maandag 27 februari 2012

Straf spul

Na enige tijd verging het de patiënt alweer merkelijk
beter. (Foto H. Serruys)
Hij ligt in het ziekenhuis, in de afdeling waarin ze dingen wegsnijden. Nadat ze hem een hand zijn komen geven, hebben de dokters zijn voorhuid weggesneden.
Het is half een en hij kan niet slapen. Pijnstillers en slangetjes, druppels in een buisje. Terwijl hij daar slapeloos ligt te zijn probeert hij een verhaal te bedenken, maar dat lukt niet zo goed. De ideeën ontsnappen even rap als ze opborrelen. Naast hem ligt een rochelende patiënt bij wie ze een halve meter darm weggesneden hebben. Die mens kijkt daardoor tegen een leven aan waarin hij geen varkenspoten meer mag eten, niet meer mag roken en geen alcohol meer mag drinken. De man is van plan zich daaraan te houden, zegt hij, maar die varkenspoten, dat zal niet gemakkelijk zijn. De man slaapt kreunend en zwetend en zo nu en dan krijgt hij een vieze hoestbui waaruit hij wakker schrikt. Hij denkt dat de man geen zes maanden meer te leven heeft en overweegt daar een verhaal over te schrijven. In de verte ligt nog iemand te kreunen, ook ginder is er iets weggesneden.
Misschien kan ik een verhaal schrijven over mijn moeder, bedenkt hij in een poging om aan de benauwde ziekenhuisgedachten te ontsnappen, over de asverstrooiing die pas drie jaar na haar overlijden kon gebeuren, omdat ze bij leven en welzijn beslist had haar dode lichaam aan de wetenschap te schenken, over die teraardebestelling waarop alleen hij en zijn zoon aanwezig waren, over de broek die zijn zoon daar toen droeg, een ontwerp van Dries Van Noten, een broek die eruit zag als een overall. Maar zijn gedachten waaien weg, zoals ook de as van zijn moeder toen weggewaaid is. 
Of misschien kan ik een stukje maken over de kunst van het briefschrijven, zo overweegt hij nog terwijl hij in de verte iemand rustig maar kordaat hoort roepen: Blijven liggen, rustig blijven liggen; een verhaal over mensen die dat doen, brieven schrijven, over briefschrijvers, een uitstervende soort… Er schijnt een hel licht in zijn ogen… 
Of hij kan een historisch stuk schrijven over de twisten tussen katholieken en hugenoten, over kerken en tempels en over het soort mensen dat in die etablissementen te vinden is, over tempel- en kerkmensen en hoe die van elkaar verschillen en toch weer niet. Hij zou dat kunnen, maar zijn gedachten waaieren weer weg; ze waaien over de daken tot bij de dokters waarbij hij op visite gaat, snotneuzen die zijn kinderen hadden kunnen zijn en die hem aangeraden hebben zijn voorhuid weg te laten halen. En weer gaat het verder. Misschien kan hij een reeks verhalen schrijven over de geschifte vrouwen die in het verleden zijn levenspad gekruist hebben, over de twijfels die daardoor bij hem gerezen zijn betreffende zijn eigen geestelijke gezondheid. Gelukkig waaien ook die gedachten weer weg.
Hij zou iets over paddenstoelen kunnen schrijven… over jeugdvrienden en over hoe het hen uiteindelijk vergaan is… over partners in een huwelijk, over hoe die het al die jaren bij elkaar uithouden… over zijn weggesneden voorhuid… over de patiënt die naast hem ligt te rochelen en over diens merkwaardige voorkeur voor varkenspoten.
Een vakkundig doortastende, driehonderd kilo wegende verpleegster komt het verband rond zijn besneden pik weghalen. Ze zegt dat hij nergens over hoeft in te zitten, dat verpleegkundigen dat gewoon zijn. Ze noemt hem jongen. Hij begrijpt niet goed waarover ze het heeft. Wikkel na wikkel haalt ze het gaas weg tot zijn besneden eikel, rood van het ontsmettingsmiddel, bloot komt te liggen. Ze vindt dat de dokter mooi werk geleverd heeft, zo zonder zwellingen. Ze vraagt of hij zijn voorhuid nooit over de eikel heeft kunnen trekken of dat het van meer recente datum is. Dat hij nergens over hoeft in te zitten, dat ze dat daar gewoon zijn, besneden eikels keuren, dat ze verpleegkundigen zijn en dat het hun werk is. Hij antwoordt niet, kijkt naar zijn eikel en is het met haar eens: de dokter heeft mooi werk geleverd, zo zonder zwellingen. De patiënt die naast hem ligt zegt dat hij dat nooit meer zal doen, varkenspoten eten, dat hij zich eraan zal houden, zelfs als het niet gemakkelijk gaat. De man denkt trouwens dat het alcoholverbod niet levenslang zal gelden, alleen maar tot hij weer de oude is, zij het met een ingekort stuk darm.
Met een ruk gaat de deur open. Vier geüniformeerde mannen stormen de kamer binnen. Ze hebben zwarte laarzen aan en rijbroeken. Ze snauwen Duitse woorden: Schweine Füsse! Geschwollen Eicheln!  Ze duwen de driehonderd kilo wegende verpleegster weg alsof het niets is en rijden hem in looppas, twee vooraan, twee achteraan, met bed en al naar het einde van de gang waar nog dertig andere bedden staan waarop mannen liggen, allemaal besneden mannen, allemaal mooi werk, allemaal zonder zwellingen; geknipte mannen die verwilderd om zich heen kijken terwijl ze door de uniformen toegesnauwd worden: Schweine Füsse! Schweine Füsse!
Zie je wel, zo zegt hij in zichzelf, zie je wel dat het geen goed idee was. Die jonge doktoren weten er niets van, ze kennen hun geschiedenis niet.  Hij probeert recht te staan, uit bed te komen, hij wil ontsnappen, want hij weet maar al te goed waar dit soort razzia’s heen leidt.  Hij hoort de stem van de verpleegster die hem kordaat toeroept: Blijven liggen, rustig blijven liggen, gewoon blijven platliggen.
Flor Vandekerckhove

zaterdag 25 februari 2012

Vergeefs op zoek naar Provo in Oostende

JP Boentges en Flor Vandekerckhove,
Oostende 2009 (foto Jo Clauwaert).
Omdat mijn moeder de trouwpartij van koning Boudewijn en Fabiola niet wilde missen, haalde mijn vader in 1960 een tv in huis. Het toestel zou ons niet alleen dat huwelijk laten zien, maar ook de rest van de wereld en bijgevolg ook het langharig werkschuw tuig dat het begrip contestatie op de agenda zette.
Kort nadat Boudewijn getrouwd was, zag ik de provocaties die het tuig in Amsterdam organiseerde. Ik was zestien en werd van mijn sokken geblazen. Ik was zelf ook wel bezig de macht in vraag te stellen, maar die invraagstelling beperkte zich tot mijn ouders. In Amsterdam daarentegen bleken generatiegenoten het op het publieke forum te doen.
De politieke aspiraties van de beweging waren me vreemd, want ik wist van toeten noch blazen, maar het ludieke karakter van Provo (1965-’67) maakte grote indruk op me.  Op die leeftijd had ik geen mening over sigarettenfabrikanten, maar de Provoacties rond het Amsterdamse Lieverdje (een beeldje geschonken door zo’n sigarettenfabrikant) konden op mijn bijval rekenen; het parkeerprobleem was me onbekend, maar het Witte Fietsenplan vond ik geniaal (en dat was het ook); wat de Amerikanen in Vietnam uitspookten was voor mij (nog) niet zo’n item, maar de Amsterdamse kreet ‘Johnson molenaar!’ verblijdde mijn jonge hartje. 
Als ‘de macht’ maar uitgelachen werd.
In Bredene, waar ik opgroeide, was er in de verste verte geen equivalent voor Provo te bespeuren, maar mijn makker JP werd al evenzeer door het verschijnsel gecharmeerd als ikzelf. We schaften ons elk een gleufhoed aan, waarmee we de plaatselijke burgerij (en toch weer vooral onze vaders) danig wisten te provoceren. Veel was het niet, maar het was een begin.
In het nabijgelegen Oostende was er een kunstenaarskroeg die Chèvre folle (meer over die kroeg vind je hier) heette en waar JP en ik het plaatselijke provotariaat hoopten te ontdekken. Dat viel tegen, want tegen de tijd dat wij daar goed rondgekeken hadden, was het verschijnsel alweer voorbij.  
In 1967 werd ik achttien. Ik zag op tv hoe Jean-Paul Sartre in het Russelltribunaal de Amerikaanse politiek in Vietnam als misdadig veroordeelde. Mij leerde dat vooral dat ook oudere mensen de macht konden contesteren. Ik verklaarde mezelf existentialist. En wilde dus wel eens weten wat dat inhield.
In de Chèvre folle deed ik alsof ik L’être et le néant aan ’t lezen was (het kan ook La Nausée geweest zijn, in elk geval was het een boek dat ik bij Corman ontvreemd had). Dat viel tegen in het kwadraat, want ik begreep er niets van. Ik probeerde desondanks de indruk van het tegendeel te wekken in de hoop daarmee enige indruk op Françoise te maken, de mooie Française die de kroeg toen openhield. Helaas… ook dat viel tegen.
Flor Vandekerckhove

