woensdag 31 oktober 2018

Waarom plaats ik hier leesnotities als u die toch niet leest

Minst bekeken in deze blog zijn stukjes die het over woorden hebben die me elders opvallen, beklijvende passages in een boek, merkwaardige plotwendingen … Ik verzamel ze onder het weinig wervende lemma leesnotities. Vroeger deed ik dat in schriften, maar in de blog kan ik ze gemakkelijker weervinden. Aan die leesnotities hebt u niet veel, dat begrijp ik wel, maar voor mij zijn het hebbedingetjes.
Momenteel lees ik Het voyeurshotel (°), een proeve van New Journalism. Ik hou wel van het genre, maar niet van dit boek. Toch is het een leesnotitie waard. De voyeur bespiedt een triootje, de auteur beschrijft het seksspel van die drie en vlak daarna staat: ‘Ze lagen nog een poosje ontspannen met zijn drieën op het bed en praatten over de verkoop van stofzuigers.’ Wat een formulering! Tussen het naspel en die stofzuigers staat zelfs geen punt. Sterk! Zoiets verdient een leesnotitie.
Ik hou van journalistiek die leest als een roman, maar ook van het omgekeerde: een roman die leest als verslaggeving.
Zo’n ervaring bezorgt Goldberg (°°) van Bert Natter me. Minstens honderd bladzijden lang denk ik: die Natter heeft dat allemaal zelf beleefd, dat kan niet anders.
Pas op pagina 135 slaat de twijfel toe: ‘Bij een bank wissel ik Nederlandse nieuwe guldens voor Saksische talers.’ Ha, denk ik eerst nog onachtzaam, het gebeurt vóór ’t bestaan van de euro. Maar op bladzijde 165 ontkurkt hij een fles wijn uit 2017. In een boek dat in 2015 verschijnt valt dat zelfs een slordige lezer als ik op. Maar het duurt nog tot pagina 264 voor ik te weten kom dat het verhaal zich in 2020 afspeelt: pure fictie, verzinsel, een leugenachtige vertelling.
Hoe het met die nieuwe guldens van bladzijde 135 zit kom ik pas op pagina 311 te weten: ‘Tijdens een of ander actualiteitenprogramma had ik een paar jaar geleden mijn licht mogen laten schijnen over de toestanden in voormalig Duitsland, het losmaken van de Friezen, de deling van België en Spanje, de terugkeer van gulden, frank, mark en talloze andere idiote valuta, grenscontroles, oorlogsdreiging, de algemene teloorgang van de Europese Unie, het uiteenvallen van Europa (…)’ Dat Bert Natter zoiets pas in ’t midden van zijn boek kenbaar maakt, en niet in de eerste bladzijden waardoor de fictie me meteen duidelijk was geweest, da’s een staaltje van vakmanschap dat ik wil onthouden: leesnotitie.
Flor Vandekerckhove

(°) Gay Talese. Het voyeursmotel. Vertaald door Jan Sietsma en Hennie Volkers. 2016. Lebowski Publishers, Amsterdam. 208 blz. 
(°°) Bert Natter. Goldberg. 2015 Uitgeverij Thomas Rap. 629 blz.

dinsdag 30 oktober 2018

Familiegeheimen

Hubert — Margriete laat haar kinderen achter en trekt naar Brussel. Niemand kan me zeggen waarom. Haar moeder krijgt de zorg over Margrietes nageslacht. De dochter, Christine, komt uiteindelijk in een instelling terecht en eindigt haar leven ergens in Eeklo, in een project van begeleid wonen. Margrietes zoon, Hubert, gaat, zoals veel Vandekerckhoves, in Frankrijk in de bieten werken. Daar leert hij een Frans meisje kennen. Hij brengt haar mee naar Oudenburg, waar ze een café opent. Hubert, die sigaretten smokkelt, trekt uiteindelijk weer de grens over, nu op de vlucht voor het gerecht. Hij verdwijnt en laat de Française hier achter.

DorsenIn onze straat bevond zich het woonerf van boer Jerome Lagast. Jaarlijks werd daar graan gedorst (koren, gierst of rogge, daar wil ik vanaf zijn). Voor ons, kinderen, was dat een grote gebeurtenis, want op het erf van Lagast stond dan een grote landbouwmachine die met veel lawaai zijn ding deed. Overal stro. ’t Was een uniek moment van tewerkstelling, want er kwam ook handwerk aan te pas. Nonkel Camiel was daar dan dagloner. Over hem wist mijn moeder te vertellen dat hij altijd de laatste was om aan ’t werk te gaan en de eerste om ermee te stoppen.

