woensdag 30 mei 2018

De kolengasauto van de familie

— Twee voertuigen uitgerust met hout- of kolengasgeneratoren. —

Gisteren heeft iemand me een mapje opgestuurd: foto’s van Frankrijk tijdens de Tweede Wereldoorlog. Lelijke tijden, mooie beelden. Mijn oog blijft hangen aan twee foto’s van ‘véhicules équipés de gazogènes’. De voertuigen zien er indrukwekkend uit, met hun grote installaties om gas te winnen uit de verhitting van kolen of hout.
Tegelijk welt een herinnering op. Het familiearchief bevat een foto van een camion, uitgerust met zo’n gazogène. Vader heeft er mij over verteld toen ik als ukje bij hem op schoot zat en naar oude foto’s keek. Het beeld staat op mijn netvlies gebrand: mijn nog jonge vader in zijn overall, poserend voor de kolenmobiel van de familie. In mijn herinnering zie ik ook een schouw als uitlaat.
— Marcel Vandekerckhove poseert voor een kleine
vrachtwagen. Is het een 'kolenmobiel'? —
Na lang zoeken vind ik de foto. Ik zie mijn vader, ik zie de vrachtwagen, maar ik zie geen schouw. Eens te meer heeft het geheugen een kwalijk spel met me gespeeld.
Twee mogelijkheden: ofwel heb ik heel de kolenmobiel gefantaseerd. Dan is de camion er gewoon een die op benzine of diesel rijdt. Ofwel is de vrachtwagen inderdaad équipé de gazogène en dan heb ik daar een schouw bij bedacht, misschien omdat mijn vader me toen over zo'n schouw verteld heeft, die echter niet op de foto staat, oftewel heb ik die schouw gefantaseerd naar analogie van deze die ik vanop prentjes van stoomtreinen en –boten ken.
Ik probeer het uit te vissen.
Mijn vader werkt als jongeman in de ouderlijke onderneming, een kleinhandel in groenten en fruit. Met de bestelwagen levert hij waren aan vakantieverblijven. Ik probeer te achterhalen waar de foto gemaakt werd. Ik zie een steenweg en het gebouw achter de haag laat me enigszins aan het iconische Le Chat Botté denken, ik ga straks eens kijken of dat klopt. [Dat heb ik intussen gedaan, het resultaat ziet u onderaan dit stukje.]
Vanaf welke leeftijd mag je in die tijd auto rijden? Marcel, mijn vader, is in 1922 geboren. In 1940 wanneer de oorlog uitbreekt, is hij achttien. Veel kans dat het een oorlogsfoto is. En als dat het geval is dan is de kans groot dat die auto inderdaad zo’n gasgenerator heeft, want de bezetter eist alle benzine op.
Op deze site, waarop ook mooie foto’s van zo’n auto’s staan, lees ik: ‘Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd vrijwel het volledige wagenpark in Europa omgebouwd om op brandhout te kunnen rijden.’ Gegevens over België vind ik niet, maar ik vind wel dit: ‘In totaal reden er wereldwijd meer dan 1 miljoen houtgasvoertuigen rond tijdens WO II.’ Elders zie ik dat er ook varianten zijn. In Frankrijk maakt men gazogènes die op steenkool rijden, in Duitsland zijn er ook die aangevuurd worden door kolen en turf. De auto op mijn vaders foto is een kolengasvoertuig, maar omwille van de onbetrouwbaarheid van mijn herinneringen mag ik dat niet meer dan een gok noemen.
Over gazogènes in België vind ik niets op heel het internet, maar de Wikipedia biedt ons daar een bladzijde over zo'n auto's aan. Wie er zelf een wil bouwen doet er goed aan eerst hier te kijken.

