zaterdag 28 december 2013

Lezers over de roman Amandine


‘Elk hoofdstuk van Amandine staat apart in de stevige constructie die dit boek is geworden. Naast de duidelijke waarde van dit nieuwe boek is de roman een kleinood voor verzamelaars. Het werk is heel creatief en prachtig uitgewerkt. Kosten noch moeite en talent werden gespaard om van het boek ook een kijkobject te maken; de vormgeving zal de verkoop geen windeieren leggen. Met Amandine bewijst Flor Vandekerckhove dat enkel hij over de visserij kan schrijven; bij hem geen bijvangsten, geen ondermaatse vis, geen gezeik maar louter erudiet geschrijf…’
Frank Decerf, recensent, in De Auteur

‘Wat een plezier beleef ik aan die Amandine. Echt mijn mooiste meeleefboek sinds lang. En dat Anderlechts café, De Geldzak en IJsland. En ik ben nog maar halfweg…’
Jan Loones, eresenator, schepen Koksijde

'Flor Vandekerckhove, alias De Laatste Vuurtorenwachter, scherp maar immer medemenselijk observator, laat zijn legendarische pen als nimmer tevoren beeldend fonkelen. Meeslepend als de baren: in deze kaalslagtijden noodzakelijk leesvoer.'
Peter Holvoet-Hanssen, dichter, Antwerpen

‘Genoten! Sterk hoe je je eigen geschiedenis (mengeling tussen fictie en realiteit) mengt met de maritieme geschiedenis en het dan ook nog in een spannend verhaal met een – toch wel - ontroerende ontknoping verwerkt. Een doorleefd, authentiek boek.’
Katrien Vervaele, auteur, Zuienkerke

‘Ik heb net enkele bladzijden uit AMANDINE gelezen: ver-sla-vend, mon vieux! Ik voel onmiddellijk de zee en ruwe landschappen onnoemelijk ver weg.’
Didi de Paris, dichter, Leuven

‘Prachtig hoe je fictie met geschiedenis vermengt. De historische context van de vissersopstand, de Rode Vloot, de opkomst van de bokkers, d’Ollanders en teloorgang van de IJslandvisserij boeiden mij bijzonder. Het boek bezit een wat aparte kaft, die de rode draad doorheen het boek voorstelt. Kortom, een koffer verhalen fictie en non-fictie waar elke liefhebber van de zee beslist iets aan heeft.’
Joris Surmont, oud-IJslandvisser

‘Dit werk is het resultaat van onontwarbare mengeling van waar gebeurde feiten en je eigen verbeelding/fictie, een mix die bovendien geleid heeft tot een waarachtige thriller. Ik heb het gelezen aan een almaar gejaagder tempo, benieuwd hoe de queeste van de zoon op zoek naar zijn roots ging aflopen.
Gesitueerd in een nog niet zolang geleden verleden, in een omgeving die ik de laatste jaren beter en beter heb leren kennen, naar aanleiding van mijn biografie over IJslandvaarder Lucien Vanneuville uit Oostduinkerke.’
Jan Huyghe, voorlichtingambtenaar Koksijde.

‘Als zedenroman slaagt Vandekerckhove erin zijn personages menselijk en treffend te doen overkomen. Hij weet als geen ander de visserijgemeenschap fijntjes te tekenen. Wanneer in het laatste hoofdstuk alle puzzelstukken in elkaar passen, blijkt het hele verhaal te kloppen. Ook hier houdt de oude vissersmoraal echter stand: ‘wat op zee gebeurt, blijft op zee’.’
Paul Van Aelst, recensent, in hvv/boekrecensies

‘Ik heb het boek bijna in één adem uitgelezen. De spanning tussen de personages en de subtiele aanzuigkracht van de jonge Amandine maken van het verhaal een topper. Proficiat. De visserij belichten kan je als geen ander, die clan, met hun rites, geheimen en waardigheid… Ik heb er van genoten, voelde me weer dertien, veertien jaar, de periode van de Rederscentrale, de vismijn, radio Oostende en vooral de vertellingen van mijn vader.’
Doris Klausing, Oostende.

‘Ik wil je zeggen dat ik je boek met heel veel interesse en plezier gelezen heb. Ik denk dat een boek geslaagd is als de lezer daarop verder fantaseert. Dat is wat ik nu doe. Dus wat mij betreft is je boek zeer geslaagd!’
Johny Lenaerts, publicist, Leuven.

‘Amandine is een goed boek. Bedankt! Ik kijk al uit naar je volgende.’
Muriel Beuselinck, verpleegkundige, Bredene.

‘Een spannend raamverhaal. Een vuurzee, een ijszee, en meteen is de toon gezet. Wahrheit und Dichtung, droom en werkelijkheid maken er een meeslepend verhaal van. Kortom, een vlot leesbare raamvertelling, sociaal bewogen en met de allures van een detective en zelfs van een spionageverhaal.’
Johan Corveleijn, dichter, Oostende.

‘Als voorzitter van de vzw Tolerant (tot behoud van het varend erfgoed) ben ik uiteraard geïnteresseerd in de visserij. Ik heb juist Amandine uitgelezen. Boeiend, leerzaam en spannend tot op het einde!’
Fanke Lok, behoeder maritiem erfgoed, St.-Job-in’t-Goor.

