zaterdag 30 september 2017

Cargo


Dit wordt een moeilijke. En ’t gaat nochtans maar over een film, een brokje fictie, een verhaal. Naar die film ben ik, net zoals duizenden (!) Oostendenaars, gaan kijken. Ik dacht: ik ga daar niet meteen iets over schrijven, ik laat het eerst een beetje bezinken. Maar… Dat bezinken duurt inmiddels al vele dagen en het blijft moeilijk.
Cargo is een film van Gilles Coulier over een Oostendse vissersfamilie. De film beschrijft een wereld die ik erg goed ken. Een kwarteeuw lang heb ik daar een tijdschrift uitgegeven. Vijfentwintig jaar lang heb ik er de neergang van aanschouwd — zowel van de vissersgemeenschap als van dat tijdschrift. Da’s lang.
Kommer & kwel, ijzer dat tegen een kaaimuur schraapt, grijze kaaien in grijs weer, abonnees die afhaken, de zee die klaagt & reders die nog meer klagen, de kwalijke kant van het kapitalisme, adverteerders die hun facturen niet betalen, doden die op zee achterblijven — en dat zijn er niet weinig —, nattigheid in alle betekenissen van het woord, wind die door de kieren waait, stemmen van mannen die het gewoon zijn te schreeuwen, ruzies & leugens & zinnen van één woord… En vooral dat: de voordurende en hopeloze neergang van iets wat ten dode opgeschreven is. Vijfentwintig jaar lang. Dat gaat niet in je koude kleren zitten.
Mensen die met een romantische blik naar de visserij kijken zullen mijn weerzin niet goed begrijpen, maar wie de situatie een beetje kent begrijpt me al veel beter. In die weerzin sta ik trouwens verre van alleen, je moet dit eens lezen.
Ik was maar wat blij toen het uur van de pensionering sloeg. Boeken dicht, inpakken en wegwezen! Maar zo eenvoudig gaat dat niet, heb ik daarna ondervonden. Daardoor valt het me nu zo moeilijk om een commentaar op Cargo te schrijven, een film die me terugduwt in iets waaraan ik al zo lang probeer te ontsnappen.
De regisseur maakt een meesterlijk portret van de visserij. Ik herken het verhaal, de stemmen, beelden, kleuren, geluiden en geuren. Heel de prent baadt in de koude, grijze, uitzichtloze wereld die mij zo na geweest is en nu zo grondig beu ben. Dat er figuranten uit de vissersgemeenschap aan de film participeren legt er nog een schep bovenop. En heb ik in die film de stem van de aalmoezenier niet gehoord? Aaaaaaah!
Nooit eerder heb ik tijdens het aanschouwen van een goeie film de zaaluitgang in ’t oog blijven houden, maar nu heb ik dat wel gedaan. Want ook dat heb ik in de visserij geleerd: je kunt maar beter op alles voorbereid zijn: mayday mayday! 
Flor Vandekerckhove

CARGO, 1,30 u. Regisseur: Gilles Coulier. Cast: Sam Louwyck (Jean Broucke) , Wim Willaert (Francis Broucke), Sebastien Dewaele (William Broucke) ,…. Productie: De Wereldvrede (Gilles Deschryver en Gilles Coulier) en Halal (NL). Distributie: Dutch Film Works (DFW).

donderdag 28 september 2017

Herinneringen aan ’t Stapelhuis (2)


