylans onderwijzers aan vader Zimmerman dat hij in diens zoon een kunstenaar vermoedt. Waarop vader vraagt: ‘Een kunstenaar, is dat niet iemand die schilderijen maakt?’ Het is een repliek waaraan je een doorwrocht essay kunt ophangen: wat is kunst? Hoe herken je het afwijkende talent in je kind? Hoe komt het dat er opeens zo’n talent ontstaat in een milieu waarin vader dat niet verwacht?
Over die laatste vraag zegt Dylan zelf: ‘(…) mijn stijl was ook te afwijkend en te moeilijk in een hokje te stoppen voor de radio, en voor mij waren liedjes veel belangrijker dan zomaar licht amusement. Ze waren mijn leermeester en gids naar een ander werkelijkheidsbesef, een andere republiek, een bevrijde republiek. De muziekhistoricus Greil Marcus zou het dertig jaar later “de onzichtbare republiek” noemen.’
Dylan begint klein. Hij zingt andermans teksten en speelt andermans muziek. Hij bestudeert intensief hoe zijn voorgangers het hem geflikt hebben. Hij noteert woordelijk teksten van bijvoorbeeld Woody Guthrie. En onderzoekt waardoor ze zo krachtig zijn.
In zijn Kronieken besteedt Dylan vier bladzijden aan een zeeroversliedje van Bertolt Brecht en Kurt Weil: ‘Ik nam het liedje uit elkaar en pakte het uit: het was de vorm, de associatie van vrije verzen, de structuur en het negeren van de zekerheid van de bekende melodische patronen die ervoor zorgden dat het zo ernstig en op het scherpst van de snede was. Het had ook het ideale refrein voor de tekst. Ik wilde uitzoeken hoe ik die speciale structuur en vorm kon manipuleren en leren beheersen waarvan ik wist dat het de sleutel was tot de veerkracht en de verschrikkelijke power van Pirate Jenny.
Over Robert Johnson zegt Dylan: ‘Ik schreef de woorden van Johnson over op stukjes papier zodat ik de teksten en patronen beter kon bestuderen, de constructie van zijn oudtijdse regels en de vrije associatie die hij gebruikte, de sprankelende allegorieën, de grote logge waarheden verpakt in een omhulsel van absurde abstractie — thema’s die met het grootste gemak door de lucht vlogen. Zulke dromen of gedachten had ik niet, maar ik zou zorgen dat ik ze kreeg.’
Hij kopieert, bestudeert en daar gaat hij vervolgens overheen: ‘Je krijgt op een zeker moment de kans om iets aan te passen, van iets wat al bestaat iets te maken wat er nog niet was. Dat kan een beginnetje zijn. Sommige dingen wil je gewoon op jouw manier doen, je wil zelf zien wat er achter het mistgordijn ligt. (…) Je moet iets weten en iets begrijpen en dan het jargon links laten liggen.’
Het meesterschap van Dylan ligt in dat laatste: ‘het jargon links laten liggen.’
Hij ontdekt een lied over de arbeidersactivist Joe Hill: ‘Ik zou hem op een andere manier hebben vereeuwigd, meer als Casey Jones of Jesse James.’ Dat is merkwaardig, want Jesse James is een bendeleider. Dylan weer: ‘Je moet mensen een kant van zichzelf laten zien die ze nog niet kenden.’
Ik ga op zoek naar een song die het allemaal samenvat: de traditie, de twist, ‘de kant die de mensen niet kennen’, en de Dylaniaanse overtreffende trap.
Ik kies voor Masters of War. Op youtube vind je allerhande uitvoeringen, prille versies van Dylan, interpretaties die Dylan voorafgaan, een Vlaamse van Roland & Wannes van de Velde… Je kunt je er een hele dag mee onledig houden.
Maar deze die ik op ’t oog heb dateert van 1991. Ik zet het filmpje hieronder. Dylan wordt daarin gelauwerd door het Amerikaanse establishment. Jack Nicholson leidt in. (Spoel die 3 minuten maar door.) Dan krijg je flashbacks. (Weer drie minuten: spoel maar door.) En dan gebeurt het! Op het podium ontbrandt iets wat nooit eerder gehoord werd. Dylan brengt een ongezien extreme versie van Masters of War. Wat we meemaken is Dylans antwoord op de Amerikaanse Operatie Desert Storm in Irak. Ik denk niet dat de masters of war in de zaal dat begrepen hebben. Maar ik wel, godver, ik wel!