Clementine — Uit de Franse bietenstreek brengt Hubert Vandekerckhove zijn Clementine mee naar België, waardoor die Clementine verre aangetrouwde familie van me wordt. Hubert en Clementine heb ik nooit gekend, maar van Georgette weet ik dat ze vlakbij de steenbakker van Oudenburg een café uitbaatten. Dat is niet blijven duren. Hubert, die sigaretten pleegt te smokkelen, moet de vlucht naar Frankrijk nemen. Waarna de familie nooit nog iets van hem verneemt. Na enige tijd vertrekt ook Clementine, terug naar haar vaderland. Ze leert een man kennen die bij haar intrekt. Op een dag vindt ze hem op de zolder aan een koord.

Drenkeling — Georgette is een oude achter-achter-achternicht van mij. Ze verblijft hier ferm tegen haar goesting in ’t woonzorgcentrum. Ik probeer in extremis nog enkele familieverhalen uit haar te halen, zoals deze. Een van haar nonkels — ze herinnert zich zijn naam niet goed, ze denkt Camiel — is verdronken. Dat gebeurt tussen Gistel en Snaaskerke, waar hij van een brug gesmeten wordt. De jonge Camiel had zijn oog op een meisje laten vallen, wat door andere jongemannen niet gewaardeerd werd. Ze wilden hem een lesje leren en wachtten hem op aan die brug. Wat dat meisje daarvan vond is niet meer te achterhalen.

Achttien — Om te vieren dat ik juist achttien geworden was ging ik een glas drinken bij Trio’s. Aan de toog stond mijn nonkel te ouwehoeren. Ik ging naast hem staan. Hij was verwonderd me daar te zien. Ik zei naar waarheid: ‘Ik ben hier nog nooit geweest’. Daar moest hij schamper om lachen. ‘Hoe oud ben je nu?’ vroeg hij. Ik zei: ‘Achttien.’ Ik zag de spot in zijn ogen toen hij me vroeg: ‘Wat heb je nu eigenlijk al gedaan in je leven?’ Ik boog het hoofd, want ik wist dat hij gelijk had. Alreeds achttien en nog niets gedaan.

[Een drabble is altijd honderd woorden lang, niet 99, niet 101, exact honderd, titel niet inbegrepen. Een drabble is bijgevolg een extreem kort handpalmverhaal dat aan die strenge honderd woorden regel voldoet. (Flor Vandekerckhove)]


zondag 28 oktober 2018

België voelbaar aanwezig in Frans bergdorp


Men zegt dat je overal in Europa op Hollanders stoot. Dat is waar. Maar wie goed kijkt vindt alom ook tekenen van een sterke Belgische aanwezigheid.
De houtstapel links op bovenstaande fotomontage maakt me daar bewust van. Hij bevindt zich in het Franse bergdorpje Vabre. Onder de stapel staat een kist: EIGENDOM VISMIJN ZEEBRUGGE 1986. ’t Schijnt dat je zo'n viskisten overal in Europa aantreft, merkwaardig genoeg ook in bergstreken waar er in de verste verte geen zee te bekennen valt.
De hakker van dat hout bezit wel meer Belgische objecten. Op de middenfoto zit ik broederlijk naast hem, maar ’t is het schilderij boven de fauteuil dat uw aandacht trekt. Het werk verbeeldt een vrouwenfiguur die, als een Belgische leeuwin, vanaf de berg naar het dorp in het dal klauwt. U herkent meteen het Vlaamse neo-expressionisme. Trouwe lezers herkennen zelfs de hand van de maker ervan, Luc Martinsen, waarover De Laatste Vuurtorenwachter zo nu en dan een stukje schrijft.
Ook lijfelijk kent Vabre een sterke Belgische aanwezigheid, bijvoorbeeld in de figuur van Jules van camping Le Roussy. Dat het een Belgische uitbater betreft verraadt de wegwijzer al, rechts in de fotomontage. In de lente ga ik daar eens frieten eten, wat ongetwijfeld zal resulteren in nieuwe verhalen over Vabre, en ware ’t niet dat het zo melig klinkt dan zou ik nu afronden met: waar Belgen thuis zijn.