De ondertitel van de blog liegt niet: dit is de plaats waar ik herinneringen ophaal. Daartoe behoren ook die aan ’t Stapelhuis, een lokaal in Gent, waarover ik hier eerder al een stukje gepost heb.
Daar is nogal wat reactie op gekomen. Daardoor weten we nu met zekerheid dat de verbouwingswerken in augustus ‘77 van start gaan en dat het ‘socio-kultureel centrum’ op 15 september '78 de deuren opent. De leukste reactie komt van Willie Panhuis die haar fotoalbum onder de arm neemt en ermee naar de kust spoort. Wat me toelaat een tweede stukje te publiceren — O lio lio la, onze herinneringen groeien aan!
— Vincent Pauwels (°1950 - †2000)
zonder wie 't Stapelhuis wellicht nooit
afgeraakt zou zijn. —
Dit tekstje zit geprangd tussen twee fotomontages. Deze bovenaan geeft een idee van het gebouw (1), de verbouwing (2&3) en het eindresultaat (4). 
Foto 1 toont de bouw zoals we die indertijd aantreffen. Rik De Coninck herinnert zich die periode: In 1977 kwam ik in Gent en toen was het lokaal van de RAL nog op de Sint-Kwintensberg. Ik weet dat jij in die periode opdracht kreeg om een ander lokaal te zoeken, dat je, volgens eigen zeggen, met verschillende voorstellen kwam, maar dat die geen genade vonden. In een ultieme poging heb je toen een laatste suggestie gedaan, namelijk een stapelhuis met drie verdiepingen en drie of vier grote rolluiken aan de straatkant in de Frans Ackermansstraat. Dat was toch niet erg praktisch… Tot je grote verbazing was het bingo! En het lokaal had meteen een naam: Stapelhuis.’ Ook Dirk Cosyns herinnert zich het prille begin: ‘Als architect werd ik verzocht om inderhaast te zorgen voor een bouwaanvraag, aangezien gebouw en werken verzegeld waren. Alles werd in orde gebracht en de betonnen trap naar de eerste verdieping werd goedgekeurd.’ Daar heeft, zo herinnert Eddy Labeau zich dan weer, toch enige tijd tussen gezeten [Foto 2]: De aannemer, die na lang talmen de monumentale betonnen trap goot die toegang verleende tot de eerste verdieping met de grote zaal en de bar, sprak Vincent Pauwels respectvol aan met "Mijnheer Vincent". Zonder Vincent zouden wij het daar ook erg koud hebben gehad. Niet alleen stond hij in voor het aanleggen van de centrale verwarming (Leen Mestdach heeft daar ook aan meegewerkt), daarna kwam hij ook telkens uit Evergem over om die op tijd aan te steken - zo'n gebouw is niet in een wip warm...’. Waarmee ook de naam valt van degene die daar veruit ’t meeste werk geleverd heeft: Vincent Pauwels.
Eddy Decreton herinnert zich het Stapelhuis aldus: ‘Ik heb er vele uren doorgebracht, vooral om de bar [foto 4] open te houden. Maar zonder Vincent Pauwels was er wellicht nooit een Stapelhuis geweest.’ Dat betekent dan weer niet dat anderen niet aan de verbouwing geparticipeerd hebben. Zegt Karin Criel: ‘Op de benedenverdieping waren de toiletten. Jean-Paul Van Bendeghem heeft nog geholpen om die te plaatsen, meen ik mij te herinneren. Voor mijn geestesoog zie ik hem nog lopen met een wc in zijn nek. Altijd als ik iets van hem zie of lees, moet ik daaraan denken.’ Ja, ik kan me wel voorstellen dat je zo'n beeld niet uit je geheugen krijgt.
Om een lang verhaal kort te maken: op 15 september 1978 is het gebouw gebruiksklaar. Uit de fotoverzameling van Willie Panhuis kies ik deze van een etentje, couscous!, dat daar op 21 oktober ’78 doorgaat. Op onderstaande foto’s herkennen we (1) Magda Devos; (2) Eddy Labeau; (3) Vera Meeus; (4) Vincent Pauwels (†); (5) Adriënne Depreester (†); (6) Marc Staelens; (7) Eddy Decreton; (8) Christine Bilaey; (9) Michel Colijn.

Flor Vandekerckhove
(Alle foto's komen uit het archief van Willie Panhuis.)

woensdag 27 september 2017

Merkwaardig restant van stalinistisch bedrog



— Alexander Voronski werd twee keer door de 
stalinistische politie opgepakt, een eerste 
keer in 1928 (de twee bovenste gevangenisportretten), 
de tweede keer was in 1937 (onderste politiefoto’s). 
Volgens de Wikipedia werd hij op 13 augustus 1937 
berecht, veroordeeld ‘en waarschijnlijk 
dezelfde dag nog geëxecuteerd.’ —
Ik open het postpakket en lees de lange titel ‘Alexandre Voronski 1884-1943 Un bolchevik fou de littérature’. (°) Heb ik een verkeerd boek besteld? Gaat dit over een andere Voronski? Is dat wel de man waarvan ik een biografie wil lezen?
Mijn twijfel betreft het in de titel vermelde jaar van overlijden, 1943. Omdat ik hier eerder al iets over Voronski geschreven heb verwondert dat jaar me. Is die mens niet in 1937 vermoord?
Ik raadpleeg het internet en alle bronnen bevestigen wat ik al weet: 1937 is het jaar waarin deze literatuurcriticus door Stalins beulen terechtgesteld wordt. Waarom schrijft zijn biograaf dan 1943?
Het antwoord vind ik in een ander boek. (°°) Daarin gaat de auteur in Rusland op zoek naar documenten betreffende veroordeelde schrijvers. Zelf interesseert me daarin vooral wat hij over Isaak Babel weet te vinden, mijn lievelingsauteur. Dat blijkt niet weinig te zijn. Ik heb er, daar, al een eerste stukje over gepubliceerd, er volgen er nog.
Dit is wat Vitali Chentalinski leest in Babels dossier: ‘Het vonnis werd uitgevoerd in Moskou op 27 januari 1940’. Dat is een openbaring, want elders lees ik: ‘Antonina Nikolaïevna, die nog niet wist dat ze weduwe was, wachtte, hoopte en ging door met het versturen van verzoeken. Men antwoordde haar: “Hij leeft, in goede gezondheid, in de kampen…” 1944, 1945, 1946 gingen voorbij met dezelfde bevestigingen. In 1947 kwam er goed nieuws: Babel zou het daaropvolgende jaar vrijkomen (…)’
‘Hij kwam niet weer in 1948, maar de hoop bleef. (…) Geruchten deden de ronde: iemand had Babel in Kolyma gezien… Of in de streek van Krasnoïarsk… Ze wachtte.’
Veertien jaren gaan voorbij. Stalin sterft. Families beginnen na te gaan wat er gebeurd is: ‘In 1954 vraagt de vrouw van Babel: “(…) ik vraag u zijn dossier te onderzoeken en om zijn lot in de mate van het mogelijke te verzachten”.’ Ten gevolge van deze brief wordt duidelijk dat Babel al lang vermoord is. Hij wordt gerehabiliteerd, maar de datum van zijn dood blijft ook dan nog onduidelijk.
— De biografie van Voronski vermeldt 1943
als jaar van overlijden (zie pijl). Is de vergissing
een restant van stalinistische vervalsing?
 — 
 
