maandag 18 juni 2018

Dood gaan we allemaal

Tijdens het festival Theater aan Zee wordt een merkwaardig stuk opgevoerd dat Rechtszaak tegen de dood heet (°). De zitting gaat door op 25 juli in het Oostendse Vredegerecht. Openbare aanklager Jean-Luc Cottyn zet persoonlijke getuigenissen over de dood om in een juridische aanklacht.
Een van die getuigen à charge is de Oostendse reder Willy Versluys die tijdens zijn carrière zeven van zijn vissers heeft zien omkomen: ‘Zoiets gaat,’ zegt hij in Knack, ‘niet in je kouwe kleren zitten.’
Els Leenknecht treedt op als advocate van de burgerlijke partijen. De dood krijgt advocaat Walter van Steenbrugge toegewezen. Verschillende deskundigen verwoorden hun aanklacht of verdediging, o.a. Wim Distelmans en Jean Paul Van Bendegem. Deze laatste zegt daarover in De Morgen: ‘De mensen die het initiatief genomen hebben zeggen dat het moeilijk was om voorstanders van de dood te vinden. Iedereen wil van de dood af. Ik niet.’
Op 4 augustus volgt de uitspraak, maar niemand weet hoe die zal luiden.
De aankondiging laat me er weer aan denken: dood moeten we allemaal. En aan mijn leeftijd is het goed om je daar enigszins op voor te bereiden. Daarom heb ik hier al mijn eigen overlijden beschreven. Meer zelfs, ik heb er ook al een passend treurlied bij bedacht. Op mijn teraardebestelling dient het door een kloon van drs. P. gezongen te worden of, mocht die niet voorhanden zijn, door een reïncarnatie van The Dubliners die dan wel deze Engelse versie aanheffen. [Oproep: ik zoek nog een toondichter die, liefst nog voor mijn verscheiden, muziek bij de liedteksten levert. Voelt u zich geroepen, draai dan zeven negen zeven twee nul vier.]
Wie daar niet mee had kunnen lachen is Hugues Viane, hoofdfiguur uit Bruges la Morte, een boek dat ik nu toevallig aan ’t lezen ben en dat helemaal past bij dit proces.(°°) Heel dat werk door treurt Viane om het verlies van zijn geliefde: ‘De godsdienst verbood hem de hand aan zichzelf te slaan. Wanneer hij zelfmoord pleegde zou hij niet in Gods Rijk worden toegelaten en iedere mogelijkheid verliezen haar weer te zien. 
Of Georges Rodenbach, auteur van dat boek, zelf in Gods Rijk geloofde weet ik niet. Maar dat hij van plan was te verrijzen is een feit. Daarvan getuigt zijn graf dat een groot I’ll be back-gehalte heeft. Op het monument is duidelijk te zien dat zijn snorretje dan nog altijd mooi in de plooi zal liggen. Zijn boodschap aan degenen die in de opstanding geloven is duidelijk: als ge dan toch per se terug wilt komen, doe het dan in stijl!
Flor Vandekerckhove

(°) Het zou mij verwonderen mochten daar nog tickets voor resten, maar klik voor alle zekerheid toch maar eens op Rechtszaak tegen de dood
(°°) Georges Rodenbach. Brugge-de-dode. Uit het Frans vertaald door Marjolijn Jacobs en Jolijn Tevel. 122 p. 1978. Uitg. Van Kampen & Zoon,  A’dam — Standaard Uitgeverij, A’pen.