Flor Vandekerckhove

vrijdag 26 oktober 2018

Vijf tips om in Vlaanderen een klein Trumpje te worden


Instructie  Achteraan zitten de malcontenten. Altijd. De plaatsen achteraan, dat zijn altijd broeihaarden van verzet. Altijd. Kijk ernaar. U maakt iets mee daar achteraan. U moet dat goed in de gaten houden, daar achteraan. Dat is daar niet stil te krijgen. Dat schorem luistert niet eens, dat zit daar maar te grijnzen en cynisch te wezen. Die daar achteraan, die houden een glas vast en vallen op door extreem baldadig wangedrag. Juist die troep, daar achteraan, dat zootje, dat wordt de basis van uw nieuwe meerderheid, daar moet u mee leren werken. Ga er dus meteen tussen zitten. Doe eraan mee!

Details — Let vooral goed op de details. Klein, maar belangrijk. Op het dashboard van uw wagen hebt u een krant liggen. Niet zomaar een krant, maar Le Monde. Denk maar niet dat ze dat niet opmerken!  Ze zien u aankomen met uw wagen of ze zien u ermee parkeren of ze zien hem daar staan, uw wagen, midden op het plein, recht tegenover de zaal, vlak onder het licht van die ene lantaarn. Godver, zeggen ze, da’s iemand die Le Monde leest. Het is een detail, maar niet onbelangrijk.  Die leest Le Monde, denken ze, en ze worden met vrees overvallen.

Woordkramer — Beheers het woord! Uw woorden moeten gevreesd worden, bewonderd, gehaat, verguisd, opgehemeld, genoteerd, bewaard, doorgegeven en overgenomen. Uw woorden moeten gedragen worden, van de ene vergadering naar de andere. Op den duur zult u ze ergens weer tegenkomen, uw eigen woorden, uw bloedeigen woorden. U zult ze uit de bek van anderen horen komen. Dan zijn ze niet vruchteloos geweest, die woorden van u, neen dat zijn ze niet. Niemand zal er nog iets aan toevoegen, niemand zal iets vertellen wat u niet wist. Rest u alleen nog goedkeurend te knikken als u iemand anders uw eigen woorden hoort uitspreken.

Spaander ­— U hebt hen zopas weer eens de volle laag gegeven. Allemaal. Keihard! Ze hebben gesidderd en ze sidderden nog steeds. Spaar nooit iemand. Gebruik doorslaande argumenten. Noem de dingen bij hun naam. Een kat een kat. Zodra u uitgesproken bent, gaat u weer zitten. U luistert al niet meer. U weet immers wat er gaat komen. U kent het vervolg. U kent ze immers, uw tegenstrevers. U kent ze allemaal, stuk voor stuk. Samen vormen ze het apparaat. Laat het apparaat nooit aan de praat. Luister nooit naar argumenten. Nooit! Geef nooit een spaander toe. Nooit, zeg ik u, nooit!

Poppen — Gaan we met de bus of met de trein? Onbelangrijk probleem? Zij zeggen trein. Dan zegt u bus! Zeker weten!  Niet twijfelen. Maar stel dat ze de bus verkiezen, dan wordt het trein! En er wordt samen gereisd. Geen compromis.  Nooit. U beslist. Stel, gewoon voor de vorm, dat u zegt: ‘Laat ons niet bekvechten over treinen en bussen, voor mij is het eigenlijk allemaal om het even.’ Stel! Dan zou dat hun overwinning geworden zijn. De poppen gaan opeens aan het dansen, zoals dat heet. En de volgende vergadering is het zover.  Pats!  Dan krijgt u de volle laag.


[Naar de inhoud zijn bovenstaande stukjes aforismen, korte, bondige uitspraken. Aforismen zijn vaak grappig, paradoxaal en/of absurd en bevatten vaak een boodschap van wijsheid. U hebt begrepen dat het in dit geval pseudowijsheden betreft. Bovenstaande aforismen zijn ook iets langer dan de gewone, en dat komt doordat ze qua vorm drabbles zijn, een Engels woord dat via de bende achter Monty Python een literaire betekenis gekregen heeft. De Birmingham University SF Society is vervolgens met de term aan de haal gegaan en ordonneert dat een drabble altijd honderd woorden lang is, niet 99, niet 101, exact honderd, titel niet inbegrepen. Ik experimenteer er al een tijdje mee, er staan dus nog drabbles in deze blog, u vindt ze onder ‘drabble’ in de alfabetisch gerangschikte lijst ‘labels’ rechts van deze blog. (Flor Vandekerckhove)]

woensdag 24 oktober 2018

Erger dan een café zonder bier


— Het Franse bergdorp Vabre. Bovenaan, tegen de bergwand, staan vijf huisjes: de Rue du Pénèry. 
Inzet links beneden: de inmiddels gesloten bar-tabac Café du Pont. (Eigen foto) —