‘Het is een zeer interessant boek over geschiedenis, leven en werk van het vissersvolk. Een interessant document dat samengehouden wordt door het verhaal van de ik-figuur, een boek dat gekoesterd zal worden door het nageslacht.’
Annie Vanhee, telg uit vissersgeslacht Deckmyn, Bredene.

‘Ik vind ‘Amandine’ heel boeiend en fascinerend. De combinatie van een fictief levensverhaal en een historisch onderbouwde schets van de visserij is echt geslaagd. (…) Het thema is ook wel universeel. Hoeveel mensen zijn er niet die door oorlogen en andere ellende in de wereld geen familiale roots hebben? (…) Een welgemeende proficiat! Ik vind dat je het boek moet insturen voor AKO en andere prijzen.’
Joris Devoogt, journalist, Oostende.

Wie meer over het boek wil weten vraagt het per mail aan cdvproductions@skynet.be.

vrijdag 27 december 2013

Kaloten


Een van de meest ophefmakende boeken van 2013 werd geschreven door een journaliste van de Italiaanse televisie. Haar Spotomessa e sii sottomessa werd een bestseller. 73.000 exemplaren!  Het boek van Constanza Miriano werd intussen ook vertaald, in ’t Spaans, Frans, Portugees, Pools en Sloveens. Niet in ’t Nederlands, maar wat niet is kan komen.
De Nederlandse titel zou dan luiden: Trouw en onderwerp je. En neen, dat leesvoer is niet bestemd voor mannen. Het boek richt zich expliciet tot vrouwen. Het breekt een lans voor het klassieke huwelijk, en wel in die zin dat de man het daar helemaal voor ’t zeggen heeft en de vrouw zich aan die echtgenoot dient te onderwerpen.  De Pravda van Vaticaanstad, Osservatore Romano, wijdde er op de eerste bladzijde een uitgebreide en lovende bespreking aan.
Je weet wat ze zeggen over mensen die van hun geloof afvallen. Zij worden er de heftigste bestrijders van. Dat is bij mij niet anders. 
Inspiratie, zegt Constanza, haalt ze uit de geschriften van de apostel Paulus. Ik heb die geschriften even opgezocht en ja, daar valt inderdaad nogal wat uit te leren. Paulus, een bijzonder ondernemende christenmens, heeft ferme meningen over de positie van de vrouw: ‘Laat de vrouw in stilte, in alle onderworpenheid de voorschriften ter harte nemen. Ik sta niet toe dat de vrouw onderwijst, noch dat zij de man de wet voorschrijft, laat zij zich stil houden.’
Het kan haast niet anders of zo’n positie moet zich in de kledij uitdrukken. Paulus weer: ‘De man moet zijn hoofd niet bedekken, omdat hij de afspiegeling van God is. Maar de vrouw is de afspiegeling van de man. Daarom moet zij op haar hoofd een teken van onderwerping dragen.’  Geef toe, er zit een logica in, al zou ik niet weten welke.
Wie vindt dat moslima’s er eigenaardige kledinggewoonten op nahouden, moet dat laatste citaat toch eens herlezen.  Ja, zo kennen we ze weer, de kaloten.
Flor Vandekerckhove

dinsdag 24 december 2013

Doeveren


We waren al Spaanse aken gepasseerd, linden, hazelaars, valse acacia’s, ligusters, zomereiken en een Amerikaanse vogelkers.  Aan de bosrand en op de dreefranden tierden wilde kamperfoelie, pitrus, valse salie, en wederik. In de houtkanten kon je brem zien staan, eenstijlige meidoorn en hondsroos. In de buurt van de poelen viel er niet alleen dubbelloof te ontdekken, maar ook struikheide, valse salie, wilgenroosje en gagel.
Ik schrijf al die namen over uit een wandelgidsje, want zelf heb ik er geen idee van hoe valse salie eruitziet en in wat het verschilt van de echte. De liguster kan ik evenmin van de hazelaar onderscheiden en wederik laat me eerder aan een middeleeuwse schildknaap denken dan aan een kruid.
Maar ik wil het toch wel leren, al die dingen, ook wat het dalkruid betreft, want dan zou ik u naar waarheid kunnen meedelen: ‘Het dalkruid vertelde ons dat het bos al oud is.’ Ook dat is informatie uit het foldertje, maar ik zie er toch het begin van een verhaal in, dat zich misschien in de bossen van Vlaanderen afspeelt, in Beernem bijvoorbeeld, en waarbij de plot zich pakweg rond een kasteelmoord ontwikkelt.
Ook met het plantje dat gagel heet, en dat ik in mijn onwetendheid misschien wel vertrappeld heb, kan een schrijver aan de slag, want dat is een aromatische struik die vroeger een belangrijk deel van de gruut was, de voorloper van de hop bij de bierbereiding. Meer heeft een of andere Süskind niet nodig om er een nieuw parfum bij te bedenken.  Gruut, gagel, liguster… Je gaat wandelen om eens van dat schrijven af te zijn en kijk, terwijl de boomvalk in ’t zwerk op boerenzwaluwen jaagt, dringen de verhalen zich aan je op.
Intussen stapten we wel voort. We hadden ’t bos verlaten en liepen op een recht stuk pad dat de grens trekt tussen Loppem en Waardamme. Links was weiland waarop zwarte Ierse koeien van het type galloway hun gevoeg deden. Dat was indrukwekkend, maar mijn oog werd toch aangetrokken door een oude boer die zijn erf verliet en zich een steenworp verder op een bank installeerde.
Langs die bank liep ook het pad dat het domein Doeveren doorkruist en dat we, wandelgidsje in de hand, aan het afstappen waren.  Het was wel duidelijk dat de man op een praatje rekende. Daar viel niet aan te ontkomen.
Terwijl mijn gezellin het momentum vereeuwigde, luisterde ik naar de manier waarop zo’n boer (83) zijn pensioen regelt. Hij van zijn kant toonde veel interesse in ons doen & laten. En of we kinderen hadden. Ja, ’t was wel duidelijk dat we de enigen waren die op deze druilerige herfstdag voorbij zijn bank gepasseerd waren. En dat we nog eens moesten weerkeren.
Eigenlijk zou een mens dat ook eens moeten doen. Maar ja.
Flor Vandekerckhove

