donderdag 31 oktober 2019

De honden en ik

Telkens ik uit Vabre terugkom, mijn geliefkoosde Franse dorp, breng ik een stapeltje nieuwe verhalen mee. Dat is nu niet anders. Ik heb al iets gepubliceerd over een Vreemd feest in de Languedoc; over een helse rit door de bossen; over een meisje in Toulouse; over een uitkijkpunt dat zich niet gemakkelijk laat zien en ik heb het ook al gehad over de veranderingen in het dorp. [Wie op de rode woorden klikt wordt naar het betreffende stukje geleid.] Ik moet er nog eentje aan toevoegen, iets wat mij overkomt terwijl mijn vriendin daar paard gaat rijden.


Tania is maar net op tijd, ze stapt meteen in de bestelwagen die haar naar de paarden brengt. In de laadbak liggen zadels en andere paardendingen. Tegen de tijd dat ik besef dat ik geen autosleutels op zak heb is de bestelwagen al in de bossen verdwenen. Ik blijf achter, bij de honden die hun wantrouwen niet verhelen, een wantrouwen dat wederzijds is. Nog een geluk dat de autodeuren niet op slot zijn. We komen overeen, de honden en ik: zij houden zich buiten de auto op en ik erin. Al wat ik verder kan doen is wachten tot Tania van de paardenrit terugkeert, wat enkele uren kan duren. De honden houden nauwkeurig mijn bewegingen in ’t oog, die miniem zijn: al wat ik doe is een stukje schrijven over mezelf die in de auto een stukje over die honden schrijft. En dit is wat ik daar over honden & mensen leer. Als een mens lang genoeg in een auto zit en daar niets anders doet dan schrijven, en als de honden dat lang genoeg aanschouwen, dan valt het wederzijdse wantrouwen weg. De mens kan dan gewoon uit de auto stappen om buiten een plasje te maken, de honden kijken daar nauwelijks van op. De lezer mag van mening zijn dat zoiets nauwelijks ’t schrijven waard is, maar de lezer zit daar niet twee drie uur lang in een auto te wachten en ik wel.

Flor Vandekerckhove


dinsdag 29 oktober 2019

Moh how zeg

Op weg naar De Laatste Vuurtoren loop ik, in de duinbossen van De Haan, meneer Delanghe tegen het lijf. Ik vraag: ‘Waarom zijt gij verkleed als Parsifal?’ Hij antwoordt: ‘Omdat ik mij naar Camelot begeef.’ Dat vind ik straffe tubak. Helaas heb ik geen tijd om dieper op die onzin in te gaan, ik moet mij haasten om De Laatste Vuurtorenlamp aan te knippen. Ik vervolg mijn levenspad en meneer Delanghe doet hetzelfde, maar dan met het zijne. Terwijl hij in de nevelen van Avalon oplost, hoor ik hem nog roepen: ‘Waar & wanneer is het eerstvolgende optreden van Avondgenoegen?’ Met mijn handen vorm ik een trechter rond mijn mond en roep doorheen het lover: ‘Ik zal het hieronder zetten.’

Flor Vandekerckhove



O.S.C. Avondgenoegen treedt dit jaar nog op in — OOSTENDE STAD, House Gallery, Mijnplein, 17 november om 15 uur — WENDUINE, Persepit (in de duinen), 24 november, 14 uur — OOSTENDE STAD, De Grote Ruutten, 1 december, van 18 tot 21 uur … Mocht je een idee willen hebben van wat dat geeft, luister dan eens naar Drie variaties op een vernissage: klik hier !