zaterdag 16 juni 2018

Geveld door een citaat

In de stallen werd het vee onrustig. Doorheen de mistslierten ontwaarde ik een schim. Ik dacht meteen: meneer Delanghe! Hij had me immers van zijn wederkomst verwittigd: I’ll be back!  Zelf had ik me daar goed op voorbereid. Achter de deur stond de mestvork klaar.
Ik ging wijdbeens in mijn deurgat staan en riep de schim toe: ‘Van mijn erf gij! Of ik rijg u aan mijn riek.’
‘Er is meer dan een citaat van een of andere heimatschrijver nodig om mij te stoppen’, antwoordde de gedaante. Die woorden sloegen nergens op, maar ze namen wel alle twijfel weg. Meneer Delanghe had ik immers goed gekend als iemand die voortdurend naast de kwestie sprak; een trekje dat hij blijkbaar naar het rijk der ondoden meegenomen had.
Om te demonstreren dat het geen citaat betrof, maar scherp metaal, plantte ik de mestvork vlak voor me in ‘t plantsoen. Het belette hem helaas niet om nóg nader te komen. 
Toen meneer Delanghe vlak voor me stond zei hij: ‘Alleen haiku’s van Basho en citaten van Amoz Oz kunnen mij aan ’t wankelen brengen.’ Ook als ondode bleef hij graag zijn eruditie etaleren.
‘We zullen zien’, zei ik. Met een goedgeplaatste stoot reeg ik hem aan de riek. Nog bleef hij raaskallen: ‘Vergeet niet dat ik in een andere niche leef. Denk maar niet ik klein te krijgen ben, want ik ben een wereldburger en nog verdraagzamer dan ik voorheen al was. Kijk, ik verdraag zelfs deze riek in mijn lijf.’
Ik besefte dat het ijzer zijn hart niet had geraakt, iets wat absoluut nodig is om een ondode het zwijgen op te leggen. Ik trok zijn colbert open en zag dat de riek was blijven steken in zijn haast ondoordringbare portefeuille. ‘Ha,’ riep hij, ‘probeer daar maar eens door te geraken met je ouderwetse citaten.’
Toen fluisterde ik in zijn oor: ‘Geen ijzer kan het menselijk hart zo ijzig doorboren als een goed geplaatste punt.’ En daarna zette ik dat punt.
Flor Vandekerckhove



donderdag 14 juni 2018

Katoen is straffer dan marihuana


— Van links naar rechts: hasjiesjplant, dichter, katoenplant. —

Wie een foto van John Greenleaf Whittier bekijkt, zal daar bezwaarlijk iemand in herkennen die zo nu en dan een joint opsteekt. Toch heeft hij een lang gedicht geschreven waarin hij de geneugten van marihuana bezingt. Voor hem mogen die geneugten dan wel ondeugden zijn, na lezing moet je toch de neiging onderdrukken om de frietzak ter hand te nemen.