 
Wat ze met Babel doen hebben ze daar met vele anderen gedaan. Zegt Chentalinski: ‘(…) van de lijst van gefusilleerden die ik had leren kennen, had ik de data vergeleken met de officiële data van overlijden van auteurs tijdens de terreur, zoals die in de Literaire Encyclopedie vermeld werden. De vervalsing was overduidelijk. Om de waarheid te verbergen noteerden de mannen van de Organen willekeurige data (…) Van wie neergeschoten was zei men dat ze veroordeeld waren tot “tien jaar kamp, zonder recht op correspondentie”, en hun families zochten hen, hoopten en wachtten. En tijdens de eerste rehabilitaties, in ’t midden van de jaren vijftig, behielden de meesters van de wet de schijnheilige en leugenachtige traditie: ze lieten in de certificaten valse data zien en valse oorzaken van overlijden (…). En deze bedenksels worden vandaag geloofd in de encyclopedieën en referentiewerken (…).’ Voor de data van overlijden werden veelal oorlogsjaren gekozen, waarmee men de indruk wekte dat die mensen in de oorlog omgekomen waren.
Ik keer terug naar de biografie van Voronski. De indrukwekkende bibliografie waarmee Kastler afsluit leert me dat hij zich omzeggens volledig op Russische bronnen baseert. Komt het daardoor dat hij het overlijden van Voronski verkeerdelijk in 1943 situeert? Zeker weten doe ik dat niet, maar het lijkt er wel op. Ook zie ik dat Claude Kastler professor is aan de Stendhal Universiteit van Grenoble. Er zijn er daar wellicht al voor minder gebuisd.
Flor Vandekerckhove

(°) Claude Kastler. Alexandre Voronski 1884-1943 Un bolchevik fou de littérature. Grenoble. © ELLUG 2000. 184 pp.
(°°) Vitali Chentalinski. La Parole Ressuscitée. Dans les archives littéraires du K.G.B. Uit het Russisch in het Frans vertaald door Galia Ackerman en Pierre Lorrain. Editions Robert Laffont, Paris 1993. 462 pp.

zondag 24 september 2017

Betsy van ‘t Sas

— Foto uit het politiedossier. —
Op 1 juli 1952 verdween Betsy uit haar woning, gelegen in de Buurtspoorwegstraat te Bredene. Niemand wist waarom, niemand wist waarheen. Na enige tijd werd haar woning aan een jong koppel verhuurd, Betsy werd door de Bredenaars vergeten. 
Twee jaar later reed verzekeringsagent Deschaede in ‘t donker naar huis. Onderweg ramde hij een paaltje. Hij vervolgde zijn weg, ging naar bed en sliep tot hij door de politie wakker gebeld werd. 
Dit is wat Deschaede toen verklaarde: ‘Toen ik op 1 juli 1954 om 23 uur, via de Prinses Elisabethlaan, huiswaarts keerde, zag ik plots een obstakel opdoemen. Bleek dat een naakte vrouw in ’t midden van de weg stond. Ik kon haar net ontwijken, maar raakte wel een paaltje.’
Van de vrouw was nadien geen spoor meer te bekennen. Hij kon wel een persoonsbeschrijving geven: ‘Ze had lang blond tot bruin haar en soortgelijk schaamhaar. Wat me opviel was dat ze ook over borsthaar beschikte, eveneens bruinachtig blond.’
De wijkagent herinnerde zich een foto van de twee jaar eerder verdwenen Betsy. De commissaris heropende het dossier.
Sindsdien blijven er meldingen komen. In 1958 spot een Bredenaar Betsy op de Wereldtentoonstelling. In 1960 neemt ze met ontblote borst deel aan een betoging tegen de Eenheidswet. In mei '68 zou ze het Bredense politiebureau met stenen bekogeld hebben. Iemand die onbekend wenst te blijven zegt dat hij Betsy verleden jaar op het naaktstrand gespot heeft, maar nu met grijs borsthaar. 
Normaliter hecht ik weinig geloof aan zo’n getuigenissen, maar onlangs zag ik een vrouw die me erg aan haar liet denken. Waarom dacht ik in die vrouw Betsy te herkennen? Had zij haar boezem ontbloot? Neen! Had ik een pluk borsthaar uit haar blouse zien priemen? Neen! Had ik enig borsthaar horen knapperen? Neen! Ik kon er geen zinnige verklaring voor geven en dat kan ik vandaag nog altijd niet.