Begin 1992 eigen ik me in het Franse bergdorpje Vabre een bouwval toe. Ramen noch deuren. Geen plafonds, geen vloeren. Er groeit een struik uit de muur. De straat heet Pénèry, Occitaans voor Pénurie, in ’t Nederlands Schaarste. Zeer toepasselijk, want in 1992 sta ik me in die Schaarstestraat af te vragen hoe ik met mijn schaarse middelen die ruïne weer bewoonbaar kan maken. Daar vind ik niet meteen een antwoord op en daardoor sta ik er nog als de duisternis me plotsklaps overvalt.
Wat me tegelijk ook overvalt is het besef dat ik zonder tabak zit. Ik daal de berg af en schrijd voor het eerst de bar-tabac binnen, het Café du Pont. Onder het nuttigen van een petit café noir constateer ik tevreden dat de zaak me aan mijn roltabak kan helpen. Dat is dus in 1992.
Inmiddels hebben de uitbaters het dorp verlaten, Café du Pont is gesloten. De gevolgen zijn groot, want alleen een bar-tabac mag in Frankrijk rookwaar verkopen. In het enig resterende café: geen tabak! Bij de kruidenier: geen tabak! In de krantenwinkel: geen tabak! Nergens nicotine! Ook niet onder de toog, wat voor Vlamingen erg moeilijk te begrijpen is.
Ik zou het me niet moeten aantrekken, want ik ben inmiddels van de tabak af. Maar toch. Stel dat ik in 1992 van die berg kom en beneden moet bestatigen dat niemand me aan tabak kan helpen. Dan moet ik in ’t pikkedonker vijftien kilometer ver rijden, naar een plek waar ze wél een café-tabac hebben. Langs onverlichte wegen! En ge kent de streek niet. En die weg loopt langs ravijnen, kolkende rivieren, barrages, bergen, dalen, smalle bruggetjes, haarspeldbochten, ronddwalende everzwijnen, weerwolven, kollen, kobolten en poliepen die neervallen als kometen, gezeten op de rug van een raaf. En dan opeens zit hij daar, vlak achter zo’n scherpe bocht, de duivel wiens kont is gelikt en die zich nu tegoed doet aan het vlees van verkoolde kinderen. Boudewijn de Groot maakt daar nog meer indringende woorden aan vuil, maar ook die leiden naar een en dezelfde conclusie: elk Frans dorp heeft een eigen bar-tabac nodig!
Flor Vandekerckhove



maandag 22 oktober 2018

Jeugd, de toekomst lacht u toe


Het register ter rechterzijde van deze blog bevat het label Vabre. Wie het aantikt wordt naar een twintigtal posten geleid. Want ja, ik vertel graag over dat bergdorpje in de Languedoc.
In maart publiceerde ik in die reeks een stukje over twee ferme vrouwmensen, Christine en Florence, steunpilaren van de plaatselijke gemeenschap. Op ’t einde maakte ik een belofte: Over Vanessa, de jonge coiffeuse, ga ik het een volgende keer hebben.’
Wat weet ik over die Vanessa? Ik weet dat ze een piercing heeft. Ook weet ik dat ze jong & dynamisch is. Ze is actief in de plaatselijke middenstandsbond. In de bingo heeft ze een Amerikaanse koelkast gewonnen en ze runt een eigen kapperszaak. Ik ben een van haar klanten. Ze is single.
Hetero? Bi? Lesbisch? Over haar seksuele voorkeuren weet ik niets, want het is niet omdat ze me knipt dat we intimi zijn. Ware ik vijftig jaar jonger geweest dan zou dat misschien anders liggen, maar op mijn leeftijd is terughoudendheid een overlevingsstrategie.
Waarom begin ik er dan over? Wel, ik wil iets terugdoen voor de geneugten die het dorp me al zoveel jaren bezorgt. Ik wil de gestage demografische en commerciële neergang van Vabre een halt toeroepen. Vandaar ook onderstaande oproep.
Mochten er jonge lezers zijn (m/v/x) die een amoureuze verbintenis nastreven en alhier zo’n beetje uitgekeken zijn, dan raad ik hun aan om eens in de kapperszaak van Vanessa binnen te wippen, want ze lijkt me wel een goede partij te zijn. 
— De Laatste Vuurtorenwachter wil de gestage
demografische neergang van Vabre een halt toeroepen. —
Allemaal goed & wel, zegt ge, maar wat moet een mens daar hele dagen doen, terwijl Vanessa andere mensen aan ’t knippen is? Wel, ook wat dat betreft weet ik raad.
Vier huizen verder, in dezelfde straat, bevindt zich de krantenwinkel. Die is momenteel over te nemen, want de uitbaters gaan met pensioen. Zou dat niets voor u zijn? De zaak is ook bekend voor zijn (vooral plastiek) bloemen en daarenboven is ’t een filiaal van Phildar: Vanessa, gazetten, fikfak, blommen, sjette… Dat kan niet misgaan.
Een alternatief voor de krantenwinkel biedt de leegstaande bar-tabac, Café Du Pont, maar daarover schrijf ik straks een apart stukje. Eerst eten.