Flor Vandekerckhove


— In bovenstaand stukje uit ik het vermoeden dat de foto (links) alhier gemaakt werd voor het gebouw dat Le Chat Botté heet. Ik ben daar inmiddels eens naartoe gefietst, heb het gebouw gefotografeerd (midden) en heb daarna een collage van de twee beelden gemaakt (rechts). Conclusie: Le Chat Botté is inmiddels wel een beetje verbouwd, maar toch nog heel herkenbaar. 't is wel degelijk daar dat de oorlogsfoto gemaakt werd. —


dinsdag 29 mei 2018

Een lied kan een verhaal verbergen

Onlangs publiceerde ik Onderweg, op zoek naar verhalen. Mocht het je ontgaan zijn, dan kun je op de blauwe titel drukken en dan leidt het systeem je ernaartoe. Hoop ik, want erg goed ben ik niet in de techniek die zo'n dingen mogelijk maakt. Maar wat ik zeggen wil: inspiratie voor Onderweg… vond ik onder meer in twee songs van Canned Heat.
Het gebeurt wel meer dat songs me inspireren. Er zitten er nog twee van Nick Cave in de pijplijn, een van Jacques Brel en zelfs een van de onnavolgbare Frank Zappa.
In de blog staan nu al zeventien verhalen geïnspireerd door songs. Onderaan plaats ik het lijstje en ook daar zet ik de verhalentitels in blauw. Kun je ook weer op zo’n titel drukken.
Ik ga niet zeggen dat ik het procedé van Bob Dylan geleerd heb, maar zijn biografie, Kronieken, heeft me toch ferm gestimuleerd om dat terrein verder te exploreren: Sommige dingen wil je gewoon op jouw manier doen, je wil zelf zien wat er achter het mistgordijn ligt. (…) Je moet iets weten en iets begrijpen en dan het jargon links laten liggen.’ 
Ik heb me deze Dylaanse gedachte toegeëigend en er een variatie aan toegevoegd: een song kan een ander verhaal verbergen, een verhaal van mij. Er is trouwens nog iemand die me in deze de weg gewezen heeft. Wat Francis Bacon me daarover leert, heb ik eerder al beschreven in Waarom schreeuwt de paus.
Je kunt zeggen dat ik dan niet bijster origineel ben, maar ik bevind me met Bob Dylan en Francis Bacon toch wel in goed gezelschap, en ook in dat van Pablo Picasso bijvoorbeeld, waar hij zegt: slechte kunstenaars kopiëren, goede kunstenaars stelen. En van Damien Hirst: ‘Al mijn ideeën zijn sowieso gestolen.’
En nu het lijstje: Tijdverlies, zalig inderdaad werd geïnspireerd door The Dock of a Bay van Otis Redding; Mijn leven als ontdekkingsreiziger door Bob Dylan’s 115th dream; ‘t Was midden in de nacht door het gelijknamige kinderlied; Hotel California door de hit van The Eagles; Oorwurm door Tom Waits die op zijn koertje It’s Alright With Me zingt; Milieucatastrofe… door A horse with no Name van America;  Django’s requiem door de bewerking van een verloren requiem, waarover Warren Ellis zich ontfermd heeft; Een andere kijk op Lazarus vertrekt van Dig, Lazarus, Dig!!! van Nick Cave; Dit is geen… is geïnspireerd door Rene And Georgette Magritte With Their Dog After The War van Paul Simon; Die kat kom weer is een verhaal dat voortbouwt op het gelijknamige Zuid-Afrikaanse kinderlied; Sterkste man van Gent blijkt West-Vlaming maakt gebruik van het Gentse volkslied De sterkste man van Gent; Toen de zee aan een wasdraad hing werd geïnspireerd door As I Went Out One Morning van Bob Dylan; In Het nichtje van Hugo Claus laat ik me leiden door Walt Whitman’s Niece van Billy Bragg & Wilco; De Groote Slachting vertrekt van Suicide in theTrenches van Peter Doherty; Veertig is een variatie op De wilde boerendochter van Ivan Heylen, en Nooit meer oorlog vindt zijn oorsprong in een uitvoering van The Old Man door The Dubliners.