Flor Vandekerckhove

(°) Bob Dylan. Kronieken. Amsterdam Nijgh & Van Ditmar. 311 pp. Alle Dylancitaten komen uit dat boek.

dinsdag 12 september 2017

Isaak Babel bekent: ‘Thee met Trotski’

— Het gevangenisportret van Isaak Babel. —
De Russische schrijver Isaak Babel wordt tijdens Stalins Grote Zuivering vermoord. Vermeende misdaden: trotskisme en spionage. De ‘bekentenissen’ worden afgedwongen in de beruchte Loebjanka. Hoe het er daar aan toe gaat weten we uit een brief die ik hier eerder gepubliceerd heb.
Uit het dossier van Babel vertaal ik de passages waarin de auteur ‘trotskisme bekent’. Ik citeer zonder commentaar. Namen die ik kan duiden staan in kleur.
De auteur van ‘La Parole Ressuscitée’ (°) rondt het stuk als volgt af: ‘Babel creëert hier het beeld van een berouwvolle, verdwaalde schrijver. Maar achter dit gordijn van bewijsmateriaal en woordkeuzes onthult zich de essentie van zijn creatieve crisis die hijzelf “het recht van de stilte” noemde. De opsomming van mislukkingen bewijst dat het uniform van de Sovjetschrijver (…) hem niet past en langs alle kanten knelt. (…)’
‘En uiteindelijk heeft hij het begrepen: hij was niet in staat om “te doen zoals het hoort”, “zoals iedereen”. Ook heeft hij zijn echte “held” gezien: de “goede” mens die aan de revolutie heeft deelgenomen en er het slachtoffer van geworden is, (…) Zo waren zijn vrienden. Zo was hij zelf. Dat is de reden waarom de protocollen van het gerechtelijk onderzoek een soort expressie zijn… ontwerpteksten van het verhaal van deze revolutionaire tragedie die niemand eerder geschreven had.’

Babel: ‘In 1923 zag Rode cavalerie het licht, mijn eerste werk, waarvan een aanzienlijk deel in het tijdschrift Rood Braakland gepubliceerd werd. De hoofdredacteur, een bekende trotskist, Aleksandr Konstantinovitsj Voronski, schonk me veel aandacht, schreef lovende artikels over mijn teksten en leidde me binnen in zijn kring van auteurs (…)’
— Voronski —
‘In het begin zei Voronski dat we het zout van de Russische bodem waren. Hij probeerde ons ervan te overtuigen dat schrijvers het morele recht hebben om zich onder de volksmassa’s te begeven alleenlijk om er de voor hen nuttige observaties uit te halen. Maar scheppen kunnen ze tegen de massa’s en tegen de Partij in, want, zei Voronski, het is niet de Partij die de schrijvers opvoedt, maar de schrijvers die de Partij opvoeden…’
‘Op een dag, in 1924, nodigde Voronski me bij hem uit om er te luisteren naar Bagritski die er zijn pas afgewerkte gedicht zou voordragen, Mare over Opanas. Hij nodigde ook de schrijvers Leonov en Ivanov uit, en ook Karl Radek. De bijeenkomst vond plaats onder het nuttigen van een kop thee. Voronski verwittigde ons dat hij ook Trotski had uitgenodigd. Die kwam al gauw aan in het gezelschap van Radek. Trotski luisterde naar het gedicht van Bagritski en sprak er in lovende woorden over, waarna hij bij elk van ons informeerde naar onze projecten en ons leven, alvorens een heel discours te houden over de noodzaak om van de nieuwe Franse literatuur kennis te nemen.’
‘ik herinner me dat Radek probeerde een politieke draai aan het gesprek te geven door te zeggen: “Dat gedicht zou moeten uitgegeven worden en verdeeld op tweehonderdduizend exemplaren, maar ons beste CC zal dat wellicht niet doen.” Trotski keek hem streng aan en de conversatie keerde terug naar literaire problemen. Hij vroeg ons of we vreemde talen spraken en of we de ontwikkelingen in de Westerse literatuur volgden, zeggend dat hij niet inzag hoe verdere bloei van de Sovjetschrijvers mogelijk zou zijn als we dat niet deden… Ik heb Trotski daarna nooit meer gezien.’