zondag 27 oktober 2019

Intussen op de Oosteroever in Oostende


Oostende Oosteroever — Wellicht ken ik het gebouw beter dan degenen die er nu de lakens uitdelen, in elk geval ken ik het al langer. Toen ik het voor het eerst betrad was daar een magazijn voor scheepsbenodigdheden, boven waren er kantoren en ook die waren met de visserij verbonden: SCAP (wellicht Société Coöperative d’Armateurs de Pêche) en Hulp in Nood (coöperatieve verzekeringsmij.). Later vestigen North Sea Bunkers en de flamboyante Vlaamse Vissersbond zich in het pand… Ja, het torst een geschiedenis. Met de teloorgang van de visserij kwam het leeg te staan, de alom toeslaande gentrificatie nam de Oosteroever over.
Inmiddels heeft de O.666 haar tenten in het gebouw opgeslagen. Wie daar meer over wil weten moet hier maar eens kijken; zelf ben ik gecharmeerd door de naam die met de beginletter O. naar de Oostendse vissersvaartuigen verwijst. Nog meer ben ik gecharmeerd door 666, getal van het beest, ge moet maar durven, zeer rock 'n roll.
Beneden kun je in die O.666 een glas consumeren. Wat je daar ook kunt doen is genieten van opvoeringen en concerten. Zoals onlangs nog van Ostend Social Club Avondgenoegen, het duo waarin u onder het nummer 2 De Laatste Pianoman en ondergetekende herkent. Het publiek was daar zeer over te spreken en zelf waren wij dan weer zeer te spreken over het warme onthaal dat zaalmanager Anke (onder nummer 3) voor ons in petto had.
Ik wil iets langer stilstaan bij de foto onder 4. Jean-Paul Chemin toont ons een boekje. (°)

—  Illustratie uit Une bonne heure
de bonheur (Jean-Paul Chemin). —
Dat bevat twee CD’s, waarop hijzoals alleen Franstaligen dat kunnen, en geruggensteund door Les Pierrots Lunaires, eigen en andermans teksten zingt. In de O.666 is bovendien grafisch werk van Jean-Paul te zien: ontwerpen van leuk vormgegeven boekjes — echte hebbedingetjes — waarin hij een kunstenaar belicht, bijvoorbeeld Paul Delvaux. (°°)
Mijn ontmoeting in O.666 met deze Franssprekende medemens laat me als bij toverslag begrijpen dat er een interessante kruisbestuiging plaats kan grijpen tussen enerzijds ons, noorderlingen, waarvan velen zich danig geërgerd hebben aan — zelfs verzet gepleegd hebben tegen — de spectaculaire ontwikkelingen op de Oosteroever, en anderzijds de zuiderlingen die juist door die ontwikkelingen aangetrokken worden. ‘t Is trouwens niet voor het eerst dat zoiets in Oostende zou gebeuren, het maakt zelfs deel uit van het DNA van die stad: er is Henri Vandeputte geweest die zelfs Hugo Claus beïnvloed heeft, Matthieu Corman is evenmin een ‘gebraakt & gescheten Oostendenaar’. Over Henri Storck, Felix Labisse en Henry van Vyve heb ik het hier gehad. En zelf zal ik nooit vergeten dat de francofone Yvon Kermarrec me destijds bij mijn eerste literaire stappen begeleid heeft. Wel dan!
Flor Vandekerckhove

(°) Jean-Paul Chemin. Une bonne heure de bonheur. Meer erover staat hier.
(°°) Jean-Paul Chemin. Paul Delvaux – Waar zijn penseel  stierf op het doek. Vertaald door Debbie Cosijns.

O.S.C. Avondgenoegen treedt dit jaar nog op in OOSTENDE STAD, House Gallery, Mijnplein, 17 november om 15 uur — WENDUINE, Persepit (in de duinen), 24 november, 14 uur — OOSTENDE STAD, De Grote Ruutten, 1 december, 19 tot 21 uur … Mocht je een idee willen hebben van wat dat geeft, luister dan eens naar Drie variaties op een vernissage: klik hier !

vrijdag 25 oktober 2019

‘’t Is niet omdat je een linkse meubelmaker bent, dat je linkse kasten moet maken.’