donderdag 23 februari 2012

De laatste communisten


In 1997 publiceerde Ivan Ollevier een interviewboek met een aantal (ex-)activisten van de KPB, de communistische partij van België. De laatste communisten is een mooie titel voor het boek, maar kloppen doet hij niet. Bij de PVDA (ook een communistische partij) zullen ze daar niet tevreden over geweest zijn. Hoe dan ook, een aantal van de geïnterviewden heb ik zelf min of meer persoonlijk gekend. Eddy Poncelet is mij thuis, in Bredene, nog komen opzoeken.  De toen al 80+er had mijn medewerking nodig bij een of ander evenement. André de Smet heb ik leren kennen als de vader van Chantal waarmee ik in Gent vele jaren samengeleefd heb. Albert De Bruyne, Georges Maes en Nadine Crappé waren beroemde arbeidersactivisten in het linkse wereldje waarvan ik toentertijd, als lid van de SAP (Socialistische Arbeiderspartij, voorheen RAL), eveneens deel uitmaakte.  Nadine Crappé is overigens tot haar zelfgekozen dood een trouwe vriendin van me gebleven. Ik was er indertijd ook getuige van hoe in Gent o.a. Chantal de Smet, Ruddy Doom en wijlen Koen Raes door hun verregaande kritiek met de partijbonzen van de KPB in botsing kwamen en ik herinner me het moment dat ze besloten er een punt achter te zetten, one way or another.  Zij vergaderden die dag in de living terwijl ik in de keuken de boel aan ’t opruimen was.  Toen een van hen een glas water kwam halen, vroeg ik of hij wel besefte dat hij daar aan een historische vergadering deelnam. Achteraf kun je zeggen dat dit een inschattingsfout mijnentwege was, want meer dan een storm in een glas water is er uiteindelijk niet uit voortgesproten.
In het boek beschrijft Chantal de Smet een geestige anekdote waarbij ik betrokken was:
 ‘Chantal de Smet is uit de partij gestapt op ongeveer hetzelfde moment als Koen Raes en Ruddy Doom: “Het was zoals een relatie eindigt: je bent op iemand verliefd geworden om een aantal redenen en precies om die redenen ga je bij hem weg; alles werkt op den duur op je zenuwen, hoe de man eet, hoe hij slaapt en zijn tanden poetst.  De samenhorigheid en het solidariteitsgevoel waren bij mij omgeslagen in een gevoel van interne controle, de indruk dat iedereen iedereen in de gaten hield.  Om maar een voorbeeld te geven: ik heb lang met een man samengeleefd die actief was in de SAP.  Tot grote consternatie van zowel de KP als de SAP gingen wij samen affiches plakken, hij voor zijn partij, ik voor de mijne.  Wat een schandaal was dat in de partij!  Daar vonden ze dat het niet kon. Plotseling dacht ik: wat een verschrikking wordt het als deze mensen ooit aan de macht zouden komen.’ (p 297-298.) Ja, dat gezamenlijke plakwerk herinner ik me nog. Ik herinner me trouwens ook hoe wij daarbij vreemd bekeken werden door plakkers van andere partijen die ons onderweg in de weer zagen met affiches van die twee ‘kleinlinkse’ partijtjes die voor de rest vooral hard hun best deden om elkaar de politieke gracht in te rijden.

Ivan Ollevier, De laatste communisten — hun passies, hun idealen. 1997. Uitg. Van Haelewyck. ISBN 90 5617 126 7. 

dinsdag 21 februari 2012

Meneer Heim en de consul

Het salon van PDG Lucien Decrop, grandeur uit het midden
van de XXste eeuw, zoals ik het onveranderd aantrof op de drempel
van de XXIste eeuw.
[Herinneringen] — In 2000 richtten enkele ondernemers uit de visserij een vereniging op, de vzw Cogito.  Bedoeling was onderzoek te verrichten naar een nieuw type vissersvaartuig.  Ik werd door die vzw in dienst genomen om de studie uit te voeren.
Daardoor kwam ik in een gebouw terecht dat eertijds toebehoord had aan de familie Decrop, ooit toonaangevend in de visserij. Ze was eigenaar geweest van een vissersvloot, visverwerkingsbedrijven, een nettenmakerij, touwfabriek, diepvriesinstallaties… Het gebouw ademde grandeur uit, temeer omdat de vergaderzaal en de directielokalen onveranderd gebleven waren.  Parket, hoge plafonds, oude eik, scheepsmodellen, duur meubilair uit de fifties, marines…
Veel plaatsen in dat gebouw werden niet meer gebruikt, maar twee ervan nog wel.  Ze werden van elkaar gescheiden door een indrukwekkend lange gang.  Aan het ene uiteinde ervan kreeg ik een bureau toegewezen.  Helemaal aan het andere uiteinde bezette de oude Charles Decrop, consul van Duitsland, twee kantoren.  Tussen ons lagen niet langer gebruikte directielokalen en -salons, alle bewaard in de oorspronkelijke staat, een soort sarcofagen van het kapitalisme ter zeevisserij. (Tijdens dat jaar heb ik daar in het directiesalon eens de liefde bedreven. Omdat het tijdens mijn werkuren gebeurde, kreeg het begrip ‘betaalde seks’ in dat jaar voor mij een andere betekenis. Maar dit helemaal terzijde.)
Een consulaat heeft in Oostende niet zoveel te doen.  Toch beschikte het Duitse consulaat over een behoorlijke staf. De consul kon rekenen op een secretaresse en er was meneer Heim die als portier fungeerde. Alle drie waren ze de pensioenleeftijd voorbij.  Stipt om negen uur kwamen die drie knaken daar elke dag bijeen.
Dagelijks voerden ze vervolgens een ritueel uit dat ik niet onmiddellijk begreep.  Elk om beurt liepen ze de lange gang af, voorbij mijn bureau en verder naar beneden om meteen ook weer naar boven te komen en hoofdschuddend de terugweg door de lange gang aan te vatten.  Meneer Heim ging altijd als eerste. Enige tijd later was het de beurt aan de secretaresse en dan weer aan Heim. Een enkele keer ondernam de consul zelf die tocht.  Uiteindelijk kwam ik te weten dat ze elk om beurt naar de brievenbus trokken, hopend dat de facteur enige post (werk!) gebracht zou hebben. Wat, zo mocht ik constateren, zelden het geval was.
Ik was in dat gebouw in een bevreemdende wereld terechtgekomen die erg verschilde van de activiteiten die buiten op de kaai, in de echte wereld, plaatsgrepen. Achter de muren van dat gebouw bevond zich een fantasiewereld. Enerzijds was mijn eigen werk al tamelijk onwezenlijk, omdat ik wist dat ik met iets bezig was dat nergens toe zou leiden. Anderzijds was er dat consulaat dat overduidelijk nergens om ging.
De consul en meneer Heim waren kleurrijke personages.  De eerste was een telg uit een roemrijk geslacht, steenrijk geworden en verfranst.  Hij deed letterlijk niets. Wanneer hij cash nodig had, nam hij de secretaresse met zich mee om in zijn plaats het geld uit de muur te halen.  Wat hij wel deed was sigaretten roken. Tegen de tijd dat hij weer naar huis reed, stond heel het consulaat onder de rook.
Meneer Heim was zijn opponent en ze kibbelden voortdurend om alles. Heim was geheelonthouder en de consul was verslaafd aan alles; de consul trok zich nergens wat van aan en Heim was een gezondheidsfreak; Heim was een communist van het soort dat vindt dat Stalin een hele pief was, de consul was een kapitalist van het Bourgondische type.  Heim had ijzeren meningen, de consul was de vleesgeworden cynicus; Heim had smetvrees, de consul leefde in het overdadig aanwezige stof van de bourgeoischic. En Heim kon geen Duitsers verdragen.
Ooit had Heim in Oostende een televisiezaak uitgebaat (de winkel bestaat nog en draagt nog altijd zijn naam). Voor de rest was hij begiftigd met een buitengewoon grote fantasie die het voor mij moeilijk maakte Dichtung und Wahrheit van elkaar te onderscheiden.
Heim was verzetsman geweest. Ooit had hij een aanslag op Hitler gepland, maar hij werd teruggefloten door de Joodse wereldraad.  Hij had nog steeds connecties met de MI5.  Voor die Britse geheime dienst ontwierp hij nog altijd spionagemateriaal. Hij had, zo zei ik al, erg veel fantasie. Ik geraakte met de man bevriend.
Op een dag kwam er een telegeleid speelgoedautootje mijn kantoor binnengereden. Heim glunderde.  Hij wilde het ombouwen tot een toestel waarmee de spionnen van MI5 van op veilige afstand vijanden zouden afluisteren.  
Ik geraakte bij de testen betrokken. Vanuit mijn bureau stuurden we het omgebouwde autootje de lange gang door en lieten het daar op het einde het Duitse consulaat infiltreren.
Helaas slaagden we er nooit in de consul daadwerkelijk af te luisteren. Kwam het doordat daar niets gezegd werd? Bleef het stil door het ondoordringbare rookgordijn dat de kettingrokende consul rond zich optrok? Natuurlijk niet. Onze experimenten waren regelrechte onzin, passend in dat gebouw waar de menselijke fantasie hoogtij vierde. Wat me er dan weer liet aan denken dat ik een nieuw vissersschip te ontwerpen had. 'Weet jij…' zo vroeg ik meneer Heim, 'of er ooit al iemand geweest is die geprobeerd heeft te vissen met een duikboot?' Heim glunderde.
Flor Vandekerckhove
(De consul en meneer Heim zijn inmiddels overleden.)
[Wie op het onderstaande label drukt, vindt in de blog soortgelijke herinneringen terug.]