Flor Vandekerckhove

zaterdag 23 september 2017

Herinneringen aan ’t Stapelhuis




Toen de RAL in 1977 voor het eerst aan de parlementsverkiezingen deelnam kun je dat geenszins een electoraal succes noemen. Toch had de campagne dat partijtje versterkt. Ik herinner me een bijeenkomst van mensen die in Gent actief aan de campagne meegewerkt hadden. Overdrijf ik als ik zeg dat daar toen honderd mensen aanwezig waren?
Ook omdat we niet wilden beseffen dat dit maar een tijdelijk succesje was, beslisten we dat de RAL een groter Gents lokaal behoefde.
Dat vonden we in een leegstaand pakhuis in de Frans Ackermansstraat. We verbouwden het tot een heus centrum dat we toepasselijk ’t Stapelhuis noemden (andere voorstellen varieerden van Germinal tot Hotsi Trotski.) Op de hoogste verdieping maakten we vier (vijf?) vergaderlokalen en een secretariaat met bibliotheek; op de tussenverdieping kwam een boekwinkeltje en een zaal met bar, goed voor toch wel honderd mensen. Waren de toiletten op de benedenverdieping? Stond daar de verwarmingsketel? Die verdieping bleef hoe dan ook onafgewerkt. Ik vermoed dat de RAL, later SAP, daar tot het einde van het huurcontract gebleven is, tot 1987.
Dit stukje wil het geheugen openwrikken, zowel ’t mijne als dat van anderen, want ik ga proberen herinneringen te sprokkelen die met dat centrum te maken hebben.
De RAL organiseerde in dat gebouw wekelijks de Vrijdagen van ’t Stapelhuis. Dat ‘Socio-Kultureel Centrum’ was ook een open huis. Naast de RAL en de jongerenbeweging ervan, SJW, had ook de Turkse DHKD daar een basis. De grote zaal werd ruim gebruikt, ook door buurtbewoners. Ik herinner me pingpongtafels, een cursus elektronische muziekcreatie, repetities van een toneelgroep rond Arne Sierens en van een punkgroepje rond Erik Goeman, een Turks trouwfeest, een druk bijgewoond feest van anarchisten… Vooral op vrijdagen was het druk in de bar. Een getrouwe klant was Eric Temmerman die de zieltogende feestzaal Vooruit zou omvormen tot wat het nu is, en ook daar heette het voortaan ‘Socio-Kultureel Centrum’.

— Op de voorgrond: veterane Adriënne Depreester.
De mens met al dat haar, — ook mijn haar was toen 
anders — aan de toog, ben ik, inmiddels zelf veteraan. —
Nu volgt een oproep! Heeft iemand foto’s liggen van de gevel van ’t Stapelhuis, van de indrukwekkende traphal, van de zaal, van activiteiten die aldaar doorgingen, van de verbouwingswerken, van… Want voor onze wankele geheugens is enig beeldmateriaal van groot belang.
Dat laatste ondervond ik toen ik bovenstaande foto’s probeerde te duiden. Omdat de rugzijde het vermeldt wist ik meteen dat het een ‘Veteranenfeest’ betrof dat op 12 december 1981 doorging. Gevierd werden Adriënne Depreester, een overbuurvrouw die zich al gauw in de werking ingeschakeld had, Richard Fordeyn, een oudere sympathisant en Oscar Vereecken, een historisch lid van de Gentse trotskistische beweging; over hem heb ik hier een in memoriam gepubliceerd.
Van dat feest heb ik drie foto’s. Ik heb ze een beetje rondgestuurd en we hebben op één na (nummer 10) alle namen kunnen weervinden. Da’s niet zonder slag of stoot gegaan, want ja, het nummer 5, waarin we eerst Rik De Coninck meenden te herkennen, blijkt uiteindelijk dr. Jan Van Bouchaute te zijn. En het nummer 9 was voor de enen Karin Criel en voor de anderen Robbie Ghekiere (Gelukkig weet Karin nog welke haarsnit ze in 1981 had. Lang haar is Robbie. Of Rudy Velghe, dat kan ook.) Merkwaardig is ook dat Willie Panhuis even dacht dat zij de vrouw achter het nummer 10 was, maar inmiddels is ze daar van afgestapt en ook hier heeft de haartooi naar zekerheid geleid: ‘Mijn haar was toen langer’.
En dit zijn de namen: 1. Wim Sebrechts; 2. Richard Fordeyn; 3. Raf Verbeke; 4. Chantal Desmet; 5. Jan Van Bouchaute; 6. Frank Van Maroey; 7. Eddy Decreton; 8. Marijke Colle; 9. Robbie Ghekiere [hier past enig voorbehoud. Volgens Eddy Decreton is dat zeker Robbie niet; Sabine Dick denkt hier Rudy Velghe in te herkennen en Dirk Cosyns vraagt zich af of het niet Cathy Cornelissen kan zijn]; 10Grote onzekerheid: Marijke Colle zegt dat de vrouw waarmee ze aan het babbelen is uit Aalst afkomstig was, een activiste van de BBTK in Brussel. Dirk Cosyns vermoedt vreemd genoeg dat hij zich achter dat nummer ophoudt; 11. Luc Van Buynder; 12. Maria Buysse.
Ik zei het al: zo’n foto’s openen het geheugen. Nog voor we ons de naam van de vrouw achter het nummer 12 herinnerden — Maria Buysse — wist Marijke Colle al dat de echtgenoot ervan over een stencilmachine beschikte nog voor de RAL zich zo’n gesofistikeerd productiemiddel kon veroorloven. Dát waren tijden!
Flor Vandekerckhove