Jonge folksingers in New York. Van links naar rechts: Suze Rotoloe, onbekend (zie verder), Bob Dylan en Dave Van Ronk. Zowel Suze, Bob als Dave worden in de gaten gehouden door de FBI. Suze is een jonge communiste, Dave een trotskist en Bob Dylan is hun maat, redenen genoeg om verklikkers in te zetten die over hun reilen en zeilen rapporteren. Wie er meer over wil weten: ‘Newly Unearthed FBI File Exposes Targeting of Folk Singer Dave Van Ronk’ staat hier. Hoe de FBI Bob Dylan en Suze Rotoloe in ’t oog hield wordt beschreven in ‘FBI Tracking of Bob Dylan and Suze Rotolo Foreshadowed Future Abuses’ en dat staat daar.
Frans van den Muijsenberg stuurde me een interessante correctie: ‘De foto is een uitsnede, op het totale beeld staat links nog een vijfde persoon: de zangeres Karen Dalton. Bij de vrouw rechts wordt meestal vermeld: 'woman’. Nu is van Dylans leven ongeveer elke minuut geregistreerd, dus leek het me onmogelijk dat het personage onbekend gebleven is, en zie, het is Dylan's eerste manager, Thori Thal, die vijf jaar geleden als 75-jarige nog steeds actief was in de business.’

‘Politiek en muziek overlappen elkaar op veel manieren, en dat werd niet steeds begrepen door mensen die over de geschiedenis van de folkscene geschreven hebben. Sommige auteurs hebben bijvoorbeeld geconcludeerd dat degenen onder ons die ervoor kozen om geen politieke liedjes te zingen dit deden omdat we apolitiek waren. Het is waar dat deze keuze in sommige gevallen een reactie was op de vorige generatie en hun politieke voorkeuren, maar voor velen van ons was het een puur esthetische beslissing. Zelf was ik altijd bereid om naar een meeting, demonstratie of benefiet voor dit of dat te gaan, en daar mijn liedjes te zingen, maar ik heb heel weinig politiek materiaal gedaan. Het paste niet bij mijn stijl en ik heb nooit het gevoel gehad dat ik het overtuigend deed. Ik had gewoon niet dat soort stem of dat soort présence. Bovendien: hoewel ik een zanger ben en stevige politieke opvattingen heb, voelde ik aan dat mijn politiek niet relevanter voor mijn muziek was dan ze dat zou zijn voor het werk van een andere vakman. ’t Is niet omdat je een meubelmaker bent en links, dat je linkse kasten moet maken.’
Dit lange citaat komt uit de memoires van de Amerikaanse folksinger Dave Van Ronk (1936-2002). (°) Voor een oude trotskist als ik zijn het woorden om verliefd op te worden, ik herken de stem van een geestesgenoot. De woorden doen me ook aan ietwat verwante meningen denken, bijvoorbeeld deze van George Orwell, over wie ik eerder De onwelkome partizaan gepost heb, en aan de merkwaardige kronkels van de filosoof Georg Lukács waarover ik me hier verwonder. Het citaat raakt aan de discussies over de vermeende afvalligheid van Bob Dylan, wanneer hij de folkscene schoffeert. Het voert me bovendien terug naar het stichtingscongres van de Bond van Sovjetschrijvers, in 1934, waar Joeri Oljesja zijn collega’s uitlegt waarom het opgedrongen socialistisch realisme voor hem niet deugt: ‘Dit was niet mijn thema. Ik had naar een bouwproject kunnen gaan, in een fabriek onder arbeiders gaan wonen, ze in een schets hebben beschreven, zelfs in een roman, maar dit was niet mijn thema, het zat niet in mijn bloedbaan, dat was geen deel van mijn ademende zelf. Ik zou hebben gelogen, verzonnen; het zou mij gemankeerd hebben aan wat inspiratie wordt genoemd.
Het citaat van een Amerikaanse folksinger en dat van de Russische schrijver passen in een thema dat me danig interesseert; als je in de rechterkolom het label ‘geëngageerd schrijven’ aanklikt, vind je 85 stukjes over het onderwerp. De rus en de Amerikaan zijn het over dat onderwerp eens: je moet een kunstenaar vooral zijn eigen gang laten gaan. Dave Van Ronk zegt het wel mooier: ‘’t Is niet omdat je een meubelmaker bent en links, dat je linkse kasten moet maken.’
Flor Vandekerckhove


(°) Dave Van Ronk: The Mayor of MacDougal Street. Da Capo, 2005. Het boek werd na het overlijden van Dave afgewerkt door Elijah Wald. De Coen Brothers gebruikten deze memoires als hun voornaamste inspiratiebron bij het maken van de film Inside Liewyn Davis (2013). Iets wat de cover van het boek dan ook trots vermeldt.