De Amerikaan John Greenleaf Whittler (1807-1892) heeft veel gedichten tegen de slavernij geschreven. Daarin gaat hij tekeer tegen de manier waarop katoenplantages uitgebaat worden. In het zuiden van de Verenigde Staten zijn dat de ondernemingen die de slavernij in stand houden. Hij keert zich tegen een elite die omwille van de smeer deze vorm van uitbuiting verdedigt. Zo heb je, constateert de dichter, voorstanders van de democratie die tegelijk pro slavernij zijn, geestelijken die geen tegenstelling ontwaren tussen een deugdzaam leven en het erop nahouden van slaven, rechters die de slavernij vrijpleiten enzovoort. Volgens deze dichter is de geest van zo’n mensen méér beneveld dan deze van mensen die zo nu en dan een hasjpijpje opsteken.
Er valt zeker iets voor te zeggen, vind ik. 
Flor Vandekerckhove


dinsdag 12 juni 2018

1966: de jongens van 1ste Economische b


In april plaats ik hier de foto van een jongensklas uit 1960-61. En terwijl ik de namen probeer op te snorren kom ik weer in contact met Marcel Tas, een oud-dorpsgenoot, die me naar zijn broer Rob(ert) leidt.
Rob is een van de jongens op die foto van 1960-61. Thuis heeft hij dezelfde foto liggen en wat meer is, op de ommezijde heeft hij de namen genoteerd. Waardoor we onverwachts & meteen al die jongens kennen, althans bij naam.
Rob heeft nog meer, bijvoorbeeld de klasfoto die hierboven staat. Die is zes jaar jonger dan de vorige en de jongens zijn intussen zes jaar ouder — een doordenkertje als ‘t ware. ’t Zijn jongens die het in dat college tot het einde uitgezongen hebben.
Tussendoor moet ik opmerken dat je in die tijd in ’t zesde begint en in ’t eerste eindigt, iets wat intussen veranderd is: nu begin je in ’t eerste en je eindigt in ’t zesde, wat logischer is.
Bovenstaande jongens zijn geboren in/omtrent 1947, ze verlaten de schoolbanken van ’t college in 1966. Sommigen gaan daarna meteen hun legerdienst vervullen, anderen togen aan ’t werk, sommigen studeren verder.
In de zomervakantie zullen ze er getuige van zijn dat Engeland de Wereldbeker voetbal wint. In de filmzaal kunnen ze naar een nieuwe film kijken die Blow-up heet (18+). Degenen die naar Leuven trekken zullen daar met de bisschoppen te maken krijgen en zij die naar Gent gaan zullen heimelijk eens binnenwippen in de beruchte cinema Leopold (xxx).
Belangrijk voor ons is dat Rob Tas (10) na al die jaren nog contact heeft met zijn oud-klasgenoot Marc Depuydt (19), want 't is met vereende krachten dat ze erin slagen de meeste namen weer te vinden: 1  Idesbald Lambrichts;  2 Dirk Maeckelberghe ?;  3  Lucas Roose; 4  Jos Watteeuw;  5  Eddy Rotsaert; 6 Jean-Pierre Houben (†); 7  Raf Vantyghem ; 8  Jean Ralet ; 9  Emiel Vandenberghe;  10 Rob(ert) Tas; 11 Jozef Lingier;  12 ?; 13 ? 14 Jean-Marie Viaene;  15 directeur Arsène Carron; 16 klastitularis Achille Venmans;  17 Redgy Schoolmeesters ; 18 Alain De Gruyter ; 19 Marc Depuydt. 
Flor Vandekerckhove