zondag 22 december 2013

Neuken achter ’t altaar, met Graham Greene


— The End of the Affair, een meesterlijk katholiek verhaal —
We horen het niet graag, maar het is daarom niet minder waar: alle revolte is aanvankelijk een opstand tegen de vader. Dat simpele feit heeft merkwaardige gevolgen, want daardoor komt het dat het telkens weer de vermaledijde vader is die bepaalt welke weg de opstandige jongere inslaat. Zo komt het dat rechtse opvoeders linkse opstandelingen kweken en omgekeerd. 
Ronald Matthews is een journalist die een interviewboek geschreven heeft dat Uren met Graham Greene heet. Zegt deze Matthews: ‘Onder degenen van onze tijdgenoten in Oxford die niet bezig waren ivoren torens te bouwen, keerden de allerinteressantsten zich naar de revolutie of naar het katholicisme.
Revolutie of katholicisme? Vlamingen van mijn generatie zullen dat géén keuze vinden, maar in het anglicaanse Engeland ligt dat anders: ‘Ik ben er niet zeker van of het katholicisme niet het meest radicale antwoord van de twee voor hen was.’ Enkele bladzijden verder zegt Matthews ook: ‘Hoeveel gemakkelijker om uit onze dilemma’s te komen was de weg, die leidde door de uiterst linkse richting in de politiek. De revolutionair in Engeland verloochende het geloof van zijn kindsheid niet, hij zette het verder. Want de bezielende geest van de werkliedenbeweging in Engeland kwam niet van het marxisme, maar van het methodisme, zelf een onbetwijfelbaar, zij het ongetwijfeld onwettig kind van de anglicaanse kerk.’  Wie zich tegen de Engelse papa wil verzetten wordt dus katholiek. Aldus deze Matthews. Hij en Greene bekeren zich overigens ook tot dat geloof.
Van Graham Greene heb ik alleen Onze man in Havana gelezen, een boek dat, herinner ik me, bijzonder prettig om lezen is. Ik heb enkele films gezien die naar Greenes boeken gemaakt werden: The Third Man, The Quiet American en The end of the affair (in de versie van 1999). Mij lijken het drie meesterwerken van verhaalkunst te zijn.
De inspiratie voor de eerste twee verhalen haalt Greene uit zijn spionageactiviteiten, want ja, hij is niet alleen katholiek, maar ook spion. 't Zijn dan ook bezigheden die elkaar niet in de weg staan. The End of the Affair is in de thematiek dan weer een katholiek verhaal te noemen èn een meesterwerk. Elkeen die een katholieke opvoeding achter de kiezen heeft, zal zich in dat verhaal van schuld, gelofte en boete herkennen.
Uit zijn brieven blijkt dat Greene een niet erg
katholieke katholiek was.
Maar hoe zit dat nu eigenlijk met dat katholicisme van Greene? Ik blijf het me afvragen, ook omdat de onverdacht katholieke website CatholicAuthors.com enige reserves uit. Daar heeft men het over Greene als over een ‘metafysische mutant even fascinerend als Jekyll en Hyde en misschien wel even futiel.’  Zijn werk lijkt wel van grote diepte te zijn, zo luidt het, maar dat is slechts schijn. Dieper dan een gracht gaat het niet, alleen camoufleert Greene dat vakkundig met veel troebel water.  Neen, da’s niet erg lovend.
Uit zijn brieven, verzameld in Graham Greene. A Life in Letters, komt inderdaad een eigenaardige katholiek tevoorschijn. Huwelijkstrouw is aan hem niet besteed, hij drinkt meer dan goed voor hem is, hij is een notoir hoerenloper, stelt de onfeilbaarheid van de paus in vraag en consumeert ook graag enige opium. In Italië neukt hij zijn minnares in een kerk, achter het altaar. Moet kunnen, maar of je daarmee in de hemel komt?
Het probleem is uiteraard dat Greene, zoals elke mens, een meerduidige identiteit heeft. Het tijdschrift The Nation somt een en ander op: ‘A stranger with no shortage of calling cards: devout Catholic, lifelong adulterer, pulpy hack, canonical novelist; self-destructive, meticulously disciplined, deliriously romantic, bitterly cynical; moral relativist, strict theologian, salon communist, closet monarchist; civilized to a stuffy fault and louche to drugged-out distraction, anti-imperialist crusader and postcolonial parasite, self-excoriating and self-aggrandizing, to name just a few.’ Je hebt geen vertaling nodig om te beseffen dat er op die mens geen stempel te zetten valt. En dat al deze tegenstrijdigheden een schat aan verhalen opgeleverd hebben, is ook een feit.
Flor Vandekerckhove