Flor Vandekerckhove




P.S.: Inmiddels gaat de reeks uiteraard verder. Op 2 juni heb ik hier ook al een verhaal gepost dat geïnspireerd werd door Frank Zappa’s creatie The Dangerous kitchen. En sinds 24 juni staat ook Het paard in de blog, een verhaal waarbij Jacques Brel me op weg hielp. Verder zijn er nog twee verhalen te vinden op basis van songs van Nick Cave. Een heet Niet alleen de vis wordt duur betaald en dat staat daar. Het ander heet De rode rechterhand van Fiorine en dat moet nog verschijnen.

zaterdag 26 mei 2018

Zijt ge niet beschaamd

— Mawda Shawri (2016-2018) —
Hij is een mens van veel nuances
De burgemeester
Zijn bedje is gespreid in ’t Stad
Waar hij vanaf het Schoon Verdiep
Wakker als geen ander
Neerkijkt over ’t vlakke land
Dat ’t zijne is.

Zijn blik is deze van de blauwvoet
Vanuit zijn raam ontwaart hij in de verte
Een kamp in de Frans-Vlaamse duinen
Met veel vreemd volk en vettig eten
En wat hij ook ziet is een camionette
Die volop CO2 uitstotend regelrecht
Naar zijn emissiezone komt gevlamd.

In de laadbak telt hij mensen
Tien twintig dertig zelfs
Ook niet reglementair want overladen
Aan 't stuur een mensensmokkelaar
Goed dat ook dat eens schoon gezegd wordt door
Een schone mens vanuit diens schoon gelijk
Vanaf het Schoon Verdiep van 't Stad.    

Hij is burgervader
En daarenboven echtgenoot en vader
Genuanceerd vraagt hij zich als vader af
Wat een vader toch bezielen kan
om zijn kind in een frigo rond te laten rijden
Genuanceerd vraagt hij zich af waar 's mans verstand gebleven is
En waar zijn trouwens zijn papieren?       

Maar net als eer valt over ’t Stad
Ook heden weer de avond neer
Het Schoon Verdiep dient schoongeveegd
De burgemeester legt de sjerp ter zij
De stonde van de nacht breekt aan
Nergens nog weerklinkt ‘t hoezee
En eenzaam keert de burgemeester naar zijn heem.

Na nog maar eens een slaatje
Vlijt hij zich moe ter sponde neer
Vergeefs zoekt hij verpozing
Terwijl hij daar met open ogen wacht
Op de stem die in een mare komt en zegt
Zijt ge niet beschaamd mijnheer de burgemeester
En dan nog eens: zijt ge niet beschaamd.


Flor Vandekerckhove

vrijdag 25 mei 2018

Van de kalender springen

— Jim Harrison (1937-2016) —
Telkens ik een dichter ontdek ga ik in diens oeuvre op zoek naar iets wat ik kan vertalen. Voor wat Jim Harrison betreft valt mijn oog op Calendars (°), een eenvoudig poëem, zij het alleen maar op ’t eerste gezicht.
Van zodra ik me aan ‘t vertalen zet, voel ik dat de woorden ferm veel weerstand bieden. Ik google blue chair en ontdek dat er een baai met die naam bestaat, een café, een hoed, een rum, een lied van Elvis Costello… Waardoor ik me afvraag of ik blue chair wel als blauwe stoel mag vertalen. (Want een Amerikaan die ‘I’m feeling blue’ zegt, zie je ook niet blauw worden hé.)
Misschien, denk ik, staat die blue chair wel voor het plekje waar je je terugtrekt als je het even niet meer ziet zitten. Ik bedenk er iets moois voor: treurstoel. Achteraf laat ik de vondst vallen — kill your darlings! — omdat ik dan geen rekening houd met het kleurenspel dat de dichter in de eerste regel oproept. Dus houd ik het bij een letterlijke vertaling, want een blauwe stoel bestaat natuurlijk ook wel.
(En dat was dan nog maar het eerste deel van de eerste zin.)
Flor Vandekerckhove