maandag 20 februari 2012

'De Sovjet van Salé', een piratenrepubliek

André Vandekerckhove (69), al 50 jaar milieuactivist, voert de
Jolly Roger in het vaandel. (foto Flor Vandekerckhove 2012)
Spanje is eeuwenlang een land geweest waar de Europese cultuur (christenheid) en de Afrikaanse (islam) vredevol naast elkaar leefden en elkaar wederzijds bevruchtten. In het begin van de zeventiende eeuw ging de macht van het Spaanse rijk evenwel tanen. Slecht bestuur en massale verspilling door oorlogsvoering waren daar de oorzaken van. Dus moest er een zondebok gevonden worden. Het ongenoegen werd tegen ‘de Moor’ gericht. Er werden ongeveer een miljoen ‘Morisco’s’ uit Spanje verbannen. Een deel ervan vluchtte over de Middellandse Zee naar de kusten van Noord-Afrika. Daar gingen ze op in de plaatselijke bevolking.
In de zo gegeten Barbarijse staten (Algiers, Tunis, Tripoli, Rabat-Salé) ontstonden op die manier grote piratengemeenschappen die ook duizenden Europeanen wisten aan te trekken. Die bekeerden zich tot de islam. Van het Turkse rijk en van Afrikaanse overheden kregen zij kapersbrieven die hun toelieten Westerse schepen aan te vallen.
De piraten uit de Barbarijse staten waren berucht, zo lezen we het al in een zeeroversboek uit 1938 (1). ‘Tientallen wachttorens, atalayas, langs de Spaansche kusten getuigen nog heden van de voortdurende vrees, waarin men leefde voor een overval door Barbarijsche zeerovers. Bij het zien van de rooksignalen vluchtte van de strandbewoners alles, wat vluchten kon, doch dikwijls kwamen de waarschuwingen te laat en honderden ongelukkigen werden als gevangenen naar de Afrikaansche kust gebracht, om daar te blijven, totdat het geëischte losgeld was betaald (…). Niet alleen Spanjaarden, doch in het algemeen alle Christenen, die in handen van de Mooren vielen, deelden dat lot. De slaven hadden dikwijls zwaren veldarbeid te verrichten of moesten op de galeien dienst doen als roeiers. (…).’
Die gevangenen bleken evenwel een optie te hebben, zo lezen we in hetzelfde boek, namelijk de bekering: ‘Gingen zij ertoe over “den Rock Burnay aan te doen, daermee versaeckende de Salichheyt, die in Christo is”, dan veranderde de toestand zeer in hun voordeel. Zij werden dan “renegados”, die de slechte reputatie hadden, nog harder voor hun Christen-slaven te zijn, dan de echte Mooren.’
Over die ‘renegados’ (renegaten, afvalligen) verscheen in 1995 een nieuw boekje dat in 2007 in het Nederlands vertaald werd als ‘Piraten en hun Utopia’. (2). ‘Vrijwel zonder uitzondering waren de renegaten werkzaam als “Barbarijse zeerovers”. Ze vielen Europese schepen aan, plunderden die en voerden christelijke gevangenen mee naar Barbarije om ze daar tegen losgeld vrij te laten of als slaven te verkopen.
Wilson, de auteur van dit boek, suggereert dat die renegaten dat deden uit sociaal verzet tegen het zich ontwikkelende kapitalisme. In het maritieme milieu van de zeventiende eeuw waren namelijk al bepaalde kwalijke aspecten zichtbaar van het Industriële Tijdperk: ‘Schepen waren in bepaalde opzichten net drijvende fabrieken en de zeelui vormden een oer-proletariaat. De arbeidsomstandigheden onder de zeevarende kooplieden uit Europa boden een gruwelijk beeld van het opkomende kapitalisme in zijn ergste vorm – en de omstandigheden binnen de Europese marines waren zo mogelijk nog afschuwelijker. De zeeman mocht zichzelf met recht en reden als de laagste en meest verstoten figuur binnen het hele stelsel van Europese economieën en naties beschouwen: hij was machteloos, onderbetaald, werd slecht behandeld, gemarteld, blootgesteld aan scheurbuik en stormen op zee en was in feite slaaf van rijke kooplieden en hebberige prinsen.’
Wilson gaat op zoek naar sporen die zijn vooronderstelling staven. Zijn onderzoek spitst zich toe op de piratenrepubliek Rabat-Salé in Marokko. Daar heeft in de zeventiende eeuw gedurende enkele tientallen jaren (1614-1660) een onafhankelijke piratenrepubliek bestaan, bewoond door Moren, Berbers, Arabieren en Europeanen die zich tot de Islam bekeerd hadden.
Terwijl de andere Barbarijse staten onder controle bleven van Oosterse machthebbers werd Salé gedurende die jaren uitsluitend geregeerd door een Raad van Piratenkapiteins. Er werden belastingen geheven die gebruikt werden ten voordele van de piraterij (repareren van de verdedigingswallen, financieren van expedities…). De gouverneur-admiraal en de piratenraad (divan) werden verkozen en konden ieder jaar weggestemd worden als ze de belangen van de burgers niet behartigden. Iedereen die in staat was aan te monsteren voor een zeereis had de kans om rijk te worden. Zelfs krijgsgevangenen konden als renegaat vrijheid en rijkdom verwerven.
Wilson besluit: ‘Ik zou willen zeggen dat de renegaten tot op zekere hoogte kunnen worden gezien en geïnspireerd in het licht van deze spiritueel/politieke onrust, waarin verzet zich steevast in een religieuze vorm uit. (…) De islam is per slot van rekening de meest recente van de drie westerse monotheïsmen. Daarin vind je dus een revolutionaire kritiek op het judaïsme en het christendom. De bekering van (…) een zeeman zou zonder meer als een vorm van rebellie worden beschouwd. De islam was, tot op zekere hoogte, de Internationale van de 17e eeuw — en Salé misschien dan haar enige, echte ‘Sovjet’.
Dat is dus wat auteur P.L.Wilson zich verbeeldt. Maar wat weten we met zekerheid over Salé? We weten dat de eerste admiraal van de piratenvloot van Salé een Nederlander was. Jan Janszoon begon zijn carrière in de Nederlanden tijdens de Tachtigjarige Oorlog (1568-1648). Als kaper in opdracht van de Republiek der Verenigde Nederlanden kreeg hij de toelating om Spaanse schepen aan te vallen en te plunderen.
Die godsdienstoorlog van Nederlandse geuzen tegen het katholieke Spanje wekte onder de Nederlandse bevolking grote haatgevoelens op tegen de katholieke kerk, getuige daarvan de geuzenleus: liver Turck dan Paus (liever Turks dan Paaps). Jan Janszoon, alias Murad Raïs, zette de leus in de praktijk om.
In 1618 werd hij door Barbarijse piraten gevangen genomen en in Algerije bekeerde hij zich (met besnijdenis en al) tot de islam. Hij liet zich voortaan Murad Raïs noemen. Hij vestigde zich omstreeks 1623 in Salé, waar hij het tot de meest gevreesde piraat schopte en tot leider van de republiek.
De Salestijnse vloot waarover Murad Raïs heerste was niet groot, ongeveer achttien schepen in totaal, en de afzonderlijke schepen waren klein, omdat een zandbank in de haven schepen met grote diepgang verhinderde binnen te lopen, tenzij ze eerst waren gelost.
Kort na de komst van Jan Jansz., alias Murad Raïs verklaarden de Salestijnen zich onafhankelijk. Ze vestigden er de piratenrepubliek die werd geregeerd door veertien van hun eigen mensen, met een president die ook admiraal was. De Nederlander was trouwens de eerste die hiervoor werd gekozen.
Murad Raïs was gevreesd, werd rijk, maar werd uiteindelijk ook overwonnen. Hij kon evenwel uit gevangenschap ontsnappen en eindigde zijn leven als gouverneur van het fort in Oualidia, vlak bij het kustplaatsje Safi, niet zover verwijderd van Salé waar hij zijn hoogdagen gekend had. We weten niet hoe hij uiteindelijk aan zijn einde gekomen is.
Terug naar het boekje van Wilson. Die auteur is niet zomaar geïnteresseerd in de zeeroverij. Hij is de bedenker van de Tijdelijke Autonome Zone. Dat begrip suggereert dat er zoiets bestaat als ‘vrije enclaves’ waarin liefhebbers van de totale vrijheid, tenminste gedurende een beperkte tijd, ongedwongen hun gang kunnen gaan. In zijn geschriften gaat Wilson op zoek in de geschiedenis naar tekenen die zijn suggestie bevestigen. Zo heeft hij o.a. ook het boek ‘Gone to Croatan’ geschreven waarin hij het heeft over een groep blanke kolonisten die in Amerika verdween en vervolgens nooit nog iets van zich liet horen. Ze zouden zich onder de inheemse bevolking gemengd hebben en de westerse beschaving in alle stilte geruild voor een zelfstandige, vrije maatschappij, een Tijdelijke Autonome Zone. Bewijzen voor deze veronderstelling zijn er evenwel niet.
In zijn boek over Salé is dat niet anders en op het einde geeft hij het ook ruiterlijk toe: ‘Salé was ongetwijfeld meer vrijheidsgezind dan de Barbarijse kuststaten Algiers, Tunis en Tripoli, maar had beslist een heel wat conventioneler structuur dan welk ander zuiver piraten-Utopia dan ook (…); Salé kan gezien worden als een soort compromis.’
Wilson heeft niet echt gevonden wat hij zocht, maar dat geeft niet, zo zegt hij zelf: ‘Al mijn onderzoekingen en speculaties zijn uitgekristalliseerd rond het concept van de Tijdelijke Autonome Zone (TAZ). Ondanks de synthetiserende werking ervan voor mijn eigen denken is het niet mijn bedoeling dat de TAZ wordt opgevat als meer dan een essay (‘poging tot’), een suggestie, een poëtische dagdroom.’ (3)
Flor Vandekerckhove