vrijdag 20 december 2013

Tony Garnett, waardig ouder worden


Kes van Ken Loach. Filmproducent is Tony Garnett.
Op het 64ste filmfestival van Berlijn (6-16 februari 2014) gaat de Gouden Erebeer naar de Britse filmmaker Ken Loach. Het festival brengt een hommage aan deze regisseur die, zo lees ik, inmiddels de gezegende leeftijd van 77 jaar bereikt heeft.
Het bericht verheugt me, want daarmee wordt een regisseur gelauwerd waarvan ik veel werk gezien heb, en zo moet ik eraan toevoegen, met evenveel genoegen als instemming. Meer zelfs, in mijn denkbeeldige top-tien van de meest beklijvende films staat Kes (1969) helemaal vooraan.
Zelf zag ik die film in 1971, in Safraanberg, niet zover van Sint-Truiden, waar ik als soldaat-milicien een opleiding te verduren kreeg. Ik werd erdoor van mijn sokken geblazen, van de film bedoel ik, niet van die opleiding.  Zo’n film had ik nooit eerder gezien. Vandaar dat ik Ken Loach en de zijnen achteraf goed in ’t oog bleef houden. Daardoor wist ik al gauw dat Loach veelal met dezelfde mensen samenwerkt. Producent Tony Garnett is zo iemand. 
Ook die Garnett, 77 net als Loach, krijgt tegenwoordig veel bloemen toegesmeten. Het British Film Institute omschreef hem deze zomer als een van de meest invloedrijke televisiefiguren. Inmiddels heeft hij zich uit dat vak wel teruggetrokken. De vrijgekomen tijd gebruikt hij nu om te schrijven.
Dat Ken Loach zich aan de uiterst linkse zijde van het politieke spectrum ophoudt weet wellicht iedereen. Maar ook filmproducent Tony Garnett mogen we daar situeren. Da’s op ’t eerste gezicht een beetje vreemd, want ja, zo'n producent is toch iemand die op zoek gaat naar geld, die zorgt dat ‘de zaken’ goed geregeld zijn. In zo’n job verwacht je types die financieel gewin nastreven en dan is uiterst links wel de laatste plaats waar je zo’n mens verwacht. Het blijkt een vooroordeel te zijn. Tony Garnett: ‘Ik kwam uit een arbeidersfamilie, gereedschapsmakers, meester-stukadoors, metselaars, automecaniciens. Ik eindigde in de BBC, en dat is een culturele ommezwaai. Toen ik 21 was verdiende ik meer geld dan waar mijn vader van kon dromen.’ Tony komt in een ander milieu terecht, maar hij vergeet het nest niet waaruit hij ontsproten is.
In de late jaren zestig kwam hij in contact met Jim Allen (1926-1999), nog een naam die we regelmatig in de aftiteling van Loachs films tegenkomen. Jim behoorde tot de trotskistische linkerzijde. Hij nam Garnett mee naar de dokwerkers van Liverpool en daar leerde hij Gerry Healy (1913-1989) kennen die op hem grote indruk maakt. Die Healy was dan ook een van de meest merkwaardige types uit het linkse Groot-Brittannië van die dagen. Hij leidde daar de Socialist Labour League, een trotskistische splinter. Ik schreef eerder al een stukje in deze blog over die mens, onder de spetterende titel Gerry Healy, de Pol Van Den Driessche van het trotskisme. Je moet daar maar eens naar googelen, het staat hier.
Tony Garnett was in die tijd politieke bijeenkomsten aan ’t organiseren, een soort debatclubje dat elke vrijdag bij hem thuis samenkwam: ‘Het waren open vergaderingen, toegankelijk voor iedereen die zich links voelde. Leiders en aanhangers van alle belangrijke linkse politieke tendensen namen eraan deel. Tariq Ali bezocht die vergaderingen gedurende enkele weken, maar liep er uiteindelijk van weg, roepend dat hij niet van plan zich met salonsocialisten bezig te houden.
Jo Clauwaert, uitgever van mijn roman Amandine,
stuurde een exemplaar van het boek naar Trevor
Griffiths. Het staat daar nu op zijn schoorsteenmantel
naast een van de laatste brokken steenkool die de
mijnwerkers in Wales uit de grond haalden.
Garnett nodigt ook Healy uit. ‘Na drie of vier weken domineerde hij heel de bijeenkomst. Veel vertegenwoordigers van andere tendensen haakten af. De positie van Healy was superieur.  Hij was een betere debater dan de anderen,  hij was meedogenloos… en hij joeg hun schrik aan. Ze durfden gewoon niet weer te komen. Het was echt interessant om dat gade te slaan.’