— Dit is niet ’t Stapelhuis, maar het gebouw dat er gekomen is nadat het huis afgebroken werd. Het geeft een idee van de grootte van het centrum. —

vrijdag 22 september 2017

De Bijbel als inspiratiebron

Inspiratie vindt een mens overal: op straat, in de folklore,  in songteksten, in de krant, in het geheugen, in de Bijbel… ’t Is over die laatste bron dat ik u heden een stonde wil onderhouden.
Ook ik heb menig stukje gemaakt dat op een Bijbels fundament gebouwd werd. Dat is bijvoorbeeld het geval voor De repetitie, een verhaal geïnspireerd door het boek Openbaringen. Je moet geen exegeet zijn om daarin het Laatste Oordeel te ontdekken. Maar ’t zijn toch vooral de kenners die van zinnen zullen snoepen als: ‘En ik zag een engel nederdalen uit de hemel met de sleutel des afgronds en een grote keten in zijn hand; en hij greep de draak, de oude slang, dat is de satan, en hij bond hem duizend jaren, en hij wierp hem in de afgrond en sloot en verzegelde die boven hem, opdat hij de volkeren niet meer zou verleiden.’
Dat geldt ook voor Twee urnen, over twee ruziënde broers die elkaar niets gunnen, zelfs de as niet van een overleden derde broer. Het herinnert aan de Bijbelse broers Esau en Jacob; je weet wel, die van het bord linzensoep.
Soms is de Bijbelse inspiratie helemaal gecomposteerd. Dat heb ik ondervonden in een stukje gebaseerd op Deuteronomium 14:6. Dat was al bijna helemaal af toen ik het verhaal naar Bredene verplaatste, waar het veranderde in een beschrijving van een etentje. Uit de Bijbel blijft alleen bewaard: ‘De eindtijd is aangebroken’. Je moet maar eens kijken. Het heet Laatste avondmaal in Casino-Duinhof.
Hetzelfde geldt voor Het vierspan van de hippodroom dat op de vier ruiters van de Apocalyps voortbouwt, maar waarvan uiteindelijk alleen de woorden ‘kom en zie’ overblijven. En ook de paarden.
Zo’n oneigenlijk gebruik van de Bijbel is overigens niet zonder gevaren. Dat weet ik sinds ik een boek gelezen heb over leven & werk de fantasyschrijver Neil Gaiman. (°)
In 1987 schrijft die mens een verhaal, bestemd voor een bloemlezing: Outrageous Tales from the Old Testament (Verschrikkelijke verhalen uit het Oude Testament). Gaiman zegt daarover: ‘En het volgende wat er gebeurde was dat mijn verhaal er op een haar na voor zorgde dat een Zweedse uitgever (…) naar de gevangenis gestuurd zou worden.’
‘Ik hervertel daarin het verhaal, uit Het Boek Richteren, dat een verschrikkelijke groepsverkrachting was die met moord eindigt, dat vervolgens eindigt met de kerel die zijn vrouw in stukken snijdt en een stukje van haar opstuurt naar elk van de stammen van Israël om zodoende te protesteren tegen die akelige gebeurtenissen. En het is afschuwelijk. En het staat in de Bijbel. De mensen zouden die verhalen uit de Bijbel moeten kennen. Dat was het hele uitgangspunt van Outrageous Tales from the Old Testament: we overdreven niet. Toen vernam ik dat onze Zweedse uitgever tegen een veroordeling aankeek omwille van het afgebeelde geweld tegen vrouwen en ik schreef een essay  ter zijner verdediging. Alleen het feit dat het verhaal helemaal vanuit de Bijbel verteld was hield hem, zo vermoed ik, uit de gevangenis.’ (°)
Flor Vandekerckhove


(°) Hayley Campbell. The Art of Neil Gaiman. 2014. Uitg. Ilex, Lewis (UK). 320 pp.