O.S.C. Avondgenoegen treedt dit jaar nog op in OOSTENDE OOSTEROEVER, O.666, vrijdag 25 oktober, 19 uur — OOSTENDE STAD, House Gallery, Mijnplein, 17 november, om 15 uur — WENDUINE, Persepit (in de duinen), 24 november, 14 uur — OOSTENDE STAD, De Grote Ruutten, 1 december, 18-21 uur … Mocht je een idee willen hebben van wat dat geeft, luister dan eens naar Drie variaties op een vernissage: klik hier !

woensdag 23 oktober 2019

Vreemd feest in de Languedoc

Mijn vriendin en ik bevinden ons in Vabre. De dorpelingen vertellen ons honderduit over hun feest. De oude dorpspastoor zegt: ‘Alles mag. Alles moet. Alles is onbegonnen werk.’ (°) En hij wil ons per se zijn kerktoren tonen.
Die toren kan, zo blijkt, alleen aan de buitenkant beklommen worden, via een lange plank. We durven niet te weigeren en gaan de pastoor achterna. Stappen wordt klimmen, klimmen wordt kruipen en de laatste loodjes wegen inderdaad het zwaarst. Boven overzien we het bergdorp, waar het feest zich ten volle ontplooit.
Groot is onze verwondering als we opmerken dat de kat ons tot boven gevolgd is. ’t Zal niet gemakkelijk zijn om het beest weer beneden te krijgen. Ook omdat de vent d’autan de plank weggewaaid heeft.
Hoe we beneden geraken weet ik niet meer, de kat hebben we boven achtergelaten. Mijn voorstel om de pompiers erbij te halen wordt door de dorpelingen weggehoond, de pastoor raadt me aan om in een naburig dorp een lange plank te gaan zoeken,
Al deze gebeurtenissen zijn zo absurd dat we vermoeden dat de dorpelingen ons ongevraagd in een spel betrokken hebben, een spel dat we als buitenstaanders niet begrijpen, een spel waarin alles mag, alles moet en alles onbegonnen werk is.
Flor Vandekerckhove


(°) Het verhaal werd in gang gestoken door de zin die Jan Haspeslagh me opstuurde: 'Alles mag. Alles moet. Alles is onbegonnen werk.’ Een citaat van Herman de Coninck. Hij deed dat in het kader van een experiment dat ik enkele maanden geleden aanvatte. Daarbij vroeg ik lezers of ze me een zin wilden geven. In ruil beloofde ik hun een verhaal. Meer erover staat hier. En weet je wat? Je kunt nog altijd deelnemen en me je zin opsturen.


maandag 21 oktober 2019

Het seizoen van het eekhoorntjesbrood

De weg naar de écurie laat zich op de GPS niet lezen en we moeten het onbeholpen doen. De verharde wegen liggen achter ons en we rijden neerwaarts het bos in, almaar dieper, via een weggetje dat hoe langer hoe meer op het bos zelve lijkt. De lucht heet gebladerte, de aarde modder. Een mens begint te twijfelen, wat hij al veel eerder had moeten doen.
Zoals dat in die streek wel meer gebeurt, komt er uit het niets een enkeling bij kijken die daar eekhoorntjesbrood loopt te zoeken. Ik laat het raampje zakken en luister naar de typische groet van de verzamelaar: ‘Il n’ y en a pas beaucoup.’ Wat hij ook zegt is dat we zodoende nooit de écurie gaan bereiken. We moeten onze kar keren, wat gezien de bomen onmogelijk is, of achteruit terugkeren, omhoog, wat de auto pertinent weigert te doen. Of we moeten verder het bos in, nog verder, op een weg die er al lang geen meer is. Waar we alleen maar in slagen omdat de man ons voorgaat, links en rechts valkuilen aanwijzend en onoverkomelijke rotsen. Onderweg loof ik de Heer omdat hij onze tocht naar de écurie laat samenvallen met het plukseizoen. Als we eindelijk uit het bos en de penarie geraakt zijn danken we de man uitvoerig. ‘Hoeft niet,‘ zegt hij want ‘il n’y en a toch pas beaucoup.’ Hij zet zijn zoektocht verder en wij de onze. Tania roept hem na: ‘Bonne continuation.’ Geen idee waar ze dat nu weer opgeraapt heeft.