(1) L.C. Vrijman, Kaapvaart en zeeroverij, p. 180-181, Amsterdam 1938.
(2)  P.L. Wilson, Piraten en hun Utopia, Moorse zeerovers en hun Europese renegaten, Met Jan Janz. Van Haarlem alias Murad Raïs. Amsterdam, 2007. ISBN 10: 90-808069-4-3 / ISBN-13:978-90-808069-4-8. Alle volgende citaten komen uit dat boek.
(3) op http://www.desk.nl/~wvdc/taz/taz01.html.

zaterdag 18 februari 2012

Onderweg

Hij had er geen zin in, maar hij moest. Hij had de pillen nodig.
Op straat liep iedereen keurig in de pas. Zo onopvallend mogelijk sloot hij zich in de rij aan. Het ging iets te snel, want hij was niet zo goed meer te been.
Waar hij schrik voor had, gebeurde ook. Iemand riep wijzend in zijn richting: 'Een werkloze! Kijk, hij komt uit de werkloosheidsval!' Iemand anders riep: 'Werkloosheidsval? De hangmat zul je bedoelen!' 
Iedereen begon hem aan te kijken, ook degenen aan de overkant van de straat. In een auto liet een duurzame ondernemer het raampje zakken.
Er begon zich een groep voetgangers rond hem te verzamelen, mensen met veel burgerzin die hem wilden aanklagen. Vijandige blikken. 
Hij wachtte niet langer, verliet de rij en sloeg met gebogen hoofd de eerstvolgende zijstraat in. Niemand volgde hem, maar van achter gordijnen keken wel honderd ogen hem aan. 
Het zweet liep over zijn wangen. Hij moest even stoppen. Hij leunde tegen een gevel en probeerde vruchteloos op adem te komen. Hij had zijn pillen nodig. Nu.
Vanachter hun gordijnen keken de bewoners toe hoe hij neerzeeg. Niemand bood hulp.
Flor Vandekerckhove