— De vier ruiters van de Apocalyps. Ik gebruikt het verhaal als inspiratiebron voor Het vierspan van de hippodroom. Behalve de vier paarden en de woorden ‘Kom en zie’, die in het verhaal achtergebleven zijn, is van die inspiratie niets meer te zien. —

woensdag 20 september 2017

Deur

Ik ben in Gent, stad waar ik lange tijd gewoond, gefeest, vergaderd, gewerkt, gedronken en rondgelopen heb; vooral dat laatste, rondgelopen. Daar loop ik nu weer, omdat ik ergens zijn moet, ergens waar ik niet ga geraken, want terwijl ik door de stad aan ’t stappen ben passeer ik straten waar ik gewoond, gefeest, vergaderd en gedronken heb; vooral dat laatste, veel gedronken, en waar ik nu telkens een wijl blijf hangen, zoals ik dat destijds ook gedaan heb, maar nu om de voorbije tijd op te snuiven, te mijmeren en te speuren naar dingen die gebleven zijn.
Ik herken kamervensters waarachter ik gevrijd en geslapen heb, of gevrijd en niet geslapen, kroegen waar ik placht te drinken, lokalen waar vergaderd werd en bedrijven waar gewerkt moest worden. Straten die veertig jaar geleden al bergafwaarts liepen doen dat nu nog steeds en gebouwen die toen al helemaal versleten waren blijken tot vandaag toe stand te houden.
Ik passeer fietsers die daar veertig jaar geleden ook al reden en die erin geslaagd zijn onveranderd te blijven, wat uiteraard onmogelijk is, en waarbij ik me begin af te vragen of ze de kinderen — misschien al kleinkinderen — zijn van degenen die ik in hen meen te herkennen.
Ik beslis her en der foto’s te maken van plekken die ik onderweg passeer en waar ik gewoond heb, gefeest, vergaderd, gewerkt, gedronken en geleefd; vooral dat laatste, veel geleefd. Aldus mijmerend kom ik recht tegenover een huis te staan, in mijn herinnering het meest charmante huis dat ik ooit bewoond heb; wat niet per se zo geweest is, want ik herinner me ook het huisnummer, 5, en nu ik ernaar sta te kijken zie ik dat het 181 is.
De voordeur zelf herinner ik me goed — een scheve voordeur vergeet een mens niet gauw ­ — en ik zie dat de deur ook nu nog scheef staat.
En dan gebeurt er iets. Hoe langer ik naar de deur kijk hoe rechter hij komt te staan.
Ik neem er mijn tijd voor en de overbuurvrouw komt in haar deurgat staan. ‘Mevrouw’, vraag ik, ‘die deur daar’, en ik wijs naar de overkant, ‘staat die volgens u scheef of recht?’
Ze werpt een haastige blik op de deur, waarna ze haar ogen tot spleetjes knijpt en die geconcentreerd op mij richt, zodat, mocht ik onverhoeds Allahoe akbar roepen, ze mijn signalement gedetailleerd kan doorgeven.

Flor Vandekerckhove

zondag 17 september 2017

Nina Hagen-Thorn en het welzijn der dieren

— Nina Hagen-Thorn
(1900-1986) —
Dierenwelzijn, er is de jongste tijd weer veel om te doen. Activisten infiltreren in slachterijen en ontbloten daar praktijken die je echt niet wil zien. De dag dat de mensheid zich gaat afvragen wat voorafgaande generaties bezield heeft om zich met zo’n barbaarse praktijken in te laten komt naderbij.
Ik heb hier eerder al een stukje gepubliceerd over twee pioniers van het dierenwelzijn, waarmee ik verbonden geweest ben: een Vlaamse senator die zich, tot grote ergernis van de vissers, het welbevinden van de vis aantrok en een Amerikaanse trotskist die in de jaren zeventig enkele bijzonder geslaagde acties op zijn palmares mocht schrijven.
Momenteel ben ik een boek (°) aan ’t lezen over de malaaien die Russische schrijvers ten deel vielen tijdens Stalins Grote Zuivering. Mijn oog blijft hangen aan een passage over de dichteres Nina Hagen-Thorn.
Zij werd niet een keer, maar twee keer naar de Goelag gestuurd, eerst van 1936 tot 1942 en een tweede keer van 1947 tot 1952. Daar wilde men haar daden van terrorisme laten bekennen die ze niet gepleegd had. Tijdens de ondervragingen deed ze iets waar maar weinig anderen in slaagden: ze weigerde zichzelf te beschuldigen. In 1956 werd ze gerehabiliteerd wegens gebrek aan bewijzen.
In de kampen voerde Nina letterlijk het werk van paarden uit. Samen met andere vrouwen werd ze voor een kar gespannen waarop bijvoorbeeld brandhout vervoerd werd.
In haar memoires schrijft ze: ‘Na het kamp heb ik veel medelijden voor de dieren beginnen voelen: zij zowel als wij werden geconfronteerd met dezelfde onmacht tegenover een blinde en almachtige kracht.’
‘Ik was een dier onder het juk geweest en ik voelde groot medelijden voor de andere geketende dieren. Ik heb het nagegaan: de uitdrukking van de ogen en het gedrag van een wezen dat zich onder het absolute gezag van een ander bevindt zijn bijna identiek bij dier en mens. Ik heb meerdere jaren met paarden gewerkt. Ik weet hoe ze zich verzetten en hoe ze gedomineerd worden. Er is geen opvallend verschil in het gedrag van een kudde paarden en een kudde mensen.’
‘Dat houdt niet in dat men mensen moet misprijzen, wel dat men dieren dient te respecteren.’
Flor Vandekerckhove