Flor Vandekerckhove

zaterdag 19 oktober 2019

Het meisje van Toulouse


— Links zie je mij op het plein van de Abattoirs in Toulouse staan. Ik lees er de tekst die op de gevel aangebracht werd:‘Dans l’attente du septième jour qui nous réunira aux premières heures de la nuit.’ ’s Nachts worden de woorden van Joël Andrianomearisoa in neon verlicht. Wij gaan in dat museum kijken naar de overzichtstentoonstelling van de Amerikaanse schilder Peter Saul. Maar de voorgaande avond maakten we ook al een en ander mee. —

Op twee uur rijden van het vakantiehuisje ligt Toulouse. Daar gaan we naar de Thurston Moore Group kijken. Geen idee wat me te wachten staat, voor de zekerheid heb ik oordoppen meegebracht. Op het binnenplein verzamelt zich een publiek dat zich in niets van dat van de AB in Brussel onderscheidt. En er is dat ene meisje, ik schat vijfentwintig, mooi als alle meisjes van haar leeftijd, maar in deze zwart wit film heeft de regisseur haar een kleurtje aangemeten. Ik zou haar uitvoerig kunnen beschrijven, in haar pakje en zo, maar dat soort schrijver ben ik niet, bij mij moet het vooruitgaan. Ik geef haar een naam: het meisje van Toulouse.
Op dat eigenste moment, in de aanblik van dat ene meisje, leert deze zeventigjarige man dat hij uitgeteld is. Het spel der seksen raast voort, heftig als immer, maar zonder dat hij er nog iets in te betekenen heeft. Het meisje roept veelzeggende woorden in de oude man op: berusting, onthechting, aanvaarding. Ze staan hem niet tegen, die woorden.
Dan breekt de noicerock van Thurstin Moore en de zijnen los. Ik voel de bassen en Tania’s heupen. Eén uur lang jaagt de band ons op in een wervelende tocht naar de absolute uiteinden van het heelal. In een glimp ontwaar ik het meisje van Toulouse. In trance. Ja, het is nogal iets met de mensheid, zo onderweg en al, in afwachting van de zevende dag die ons zal verenigen met de eerste uren van de nacht.

Flor Vandekerckhove


donderdag 17 oktober 2019

De kwestie van de blauwe Cadillac

Last Ride Hank Williams 4 maakt deel uit van een collectie tekeningen die Jo Clauwaert momenteel in de Verenigde Staten tentoonstelt, meer bepaald in de Yard Dog Gallery in Austin. De tekening, die verwijst naar het tragische leven van singer-songwriter Hank Williams, inspireert me wel. De vogel, die in Clauwaerts tekening zo’n prominente plaats inneemt, wordt door Williams bezongen in diens tearjerker ‘I'm so lonesome I could cry’: Hear that lonesome whippoorwill / He sounds too blue to fly, / The midnight train is whining low / I'm so lonesome I could cry… Clauwaerts tekening levert nu ook een gedicht op: De kwestie van de blauwe Cadillac. De vernissage van Clauwaerts werk gaat in de Verenigde Staten door op 17 oktober. Op diezelfde dag maak ik het gedicht wereldkundig, maar dan hier aan de Noordzee. Is dat niet schoon?!    