Flor Vandekerckhove

zaterdag 20 oktober 2018

Vrouwen in opmars in weerwolvengemeenschap

Ze zullen katers hebben
en geruïneerde nagels.’



Vlak voor ik, met de winter in zicht, naar mijn Franse koterij trok om er de watertoevoer af te sluiten, nam ik hier een gedicht met me mee: een splinternieuw poëem van de Canadese Margaret Atwood. U kent haar van A Handmaid’s Tale dat op haar boek gebaseerd is. Ze schrijft ook mooie poëzie.
Daarna geschiedde dit. In een gebergte van de Languedoc ontstopte ik met veel moeite de dakgoot, doordrenkte het hout in de woonkamer tegen de vervaarlijk oprukkende houtwormpopulatie en isoleerde de randen van de slaapkamermuren, zodat de op de zolder residerende slangenfamilie Couleuvre niet langer aan mijn tenen komt kietelen.
Alsof dat nog niet genoeg was, zette ik me tijdens nachtelijke, televisieloze uren aan het werk om onderstaand weerwolvengedicht te vertalen. Dat was geen kattenpis, want bij gebrek aan internet moest ik het met enkele vergeelde Prismawoordenboekjes uit de jaren zestig doen en met een nog oudere Petit Larousse Illustré die ook al geen hulp bleek te zijn. Maar kijk, dit is wat ik, als een soort Mozes, van de berg meegebracht heb.
Ik ben er zeker van dat u aan onderstaande vertaling indrukwekkende verbeteringen kunt aanbrengen. En nu ik weer over Google Translation beschik kan ik dat misschien zelf ook. Maar omdat ik, over mijn verblijf aldaar, nog tal van avonturen te vertellen heb, reken ik in eerste instantie op uw gewaardeerde bijdrage. Want: Eendracht maakt Macht! en United We Stand! en Samen Sterk! en Twee Kunnen Meer Dan één! en Teamwork Is Our Motto! en Stel Niet Uit Tot Morgen Wat Ge Vandaag Kunt Doen! Vooral dat laatste.
Flor Vandekerckhove