Meteen na publicatie komen er al reacties binnen. Er is al een geestige anekdote betreffende Jean Ralet en iemand vraagt zich af of de jongen achter het nummer 2 Dirk Maeckelberghe kan zijn. (Zie onderstaande reacties.) En omdat er inmiddels nog een reactie binnengelopen is die dat vermoedt, plaats ik de naam bij de lijst (gevolgd door ?). We zoeken nu alleen nog de namen van 12 en 13. 

zondag 10 juni 2018

Dagboek

* 4 juni 2018 — In de bib heb ik Gestolen voorwerpen uit de rekken gehaald, een dagboek van David Sedaris. (°) Volgens die schrijver heeft zo’n boek als bedoeling ‘dat je erachter komt wie je bent’ en de uitdaging ligt er vervolgens in dat je in dat dagboek ‘trouw bent aan die persoon. Want dat is vaak niet mogelijk. Zullen de mensen zich niet van me afkeren als ze zien hoe ik werkelijk ben? Vraag je je af.’
Ik denk dat ik dat ook eens ga doen, een dagboek bijhouden. Ik neem me voor om dat tot ’t einde van de week vol te houden. Nauwelijks vijf dagen? vraagt u, schuddebuikend van 't lachen. Maar dan weet u niet dat ik het eerder al eens geprobeerd heb en toen heb ik het maar één dag volgehouden. Dat was op 9 oktober 1967. Wat in dat ééndagboek staat kun je hier nalezen. Wel dien ik u te verwittigen: er staat een naaktfoto bij!
* 5 juni — ‘s Mans naam kan ik je hier niet meedelen, want hij is een notabele en hij redeneert een beetje à la Trump, maar dan op z'n Oostends. Voorzichtigheid is geboden, want Trumpisten hebben de wind in de zeilen.
Via ’t internet krijg ik een tekst van deze miniTrump toegestuurd. Ik lees er een opeenstapeling van clichés in en laat hem dat ook weten. Hij antwoordt met een brief waarin zo mogelijk nog meer clichés staan.
Zo gaat dat nu al vele jaren. Hij schrijft een hoop onzin, en als ik hem daarop wijs antwoordt hij met nog meer onzin. Daar tegenover staat dan weer dat zijn strapatsen me regelmatig inspireren. De verhalen die eruit voortvloeien bouw ik op rond een personage dat meneer Delanghe heet; ik heb er al negen en er is nog een aan 't sudderen.
* 6 juni — Vandaag zijn we naar de cinema geweest. [Over die zaal heb ik hier eerder al een stukje geschreven]. De film heet The Guernsey Literary and Potato Peel Pie Society. Mooi schrijverssprookje. Achteraf voer ik in de gangen een gesprek met Carlo die daar werkt. We hebben het over de verschillende namen van de zalen, de Rode, Blauwe, Groene en… zaal Vier, en waarom die laatste niet de Zwarte of de Roze zaal heet, want dat zijn daar de dominante kleuren. Ik begrijp zijn uitleg niet helemaal, maar ’t is toch een aangenaam gesprek. En veel aangenamer dan de briefwisseling die ‘k gisteren met die would-beTrump gevoerd heb.
* 7 juni. — Vandaag laat ik me fotograferen in de traction avant van buurman Michel. Eerst denk ik het beeld te gebruiken voor een verhaal waarin zo’n auto een rol speelt. Maar je weet hoe ’t gaat: de dingen gebeuren omdat ze rijmen (zegt Nyk de Vries). Met fotoshop haal ik Michel uit de auto weg en ik plaats Jan van Eyck achter het stuur. Ik gebruik de foto bij een stukje over het gestolen paneel De rechtvaardige rechters, want nu Marc de Bel daar een nieuw boek over publiceert is er weer veel om te doen. Geestig is dat de Bel op mijn blogpost geantwoord heeft. Kijk hier maar.
* 8 juni — Vandaag heb ik Willy Pozzolo weergezien, een toffe pee. Hij is de kroegbaas van de Folk geweest, een kroeg waar ik menig uur gesleten heb. We gaan een koffie nuttigen en halen herinneringen op aan de tijd dat we massaal veel sigaretten rookten en in Oostende op de verkiezingslijst van de RAL stonden. Hij deelt me ook de grootte van zijn pensioen mee en da’s (uiteraard) meer dan wat ik vang.
Mireille, die er ook bij is komen zitten, wijst me erop dat ik misschien wel een klein pensioentje heb, maar wel een eigen huis. En ook nog een in Frankrijk, voegt Willy eraan toe. We nemen afscheid. Willy betaalt het gelag. Dat mag ook wel met zo’n pensioen.
* 9 juni — In de krant lees ik dat duizend academici in een petitie pleiten voor meer menselijkheid in het debat over asielzoekers. Het is een weerwoord op een discours dat door politici als Bart De Wever wordt gebruikt. ‘Een discours dat, zo leert de wetenschap, gevaarlijk is.’ Gelukkig staat tante Mia Doornaert niet op de lijst van ondertekenaars en haar ideologische neefje Maarten Boudry evenmin. Ook hoor ik professor Rik Torfs (kerkelijk recht) zeggen dat hij de petitie niet ondertekent. Hij vindt die ‘iets te polemisch’. Ik denk dat het gewoon een tjeventruc van hem is.
Zelf heb ik de petitie wel ondertekend; niet als academicus, maar als solidaire mens. U kunt dat hier trouwens ook doen. Bovendien heb ik ter zake een eigen schotschrift gepubliceerd. Kijk (nog) maar eens naar Zijt ge niet beschaamd. Het gedicht werd massaal gedeeld en staat inmiddels in de top 10 van de meest bekeken stukken uit deze blog.
Mag ik u er ten slotte op wijzen dat dit mijn laatste dagboeknotitie is. Aan het begin van de week had ik me voorgenomen het tot het einde van de week vol te houden. Opdracht volbracht. Een dagboek bijhouden? Ik blijf het een karwei vinden.
Flor Vandekerckhove


(°) David Sedaris. Gestolen voorwerpen. Dagboeken 1977-2002. Lebowski Publishers, Amsterdam 2017. 510 p.