De mens in opstand, het vuur dat nooit dooft

James Ensor: De gendarmen.
[Herinneringen] — Tunesië, Egypte, Griekenland… Beelden van mensen in opstand.  Het zijn beelden die ervan getuigen dat mensen zich niet neerleggen bij het bestaande. Het zijn beelden die tonen dat de opstand actueel is, dat het verzet tegen de machtigen een toekomst heeft en dat het niet iets uit het verleden is.  Maar het zijn ook beelden die me terugbrengen naar het verleden, naar mijn kindertijd toen ik voor het eerst een beeld te zien kreeg van de mens in opstand.
Wij woonden aan de kust. In de jaren vijftig, toen in nog klein was, verdiende mijn vader daar zijn dagelijkse brood als mazoutboer.  Hij had nogal wat vissers onder zijn cliënteel.  Wat aanleiding gaf tot, laat ons zeggen, langdurige verbroederingen.  Vandaar dat mijn moeder mij meermaals met de man op pad stuurde wanneer hij met zijn kleine tankwagen naar de Oostendse kaaien trok om er weer een vissersvaartuig te bevoorraden.  Kwestie van hem eraan te herinneren dat hij ook nog een gezin had. 
Veel indruk maakte dat op hem niet en zo komt het dat ik als jonge knaap langdurig en uitgebreid kennis kon maken met de vissers, de kaaien, de visbennen en vooral de visserskroegen. Dan zat ik daar aan de toog te wachten tot mijn vader er genoeg van had. Dat duurde lang.  Ik had tijd zat om de interieurs van die cafés in me op te nemen.  Meubels in glanzende, donkere vernis, marmer op de tapkast, de glazen bol met kauwgom die plastisch sjiekenbak genoemd werd, spiegels die mijn verveling verdubbelden…
Zo komt het ook dat ik me goed herinner dat in veel visserscafés een prent over de Oostendse Vissersopstand aan de muren hing, een reproductie van de tekening die op 18 september 1887 in het Le Globe Illustré gepubliceerd werd.  De prent toonde hoe een rij gewapende mannen op vissers schoot, terwijl deze zich in het dok kwaad maakten op de aanwezigheid van enkele grote vissersvaartuigen.  Een tweede rij gewapende mannen hield met het doorslaggevende argument van geweerkolven het volk op de kaai in toom.  Duidelijk was dat in al dat wapengeweld doden gevallen waren.
De Oostendenaar James Ensor had die bloedige gebeurtenissen in de augustusdagen van 1887 meegemaakt.  De volkskundige auteur Jef Klausing (1918-2004) die zo’n dingen uitvlooide, vertelde me ooit dat Ensor de vermoorde vissers eer ging betuigen en langs de weg stond toe te kijken toen de begrafenisstoet passeerde.  De vissers in de begankenis zwaaiden naar de kunstenaar terug met hun pet.
In het museum van Oostende bevindt zich ‘De gendarmen’ (1892). Het werkje leert ons dat Ensor geen oppervlakkige toeschouwer was. Op een bed liggen de dodelijk getroffen vissers (Charles Wauters, bijgenaamd ‘Garsong’ en Jean Verhulst) afgebeeld als de edelen Egmont en Hoorn, symbolen van verzet tegen de tiran.  Rond hen zie je de medespelers aan het drama.  Prominent aanwezig zijn de gendarmen, het bloed nog aan de bajonetten. Rechts bovenaan in het venster kijkt de rechterlijke macht geamuseerd toe (terwijl enkele rechters aan het tongzoenen zijn).  Onderaan links beeldt een biddende non de kerkelijke macht uit; zij sust en zalft. Een vertegenwoordiger van de politieke macht wijst in de deuropening het volk terecht. Helemaal achteraan in de volksmassa zien we een klein rood vlaggetje dat geheven wordt. En dan is er nog de mysterieuze figuur aan het voeteneinde van het bed. Niemand weet wie dat is.  Waarschijnlijk is dat de karikatuur van iemand die in de gebeurtenissen ook een prominente rol gespeeld heeft, want alle andere personages zijn wel degelijk heel herkenbaar: de man in de deuropening is de eerste schepen van de stad, de figuur met het kwastje op zijn muts is de politiecommissaris die actief was tijdens de rellen…  Maar wie de man aan het voeteinde is, heeft niemand kunnen achterhalen. 
In 1966 werd ik opeens weer aan het tafereel uit Le Globe Illustré herinnerd. In dat jaar kreeg Vlaanderen voor het eerst met een Europese herstructurering te maken.  In Belgisch Limburg moesten een aantal bekkens gesloten worden.  De mijnwerkers slikten het niet en organiseren een groots verzet.  Onthutst zag ik, inmiddels een tiener geworden, hoe de overheid op dezelfde manier reageerde als ze dat ook gedaan had ten tijde van de Vissersopstand, bijna honderd jaar eerder.  Het leger werd tegen de revolterende mijnwerkers ingezet en ook daar vielen doden.  De twee gevallen mijnwerkers deden mij onmiddellijk aan de vissers Wauters en Verhulst denken.  Het tableau van de Vissersopstand dat tot dan toe voor mij een historisch tafereel geweest was, werd in 1966 actueel.  Daardoor komt het dat ik de gebeurtenissen in Limburg aandachtiger ging volgen dan je dat van een kustzoon zou verwachten.  En hoe meer ik toekeek, hoe meer overeenkomsten ik zag. 
De mijnwerkers protesteerden tegen een herstructurering, maar dat deden de vissers destijds evenzeer.  Zoals de vissers actief gesteund werden door de bevolking, zo was het nu ook met de Limburgse mijnwerkers.  Zowel in het moderne Limburg als in het negentiende eeuwse Oostende werden bij de rellen mensen opgepakt die niet tot het beroep behoorden.  In de twee gevallen waren er zowel ter rechter- als ter linkerzijde pogingen om de revolte te kanaliseren.  In Oostende probeerde de Katholieke Partij de schuld in de schoenen van het schepencollege te schuiven (dat in handen van de Liberalen was). Daar tegenover stond de pas opgerichte partij van Belgische socialisten die de vissers opriep zich te organiseren volgens de principes van de Vooruit. 
In het revolterende Limburg van de jaren 1966-’70 worden dan weer de kiemen gelegd van zowel rechtse als linkse partijen Zowel het Vlaams belang als de PvdA krijgen daar een deel van hun wortels. De eerste vinden een voedingsbodem bij de ploegbazen die de beweging leiden, de anderen vechten die leiding aan via ‘Mijnwerkersmacht’. 
In beide gevallen inspireren de gebeurtenissen ook kunstenaars.  In Oostende was er Ensor, maar er was ook de liedjeszanger Louis Vanden Eeckhaute.  In de stad ging hij Het lied van de vissers zingen: ‘Ik zag laatst in Oostende / De vissers in werkstaking gaan. / Vol droefheid en ellende, / Menige vaders stort veel getraan. / Zij kwamen naar hun loon te vragen / Om hun kinders te geven hun brood. / Zij hadden daarin hun behagen, / Zij schoten hun daar dood. 
In Limburg is het Wannes Vandevelde op wie de dood van de twee mijnwerkers een onuitwisbare indruk achterlaat.  In het onvergetelijke mysteriespel ‘Mistero Buffo’ brengt Wannes het verzet van de vissers, van de mijnwerkers en van nog vele anderen samen: ‘Zij die in Zwartberg vielen / in Marcinelle kreveerden / Zij die in donk’re mijnen / hun levenskracht verteerden / slachtoffers der fabrieken / vernietigd door lood en zwavel / door zuren opgevreten / en op het stort gesmeten / Wacht liever niet… / Zij die op de zee verzopen / in ‘t zoute water zonken  (…).
In de daaropvolgende jaren ben ik nog meermaals getuige geweest van (en soms ook betrokken bij) het volkse verzet tegen herstructureringen.  Buurten die gesaneerd worden, bewoners die verplicht worden hun panden te verlaten en dat weigeren; maar evengoed economische sectoren die weggesaneerd werden (glas, staalnijverheid, autoassemblage, scheepswerven…).
Om te slagen moesten de betrokkenen op zoek gaan naar steun en in een aantal gevallen ontstond er zodoende een breed front.  Omdat nogal wat kunstenaars deel uitmaakten van die fronten heeft dat verzet prachtige kunstwerken opgeleverd.  Een rij die start bij ‘De gendarmen’ van Ensor en die geen einde kent.  De Britse regisseur Ken Loach heeft bijvoorbeeld prachtige stukken geregisseerd over de Engelse havenarbeiders die zich eerst massaal en later marginaal (maar dan nog wel gedurende jàren) verzet hebben tegen de opgelegde herstructureringen.  Over het massale verzet regisseerde hij eerst het toneelstuk ‘The Big Flame’. Van het vervolg getuigt zijn magistrale documentaire ‘Flickering Flame’: de brandende vlam was een flikkerend lichtje geworden, maar daarom niet minder een kunstwerk waard.
De geschiedenis ontrolde zich verder en ook mijn persoonlijk leven ging voort. Gods ondoorgrondelijke wegen brachten me terug naar dezelfde visserijkaaien die ik vroeger met mijn vader gefrequenteerd had en waar ik nu Het Visserijblad (inmiddels Het Vrije Visserijblad) ging uitgeven. In het microwereldje van de Vlaamse vissers zag ik de voortschrijdende geschiedenis weerspiegeld en weer zag ik beelden van de mens in opstand.
De herstructureringen die Europa in de tweede helft van de XXste eeuw beroerd hebben, zijn immers ook aan de Vlaamse visserij niet voorbijgegaan.  Ik herinneren me de pogingen van de scheepsbouwers van Seghers (1982) om de Vlaamse visserijscheepsbouw te redden.  Onvergetelijk blijft ook de Oostendse havenblokkade van de kustvissers in 1998.
Tot een betekenisvolle revolte, met grote maatschappelijke impact, is het op het einde van de XXste eeuw op deze kaaien evenwel niet meer gekomen.  Tot een breed steunfront voor de acties evenmin. Uitzondering dient gemaakt worden voor de negen scheepsbouwers van APS die hun bedrijf in 1993 bijna honderd dagen bezet hielden.  Zij slaagden er wel degelijk in om enige steun te krijgen.  Maar al die acties in en rond de visserij hebben geen grote kunstenaars meer beroerd.
Dat komt natuurlijk doordat de visserij aan maatschappelijk gewicht ingeboet heeft. Het  heeft te maken met het ontbreken van een stedelijk vissersproletariaat; vissers die in elkaars nabijheid leven en die destijds tewerkgesteld werden in grote kapitalistische rederijen die het economische leven van de stad bepaalden, grote ondernemingen die nu verdwenen zijn. 
Maar het betekent uiteraard niet dat de revolte voltooid verleden tijd is. Ook vandaag herinneren de nieuwsberichten me nog volop aan ‘De gendarmen’ van Ensor.  Ook vandaag herinneren ze me nog steeds aan het tafereel van de Oostendse Vissersopstand. 
Flor Vandekerckhove