Alhoewel hij zelf niet tot Healy’s League toetreedt, speelt Tony Garnett een grote rol in de ontwikkeling van die bond. Regisseurs, schrijvers en acteurs, waaronder Ken Loach, Mercel, Roy Batterby, Corin en Vanessa Redgrave, geraakten op die vrijdagvergaderingen al evenzeer onder de indruk van Healy en velen sloten zich aan bij zijn Socialist Labour Ligue.  Theatermaker Trevor Griffiths (°1935) vereeuwigde deze ontmoetingen trouwens in een stuk dat The Party (1973) heet.
Wie bij dat alles de ogen ten hemel slaat en een neiging voelt opkomen om met de wijsvinger tegen het hoofd te tikken, begrijpt wellicht niets van de tijdgeest waarin die dingen gebeurden. Garnett zegt daar zelf over: ‘In 1974 was er een potentieel revolutionaire situatie. Mocht je in die tijd een sterke revolutionaire beweging en leiding gehad hebben, dan was er een kans… Ken Loach, Jim Allen en ik deden Days of Hope, waarin we drie mensen volgden, verwanten, vanaf 1916 in de Eerste Wereldoorlog tot het verraad van de algemene staking van 1926. Wat we ermee wilden zeggen was dat we uit die geschiedenis lessen moesten trekken, of dat het anders opnieuw zou gebeuren. Maar de film had geen effect, want het is weer gebeurd.’
Maar waarom trad Garnett niet toe tot Healy’s club? ‘Voor mij start politiek met liefde. We zijn afhankelijk van anderen. Een socialistische cultuur is het enige wat ons kan toelaten met anderen in vrede te leven, elkaars creativiteit te stimuleren, het leven waardevol te maken. Het alternatief dat ons opgelegd wordt is een maatschappij waar iedereen concurreert en niet samenwerkt, waar iedereen economische en sociaal voordeel ten nadele van de anderen wil krijgen en waarin iedereen volkomen  onverschillig blijft voor het lijden van die anderen.’
Hoe zo’n socialistische maatschappij er moet komen, weet Garnett niet: ‘Ik heb geprobeerd om de waarheid over de wereld te vertellen en ik heb daarbij het grootst mogelijke platform gebruikt. Hoe dat vertaald moet worden in praktische politiek is moeilijk. Ik heb daar geen antwoord op, behalve dat je met anderen verbonden moet blijven.’
Inmiddels is deze film- en televisiemaker aan het einde van zijn carrière gekomen. Hij maakt de balans op. Mocht hij vandaag twintig zijn, zo zegt hij, dan zou hij zich niet meer met film en televisie bezighouden: ‘Ik zou naar de nieuwe technologieën kijken. Ze zijn ontregelend en in een kapitalistische maatschappij vormen ze een probleem voor beroepsmuzikanten, uitgevers en ook in de filmindustrie. Maar ze vormen een wondermooie kans en in een socialistische maatschappij zouden die nieuwe technologieën omarmd worden.’
Tony Garnett. Mocht ik vandaag twintig zijn dan zou ik
uitsluitend met het internet werken.
De nieuwe technologieën openen inderdaad mogelijkheden ‘De barrières om verhalen op een scherm te vertellen zijn min of meer verdwenen. Wanneer ik begon was de kost immens. Er waren dure, complexe camera’s nodig die bediend werden door hooggeschoolde professionelen, die film gebruikten die in een laboratorium moest ontwikkeld worden. Enkele bedrijven bezaten alles, slechts enkele gepriviligeerden werden erin toegelaten en zij konden alleen maar filmen wat de corporaties hun toelieten. Nu kan zelfs een kind aan een tweedehands camera geraken en ermee filmen. Je kunt de film uitbrengen op een laptop en het op een server smijten waar miljoenen mensen hem kunnen zien… Mocht ik nu twintig zijn dan zou ik uitsluitend met het internet werken.’
Op dat internet staan nogal wat interviews met de mens en ik sprokkelde schaamteloos her en der citaten. Het slot van een van die interviews wil ik u evenmin onthouden: ‘Geschiedenis is een verhaal. Het is geen gegeven. Waarheid is een klassenbegrip. Feiten moeten in een context geplaatst worden om waarheid te worden. Die waarheid is een strijd waar constant over geredetwist wordt. En verhalen vertellen helpt om het debat over die waarheid te voeren. Daarom zouden arbeiders hun verhaal moeten vertellen. Ik zou een oproep aan de jongeren willen doen om hun eigen politieke films te maken; neem interviews af, vooral met oudere kameraden, en durf ze te tonen op het scherm. Films maken is voor iedereen.’
Krasse uitspraak van een kranige oude knar. Zoals gezegd, Garnett is 77. Dat is pas waardig ouder worden!
Flor Vandekerckhove