zaterdag 9 juni 2018

De dichter is een rolling stone

— Delphine Lecompte en Bob Dylan. —
Sommige dingen mag je niet vertalen, vind ik, zoals bijvoorbeeld het Amerikaanse FUCK YE. Hetzelfde geldt voor het Franse Nom de Dieu de putain de bordel de merde de saloperies de connard d'enculé de ta mère! Begin er maar eens aan.
Heb jij ooit iemand De rollende stenen horen zeggen als daarmee The Rolling Stones bedoeld wordt? Of De zwerfkeien, godbetert? Die bedenkingen wellen in mij op als ik naar de kaft van een boekje kijk waarin een Nederlandstalige hulde gebracht wordt aan Like a Rolling Stone van Bob Dylan. (°)
Het boekje heet Als een zwerfkei (2015) en daarin gaan bijna tachtig dichters aan de slag met het gegeven dat het vijftig jaar geleden is dat Like a Rolling Stone in vinyl geperst werd. 
Mijn oog blijft hangen aan het gedicht van Delphine Lecompte. Dat komt doordat we nog over en weer geschreven hebben, Delphine en ik. Aanleiding waren twee gedichten die ze me, via bemiddeling van Peter Holvoet-Hanssen, geleverd had, met de bedoeling ze in Het Visserijblad te publiceren; dat was poëzie waarin de dienst uitgemaakt wordt door een touwslager, een onderwaterlasser, een roodharige naaldenmaakster en een spookmatroos. Ons over en weergeschrijf ben ik kwijt, maar ik weet dat ik haar toen de beste levende Vlaamse dichter genoemd heb; of toch de beste die ik ken.
Dat vind ik nog steeds.
Ik hou van de wereld waarin ze ons via haar gedichten — die ook verhalen zijn — betrekt, de wereld van de imker, de ezeldrijver en haar oude kruisboogschieter, de Cobraschilder, de windhondenfokker, de messenwerper, de sponzenverkoper…
Hoe herdenkt Lecompte Like a Rolling Stone? Wel, ze neemt ons mee naar ‘t werk: Er staat een bus voor mij in de straat / Maar het is evengoed de bus van Cindy / Ze haat haar naam, ze kuist consultatieruimtes / Ik ook, ik ook consultatieruimtes, de oogartsen zijn het vuilst (…). En verder: ‘De eerste consultatieruimte is de hardste noot, ik leg een hand op mijn beste oog. / Ik heb een goed oog en een lui oog.’
Zo hoort het, vind ik: als een dichter om den brode uit werken moet, dan doet hij dat bij voorkeur met een lui oog bij een oogarts. Of zoals Ester Naomi Perquin het doet, die zojuist de Herman de Coninckprijs gewonnen heeft: ‘Misschien word ik wel parachutespringerinstructeur of ga ik worsten verkopen. Lijkt me fijn.’ Gaan kuisen, zoals Lecompte, is nog beter.
Na de dagtaak komt de oude kruisboogschutter de dichteres ophalen. Hij zegt: ‘Het is jammer dat je geen gedichten meer schrijft.’ En vervolgens schrijft Delphine daar een gedicht over.
Is dat niet prachtig?!
In heel het gedicht komen de woorden Dylan en Bob niet voor en het woord zwerfkei gelukkig evenmin, maar dat Delphine Lecompte een rolling stone is, da’s een feit.
Flor Vandekerckhove


(°) Kees ’t Hart & John Schoorl. Als een zwerfkei. Dichters over Dylan. 128 p. Uitg. Nijgh & Van Ditmar 2015.

donderdag 7 juni 2018

De rechtvaardige rechters in Bredene

Jan van Eyck (vooraan) en De Laatste Vuurtorenwachter, samen op zoek naar het verdwenen paneel 'De rechtvaardige rechters'.

In 1934 wordt in Gent het paneel De rechtvaardige rechters gestolen. Het schilderij, dat deel uitmaakt van het wereldberoemde meesterwerk van de gebroeders Van Eyck — 'De aanbidding van het Lam Gods' — werd nooit teruggevonden.
Regelmatig, meestal in de komkommertijd, duiken er geruchten op als zou er een nieuw spoor zijn. Nu zegt ook jeugdauteur Marc de Bel dat hij weet waar het paneel zich bevindt (De Morgen, 7 juni). De vindplaats wordt onthuld, zegt hij, in een boek dat volgende week verschijnt.
Meer dan fake news zal het boek van de Bel helaas niet opleveren. Al in 2005 heb ik immers de waarheid ter zake ontbloot. Het relaas van mijn zoektocht staat beschreven in het boek De Poldergeesten van Bredene. (°)
Ik vat mijn bevindingen samen. Tijdens WO II is de Duitse officier Henry Koehn naar het paneel op zoek gegaan: ‘Na de oorlog zou Koehn (…) het paneel verstopt hebben in de woning van Hélène Wouters, een vroegere minnares. Het betreffende huis op de Bredense Keerdijk werd evenwel, net zoals de hele omgeving, in 1953 getroffen door een grote overstroming, zodat deze piste niet verder onderzocht kon worden. Het aftrekkende tij had het geheim voorgoed met zich meegenomen. (…)’ Mijn onderzoek maakt duidelijk dat het paneel in 1953 met grote waarschijnlijkheid in zee terechtgekomen is. 
De kans dat het 65 jaar later nog op het strand teruggeworpen wordt is quasi onbestaande. Waardoor ik met zekerheid kan zeggen dat de aankondiging van de Bel niets anders dan een publiciteitsstunt is waarmee hij zijn nieuwe boek promoot. Het is Marc uiteraard gegund en ik hoop dat het hem een succesvol boek oplevert, maar een succesvol spoor naar het schilderij zit er niet in. Wedden?
Flor Vandekerckhove


(°) Flor Vandekerckhove. De Poldergeesten van Bredene. 2005. Uitgegeven door het Gemeentebestuur van Bredene. 128 p. ISBN 9080984612.