(°) Vitali Chentalinski. La Parole Ressuscitée. Dans les archives littéraires du K.G.B. Uit het Russisch in het Frans vertaald door Galia Ackerman en Pierre Lorrain. Editions Robert Laffont, Paris 1993. 462 pp. Het citaat van Nino Hagen-Thorn komt uit dat boek.

vrijdag 15 september 2017

Kludde uit de Kerkstraat

— De kerkstraat in Bredene Dorp. —
De kwelgeest Kludde was in Vlaanderen alom bekend en wat de boerin me in Bredene Dorp vertelde verschilde niet van wat ik elders al gehoord had: ’s avonds, op weg naar huis, werd haar man telkens weer belaagd door een Kludde en die liet hem niet los voor het weer dag geworden was.
Interessanter was het houvast dat ze aan haar verhaal toevoegde: ‘Kludde woont in de Kerkstraat’, zei ze, ‘de naam staat op de bel.’ Een adres!
Ik besloot erheen te gaan. 
Vandaag is die Kerkstraat grondig veranderd. Da’s daar nu een lust voor het oog, het is er ruim, er is een speelpleintje en een plantsoen, maar in de tijd waarover ik spreek was dat een benepen, smal straatje, met huizen die kort daarna gesloopt zouden worden.
In dat oude, smalle straatje liep ik deurbellen te monsteren die veelal naamloos waren. Vanuit een openstaand raam hield een jonge vrouw me goed in ‘t oog. Ik vroeg haar of er in de buurt een Kludde woonde. 
‘Ik denk dat je mijn moeder zoekt,’ zei de vrouw, ‘maar je zult haar hier niet vinden, want ze zit in ‘t kot.’ Het leek me verstandig om daar niet op door te vragen.
En is er ook een meneer Kludde?’ vroeg ik. 
Neen, die was er niet. ‘Ik ben hier heel alleen. Je zult het met de kleine Lolita moeten doen.’
Ze merkte mijn besluiteloosheid op en zei: ‘Wacht.’ Een moment later liet ze de sleutel op de stoep vallen. ‘Kom maar naar boven’, zei ze, ‘ik zal het je uitleggen.’
De trap had betere tijden gekend, de muren waren vaal, het rook er muf. Er lag een plaat op van Billie Holiday, mijn lievelingszangeres. Boven stond Lolita me in ‘t deurgat op te wachten. Nauwelijks twintig, misschien zelfs minder. Blote voeten, spannende rok, een blouse die een knoopje te ver openstond.
'Ik heb die plaat ook,’ zei ik naar waarheid.
‘Ha, tof, meneer is een kenner,’ antwoordde ze. ‘Ik heb ze allemaal, haar platen.’ 
In haar versleten woonst luisterden we vervolgens naar het repertoire van Billie Holiday. Ik had Lady sings the blues gelezen, de autobiografie, en zij had de film gezien. Lolita vond dat we veel met elkaar gemeen hadden en naarmate haar rok verder omhoog schoof, vond ik dat ook. We praatten & praatten, lachten & dronken, en we deden uiteindelijk alles wat Billie Holiday ons song na song voorzong. Weinig was dat niet, want Lolita bezat inderdaad al haar platen.
Het was alweer aan 't dagen toen ik de voordeur achter me dichttrok. Ik had een beetje geld achtergelaten opdat Lolita de week zou kunnen doorkomen. De boerin had gelijk, zo wist ik nu met zekerheid, Kludde bestond wel degelijk. En terwijl ik de Kerkstraat uitliep om naar de vroegmis te gaan, streelde ik de zuigplek die Lolita Kludde in mijn hals achtergelaten had.