donderdag 19 december 2013

Op zoek naar de Slag aan de IJzer in… Oostende


Het panoramagebouw werd in Oostende in 1926 geopend op de plaats waar
zich nu het stadhuis bevindt.
Ik ga je zeggen hoe ’t gaat. Je bent een boek aan ’t lezen. In dit geval is het een boek dat Walter Benjamin in 1940 over de dichter Baudelaire kon publiceren. Ergens blijft je oog vasthaken. Hier gebeurt dat aan een passage waarin Benjamin het over de opkomst van het panoramaschilderij heeft. En vervolgens brengt het ene het andere voort. In dit geval is dat een zoektocht naar zo’n panorama dat ooit ergens in Oostende opgesteld stond.
Aan het begin van zo’n zoektocht weet je niets. Of bijna niets. Je weet dat zo’n doek in een cirkel opgespannen wordt en bijvoorbeeld een historisch tafereel uitbeeldt. De toeschouwer bevindt zich in ’t midden en ziet het hele schilderij door rond te kijken.
Dan ontdek je op ’t internet dat er wel meer bestaan. In Eigenbrakel is er een van de Slag bij Waterloo. In Den Haag zijn er zelfs twee: het panorama Mesdag is een Zicht op de Noordzee en het panorama Wauters toont ons een Slag bij de piramiden. Uiteindelijk verzamel je een indrukwekkende lijst van bestaande en vergane panorama’s, maar je vindt nog altijd niets over zo’n Oostends schilderij.
Of toch. Uit mijn collectie oud papier haal ik een krantenartikel van 30 januari 2007. Reporter Dany Vanloo is op een medemens gestoten die een grote passie voor panorama’s heeft. Hij wil, zo noteert Vanloo, zich inspannen om een panoramaschilderij te herstellen dat ‘Slag aan de IJzer’ heet. Het is een werk van schilder Alfred Bastien, 120 meter lang en 40 meter breed. ‘Het vond een gepaste plaats in een cirkelvormig paviljoen dat op de plaats stond waar zich nu het stadhuis van Oostende bevindt.
Nu wordt mijn zoektocht kinderspel. Op een van die websites die zich warm aan ’t lopen is om de Groote Oorlog te herdenken, vind ik een indrukwekkende titel ‘De geschiedenis van het IJzerpanorama (het Panorama van de IJzerslag / Panorama de la Bataille de l’Yzer) geschilderd door Alfred Bastien (1873-1955).’
Daar krijgt het doek wel andere afmetingen (115 meter x 14), maar er is geen twijfel mogelijk, het is wel degelijk het panorama dat ik zoek: ‘Tot 1926 werd het tentoongesteld in Brussel. Daarna verhuisde het IJzerpanorama naar een nieuw panoramagebouw in Oostende.’ 
De toeschouwers zagen het westelijk gedeelte van het front met de duinen en de zee, de Belgen aan de IJzer, de Franse troepen, Nieuwpoort met het sluizencomplex, Diksmuide en tenslotte Ieper, met het beeld van de verwoeste Lakenhallen en de kathedraal.  In drie jaar tijd had het in Brussel 740.000 bezoekers getrokken.  In 1923 moest het daar weg en de bankiersgroep die het panorama uitbaatte koos voor Oostende, waar jaarlijks massaal veel Britten ontscheepten. Het Oostendse panoramagebouw werd in 1926 in gebruik genomen. 
Nu kijken we in de wereldwijde fotobak van Google en ja, we vinden daar twee foto’s van de rotonde waarin het panorama destijds tentoongesteld werd: een van de bouw in 1926 en een van de afbraak van datzelfde gebouw in 1950.
De rotonde werd in 1952 afgebroken. De vrachtwagen geeft een idee van de
grootte van het gebouw.
Aanvankelijk verliep de exploitatie succesvol, maar in 1938 kwamen er nog nauwelijks bezoekers. In 1944 bevond het doek zich in erbarmelijke staat. Het gebouw was bij het begin van de oorlog gebombardeerd en het doek had heel de oorlog blootgestaan aan weer en wind. Het was aangetast door schimmel en het telde meer dan 400 beschadigingen.
In maart 1950 besliste het stadsbestuur dat het gebouw moest ontruimd worden. Het doek werd overgebracht naar het Legermuseum te Brussel.  De metalen constructie van het panoramagebouw werd door de Belgische Genie gedemonteerd. De rest van het gebouw werd in 1952 afgebroken door een plaatselijke aannemer. In 1956 werd het nieuwe stadhuis van Oostende gebouwd op de plaats waar de rotonde had gestaan.
In 1980 werd het doek in stroken gesneden en opgerold opgeborgen in het depot van het museum. De tekst besluit hoopvol: ‘Of zou een Comité van Vooraanstaande Belgen onder Hoge Bescherming in staat zijn het IJzerpanorama weer in volle glorie te tonen aan het Belgische volk in 2014 bij de honderdjarige herdenking van de Slag aan de IJzer?’ IJdele hoop. Het IJzerpanorama zal wellicht nooit meer te zien zijn. (*)
Flor Vandekerckhove