vrijdag 19 oktober 2018

Oud-Zuid

De jongste maand heb ik drie steengoede schrijvers leren kennen, drie Nederlanders, en drie parels van boeken: Auke Hulst met Motel Songs, Onno Blom met Memoires van een biograaf en Robert Vuijsje met Alleen maar nette mensenOver dat laatste boek wil ik nu iets schrijven.
Alleen maar nette mensen opent met een bladzijde citaten vol lof, gesprokkeld uit besprekingen. En ik moet zeggen: ’t is allemaal waar, zelfs dit: ‘Alleen al de eerste drie pagina’s maken het de moeite waard dat u dit boek in huis haalt.’
Vuijsje schrijft over het milieu van intellectuele joden in Amsterdam, meer bepaald in de wijk Oud-Zuid. Voor mij is dat bijzonder prettig lezen, want ik heb daar nog gewoond: ‘In Oud-Zuid lezen ze ingewikkelde boeken, rijden ze in kleinere Zweedse auto’s en zijn ze niet geobsedeerd door geld, maar door de meaning of life.’ Dat gold allemaal ook voor het gebouw waarin ik verbleef, want daar huisde de kaderschool van de Vierde Internationale.
Daar kan ik leuke anekdotes over vertellen, zoals over die keer dat ik met mijn camionette van ’t vliegveld kwam, waar ik enkele Zuid-Amerikanen had opgepikt. Om hen te plezieren passeerde ik een wijk waar krakers de lakens uitdeelden. Had ik beter niet gedaan, want mijn gezelschap dacht dat de revolutie in Nederland uitgebroken was. Ik kon ze nauwelijks overtuigen om in de camionette te blijven zitten.
Dat er trotskisten waren zonder geld wist ik al uit mezelf, maar dat er ook waren die niet op een frank meer of minder moesten kijken heb ik in die kaderschool geleerd. Zo kwam Ernest uit Parijs overgevlogen om in Amsterdam met Charles te overleggen. Vier uur later nam hij al een terugvlucht. In één dag over en weer naar Parijs, dat vroeg om enige welstand, want Rayonair bestond nog niet. (Ook waar: bijna had hij ‘t vliegtuig gemist, omdat ik met zijn jonge lief een glas gaan drinken was in ’t café om de hoek; Ernest kon daar niet mee lachen.)
Charles was van Zwitserland en hij was zo te zien niet onbemiddeld, want hij had een mooie auto, een old timer, een Volvo — zei Vuijsje het al niet? Dat Charles met zo'n mooie Volvo reed had ik nooit geweten, ware ’t niet dat hij in 't midden van Amsterdam in panne viel en me dringend nodig had om hem daar weg te helpen. U zult ‘t moeilijk geloven, maar ik heb hem wel degelijk uit de nood geholpen, ’t was iets met de Delco.
Heb ik u al gezegd dat ik ooit, om politieke en dus moeilijk uit te leggen redenen, een herscholing gevolgd heb en me sindsdien automecanicien mag noemen? Het bewijs, een getuigschrift waarop dat te lezen staat, ben ik spijtig genoeg verloren. ’t Is dan ook al lang geleden, zolang zelfs dat ik niet eens meer weet wat een Delco doet.
Flor Vandekerckhove


Robert Vuijsje. Alleen maar nette mensen. Uitg. Nijgh & van Ditmar. 32ste druk. 2012. 288 pp.

zaterdag 13 oktober 2018

De fik erin


Burning (°) is de verfilming van het verhaal Verbrande schuren (1987) van Haruki Murakami. Een bespreking van de film vind je hier. De film is, vind ik, ook aan te prijzen als inleiding in het literaire oeuvre van Murakami.
Dat besefte ik toen ik een reisboek van Auke Hulst aan ’t lezen was. De Nederlandse reisschrijver trekt in een van de daarin gebundelde verhalen naar Tokio en hoopt daar meer inzicht te krijgen in het succes van Murakami. Daartoe bezoekt hij onder meer een boekhandel waarvan de uitbaatster getrouwd is met een Amerikaan. Steve Kott legt hem uit waarom Japanners zoveel aan Murakami’s boeken hebben: ‘Murakami, zei hij, schrijft al zijn hele carrière over ontwortelde mensen — freelancers en werklozen, vrijwel zonder vrienden en wars van familiebanden. Onjapanse individuën. “Traditioneel was dit een land waar trouw aan een werkgever absoluut was. Je werkte je hele leven voor één bedrijf, waar je stap voor stap door de rangen ging. Niet op basis van kwaliteit, maar op basis van anciënniteit. Maar dat is de laatste vijftien jaar onder druk komen te staan.” De staatschuld, het te lage geboortecijfer, de langdurige economische malaise, ze hadden geresulteerd in de opkomst van kortlopende contracten en schoolverlaters zonder baan. Zo sloten de romans steeds beter aan bij wat met name jonge Japanners ervoeren. Murakami was hun gids in de nieuwe werkelijkheid.’ (°°) De film Burning situeert zich dan wel niet in Japan, wel in Zuid-Korea, maar het is daar, zo te zien, niet anders, of het zou moeten zijn dat het er nog erger is.
Flor Vandekerckhove

(°) Lee Chang-dong. Burning. Drama 148 minuten. 2018. Zuid-Korea. 
(°°) Auke Hulst. Buitenwereld, binnenzee. De reis als verhaal, het verhaal als reis. 2014. Ambo Anthos A’dam. 152 pp.