Kalenders
Eens te meer in de blauwe stoel voor de groene studio
weer is er een jaar voorbij, zegt men, maar kalenders liegen.
Ze zijn een soort kosmische kantoormachines zoals
hun uurwerkenneefjes maar ze breken af op ongelegen tijden.
Vijftig jaar geleden leerde ik om van de kalender te springen
maar ik bleef er weer naartoe getrokken worden omwille
van hebzucht en mijn blijvende stompzinnigheid.
De laatste tijd ben ik almaar langer en langer ontsnapt
aan die fatale vierkanten met hun vlijmscherpe nummers.
Ik moest het stromende water worden dat ik al ben,
terugvallen in de menselijke maat teneinde
ze niet bang te maken mijn kinderen, kleinkinderen, honden en vrienden.
Onze oude kat trekt het zich niet aan. Hij likt het water waar mijn gezicht eerst was.
Mijn vertaling




Calendars
Back in the blue chair in front of the green studio
another year has passed, or so they say, but calendars lie.
They’re a kind of cosmic business machine like
their cousin clocks but break down at inoppormne times.
Fifty years ago I learned to jump off the calendar
but I kept getting drawn back on for reasons
of greed and my imperishable stupidity.
Of late I’ve escaped those fatal squares
with their razor-sharp numbers for longer and longer.
I had to become the moving water I already am,
falling back into the human shape in order
not to frighten my children, grandchildren, dogs and friends.
Our old cat doesn’t care. He laps the water where my face used to be.
Jim Harrison


(°) Calendars maakt deel uit van Jim Harrisons bundel In Search of Small Gods. Copper Canyon Press, 2010.

woensdag 23 mei 2018

MacGuffin

— Om een goeie 'noir' te schrijven heb je eerstens
een antiheld en een femme fatale nodig.—
Ze kwam mijn kantoor binnen en vroeg me op de man af: ‘Bent u een hardgekookte detective?’ 
Omdat ik niet van gisteren ben, begreep ik dat ze op zoek was naar iemand als Philip Marlowe, een collega-speurder die de geschiedenis van de pulpliteratuur ingegaan is met het adjectief hard-boiled.
‘Wel,’ antwoordde ik lachend, ‘ik heb toch al een gleufhoed’. Eerlijkheidshalve voegde ik eraan toe: ‘maar wat u in mijn glas ziet heeft alleen de kleur van whisky, het is koude thee.’
Dat laatste, zag ik, deed haar twijfelen. Toch ging ze op de rand van mijn bureau zitten en zei: ‘Mijn naam is MacGuffin en ik ben hier om dit verhaal op gang te trekken.’
MacGuffin zag eruit alsof ze in haar jurk gegoten was. Ik moest denken aan een citaat dat zei: Ga Hier Niet Op In. Was het Raymond Chandler die dat geschreven had? Ik dacht van niet. Dus vroeg ik: ‘Kan ik u hierbij helpen?’
Ze zei: ‘Ik wil van u weten hoe ik een zeer kort zwart verhaal kan schrijven.’
Ik begreep dat ze een noir op ’t oog had. Ik schonk ons beiden een glas koude thee in en zei: ‘Wel, je hebt alvast twee personages nodig: een antiheld en een femme fatale.’
‘Dat laatste kan ikzelf wel leveren,’ zei MacGuffin en ze kruiste haar benen, ‘maar waar vind ik een antiheld?’
‘Mevrouw MacGuffin,’ zei ik, ‘wat ik ambieer is een luxueus leven en een uitpuilende bankrekening. Maar wat ik heb is een hoed en een blaffer. Volstaat dat als antiheld?’
‘We zullen zien,’ zei MacGuffin. ‘Heeft het genre beperkingen?’
‘Beperkingen zijn er zeker’, antwoordde ik, ‘je moet bijvoorbeeld de terminologie respecteren. Je moet hard-boiled zeggen en niet hardgekookt, je zegt noir en niet zwart. Dat komt,’ voegde ik eraan toe, ‘doordat elke taal eigenheden heeft die niet zomaar vertaald mogen worden, zoals bijvoorbeeld het Amerikaanse FUCK YE. Je mag dat in ’t Vlaams niet als POEP JE vertalen hé, dat slaat nergens op. Hetzelfde geldt voor het Franse Nom de Dieu de putain de bordel de merde de saloperies de connard d'enculé de ta mère! Begin er maar eens aan.’
‘Ja, dat begrijp ik’, zei ze. Ze stond op.
‘Heu, ga je nu al weg?’ vroeg ik teleurgesteld.
‘Ja,’ zei ze, ‘want het moet een zeer kort verhaal blijven.’ Waarna MacGuffin me verweesd achterliet. 
Pas nadat ik drie volle glazen koude thee achterovergeslagen had, kon ik me weer vermannen. Ik ging naar huis, waar mijn echtgenote me opwachtte met Gentse Stoverij, ook iets wat je niet zomaar mag vertalen hé.