zondag 15 december 2013

Doris Lessing, van commie tot soefi


Doris Lessing (1919-2013)
Lang voordat ik met deze blog begon, had ik al de gewoonte om tijdens het lezen notities te maken. Sinds ik die in een blog onderbreng, groeit m'n stapel schriftjes uiteraard niet meer, maar ik blader er nog wel eens door. Vandaag vind ik daarin aantekeningen die ik genoteerd heb toen ik destijds de autobiografie van Doris Lessing aan 't lezen was: Onder mijn huid (tot 1949) en In de schaduw (tot 1962).
In die notities zie ik dat mijn oog al blijft haperen aan het motto dat zowel het eerste als het tweede boek voorafgaat: ‘Individuen en groepen moeten leren inzien de ze de maatschappij pas werkelijk kunnen hervormen, en pas als redelijke mensen met anderen kunnen omgaan, als het individu heeft geleerd om de uiteenlopende patronen van autoriteiten en regelgevers (zowel in de persoonlijke als in de publieke sfeer) die hem in een keurslijf dwingen, op te sporen en er rekening mee te houden. Want wat zijn verstand ook zegt, zolang het patroon van die dwingende macht nog in hem voortleeft, zal hij altijd tot gehoorzaamheid terugvallen.
Ik weet niet meer waarom ik dat citaat toentertijd het noteren waard vond, maar ik heb wel een vermoeden. Het heeft, zo denk ik, te maken met een auteur die ik enkele jaren eerder ontdekt had.
Cornelius Castoriadis, een filosoof en econoom, die in het extreem linkse Frankrijk van het midden van vorige eeuw een rol gespeeld heeft, eindigt zijn publieke bestaan als… psychiater. Hij is van mening dat onze geest even goed onderwerp van kritiek en actie moet zijn als de economie en de maatschappelijke verhoudingen. Wat ik vandaag evident vind — wordt niet heel de mens tot in het diepste van zijn persoonlijkheid van het kapitalisme doordrongen, ligt ook het 'moi profond' niet in dat kapitalisme gemarineerd? —, vond ik toen merkwaardig. Het motto waarmee Lessing haar autobiografie laat voorafgaan deed mij wellicht aan psychiater Castoriadis denken.
Het citaat is, zo lees ik nog in die notities, afkomstig van Idries Shah en Lessing vond het in diens boek Caravan of Dreams. Die Shah is, zo lees ik op het internet, een Afghaanse schrijver die o.a. over het soefisme schreef, een mystieke traditie uit de vroege islam. In de jaren zestig kwam Lessing onder ’s mans invloed. Ze ging de Soefibeweging in woord en daad steunen.
Boeiend vind ik wel dat Doris Lessing niet zo veel eerder een andere beweging gesteund heeft. Van 1944 tot 1954 schrijft ze radicale teksten over sociale bevrijding, want ze is dan lid van de Communistische Partij, net zoals haar tweede echtgenoot Gottfried Lessing, wiens naam ze, ook na de scheiding, blijft gebruiken (zelf heet ze Doris May Tayler.)
Die Gottfried heeft een flink stalinistisch palmares. Hij is een Duitse vluchteling die een rol gespeeld heeft in de oprichting van de Communistische Partij van Zuid-Rhodesië (nu Zimbabwe). Later wordt hij partijfunctionaris in de DDR. Hij beëindigt zijn carrière als DDR-ambassadeur in Oeganda. Daar wordt hij in 1979 trouwens tijdens rellen vermoord. Hij is de oom van Gregor Gysi, de leider van Duitse Linke.
Het communisme zal ook het verdere leven van Doris Lessing bepalen, zij het op een heel andere manier dan het dat van haar ex-echtgenoot Gottfried gedaan heeft. Bij Doris vinden we die ervaring op een of andere manier weer in de vruchten van haar schrijfpraktijk.
In 1949 verlaat ze Zuid-Rhodesië en vestigt zich in Londen.  In die periode verandert het politieke klimaat. In de jaren vijftig is het wel afgelopen met de revolutionaire verwachtingen die na WO II de kop opstaken. In Groot-Brittannië wordt ze nog wel lid van de Communistische Partij, maar in haar gedachten heeft ze er al afscheid van genomen. In haar autobiografie heet het zo: ‘Als er een map gemaakt zou worden van mijn opinies dan zou ik meer als een trotskist beschreven moeten worden — en in om het even welk communistisch land zou ik neergeschoten zijn als ik maar een honderdste zou gezegd hebben van wat ik dacht.’  Zelf heb ik van dat vermeende trotskisme bij haar geen enkel spoor gevonden. Wellicht gebruikt ze het woord op stalinistische wijze: alles wat niet door de partijlijn geijkt wordt, valt onder het scheldwoord trotskisme. 
Hoe kijkt ze later zelf op haar politieke engagement terug? ‘Wanneer ik politiek actief werd en communist, dan was dat omdat zij de enige mensen waren die ik ooit ontmoet had die de rassenbarrière in hun eigen leven bevochten.’ De inval van de Sovjets in Hongarije (1956) en de geheime rede waarin Kroetsjev Stalin van zijn voetstuk stoot, doet voor Doris Lessing, zoals voor vele anderen, de partijdeur dicht. Zelf geeft ze daar in 1982 uitleg over in de NYTimes: ‘Sommige mensentypes doen aan politiek omwille van religieuze redenen. Ik denk dat het tamelijk gewoon is bij socialisten: het zijn, in feite, godzoekers die uitkijken naar Gods rijk op aarde. Veel hervormers van de godsdienst waren eveneens zo. Het is hetzelfde psychologische pakket, te proberen het huidige te vernietigen voor een of andere betere toekomst — altijd aannemend dat er een betere toekomst zou zijn. Als je niet in de hemel gelooft, dan geloof je in het socialisme. Toen ik in mijn communistische fase was, geloofden ik en de mensen rond mij — en dat maakt het natuurlijk ijkbaar ­— dat zo’n tien jaar na de Tweede Wereldoorlog de wereld communistisch zou zijn en perfect.’ 
Niet dus! En ze trekt een besluit: ‘Ooit was ik een idealistische en utopische communist, en neen, ik ben daar niet trots op. De echte politiekers zijn een andere diersoort, en ik ben kwaad omdat ik dat evidente feit niet opgemerkt heb. Ik had een neiging tot mysticisme — niet religie — zelfs toen al.’ Die neiging kon ze volop ontplooien bij de soefi’s waarvan ze zegt dat ze ‘de substantie zijn van deze stroming die de mens tot een hogere stadium in de evolutie kan ontwikkelen.’ Mij lijkt het dat die belofte in niets verschilt van het heil dat ze eerder van het communisme verwachtte. 
Doris Lessing overleed op 11 november. Ze werd 94. De winnares van de Nobelprijs schreef meer dan vijftig romans.
Flor Vandekerckhove