zondag 7 oktober 2018

De rode linkerhand van Fiorine


— In Bredene werd Fiorine gevreesd voor zijn rode linkerhand. —

In die tijd waren de woonkernen alhier van elkaar gescheiden door grote lappen grond; polders, weiden, akkers, heide. In de drie wijken — Duinen, Dorp en Sas — liep het volk in de pas van kerk & staat, maar op ‘t land golden de wetten van het ongewisse. Het weinige volk dat er woonde werd door de wijkbewoners gemeden.
Ronduit bangelijk was de weg die van ’t Dorp naar de Blauwerssluis liep. Altijd was die in dichte nevelen gehuld, bebouwing was er nauwelijks, en steeds klonken er geluiden die niet te duiden waren.  
Halverwege die lange weg, ver voorbij de sporen van de oude tramlijn, en ver van de zaagmolens van ’t molendorp, doemden de terreinen van de Fiorines op. Tussen mistflarden zag je dat er vuurtjes gestookt werden, want die familie had veel geheimen te verbranden. Hun paarden graasden er tussen slunsen en benen.
De stamvader van de Fiorines stond altijd aan het hek; een brute, maar knappe man, gekleed in een stoffige zwarte mantel, altijd met de handen in de zakken. Alles aan die man maakte duidelijk dat hij over dat gebied heerste en niet zomaar te passeren was.
De verhalen die over hem de ronde deden waren angstaanjagend, maar ze getuigden ook van ontzag. Dat laatste had een reden. Wie in nood verkeerde kon hij bijstaan, wie geld tekortkwam kon hij helpen, zo kon hij ook een auto bezorgen aan wie die niet kon kopen. In ruil vroeg hij niets, dat wil zeggen bijna niets, hij vroeg alleen een linkse handdruk. Daar aan dat hek, niet ver van de Blauwerssluis, werd elke overeenkomst beklonken door een handdruk van Fiorines rode linkerhand.
Maar eens je Fiorines rode linkerhand gedrukt had, werd alles anders. Wie Fiorines rode linkerhand geschud had kreeg met nachtmerries te maken en met waanbeelden. Sommigen dachten hem daarna op de televisie te zien, anderen ontwaarden hem ’s nachts in de beslotenheid van hun woning. Na die handdruk waren er die hem een duivel noemden, of ze zeiden dat hij een geest was, sommigen zeiden god, enkelen spraken van een goeroe. Er waren er die ’s mans naam niet meer durfden uit te spreken, maar tijdens hun nachtmerries hoorde je hen ijlen: hoed u voor Fiorines rode linkerhand!
Bij nacht & ontij weerklonk die kreet over de Bredense beemden: hoed u voor Fiorines rode linkerhand! Of als ’t springtij was en het water vervaarlijk tegen de duinen aanbeukte: hoed u voor Fiorines rode linkerhand! Of wanneer de honden bij volle maand aan de ketting rukten: hoed u voor Fiorines rode linkerhand! Fiorine had de ziel van de gemeente aangetast en van veel dorpelingen willoze creaturen gemaakt.
Mede door een song van de grote Nick Cave bleef de reputatie van Fiorine bijlange niet tot onze wijken beperkt. Cave mag het daarin wel over een rechterhand hebben — dichterlijke vrijheid — maar wie hier kijkt zal het mij nazeggen: geen twijfel mogelijk, ’t is Fiorine!
Flor Vandekerckhove


P.S. Voor dit verhaal liet ik me inspireren door een song uit de rockcultuur. Het gebeurt wel meer dat een lied me naar een nieuw verhaal leidt. Meermaals heeft Nick Cave me voer geleverd, maar ook Bob Dylan, Ottis Reading, Jacques Brel, The Eagles, America, Paul Simon, Billy Bragg, Tom Waits, Peter Doherty, Frank Zappa en vele anderen. Een overzicht dat je naar die verhalen leidt staat daar.

zaterdag 6 oktober 2018

Heeft André haar vermoord en waar is hij eigenlijk?