Flor Vandekerckhove

maandag 21 mei 2018

De grote peniskap

— Afgekapte penis in mijn bezit. Let wel, alleen de meter is van Vandenbulcke. —   

Op zaterdag 19 mei meldt de krant me dat iemand alhier een kist vol afgekapte marmeren penissen gevonden heeft. (°) Wat de krant niet schrijft, lees ik wel op de site van de vrt: Verschillende bronnen bevestigen ondertussen dat het hier gaat om een onderdeel van het kunstproject en dat het dus niet gaat om een "opmerkelijke vondst".’ 
De vinder vermeldt wel een historisch feit: ‘In de 15de en de 16de eeuw werden die vaak verwijderd omdat ze naakt niet meer tolereerden. Ze werden vervangen door een vijgenblad.’ En ook: ‘De meeste van die penissen worden naar het schijnt opgeslagen in het Vaticaan, achter slot en grendel.’
Opgeslagen penissen in het Vaticaan? Daar moet Verberckmoes, historicus van de KU Leuven, hard om lachen: ‘Na het concilie van Trente hebben geestelijken wel traktaten geschreven over naakte beeltenissen. Maar een algemene verordening dat penissen afgehakt moesten worden of bedekt met een vijgenbad, die is er nooit geweest.’
Nochtans meen ik me een reportage te herinneren die een indrukwekkend grote ladekast in het Vaticaan toont, met in elke schuif een afgekapte penis, met telkens ook een kaartje dat vermeldt welke penis bij welk beeld hoort. Nu weet ik wel dat mijn geheugen me danig parten kan spelen, maar sinds Rik Torfs in Leuven rector geweest is weet ik ook wel dat er aan die universiteit lieden rondlopen die om ’t even wat beweren.
Mijn geheugen vindt trouwens steun in een webartikel dat heet Michelangelo slachtoffer van de Piemel-Politie van het Vaticaan: Ergens in de krochten van de Vaticaanse Musea moet een kamer zijn waar alle afgehakte piemels worden bewaard. Deze kamer is één van de meest mythische plekken van het Vaticaan.’
— 28 juli 2013. Peter Holvoet-Hanssen
overhandigt me in Oostende de afgehakte
penis (zie pijl). Foto Benny —
Ah, ik had aan deze peniskwestie geen aandacht gegeven, ware het niet dat ook ik thuis een afgekapte piemel liggen heb. ’t Is een ferm stuk en er hangt een verhaal aan vast.
In 2013 viert Het Visserijblad zijn 80-jarig jubileum. Bij die gelegenheid overhandigt dichter Peter Holvoet-Hanssen mij, uitgever van dat tijdschrift, een cadeau. Het betreft een… afgekapte penis die hij op zijn beurt gekregen heeft van iemand uit, denk ik, het inmiddels opgeheven Scheepvaartmuseum van Antwerpen.
Een relict van de piemelpolitie? Wie zal ’t zeggen? Wat ik wel weet is dat het stuk nu tot mijn erfgoed behoort en dat ik blij ben dat ik het hier enigszins heb kunnen documenteren. Mijn nageslacht stelt zich zo al vragen genoeg over de vreemde man die hun vader is; wie weet wat ze zich anders bij die penis hadden voorgesteld?!
Flor Vandekerckhove


(°) De Morgen, 19 mei 2018: Raadsel in Diest: vanwaar komt kist vol penissen?