 ‘In 1928, in het appartement van Voronski, in de aanwezigheid van Pilnjak, IvanovSeïfoullina, Leonov en ikzelf, alsook de trotskisten Lachevitch en Zorine, beoordeelden we het vertrek van Voronski uit Rood Braakland als een onherstelbaar verlies voor de Sovjetliteratuur. We zegden dat zijn tegenstanders, omwille van hun onwetendheid en hun gebrek aan autoriteit, niet in staat waren de beste vertegenwoordigers van de Sovjetliteratuur rond zich te verenigen, zoals Voronski dat met succes gedaan had. Ik herinner me scherpe aanvallen van Lachevitch tegen het CC en zijn volgens hem foute literaire politiek, de ontwijkende stilte van Ivanov en de luidruchtige verontwaardiging van Seïfoullina, ik herinner me de ongerustheid van Pilniak… We hadden het ook over de idee om bloemlezingen te publiceren onder de titel Passage en een almanak die Kring zou heten, door Voronski geleid, om te concurreren met Rood Braakland dat in andere handen gevallen was. We beloofden aan die publicaties mee te werken.’
— Bagritski —
‘De gesprekken bij Voronski kregen onveranderlijk een politieke wending. Er werd een parallel getrokken tussen zijn lot en dat van het land: de verwijdering van de trotskisten uit de leiding bracht die onherstelbare schade toe… Na ontheven te zijn van zijn functies als hoofdredacteur van Rood Braakland werd Voronski omwille van trotskisme naar Lipesk verbannen. Daar is hij ziek geworden en heb ik hem een bezoek gebracht. Ik heb enkele dagen bij hem verbleven.… Ik herinner me dat hij me vertelde dat, toen hij naar zijn verbanningsoord moest vertrekken, Ordzjonikidze hem telefoneerde met de vraag om naar het Kremlin te komen. Ze hebben enkele uren vriendschappelijk gepraat, herinneringen ophalend aan hun gemeenschappelijke ballingschap in de prerevolutionaire jaren. Toen Voronski afscheid nam zei Ordzjonikidze: “Laat ons, ondanks dat we politieke vijanden zijn, elkaar stevig omhelzen. Ik heb een zieke nier, het kan zijn dat elkaar nooit terugzien.’
‘De voortdurende contacten met de trotskisten hebben ongetwijfeld een negatieve invloed op mijn oeuvre gehad. Gedurende lange jaren hebben die het echte gezicht van het Sovjetland verduisterd, ze liggen aan de basis van de morele en literaire crisis die ik vele jaren beleefd heb. De trotskistische thesis als zou het proletariaat geen Staat behoeven, of, in elk geval, dat het onderwerp van de opbouw van zo’n Staat geen enkele literaire waarde heeft, hun affirmatie dat alle acties van de Sovjetstaat een tijdelijk karakter hebben, relatief zijn en onstabiel, hun voorspelling van een onvermijdelijke en nabije catastrofe, dat alles veroorzaakte in mij een gevoel van wantrouwen tegenover de realiteit, vergiftigde me met nihilisme, bracht me ertoe om in mijn eigen uitzonderlijke kwaliteit te geloven, me af te bakenen van proletarische en boerenmiddens.’
Rode Cavalerie diende me als voorwendsel om mijn afschuwelijke stemming uit te drukken die niets van doen had met wat zich in de USSR afspeelde. Vandaar de nadrukkelijke beschrijvingen van de wreedheid en de absurditeit van de burgeroorlog, het kunstmatig introduceren van erotische elementen, een opeenvolging van baldadige en stuitende episodes, alsmede het totale vergeten van de rol van de Partij in de organisatie van deze grote eenheid van het Rode leger die het Eerste cavalerieleger is, samengesteld uit Kozakken die nog niet helemaal van proletarisch bewustzijn doordrongen waren.’
‘Voor wat betreft mijn Verhalen van Odessa, deze reflecteren onbetwistbaar dezelfde wens om me van de Sovjetrealiteit te verwijderen, om tegenover dit dagelijkse opbouwwerk een semimythische en pittoreske wereld van gangsters van Odessa te plaatsen, waarvan de romantische beschrijving ertoe geleid heeft dat de Sovjetjeugd die onopzettelijk ging navolgen.’