Van Marc de Bel kreeg ik onderstaande mail:


dinsdag 5 juni 2018

Naar de Kemmelberg

— Onderaan dit stukje vind je nog foto's van deze fietstrektocht. — 

Tot onze mooiste jeugdherinneringen behoren ongetwijfeld de lange fietstochten die we vanuit Bredene ondernamen. Eerder plaatste ik al herinneringen aan zo’n tocht die in 1967 naar Lommel ging (hier en daar) en een die ons hier in 1965 naar Nijlen leidde.
De beelden die ik nu publiceer werden me door Marc Loy toegestuurd. Ze zijn voor mij moeilijk te duiden, want ik was toen niet van de partij. Maar ik herken uiteraard wel de jongens die erop voorkomen, want we woonden allemaal in dezelfde wijk: 1. Marc Loy; 2. Ivan Schamp; 3. Paul Vangeluwe; 4. Pierre de Maeyer; 5. Jan Vangeluwe; 6. Alex Van Den Eynde; 7. Ronny David; 8. Serge Schaut; 9. Lucien Geryl.
Van sommigen heb ik ook recente beelden. Ik zet ze bij de groepsfoto’s, wat ons toelaat even te mijmeren over het knagen van de tand des tijds en wat die tand met onze fysiek aan ’t doen is. De meeste van die inzetfoto’s (boven en onder) werden gemaakt tijdens reünies van die jongensbende en ik moet Pierre de Maeyer danken omdat hij ze me heeft doorgestuurd. Uitzondering is de inzetfoto van Marc Loy (1). Dat beeld werd geschoten aan boord van het vissersschip Hermes, waarop Marc een reportage aan ’t maken was. Uit de foto blijkt alvast dat de journalistiek zeker aan de lijst van zware beroepen toegevoegd mag worden.
Van sommigen heb ik het mailadres. Ik schrijf ze aan en vraag om uitleg. 
Serge Schaut (8) kan me niet verder helpen, want de tocht heeft bij hem geen herinneringen nagelaten.
Pierre de Maeyer (5) weet gelukkig meer: ‘De foto’s zijn gemaakt tijdens een fietstocht naar Kemmel. De boerderij waar we 2 of 3 dagen verbleven lag in de omgeving van de Kemmelberg, misschien Dranouter, maar dat ben ik niet zeker. Van daaruit vertrokken we telkens om met onze fiets de “bergen” te beklimmen, de Kemmel-, Rode-, Zwarte- en Catsberg. Dat moet in de periode 1963-66 geweest zijn. Dat kleine jongetje op de foto was het zoontje van de boer op wiens erf we bleven slapen.’
Na enig weifelen herinnert ook Ivan Schamp (2) zich de tocht: ‘Het was een fietstocht richting Kemmel en we exploreerden de omgeving van de Kemmelberg. De slaapplaats lag, zo denk ik, in Loker. We sliepen er in een schuur van een boerderij die op de Kemmelbergweg lag. Ik herinner me dat de boer akkoord ging op voorwaarde dat we een handje toestaken. Hij formuleerde het als volgt: “Jullie zijn stadsmensen en weten dus niks af van het boerenleven. Wel, in ruil voor het verblijf mogen jullie wat meehelpen bij het werk.” We vonden dat een faire ruil. In welk jaar? Dat is gissen, maar als we 1963-64 nemen, dan gaan we er niet ver naast zitten. Want vanaf december 1964 heb ik een dagboek bijgehouden en daarin vind ik over die trektocht niets terug.’ Dat laatste moet Ivan later evenwel corrigeren, want Marc Loy slaagt er na veel inspanningen in om een van die foto's uit zijn plakboek los te weken; op de achterkant van die foto staat zwart op wit: 1966! Geconfronteerd met dat naakte cijfer werpt Ivan nog eens een indringende blik op zijn dagboek en inderdaad: in 1966 gaat de tocht naar de Kemmelberg.
Twee dagen na publicatie van dit stuk vindt Ivan nog een agendaatje waarin naam en adres vermeld staat van de boer bij wie de jongens verbleven. Dat blijkt Goudeseune te zijn en ‘t adres was Hooghofstraat 100 in Dranouter. Wat betekent dat Pierre de Maeyer wel degelijk juist gehokt had, toen hij zei dat Dranouter de plek van overnachten was.
In die agenda vindt Ivan ook nog de lijst van deelnemers aan die trektocht: Gilbert Boey, Paul en Jan Van Geluwe, Ronny David (kok), Pierre de Maeyer, Alex Van Den Eynde,  Serge Schaut, Lucien Geryl, Marc Loy en Ivan Schamp. 
En nu een gokje, eigenlijk twee. Ik veronderstel dat Gilbert Boey de man achter de camera is, want op geen van die foto's is hij te zien. Ik lees hierboven ook dat Ronny David de kok van dienst is. Mag ik veronderstellen dat koken sindsdien een hobby gebleven is en heeft die hobby dan te maken met de merkwaardige transformatie die Ronny ondergaan heeft?
In Ivans boekje staat ook nog een soort morele balans: ‘Zeer geslaagde trektocht. Het werd geen koers en ook geen zuippartij…’ En verder:  ‘De onderlinge samenwerking was perfect. Er was een enkel fietsongeval waarbij Alex Van Den Eynde en Ivan Schamp betrokken waren, oorzaak was een combinatie van regen en treinsporen.’
Waarmee ook deze jeugdherinnering van de vergetelheid gered is. Samengevat ziet het er zo uit: in 1965 ging 't naar Nijlen: hier; in 1966 naar de Kemmelberg en in 1967 naar Lommel (hier en daar).