dinsdag 10 december 2013

Kerst op de Oostendse Oosteroever


In de stad werd feestsfeer aangebracht: lampenslierten, luidsprekers en omgehakte sparren. Daar was op de Oostendse Oosteroever wel niet zoveel van te zien, maar in de vismijnkantine waren de diensters wel een kerstboom aan het neerpoten. Dat ze er last mee hadden zag ik wel, en dat zagen ook de zeven vissers die een pilsje aan ’t drinken waren. We keken. Twee vrouwen worstelend met een veel te grote boom. Mooi beeld, Freud zou er iets bij bedacht hebben.
Een van de meisjes kwam voor me staan en vroeg of ik me kon verwarmen, met dat weer, en dat het nu toch wel echt winter geworden was. Ik bestelde een koffie. Toen ze die ging halen, keken acht paar mannenogen naar haar lange benen. Ik nipte aan mijn koffie, voelde de hitte, vocht tegen de slaap en keek door het raam de nacht in die zo zwart was als mijn koffie. Alles zat potdicht, gevangen in een stilte die langzaam geopend werd door de naderende dreun van een trage scheepsmotor. De nacht werd gevuld met een reusachtig schip dat voorbij het raam schoof. Ik keek naar de vissers die van hun kruk opgestaan waren. Ze kleedden zich op voor de nacht. Waar gingen die mannen heen? De journalist in mij werd wakker. Ik besloot hen te volgen.
Ik stond recht, knoopte mijn jas dicht en maakte aanstalten om te betalen. De waard van de kantine was me voor. Laat maar zitten, zei hij, laat maar, jongen, ’t is eentje van het huis. Vreemd, dacht ik nog, en terwijl ik naar buiten liep, hoorde ik de stem van de waard die me bij de deur deed stoppen. Wacht, riep hij me toe, wacht, we gaan met je mee. Verbouwereerd keek ik om. De diensters trokken snel hun jas aan en de waard graaide in de kassa. Ik keek weer naar de vrouwen die verrekt mooie benen hadden.
De straten lagen er desolaat bij. Anders dan in de opgesmukte stad was hier alleen maar harde werkelijkheid. Ik keek de nacht in en zag de mastlichten van het schip. Langzaam werd het de dokken ingezogen. Ik liet me leiden door het licht dat nu en dan achter pakhuizen verdween, achter bergen zand en houtstapels, waarna het weer tevoorschijn kwam. Opeens bleef het hangen. Ik draaide mijn raampje open en hoorde het rustige stampen van de scheepsmotor.
Eén van de diensters opende een deur.  Ik zag hoe mijn passagiers de wagen verlieten. Alle drie gingen ze... Verdwaasd liepen ze verder en in minder dan geen tijd had de nacht hen opgeslokt. Ik bleef alleen achter. Langzaam reed ik verder. Het autoklokje zegde me dat het vijf voor twaalf was. Het vaartuig vond ik in het meest afgelegen dok, tegen de verste kaaimuur, aan de verste meerpalen. Een mastodont. Ik stopte, stak een sigaret op en liep te voet naar de passerelle.
In de verte dacht ik iemand… Drie schimmen kwamen uit de andere richting op het schip afgelopen. Ik aarzelde… verstopte me achter een container. Het waren... Ik zag de waard, de twee vrouwen… Zonder aarzelen liepen ze de loopbrug op. Dat was meer dan ik kon verdragen. Gewapend met mijn perskaart klom ik aan boord. Complete stilte. Is hier iemand? Mijn stem werd alleen beantwoord door de echo. Ik werd aangetrokken door het motorruim. Openstaande stalen deur. De hitte sloeg mij in het gezicht. Bewegende schaduwen. Volk. Ik daalde de ijzeren ladder af tot op de loopbrug die rond de motor liep. Heet. Ik keek verder het ruim in en zag...
Helemaal in de verste hoek, vlak bij de werkbank, zag ik een jong koppel zitten. Gehurkt. Vreemdelingen. Een man en een vrouw. Clandestiene passagiers! Verstekelingen! Mensen die alhier ‘zonder papieren’ genoemd worden. Het paar zat gebogen over... Neen maar... De vrouw had in het motorruim een kind ter wereld gebracht, tussen de olie en het smeervet. Al de miserie van de migratie was daar in een hoek van het schip samengebracht, en ook de hoop op beterschap. Ik keek om me heen en merkte nu ook de vissers op die ik in de kantine al had zien zitten. Ik zag pretlichtjes in hun vermoeide ogen. Dit was al te gek. Het tafereel was te duidelijk om waar te kunnen zijn. Het paar, het kind. Vissers als herders. Het mastlicht dat me geleid had. De scheepsmotor die zijn warmte over het kind legde. De waard en zijn diensters als de drie wijzen. En neen, in deze stad zou geen plaats voor hen zijn. 
Opeens voelde ik een hand op mijn schouder. Ik schrok wakker en keek recht in de ogen van een van die diensters. Het duurde dertig lange seconden vooraleer ik de omgeving herkende. 't Zal door de warmte zijn, zegde ze vergoelijkend, maar slapen moet je thuis doen. Vooruit, we sluiten. Voor mij stond een kopje koude koffie.
Flor Vandekerckhove