De kwestie van de blauwe Cadillac

De Sheriff had de peuk in ‘t gras gekeild en er daarna,
Met de top van zijn laars, het vuur uitgeduwd.
Zelf had ik uit de zadeltas het schrijfgerief genomen
Om nauwlettend te noteren wat hij me dicteren zou.

Dit is geen auto, zei hij vreemd genoeg meteen,
En ik schreef letterlijk die woorden op,
Dit is overduidelijk iemands woonst, zei hij,
Wijzend naar het wrak van de blauwe Cadilllac.

Hij trok zijn neus op, snoof en zei: ik ruik etensresten,
Erwtensoep, bloemkool, patatjes, varkensgebraad,
In sneetjes, voegde hij eraan toe,
Het soort eten dat men thuis maakt.

De Sheriff is een echtgenoot, een specialist in
Zo’n geuren, en hij zei nogmaals: dit is iemands onderdak.
Schrijf daar maar bij, zei hij, in kapitalen:
Ik ruik alom de geur van alcohol.

In ’t schoon Amerikaans dicteerde hij vervolgens al
Wat hij van buiten door het raampje binnen zag,
Al wat van belang kon zijn voor ’t onderzoek, door mij
Genoemd: de kwestie van de blauwe Cadillac.

Bloemetjesbehang, eenvoudig meubilair,
’t Is allemaal heel ouderwets, zei hij,
Een autoradio zonder FM, je moet niet vragen
Over welke langverleden tijd dit gaat.

Omdat het portier vanbinnen af gesloten was,
Sloeg De sheriff, met het handvat van zijn colt,
Het raampje stuk, dat in scherven brak, en wild fladderde
Hij het zwerk in, de gezant des doods, Kill Bill The Whippoorwill.

De Sheriff en ik keken lange tijd de vogel na, tot die
Godbetert de trein nam, die daar juist voorbijkwam, en
Pas daarna ontwaarden we op de achterbank de cowboyhoed
Waaronder een mens genaamd Hank Williams lag.

Een restje stroom van de al lang leeggelopen autobatterij
Lichtte het schermpje van de radio op en we luisterden stilzwijgend,
De Sheriff en ik, naar de echo van een song die, zo noteerde ik meteen,
Als volgt van start ging: Koetje boe koetje boe koetje boe boe boe.

Flor Vandekerckhove


De kwestie van de blauwe Cadillac valt ook te beluisteren op podcast. Het betreft een variante. Daar wordt ‘De Sheriff’ vervangen door ‘Jo Clauwaert’. Mocht u zich afvragen waarom ik twee varianten maak, weet dan dat ik de schepper van dit gedicht ben en daar zoveel varianten van maak als ik maar wil. Er is ook een minder pretentieuze uitleg: de figuur van De Sheriff is wel degelijk door Clauwaert geïnspireerd, de kunstenaar die de tekening Last Ride Hank Williams 4 maakt. Wie de podcastversie van het gedicht wil beluisteren, met muziek van Dimer Geedts, klikt hier!

woensdag 16 oktober 2019

Berg en dal en voortschrijdend inzicht


— Foto links: vanaf de Bau des Poun kun je gemakkelijk de rij huisjes op de daar tegenovergelegen Puèg del Borion  spotten. Foto Rechts: Omgekeerd gaat moeilijker. Waar bevindt zich de point de vue? Ik ijk me op twee hoog opgeschoten bomen in het dal. Het uitkijkpunt ligt krek tussen het verlengde ervan, vlak onder de bovenste bomenrij op de Bau des Poun. Ja, dáár. —