donderdag 16 februari 2012

Majakovski


‘Degenen die met ons willen samenwerken, krijgen van ons de ruimte. In een tijd als deze is neutraliteit onmogelijk. De school kan niet neutraal zijn, de kunst kan niet neutraal zijn, de literatuur kan niet neutraal zijn. Kameraden, er is geen keus. En ik zou u willen aanraden de kant van de arbeidersklasse te kiezen.’ Het zijn de woorden van Zinovjev, een van de leidende figuren van de Russische bolsjewieken.  Hij sprak ze uit in september 1918.
Vele kunstenaars gaven gevolg aan de oproep en niet in de laatste plaats de avant-gardekunstenaars, de ‘futuristen’, waartoe ook de Russische dichter Vladimir Majakovski (verder afgekort tot M.) behoorde. Die futuristen verwierpen realistische literatuur. Ze waren de mening toegedaan dat de nieuwe tijden aan de schrijvers niet alleen een nieuwe inhoud vroeg, maar ook nieuwe vormen. Vanaf de herfst van 1918 werden ‘avant-garde’, ‘linkse kunst’, ‘futurisme’ min of meer synonieme begrippen.
Toch hadden de nieuwlichters het niet gemakkelijk om hun werk gepubliceerd te krijgen.  Vanaf 1921 wordt het zelfs extra moeilijk. ‘In de Russische cultuurgeschiedenis is 1921 een keerpunt. In dat jaar maakte de bolsjewistische partij voor het eerst duidelijk dat ze de volledige controle wilde houden over het culturele leven en niet van plan was afwijkingen van de realistische norm te dulden.  En in 1921 werd het M. duidelijk dat de hoogste partijleiding niet alleen negatief tegenover hem stond, maar hem ronduit vijandig gezind was.’ Voorwaar een moeilijke situatie voor een dichter die de revolutie wil steunen: ‘(…) hij was oprecht in zijn ambitie om zijn pen in dienst te stellen van het volk met alles wat dat inhield aan vereenvoudiging (…)’. Zijn lyrische impulsen hield hij voortaan voor zijn liefdespoëzie geïnspireerd door zijn muze Lili Brik.  Daarnaast stelde hij zijn creativiteit ten dienste van het volk, de staat, de partij.
Dat lukt evenwel niet altijd goed. Omdat hij als futurist met de vorm blijft experimenteren krijgt hij de kritiek ‘onbegrijpelijk’ te zijn.  Hij verdedigt zich luid en krachtig: ‘Het eerste waar ik de aandacht van de kameraden wil op vestigen is hun merkwaardige uitspraak “ik begrijp het niet”. (…) Het enige wat ik erop kan zeggen is: “Studeer.”’. Volgens M. voeren de arbeiders en de futuristen dezelfde strijd: de eersten hebben tot doel het communisme op te bouwen en de futuristen willen een cultuur scheppen die met deze nieuwe maatschappij harmonieert. Het enthousiasme waarmee hij het volk benadert is evenwel niet wederzijds. De arbeiders zien het futurisme als een uiting van een in wezen burgerlijke esthetiek.
In 1928 breekt M. met LEF (links front van de kunsten), de organisatie van de futuristen waarin hij zelf de eerste viool speelt: ‘De literatuur als doel op zich moet plaatsmaken voor het werk in opdracht van de maatschappij (…)’.  Maar hij blijft wel de futuristische esthetiek verdedigen.’ In 1929 richt hij een nieuwe groep op, REF, het revolutionaire front van de kunsten: ‘Voor ons gaat het doel boven zowel de inhoud als de vorm,’ en ‘alleen literaire methoden die naar het doel leiden zijn goed.
Maar het helpt hem niet echt om door de communisten aanvaard te worden. ‘(…) in het deel van de Sovjetencyclopedie dat in januari 1930 verscheen (werd) geconstateerd dat “Majakovski’s anarchistische en individualistische opstand in wezen burgerlijk is” (…)’.
Op 4 december 1929 meldt de Pravda dat de RAPP (Russische Proletarische Arbeiders Associatie) het werktuig van de partij is op literair gebied. M. heeft tot dan toe het vormelijk realisme van de RAPP steeds bestreden en de RAPP van zijn kant verwerpt even hard het futurisme.  Op 31 januari 1930 maakt de Pravda evenwel duidelijk dat er niet veel keuze meer rest voor de schrijvers: ‘(…) ofwel je aansluiten bij het kamp van oprechte bondgenoten, ofwel verstoten worden naar de rijen van burgerlijke schrijvers…’.
Iedereen is echter verwonderd wanneer M. zich bij deze RAPP aansluit. ‘In zijn aanvraag verklaarde M. dat hij in literatuurpolitieke kwesties helemaal op de lijn van de partij zat, zoals die door de RAPP werd vertegenwoordigd; en wat betreft de “artistieke meningsverschillen”, die konden ze “tot nut van de proletarische cultuur” binnen het kader van de organisatie oplossen.’  Maar wanneer zijn toneelstuk Het badhuis op 17 maart in première gaat wordt hij desalniettemin hard aangevallen door een RAPP-criticus. Het wordt M. duidelijk dat de leiding van de RAPP niet van plan is ook maar een spaander van zijn werk heel te laten.
Hij vindt hier en daar nog bijval, maar M. is moegestreden. Hij wordt depressief. Op 14 april schiet hij zich een kogel door het hoofd.  ‘De zelfmoord was natuurlijk het resultaat van een heleboel verschillende factoren, persoonlijke, beroepsmatige, literatuurpolitieke— en zuiver politieke. M. was de laatste jaren gaandeweg tot het inzicht gekomen dat zijn diensten niet meer gewenst waren, dat hij geen vanzelfsprekende plaats had in de maatschappij die vorm begon te krijgen en waarin de literatuur en de literatuurpolitiek in steeds sterkere mate gedomineerd werden door mensen wier kwalificaties niet in de eerste plaats literair waren.’  In zijn afscheidsbrief maakt hij duidelijk dat hij geen uitweg meer ziet. 
Hij krijgt een staatsbegrafenis en er wordt een berg naar hem genoemd.
Flor Vandekerckhove

Bengt Jangveldt, Een leven op scherp, De legendarische dichter Vladimir Majakovski 1893-1930.  Uitgeverij Balans. ISBN 978 94 600 3204 2.