Flor Vandekerckhove


maandag 4 juni 2018

Femme fatale in zeven dagen ®

— Nellie, de zakenpartner van de
presentator van dit cursuspakket. —
Geacht publiek, dames en heren, 
ik verwelkom vooral de talrijke Jonge Juffrouwen die hier aanwezig zijn op de voorstelling van ons unieke cursuspakket Femme Fatale In Zeven Dagen ®. 
Hoe weet u dat Femme Fatale In Zeven Dagen ® iets voor u is? Laat me antwoorden door aan de hier aanwezige Jonge Juffrouwen een wedervraag te stellen.
Jonge Juffrouwen! Als u de eerstvolgende jaren toch de sterren van het firmament zult neuken, is het dan niet logisch dat u voorafgaand weet wat u daarmee wil bereiken? Ik verklaar mij nader: als u de minnaar voor het kiezen heeft, en die keuze gaat tussen de sjofele facteur en een aimabele ambassadeur, tussen de stomme melkboer en een invloedrijke man aan ’t roer… Dan wéét u het toch wel, zeker?!  Wel, dan is onze opleiding Femme Fatale In Zeven Dagen ® iets voor u.
Dank zij onze opleiding Femme Fatale In Zeven Dagen ® zult u evengoed zo'n ambassadeur tot u kunnen nemen. Zou die ambassadeur u niet beter liggen dan zo’n lang uitgevallen jongen uit uw straat; een jongen die het hoogstens tot uitkeringsgerechtigde werkloze zal schoppen? En die u vervolgens de rest van uw leven aan uw been hebt hangen?
Femme Fatale In Zeven Dagen ® biedt u, Jonge Juffrouwen, de keuze tussen een gepland leven met wisselende, rendabele contacten langs de ene kant, en een leven als aardappelzak aan de andere. Want — al gelooft u dat nu niet, Jonge Juffrouwen — zo zult u er in dat tweede gaval over enkele jaren uitzien: als een aardappelzak!
(Geroezemoes in de zaal.)
Enter: ons cursuspakket Femme Fatale In Zeven Dagen ®.
Jonge Juffrouwen, mag ik u Nellie, mijn businesspartner, voorstellen? Ja, een applausje graag. U herkent in haar wellicht meteen een femme fatale van hoge kwaliteit. Ja, Nellie, laat u maar eens goed langs alle kanten bekijken door deze Jonge Juffrouwen.
Wel, Jonge Juffrouwen, denk maar niet dat Nellie het van huis uit meegekregen heeft, want ze heeft haar jeugd in een woonwagen doorgebracht. En kijk nu eens, kijk haar eens aan.
(Er volgt een aarzelend applaus.)
Gaat u nu maar weer zitten, Nellie.
Nellie heeft de sociale ladder op eigen kracht beklommen, en ze klom zo hoog dat Jaguars en Bentleys haar aan die woonwagen kwamen afhalen. Ja Jonge Juffrouwen, in plaats van melkboeren waren het ministers en zakenlui die haar in hun nakie achterna zaten. 
Jonge Juffrouwen! Als er dan toch dag & nacht aan u gefriemeld wordt, laat dat dan doen door personaliteiten, door mannen met knaken, door chic volk en diplomaten. Op die manier wordt neuken haast een vorm van poëzie. 
Rest me alleen nog u te wijzen, Jonge Juffrouwen, op de lange historische traditie waarin u zich, dank zij Femme Fatale In Zeven Dagen ®, zult plaatsen. U zult er trots op zijn dat u de volgende schakel bent in een historische ketting die aanvangt bij Eva, en via Delilah naar Mata Hari loopt en verder tot bij Monica Lewinski; een keten die een voorlopig hoogtepunt kent in de persoon van first lady Melania, de echtgenote van den Donald.
Jonge Juffrouwen, laat ons nu samen kijken naar de powerpointpresentatie van Femme Fatale In Zeven Dagen ®. Nellie ga uw gang.