— Claudine Vander Vloet en André Sabbe
in betere tijden. —
Nadat Jacques Deroo, OCMW-voorzitter in Bredene, in deze blog het stukje over de Moord in de duinen gelezen had, wees hij me op iets soortgelijks in Bredene. Hij had er iets over geschreven in een boek. (°) Dat ging ik vervolgens uit de biep weghalen en zo vernam ik al lezend dat die moord uit 2002 al lang opgelost is.
Dan volg ik liever het spoor dat buurman William Schreus me aanreikt.  Weer is het slachtoffer een jonge vrouw, weer wordt het lijk aan zee ontdekt en weer betreft het een onopgeloste zaak. 
Het lijk van Claudine Vander Vloet (23) wordt op 30 juli 1957 op het strand van Lombardsijde gevonden. Hoofdverdachte is haar ex-echtgenoot André Sabbe, een avonturier. Maar Sabbe legt een sluitend alibi voor. Getuigenissen leiden tot niets, een onderzoek in het militaire kamp van Lombardsijde levert evenmin iets op. Wat geldt voor de duinenmoord op Margaretha Cheyns, geldt ook voor dit lijk op het strand: de misdaad wordt nooit opgehelderd.
Even raadselachtig is trouwens de dood van hoofdverdachte André Sabbe. En… is hij eigenlijk wel dood?
Maar eerst wil ik aangaande deze André een anekdote kwijt. In 1981 lanceert hij het plan om 30.903 Somalische kinderen te adopteren. Al wat de Belgische staat moet doen is hem daarvoor 1,5 miljard frank geven. De staat heeft tegen die tijd al een beetje ervaring met Sabbe en steekt er een stokje voor.
In 1988 koopt André de treiler Zuiderzee van Marcel Neudt uit Westende. Dat kopen is erg relatief, want nog voor hij het schip betaalt gaat hij er al mee aan de haal. In februari 1990 bevindt het zich ergens tussen Sierra Leone en Gran Canaria. De bemanning, die evenmin betaald wordt, slaat aan ’t muiten en een matroos zou daarbij Sabbe overboord gekieperd hebben. Voor die feiten wordt de man in 1994 veroordeeld: vier jaar cel.
Ook omdat Sabbes lichaam nooit gevonden wordt, zijn er veel die het verhaal in twijfel trekken. De vermeende dader zou een medeplichtige zijn die in ruil voor veel geld wel enkele jaren wil brommen. Waardoor Sabbe ten eeuwigen dage aan de blik van het gerecht ontsnapt. Ondenkbaar is dat niet, want Sabbe is een trouwe klant van dat gerecht, met een palmares dat kan tellen: smokkel, verboden invoer van exotische vogels, drugshandel, wapenhandel (tanks!), diefstal van onder meer dat vissersschip en uitgifte van ongedekte cheques. De moord op Claudine Vander Vloet daarentegen heeft men hem nooit kunnen aanwrijven.
Flor Vandekerckhove


(°) Jacques Deroo. De onvoltooide strijd voor het naaktstrand. Boek verschenen ter gelegenheid van 10 jaar naaktstrand Bredene (2001-2010). 310 pp.

vrijdag 5 oktober 2018

Wat je zegt dat ben je zelf

‘Weet je wat ik zojuist meegemaakt heb?’ De man tutoyeert me. Ken ik hem, kent hij me? ‘Ik ging tanken en naast me kwam een wagen staan waaruit een man stapte die me enthousiast groette.’
Ik kijk aandachtig naar de mens die me zo vrijmoedig aanspreekt. Op een of andere manier komt hij me vertrouwd voor. Hij steekt zijn vork omhoog om zijn woorden kracht bij te zetten: ‘Die mens aan de andere kant van de pomp scheen blij te zijn omdat hij me daar zag. Hij vroeg me wat ik daar deed. Ik antwoordde dat ik daar altijd kwam tanken.’
Mijn ongenode tafelgenoot houdt even op om een stukje vol-au-vent weg te werken. Ik doe ‘t zelfde. We vegen tegelijk onze mond schoon en hij vervolgt: ‘Voor mij was het een nietszeggende ontmoeting, tussen twee mensen die oppervlakkigheden uitwisselen. Ik was hoe dan ook klaar met tanken, groette hem vluchtig en reed weg.’  
Terwijl ik mijn prik opdrink, vraag ik me af hoe ik beleefd de tafel kan verlaten. Wellicht voelt mijn disgenoot dat aan, want hij haast zich om zijn verhaal af te ronden: ‘Terwijl ik wegreed, keek ik in de achteruitkijkspiegel en zag dat daar geen auto stond. De man slaat zich tegen het hoofd en zegt: ‘Tegelijk besefte ik dat de man die me aangesproken had niemand anders was dan ikzelf! Ik kan je verzekeren dat de schrik me om het hart sloeg: wat hij gezegd had, en wie het gezegd had, dat was ikzelf.’ De man zwijgt en laat de rest van de vol-au-vent onaangeroerd staan.
Het wordt me te persoonlijk, ik wil hier weg. Ik groet hem vluchtig en zoek de plek op waar de vaat verzameld wordt. Aan de uitgang kijk ik nog eens achterom. Aan mijn tafel zit niemand. Als iemand daar een gesprek met me gevoerd heeft dan kan het alleen maar ikzelf geweest zijn.

Flor Vandekerckhove