dinsdag 14 februari 2012

De jonge matroos en zijn oude buurman

De matroos kwam thuis nadat hij een maand lang de zee bevist had. Er lag een doodsbrief in de bus. Julia Weynaert was gestorven. Hij wist niet wie dat was.  Hij ging de trap op naar zijn flat, stak daar zijn plunje in de wasmachine en zijn deelvis in de koelkast, keek in de spiegel naar de wallen onder zijn jonge ogen en ging de trap weer af om bananen in te kopen.
In de traphall stond z’n onderbuurman hem op te wachten. ‘Buurman’, zei de jonge matroos vermoeid, ‘ik kom net thuis’, en pro forma voegde hij eraan toe, ‘hoe gaat het ermee?
Het gaat helemaal niet’, antwoordde de oude buurman, ‘het is nog te recent.
De jonge matroos begreep niet wat er te recent was, maar hij begreep wel dat de buurman het hem wilde uitleggen. ‘Ik breng je straks een visje,’ zei de matroos, ‘want de Lidl zal nu sluiten en ik moet eerst nog bananen kopen.’
Je visje kun je houden’, zei de buurman en hij schudde het hoofd.  Dat vond de matroos merkwaardig, want de oude buurman had nooit eerder een visje geweigerd.
Heb je de doodsbrief niet gezien?’ Het klonk als een zacht verwijt.  De jonge matroos antwoordde niet, zei niet ja en niet neen en wachtte tot wanneer de oude buurman het gesprek zou verder zetten. ‘Ze is dood en begraven,’ zei de buurman en de matroos begreep meteen dat Julia Weynaert ’s mans echtgenote was. Fuck!, dacht de jonge matroos, maar dat zei hij niet.  Dat zij zo heette, had hij nooit geweten.  Hij had haar altijd buurvrouw genoemd, zoals hij haar echtgenoot buurman pleegt te noemen.  Enigszins ondermaats zei hij: ‘Ai, hoe is dat gebeurd?
Het had nooit mogen gebeuren,’ antwoordde de buurman, ‘ze heeft zich verslikt in een visgraat en z’ is erin gebleven.’  Hij keek vermoeid naar de matroos en de matroos keek vermoeid terug. Een ogenblik lang leken ze even oud te zijn, de matroos en zijn buurman, verenigd in vermoeidheid.
De matroos was zelfs te moe om te weten of hij zich over die visgraat al dan niet schuldig moest voelen.  Hij had enige tijd nodig om over de kwestie na te denken. Dus zei hij: ‘Ik ga nu eerst bananen kopen. Kom daarna maar eens langs als je me erover wilt spreken.’  Waarna hij ijlings naar de Lidl vluchtte die zojuist de deur gesloten had.  Hij treuzelde een kwartiertje en sloop dan stilletjes de trap weer op, zonder dat de oude buurman het kon horen.
Die buurman bleef nog enkele dagen in zijn eentje treuren om het verlies van zijn Julia.  Toen dat verlies een beetje minder recent geworden was, klopte hij bij de jonge matroos aan om eens over de noodlottigheden van de visconsumptie te babbelen, maar toen was de matroos alweer aan ‘t varen.
Flor Vandekerckhove

zondag 12 februari 2012

Wat DE FUK is een schilderij?

[EssayDe schilderkunst van Luc Martinsen uitgelegd aan zeelui (*)]
Storm! Gij zeeman, gij die uw leven op zee doorbrengt, u moeten we niet uitleggen wat storm is. En onwetende landrotten kunnen terecht bij een zeeman die het goed weet te verwoorden, zoals kapitein Marten Toonder Sr. er een was: ‘Ik zag hoe de masten en de schoorstenen zich bogen, zodat de stagen van staaldraad zich aan de loefzijde spanden als vioolsnaren en aan de lijzijde slap kwamen te hangen. Ik zag hoe de dekkleden van de reddingboten in flarden de lucht in vlogen, en hoe het zeildoek, dat al jaren om de brugreling gespannen zat en daar sterk en onverwoestbaar weer en wind had doorstaan, in gescheurde lappen weggerukt werd en in de duisternis van de orkaanketel verdween, terwijl het stalen geraamte van de reling gebogen en verwrongen achterbleef. En uit de muil van de orkaan stortte regen neer, die niet op regen leek, maar op een massieve, neergolvende watermassa; zo dicht, dat het mij mogelijk leek dat het schip er door de schoorsteen heen mee opgevuld zou worden; zo massief, dat de spuigaten de vloed niet konden verzwelgen (…).’ (1)
Over die storm zei deze kapitein ook: ‘Het zijn ervaringen als deze die de zeeman voor altijd van de walmens zullen doen verschillen.’
Wie dat graag wilde geloven was Wiliam Turner. Hij mocht dan een walmens zijn, hij had zijn ‘huiswerk’ goed gemaakt. Meer dan wie ook is Turner erin geslaagd om stormen op doek te zetten. Ter voorbereiding had hij zee gekozen en terwijl de wind vervaarlijk aanwakkerde had hij zich laten vastbinden aan de mast, alwaar hij vervolgens oog in oog met de storm kwam te staan. Die ervaring wordt dan weer goed verwoord door de Vlaamse schrijver Bart Plouvier die Turner laat zeggen: ‘Ik word zelf deel van de beroering; ik stijg en daal, slinger en rol op het ritme van de zee; ik word onder bogen van buiswater doorgeduwd, opgenomen in spiralen van sneeuw, omhelsd door wervelingen van schuim. Het werk dat groeit in mijn hoofd, vorm aanneemt, moet deze ervaring weergeven: geen haarfijn geschilderde, in verf versteende golven; geen sneeuwvlokken die de toeschouwer desgewenst kan tellen; geen scherpe scheepscontour, geen boeg en geen achtersteven, geen campagne; geen duidelijk herkenbare rookwolk: enkel kleur en ritme, vloeiende lijnen, zoals wind die uit water en schuim kan blazen (…) De galerijbezoeker zal zeeziek worden, zijn braaksel zal waardering uitdrukken. Verkleumd zal hij de kraag van zijn jas opslaan, naar adem happen, deel van de storm worden (…).’ (2)
Geen klein bier dus, maar wat heeft dat alles met de schilderijen van Luc Martinsen te maken? Wel, er zijn meer soorten stormen. Er bestaat ook zoiets als een innerlijke storm, een storm in het hoofd, in de mens zelve. En zoals we u, zeeman, niet moeten uitleggen wat zo’n storm op zee is, zo moeten we kunstenaars niet uitleggen wat zo’n innerlijke storm is. Dichter Rainer Maria Rilke zegt daarover: ‘Ongetwijfeld is kunst altijd het resultaat van in gevaar verkeerd te hebben, van een ervaring helemaal tot het uiterste doorleefd te hebben, tot waar geen mens verder kan gaan.’
Dat geldt zeer zeker voor de Oostendse schilder Luc Martinsen. 
Wat eerst op het doek stond, wordt al vlug — Martinsen wacht niet tot de verf droog is — overspoeld en ook dat wordt al vlug weer wegge(d)rukt door de hem kenmerkende vlammende, veelal primaire kleuren: rood, blauw, geel. Veel opspattend wit ook. Elk doek toont ons een wereld van geweld, waarin weer ander geweld verzopen werd. Martinsen schildert, zoals kunstcriticus Léo Madelein het al zei, ‘erop en erover’.
Al schilderend doet deze mens niets anders dan wat William Turner hem voorgedaan heeft. Martinsen bindt zich vast aan de mast van het leven en wordt deel van de storm in zijn hoofd. Hij stijgt en daalt, slingert en rolt, wordt door die storm opgenomen en erdoor omhelsd. Om de gedachte van kapitein Toonder weer op te nemen: Het zijn ervaringen als deze die de kunstenaar voor altijd van de burger zullen doen verschillen.
Waarna de kunstenaar gehavend achterblijft, want je doet dat niet ongestraft, je zo vastbinden aan die mast. ‘Elke borsteltrek is een litteken’ zei kunstcriticus Xavier Tricot over het werk van Martinsen. Inderdaad, elk doek schreeuwt het uit: wat u hier ziet werd in pijn geboren!
Is dat niet al te ver gezocht, deze vergelijking tussen de stormen die zeelui meemaken en de stormen in het leven van deze kunstenaar. Wat heeft het werk van deze kunstenaar met de zee te maken?
Het thema van Martinsen is de vrouw. Daarin verschilt hij niet van die andere Oostendenaar Arno. Maar waar Arno (zoals in Brusseld) mooie, vaak poëtische teksten over het thema produceert, is er niet liefelijks te zien aan de manier waarop Martinsen hetzelfde thema benadert. Arno is dan ook een halve Brusselaar geworden, terwijl Martinsen het nog altijd aan de kust uitzingt.
Wie denkt dat Arno ruig is moet eens kijken naar de schilderijen van Martinsen. Dat is pas rock ‘n’ roll! Hier wordt afgebroken en opgebouwd, afgestoten en aangetrokken, misvormd en gevormd, overgeschilderd en naar voor gebracht. En als er dan eens stilte te zien is dan is het stilte voor de storm. Wat we te zien krijgen is ebbe en vloed, windkracht 10 en opspattend schuim. Dit zijn draaikolken, vervaarlijke stromingen, springtij, ontij.
Bij Martinsen is alle onschuld zoek. De vrouwen die we op de schilderijen te zien krijgen zijn niet de mamzellen van Arno, maar oervrouwen van het soort waaruit op gewelddadige manier alle leven ontspruit. Ze zijn uit storm geboren en baren op hun beurt weer storm. Het zijn oervrouwen net zoals de zee de oervrouw is. Want het is met de schilderijen van Martinsen zoals het met de zee is, waarvan Karel Jonckheere zei: ‘Zee is een wijf met een schoot als de hel… / door elk schip te berijden / tot de zeven glazen der laatste bel / van alle zeer bevrijden.’ (3) De schilder Luc Martinsen mag dan tot de wal behoren, de schilderijen die hij ons toont behoren tot de zee.
Flor Vandekerckhove