‘Daarna schreef Vsevolod Ivanov een aantal middelmatige en kleurloze werken (…). In een crisis van wanhoop verbrandde hij zelfs een werk waaraan hij lange tijd gewerkt had. De jongste jaren heeft Katejev me over de decadente zielenroerselen van Ivanov verteld, die koortsachtig bleef zoeken naar een literair en politiek evenwicht en die helemaal niet gerust was in zijn toekomst. In verschillende gesprekken heeft Seïfoullina er zich tegenover mij over beklaagd dat ze almaar meer moeilijkheden ondervond om te schrijven, door haar onzekerheid en haar zeer verwarde interpretatie van de wereld. Haar onvrede met de huidige realiteit heeft haar naar de drank geleid en ze heeft het schrijven en het literaire leven opgegeven…’
— Seïfoullina 
‘Ondanks ons verschil in temperament en stijl, waren we verenigd in onze toewijding aan onze literaire “chef”, Voronski, en zijn trotskistische ideeën. Deze toewijding hebben we duur betaald. Hij heeft ons vele jaren het ware gelaat van het Sovjetland verborgen en hij heeft in onze harten leegte en ondraaglijke koude geplaatst. Hij heeft de koord rond de nek van Jesenin dichtgetrokken, anderen meegesleept in losbandigheid, nihilisme, het bedrijven van literatuur als een roeping [(?) (‘sacerdoce’)]…’
‘Na het vertrek van Voronski, bleven wij de literaire jeugd beïnvloedden en zijn we een aantrekkingspool geworden voor elkeen die ontevreden was met de artistieke politiek van de partij. Siberische schrijvers groepeerden zich rond Seïfoullina en Pravdoukhine, avonturiers en mensen met een duistere ideologie werden aangetrokken door Pilnjak. Mijn reputatie van literaire “onafhankelijkheid” en mijn “gevecht voor de kwaliteit” leidden elementen met formalistische ideeën naar me toe. Wat had ik hun te bieden? Het misprijzen voor organisatievormen (Unie van de Sovjetschrijvers, enz.), de gedachte dat de Sovjetliteratuur in een neergang verkeerde, een kritische houding ten aanzien van de ordewoorden van de Partij, zoals de strijd tegen het formalisme, of de erkenning van werken die nuttig zijn, alhoewel ze literaire tekortkomingen vertonen…’
‘Ik moet nog enkele woorden over mezelf zeggen. Beweren dat al mijn slechtigheid van Voronski kwam zou een leugen zijn en een depreciatie van mezelf. Hij heeft me maar weinig beïnvloed: ik beschouwde hem als een middelmatig criticus en een impressionist in de politiek, maar de verdeling tussen ‘goeden’ en ‘slechten’ die hij ons inblies is diep in mij gedrongen om daar de oorzaak van al mijn problemen te worden, literaire en persoonlijke. Een van de belangrijkste ordewoorden van Voronski was om trouw aan jezelf te blijven, aan je eigen stijl en onderwerp. Wij waren ervan overtuigd dat de schrijver slechts kon groeien door zichzelf te blijven en zich geestelijk te verfijnen. Met die bagage wilde ik blijven werken, vandaar mijn herhaalde mislukkingen om tot een echt Sovjetonderwerp te komen.’
‘Ik wilde de affaire van Zvenigorod beschrijven (de gevangenneming, in Oekraïne, van de bandiet Zavgorodni en van zijn medeplichtigen) die me door Evdokimov verteld werd. Maar ik ben mislukt, omdat ik alleen in staat was om menselijke verhoudingen te beschrijven, geen politieke, tussen de bandieten en de Sovjetmens.’
‘Ik had gewild een boek over de collectivisatie te schrijven, maar, in mijn bewustzijn werd dit grandioze proces ontbonden in verspreide fragmenten, zonder onderling verband.’
‘Ik wilde schrijven over Kabardië, maar ik ben er halverwege mee gestopt: het was mij niet mogelijk om een onderscheid te maken tussen het leven in deze kleine Sovjetrepubliek en de feodale methodes van de directie van Kalmykov.’
‘Ik wilde over een nieuwe Sovjetfamilie schrijven (vertrekkend van de geschiedenis van Korobov), maar ook daar ben ik de gevangene geweest van persoonlijke beuzelarijen en van een beschamende objectiviteit…’
‘Ik heb tien zware jaren besteed aan mislukte pogingen en het is pas de jongste dagen dat ik me verlicht voel: ik heb begrepen dat mijn onderwerp, dat vele mensen raakt, deze van een zelfopenbaring is, een waar verhaal van hoge literaire kwaliteit, over het leven van een “goede” mens gedurende de revolutie. En met dat onderwerp heb ik, voor het eerst, goede vooruitgang gemaakt. Ik ben er nog niet mee klaar. Zijn vorm is veranderd om deze te worden van de protocollen van dit gerechtelijk onderzoek.’
Flor Vandekerckhove


(°) Al de citaten van Babel komen uit: Vitali Chentalinski. La Parole Ressuscitée. Dans les archives littéraires du K.G.B. Uit het Russisch in het Frans vertaald door Galia Ackerman en Pierre Lorrain. Editions Robert Laffont, Paris 1993. 462 pp.