Boven op de Bau des Poun kijken we naar het huisje aan de overkant van de vallei. De huizenrij staat scherp afgetekend tegen de wand van de tegenovergelegen berg, de Puèg del Borion. Omgekeerd gaat moeilijker: het bos slorpt de point de vue in zich op. Buren die zeggen te weten waar dat punt zich exact bevindt, wijzen in een richting die voor mij onaanvaardbaar is. Tegenspreken durf ik niet — zij wonen hier, ik niet — twijfelen doe ik des te meer.
Op de wandeling nemen we een oud laken mee. Aan het uitkijkpunt knoop ik de lap rond een tak. Terug thuis neem ik de verrekijker ter hand. Vergeefs.
Diezelfde dag rijdt houthakker Antoine met zijn motocycle over de bergkam. Na afloop gaat hij er een kraken bij de buren. Hij zegt: Er hangt godver een laken aan de point de vue. De buurman beaamt: ’t is dat van les Belges. Antoine wijst de richting aan, waardoor de buurman leert dat de point de vu zich geenszins bevindt waar hij hem al heel zijn leven situeert.
En dit is heden. Om beurten turen de buurman en ik door de verrekijker. Ja, dáár, links van het dorp, hoog tegen de Bau des Poun, is soms een miniem wit stipje te zien, soms niet. ’t Kan een waaiend laken zijn. Een rode lap ware duidelijker, zegt de buurman. Waardoor ik me m’n rode vaan in de kelder herinner. We gaan de kwestie meteen beslechten. Tania rondt de Bau des Poun met de auto, in de koffer de vlag. Van de point de vue stuurt ze me een tekstberichtje. Ha! Op de Bau del Poun wappert nu onmiskenbaar de rode vaan. De buurman en ik heffen de Internationale aan, hij in ’t Occitaans, ik in ’t West-Vlaams.

Flor Vandekerckhove


dinsdag 15 oktober 2019

Het voortschrijden der tijden, maar dan in Vabre

’t Is lang geleden dat er beweging in de blog gezeten heeft. Dat komt doordat ik twee weken in m’n vakantiehuisje in Vabre heb doorgebracht. In dat dorp is er wel internet beschikbaar, maar je moet er de berg voor afdalen en je naar de bib begeven, tijdens de schaarse uren dat de vrijwilligers van de association die voor geopend verklaren. Soms doe ik dat ook wel, maar deze keer heb ik het vertikt. Wat niet betekent dat er niets te vertellen valt.

Toulze (86) is overleden.’t Is niet dat ik dacht dat hij het eeuwige leven had, maar toch. 
Katholieken en protestanten hebben in dit dorp gescheiden begraafplaatsen. Waar ligt Toulze? En waar komen overleden atheïsten in deze tweespalt terecht? Een schier onverstaanbare autochtoon zet ons op weg naar het katholieke kerkhof. Veel fikfak op Toulzes graf en een plaket waaruit blijkt dat hij een combattant en Angérie, Maroc et Tunisie geweest is.
Toulzes overlijden confronteert me met het voortschrijden der tijden en op een zachtere manier doet ook de pensionering van Christine dat. Weer schrik ik, weer vervalt een zekerheid. De épicerie heet nu Le panier d’ Hélène. Even sober, maar opgefrist, wat hoopgevend is, net als de verhuizing van de krantenwinkel naar de overkant van de straat hoopgevend is, ook daar in een opgefrist interieur.
Ik heb de tijd gekend dat het dorp een bakker had, daarna ik heb ik het meegemaakt dat een jong koppel de bakkerij vruchteloos overnam en verleden jaar zag ik een ander koppel dat daar een lokaal bier begon te brouwen, dat vreemd genoeg Saison belge en Noire belge heette. Ook dat is alweer voorbij. Ik lees de mare: ‘Merci pour cette année, du soutient, des découvertes, des bas et des hauts, merci pour cette aventure.’ De uitbater van de krantenwinkel zegt me dat er achter deze mooie woorden een echtscheiding schuilt.
De dorpsklok slaat zeven, de zon verdwijnt achter de berg die, indrukwekkend als altijd, voor ons ligt. Ik plaats een punt achter dit stukje over veranderingen in een dorp waar alleen maar schijnbaar niets verandert. We halen de kussens binnen en gooien een extra houtblok op het vuur. De nacht omarmt het dorp, de uil maakt zich kenbaar.

Flor Vandekerckhove