(*) Dit essay verscheen eerder in Het Vrije Visserijblad: www.visserijblad.be.
(1) Kapitein Marten Toonder Sr. (1879-1962) beschreef deze storm toen hij 73 was. De kapitein, die nochtans een en ander meegemaakt had (scheepsbrand, aanvaringen, stranding, ontploffingen…), zegde dat al dat geweld minder indruk op hem gemaakt had dan deze storm. Het verslag werd opgenomen in de bundel ‘Bij tij en ontij, 400 jaar zeeverhalen in de Nederlandse letteren’, 2000, uitgeverij Contact. ISBN 90 254 9795 0.
(2) Bart Plouvier (1951) in ‘De kleuren van de zee’, (1993) Opgenomen in de bundel ‘Bij tij en ontij, 400 jaar zeeverhalen in de Nederlandse letteren’, 2000, uitgeverij Contact. ISBN 90 254 9795 0.
Vermelden we nog dat deze Vlaamse schrijver (die ooit zeeman was) in opdracht van de overheidsrederij VLOOT in 2009 ‘Berichten van op het water’ schreef waarin hij het veelzijdige reilen en zeilen van deze rederij met liefde beschrijft. Wie interesse in dit werkje heeft kan ervoor terecht bij Vloot, Sir W. Churchillkaai 2 te 8400 Oostende. Mailen kan naar vloot@vlaanderen.be.
(3) Karel Jonckheere in Bounded Stores, een gedicht uit ‘De hondenwacht’ (1951).

Waarom zouden we langer werken?

Krijgt de politie een uitzondering op de pensioenmaatregelen
van de regering?
[Opinie] — Wie een put graaft voor een ander… is een arbeider. U kent ongetwijfeld deze even geestige als verhelderende verdraaiing van het bekende spreekwoord. Arbeid kenmerkt zich inderdaad doordat die ter verrijking van een ander gebeurt.
Die verdraaiing kan ook een parafrase genoemd worden, een omschrijving van dezelfde spreuk met andere woorden. ‘Wie een put graaft voor een ander valt er zelf in’ definieert immers evengoed de situatie van degene die arbeid moet verrichten: het werk keert zich tegen hem.  Al wie door de recente regeringsbeslissingen zijn kansen op een vervroegd pensioen in rook zag opgaan zal mij gelijk geven.
In het debat over deze regeringsbeslissingen (dat veelzeggend genoeg pas goed van start ging nadat de beslissingen al genomen waren) was er nogal wat te doen rond het begrip ‘zwaar werk’. De regering had halvelings laten uitschijnen dat wie zwaar werk verricht niet koud gepakt zou worden. Helaas blijkt dat er méér zwaar werk bestaat dan de regeringsleden voor mogelijk hielden en dus werd het debat gauw weer gesloten: iederéén moet langer werken!
Merkwaardig is de eensgezindheid die daarbij over ons heen gestort wordt: ja iedereen moet langer werken! Politici knikken goedkeurend bij zoveel daadkracht van zichzelf, denktanks buigen zich al over de volgende te nemen stappen en opiniemakers zingen de lof van al dat gezond verstand. En geen van allen schijnt te beseffen dat ze alleen maar de echo produceren van wat het kapitalisme hen voorzingt. Want ja, de Kathleen Coolsen van deze wereld dènken alleen maar dat ze onafhankelijke journalistiek bedrijven. In werkelijkheid zijn ze even goed arbeiders, in die zin dat ze een put graven voor een ander; ze zijn namelijk de producenten van de heersende opinie. Door hun studies (Cools is een filosofe), capaciteiten (ze kan het goed formuleren), bevoorrechte contacten (journalisten bewegen zich in de wereld van ons-kent-ons) en hun aanwezigheid in de media zijn zij uitermate geschikt om de opinies van de elite te verwoorden en te verspreiden. Ook zij behoren bijgevolg tot de klasse van mensen die een put graven voor een ander, een put waar ze uiteindelijk ook zelf in zullen vallen.
Hoe komt het eigenlijk dat zo’n slimme mensen dat niet inzien? In het geval van Katheen Cools is dat bijzonder pijnlijk. Van opleiding is ze filosofe. Heeft ze dan nooit gelezen wat de filosoof Bertrand Russell in zijn essay ‘Ter ere van het nietsdoen’ (*) geschreven heeft?  Spijtig, want in de openingszinnen legt hij uit waarom ze denkt dat ze tot de ‘middenklasse’ behoort die anderen wil opleggen hoelang ze moeten werken. Ik probeer te vertalen:
‘Ten eerste: wat is werk? Werk is er in twee soorten: de eerste is het wijzigen van de toestand van materie die zich op of tegen de aardoppervlakte bevindt en dat tegenover andere vergelijkbare materie; het tweede soort werk bestaat erin anderen te zeggen dat ze dat moeten doen. De eerste soort is onaangenaam en slecht betaald, het tweede werk is aangenaam en goed betaald. De tweede soort kan oneindig uitgebreid worden: er zijn niet alleen degenen die orders geven, maar ook degenen die advies geven over het soort orders dat moet gegeven worden. Gewoonlijk worden er gelijktijdig twee tegengestelde adviezen gegeven door twee georganiseerde corpsen; dit noemen we politiek. De bekwaamheid die nodig is voor dat soort werk is niet kennis van de subjecten aan wie deze orders gegeven worden, maar de kunst om overtuigend te spreken en te schrijven, d.w.z. reclame te maken.’
Goed betaald als ze zijn als uitvoerders van aangenaam werk zorgen de topjournalisten dat de verschillende tegenstrijdige adviezen over langer werken goed tot ons doordringen, zodat ook wij uiteindelijk beseffen dat we, one way or another, een tandje moeten bijsteken. Als sneeuw laten ze die opinies over de werkelijkheid neerdwarrelen tot die er volledig door bedekt is en daardoor dus onzichtbaar geworden. Ja, er zit niet anders op, het is absoluut nodig dat we langer werken!
Onzin natuurlijk. We moeten helemaal niet langer werken, maar korter. In de tekst waarvan ik hierboven de eerste zinnen vertaalde, pleit filosoof Bertrand Russell op overtuigende wijze voor de invoering van de werkdag van vier (!) uur. In 1932! Voor mezelf kan daar alleen maar de woorden van de Franse auteur Georges Perros aan toevoegen: ‘Werken! Werken! Alsof ik tijd had.’
Flor Vandekerckhove
(*) In praise of Idleness van Bertrand Russell verscheen voor het eerst in 1932. Het werd gepubliceerd in Harper’s Magazine (USA) en hernomen in de bundel Why Work, in 1983 uitgegeven door het Engelse Freedom Press. U vindt de tekst op het internet als u ‘In praise of Idleness Bertrand Russell’ googelt.