donderdag 9 mei 2013

Ontstaan en verdwijnen van het negerdorp


— De Noordstraat toont ons dat 'het negerdorp' een volwaardige wijk was, met winkels, stenen straten en voetbpaden. Op het einde van de straat zien we een groot schoolgebouw. —



Lang, heel lang geleden, in een buitenwijk van Oostende, meer bepaald in de Marinestraat, werd Irma Maria Saelens geboren. Veel later, maar toch ook lang geleden, baarde Irma een kind en toen dat kind oud en wijs geworden was, schreef hij de geschiedenis van de wijk waarin zijn moeder het levenslicht zag. (1) Daardoor weten we dat de Marinestraat in de (Oude) Vuurtorenwijk lag, thans beter bekend als de Oostendse Oosteroever
De kleine Irma kwam in de drukte terecht, want vanaf 1898 werd er hard aan de havenuitbreiding gewerkt, waardoor er ‘vreemd en ruw volk’ toestroomde. ‘Het gedrag van sommigen onder hen verwekte bij de plaatselijke bevolking beroering omdat er toen nogal eens baldadigheden gebeurden. Daardoor kreeg de wijk ook een minder goede naam.’
De wijk ‘ontplooide zich in de driehoek gevormd door de reeds in 1850 gedeeltelijk bestaande Fortstraat, de Vuurtorensteenweg (ongeveer de huidige Hendrik Baelskaai) en de Kongolaan (nu Dokter Eduard Moreauxlaan).’ En het ging vooruit. De 700 bewoners van 1892 waren er in 1900 al 3.000 geworden.
Er werden nieuwe huizen gebouwd, straten aangelegd en er kwam een kerk die door deken Decannière ingehuldigd werd. Voorwaar een merkwaardig man, want ons werd een van ’s mans preken overgeleverd waarin hij zijn evangelische waarden als volgt uit: ‘Dedéé die Kristus aan ’t kruus genageld hen da was van da goedje, van dat gespuus, hoe zoen ‘k het zeggen, lijk da volksje dat op de bassing kolen lost.’ En zeggen dat het juist da volksje, dat gespuus, da goedje was dat in de wijk huisde. Aan de andere kant van de haven, in het mondaine Oostende, werd die wijk geringschattend ’t Neigerdorp genoemd, naam waarvan de oorsprong niet eenduidig is. Die kan verband hebben met het bestaan van een Kongolaan, maar hij kan ook verwijzen naar het zwarte uiterlijk van de kolenlossers en stokers die er woonden of naar hun kinderen die er vuil en slecht gekleed bijliepen. Iemand verwijst naar het naam negorij. Pedro Logghe een oud-bewoner heeft altijd horen vertellen dat de naam negerdorp dateert toen de Duitsers in 1914 de mensen daar omzeggens allemaal zwart aantroffen omdat die van de gelegenheid gebruik gemaakt hadden om de koolperken te ledigen. Zelf verkiezen we Leopold Soenens als vader van deze benaming, een pastoor die zijn kwispel op ’t Hazegras zwaaide. Toen hij een bezoek aan zijn buitenparochie in de Vuurtorenwijk bracht, zou hij geroepen hebben: ‘’t Is hier precies een negerdorp.
Oud-bewoner Pedro Logghe op de arm van zijn vader. Rechts
staat zijn moeder. De oudere vrouw is zijn 'meetje' die later in
Bredene het bekende café Queen Mary zou uitbaten.
De bewoners maakten er een geuzennaam van:
‘Wieder van ’t Neigerdorp’.
Naarmate de wijk groeide, vestigde er zich ook een middenstand: ambachtslui, winkeliers, handelaars. Naast de gelijkvloerse arbeidershuisjes kwamen er woningen met twee verdiepingen. Aan de noordzijde van de Fortstraat stonden zelfs enkele villa’s. En er waren veel cafés. Verschillende cafénamen uit de oude wijk zag men later terugkomen in de nieuwe Vuurtorenwijk, zoals Tivoli en Zeemanshuis.  Dansen kon men in ’t zaaltje van Stance in de Liefkemoresstraat of bij Boelings in de Stokerstraat. Ook Au repos des invalides op de Groenendijk vindt zijn oorsprong in het ‘negerdorp’.
Rudolf Weise geeft een uitputtende opsomming van namen en toenamen van mensen die er gewoond hebben. Veel herbergiers, matrozen en stokers, dokwerkers, kolenlossers, visleurders en vissers, dagloners, allerhande stielmannen, enkele bedienden, winkeliers, enkele aannemers van metselwerken; veel verdwenen beroepen ook: vuurtorenwachter, stoomtramstoker, aansteker van straatlantaarns… Er was een politiebureau en er waren twee schooltjes.

Al sinds 1907 waren er plannen om in Oostende een nieuwe vissershaven aan te leggen en een nieuwe, daarop aansluitende woonwijk te bouwen die meer landinwaarts zou liggen, ten oosten van de Kongolaan. Vanaf 1922 werden de gronden op de oude Vuurtorenwijk onteigend. In datzelfde jaar startten de werken om het Visserijdok aan te leggen, de schutssluis, de vismijn, het bestuursgebouw en de slipway. De nieuwe vissershaven werd in 1934 ingehuldigd. De werken voor de aanleg van een nieuwe Vuurtorenwijk (in de volksmond nog altijd de OPEX) verliepen moeizamer.  Feit is dat de oude wijk in 1930-‘31 helemaal leeg liep. ‘Veel Vuurtorenaars hebben toen met gekuiste stenen van de afgebroken huizen, waarover ze vrij mochten beschikken, geheel of gedeeltelijk, een nieuwe woning opgetrokken. Dit gebeurde onder meer op de Bredense Groenendijkwijk, waar vanaf 1925 een tweehonderdtal huizen gebouwd werden, en op de wijk Sas-Slijkens.’ In 1932 woonden er in het negerdorp maar 24 mensen meer.
Flor Vandekerckhove

Dit stuk werd in 2013 gepost en in 2020 opgefrist.

(1) Rudolf Weise, De schorre van Lissemoris en de oude Vuurtorenwijk, 42 ps. Herziene uitgave, november 2004. Alle citaten komen uit dat werk.



De oosteroever bezongen op youtube

2 opmerkingen:

Unknown zei

Een prachtig stukje geschiedenis die mijzelf zeer aangrijpt daar ik opgegroeid ben op den Opex. Mijn grootouders waren uit die periode.

Deroo jacques zei

Op Die ‘vuurtorenwijk’ brak er colera uit en vielen er verschillende doden door ziekten omdat daar geen rioleringen waren. Ministerie van volksgezondheid moest ingrijpen. Oostende was in brussel zeer goed vertegenwoordigd en zonder boe of ba, annexeerde oostende dit stukje die toen van bredene was en beloofde rioleringen aan te brengen. In brussel vertelde oostende dat bredene daarvoor geen geld had. Bredene moest dit slikken en kreeg een jaarlijkse vergoeding voor die inname.
Maar van rimolering kwam er geen sprake. 20 jaar later vroeg een raadslid in de oostendse gemeenteraad wanneer die rioleringen er gingen komen...
En pas in 1900 had men in oostende een grootse eerste plan voor een havenuitbreiding, die ook werden uitgevoerd w.o. De spuikom. Toen brak WO 1 uit en kort na 1918 werd de opex opgericht om daar huizen neer te poten met rioleringen. De mensen van de viirtorenwijk werden dan onteigend en velen gingen naar de opex wonen, mijn grootmoeder hield daar als eerste een cafe open. Nadien werden de werken van een nieuwe vismijn uitgevoerd en werd de havenuitbreiding groter.