Flor Vandekerckhove

woensdag 13 september 2017

Leren schrijven met Bob Dylan


— Van de Vietnamoorlog tot Operatie DesertStorm. Waarom ik bovenstaande combinatie kies, lees je op ’t einde van deze tekst. —

In Kronieken (°) meldt een van Dylans onderwijzers aan vader Zimmerman dat hij in diens zoon een kunstenaar vermoedt. Waarop vader vraagt: ‘Een kunstenaar, is dat niet iemand die schilderijen maakt?’ Het is een repliek waaraan je een doorwrocht essay kunt ophangen: wat is kunst? Hoe herken je het afwijkende talent in je kind? Hoe komt het dat er opeens zo’n talent ontstaat in een milieu waar niemand — vooral vader niet — het verwacht?
Over die laatste vraag zegt Dylan zelf: ‘(…) mijn stijl was ook te afwijkend en te moeilijk in een hokje te stoppen voor de radio, en voor mij waren liedjes veel belangrijker dan zomaar licht amusement. Ze waren mijn leermeester en gids naar een ander werkelijkheidsbesef, een andere republiek, een bevrijde republiek. De muziekhistoricus Greil Marcus zou het dertig jaar later “de onzichtbare republiek” noemen.’
Dylan begint klein. Hij zingt andermans teksten en speelt andermans muziek. Hij bestudeert intensief hoe zijn voorgangers het hem geflikt hebben. Hij noteert woordelijk teksten van bijvoorbeeld Woody Guthrie. En onderzoekt waardoor ze zo krachtig zijn.
In zijn Kronieken besteedt Dylan vier bladzijden aan een zeeroversliedje van Bertolt Brecht en Kurt Weil: ‘Ik nam het liedje uit elkaar en pakte het uit: het was de vorm, de associatie van vrije verzen, de structuur en het negeren van de zekerheid van de bekende melodische patronen die ervoor zorgden dat het zo ernstig en op het scherpst van de snede was. Het had ook het ideale refrein voor de tekst. Ik wilde uitzoeken hoe ik die speciale structuur en vorm kon manipuleren en leren beheersen waarvan ik wist dat het de sleutel was tot de veerkracht en de verschrikkelijke power van Pirate Jenny.
Over Robert Johnson zegt Dylan: ‘Ik schreef de woorden van Johnson over op stukjes papier zodat ik de teksten en patronen beter kon bestuderen, de constructie van zijn oudtijdse regels en de vrije associatie die hij gebruikte, de sprankelende allegorieën, de grote logge waarheden verpakt in een omhulsel van absurde abstractie — thema’s die met het grootste gemak door de lucht vlogen. Zulke dromen of gedachten had ik niet, maar ik zou zorgen dat ik ze kreeg.’
Hij kopieert, bestudeert en daar gaat hij vervolgens overheen: ‘Je krijgt op een zeker moment de kans om iets aan te passen, van iets wat al bestaat iets te maken wat er nog niet was. Dat kan een beginnetje zijn. Sommige dingen wil je gewoon op jouw manier doen, je wil zelf zien wat er achter het mistgordijn ligt. (…) Je moet iets weten en iets begrijpen en dan het jargon links laten liggen.’
Het meesterschap van Dylan ligt in dat laatste: ‘het jargon links laten liggen.’
Hij ontdekt een lied over de arbeidersactivist Joe Hill: ‘Ik zou hem op een andere manier hebben vereeuwigd, meer als Casey Jones of Jesse James.’ Dat is merkwaardig, want Jesse James is een bendeleider. Dylan weer: ‘Je moet mensen een kant van zichzelf laten zien die ze nog niet kenden.’
Ik ga op zoek naar een song die het allemaal samenvat: de traditie, de twist, ‘de kant die de mensen niet kennen’, en de Dylaniaanse overtreffende trap.
Ik kies voor Masters of War. Op youtube vind je allerhande uitvoeringen, prille versies van Dylan, interpretaties die Dylan voorafgaan, een Vlaamse van Roland & Wannes van de Velde… Je kunt je er een hele dag mee onledig houden.
Maar deze die ik op ’t oog heb dateert van 1991. Ik zet het filmpje hieronder. Dylan wordt daarin gelauwerd door het Amerikaanse establishment. Jack Nicholson leidt in. (Spoel die 3 minuten maar door.) Dan krijg je flashbacks. (Weer drie minuten: spoel maar door.) En dan gebeurt het! Op het podium ontbrandt iets wat nooit eerder gehoord werd. Dylan brengt een ongezien extreme versie van Masters of War. Wat we meemaken is Dylans antwoord op de Amerikaanse Operatie Desert Storm in Irak. Ik denk niet dat de masters of war in de zaal dat begrepen hebben. Maar ik wel, godver, ik wel!
Flor Vandekerckhove

(°) Bob Dylan. Kronieken. Amsterdam Nijgh & Van Ditmar. 311 pp. Alle Dylancitaten komen uit dat boek.