Flor Vandekerckhove

zaterdag 2 juni 2018

In de keuken van Frank Zappa

— Frank Zappa, The Mothers of Invention en ik (beneden links). —
Frank Zappa zat in een keuken, omgeven door ronduit gevaarlijke dingen. Heel de tafel was bezaaid met blik waaraan een mens zich gemakkelijk kon kwetsen. Om tot bij het vlees te geraken hadden katten — ratten? — zich een weg doorheen het inpakpapier geknaagd en de vloer was bedekt met, ja, met wat eigenlijk, met spul dat even gevaarlijk was als al de rest.
Toen ik aan de beurt kwam om hem te interviewen zei Zappa: 'May you never hear vloerbedekking again'. Het was zijn manier om een Nederlandstalige journalist te begroeten, want vloerbedekking was het enige Nederlandse woord dat hij kende, wat op zich al merkwaardig was. Voor de rest deed hij het in het Amerikaans:Tast toe’, zei hij, ‘maar pas op, je doet er goed aan om eerst aan de melk te ruiken.’
Het voedsel dat op tafel lag nodigde geenszins uit om toe te tasten. Hij sprak erover in termen als brooddingen (‘bread things’) en vleesdingen (‘meat things’). 
Met de hiel van zijn laars stampte hij kordaat een kakkerlak dood. Meer nog dan naar Zappa en de kakkerlak ging mijn blik naar een zwerm vliegen die rond een tros zwarte bananen cirkelde, vlak naast een schaal waarop een gebraden kip lag in een bedje van verklonterde room en verslonsde sla.
De eerste woorden die in mij opkwamen waren braken, salmonella, schimmels, gastro-enteritis, diaree en colitis; niet meteen een goed vertrekpunt om vragen te stellen over het soort muziek dat Zappa schreef.
Hij merkte mijn afgrijzen op en zei: ‘Ja, jongen, het is niet altijd een pretje voor een componist om ’s avonds thuis te komen. Je moet voortdurend oppassen waar je stapt, je mag nergens tegen leunen, want het kan in je kleren kruipen, het kan je volgen als je naar de slaapkamer gaat en daar je kleren uitdoet. Terwijl je slaapt kruipt het bij je in bed en van daar op je gezicht, waar het je huid aantast. Je zou er godverdomme blind van kunnen worden, wat zeg ik: je kunt ervan sterven!’
Het interview is er nooit gekomen, al is het maar omdat ik nog nooit in Rotterdam geweest ben, maar The DANGEROUS KITCHEN van Zappa inspireerde me wel tot het schrijven van dit verhaal. De song zet ik hieronder.

Flor Vandekerckhove


P.S.: Dit stukje maakt deel uit van een verhalenproject waarbij ik me laat inspireren door songs en liedteksten uit de populaire cultuur. 'In de keuken van Frank Zappa' is al het achttiende verhaal in die reeks. Meer erover vind je als je hier drukt.