donderdag 29 november 2012

The Swallows


The Swallows, wereldberoemd in Bredene. —
Hebt u dat ook? Hoe ouder ik word, hoe meer ik naar de kapper ga. Vroeger werd mijn haar door vriendinnen bijgeknipt. Dat groeide vervolgens zo snel dat hun onkunde al na een week gecamoufleerd kon worden. Dat soort knipwerk kan ik me vandaag niet meer permitteren. Vandaar dat ik nu op tijd & stond naar André de coiffeur trek, alwaar de deskundige Patricia ervan maakt wat er nog van te maken valt.
Telkens ik daar voor de spiegel zit, word ik niet alleen met mijn dunner wordende haar geconfronteerd, maar eveneens met mijn grote onwetendheid, bijvoorbeeld betreffende de memoires van Laurentius Vanacker, een boek dat mij daar voor het eerst onder ogen kwam.
Die publicatie is me in 2011 ontgaan. Spijtig, want lees met me mee wat de site shopmybook.com over de inhoud zegt: ’Toen in de gouden muziekjaren (1960) in Engeland The Beatles hard aan het knokken waren om erkenning te krijgen, gebeurde aan de overkant van de zee, aan de Belgische kust, net hetzelfde met The Swallows (…).
Op het Britse continent werden The Beatles wereldberoemd en in het kleine België kregen The Swallows één vermelding: pioniers popgroep uit de Belgische moderne muziekgeschiedenis.’
En ik die dacht dat The Swallows gewoon een covergroepje vormden! Dat ze zich aan het niveau van de Beatles mochten meten, maar omwille van de ongelijke landsverhoudingen ook tot ongelijke beroemdheden uitgroeiden, wordt me nu voor het eerst geopenbaard. En wel door Laurentius Vanacker, de zanger van de groep, die, nog steeds volgens dezelfde website, tot vandaag blijft ijveren om erkenning te krijgen ‘als componist in de harde muziekwereld.’
Bredenaars van mijn generatie hebben de in 1961 opgerichte groep The Swallows menig maal zien optreden. Eerst gebeurde dat als imitators van The Shadows. Na de opkomst van de beatmuziek pasten ze wijselijk hun repertoire aan. Volgens de website belgarock.blogspot.be brak de groep in 1962 door:In de zomermaanden van 1962 volgde hun doorbraak. Ze mochten optreden op de kiosk gelegen tussen Oostende en Blankenberge en in het Torenhof in Bredene (…)’.  Als doorbraak kan dat tellen, vind ik, want, zoals Laurentius eerder al zei, het kleine België is 'het Britse continent' niet. Er volgden platen (in 1964 en ’68), maar die kenden helaas ook merkelijk minder succes dan deze van The Beatles.
In 1976 verliet Laurentius de groep om solo te gaan.  Daarna heeft hij tien jaar kleinkunst gepleegd en verschillende platen gemaakt. Dat ik ook dit nu pas voor het eerst verneem, getuigt van verregaande wereldvreemdheid mijnentwege, want ‘[z]elfs grootheden als Johnny Cash danken succes aan de Bredenaar.’ (*)  Vandaag zingt Vanacker nog altijd, maar dan vooral in het Oostendse dialect.
Laurentius moet inmiddels rond de zeventig zijn, een leeftijd waarop enig filosofisch gemijmer wel past. Dat levert in De Zeewacht volgende quote op:  Liever levenslang leven met zicht op zee, dan kortstondig overleven aan de top.’ Mij lijkt dit geen rock-'n-rollattitude te zijn, maar daarom is het nog niet minder waar.  Levenslang leven moeten we ten slotte allemaal, dan kun je dat inderdaad beter met uitzicht op zee doen, rocker of geen rocker.
Florentius Vandekerckhove
(*) http://kw.knack.be/west-vlaanderen/nieuws/algemeen/muzikant-en-componist-laurentius-vanacker-uit-bredene-schrijft-zijn-memoires-neer/article-1194947969919.htm
In het teken van de sol, De Swallows-Bunch historie van Laurentius Vanacker werd uitgegeven in eigen beheer en wordt verspreid door ShopMyBook.com.  288 pagina’s met veel fotomateriaal en een mooie omslagtekening van Rozette Deleu. Kost 19,00 euro. ISBN 9781616275372.
Wie op een van onderstaande labels drukt, vindt elders in de blog nog soortgelijke stukken.

zaterdag 24 november 2012

Geen buit, geen fluit


‘Gedurende de “Gouden eeuw” van de piraterij, tussen de XVIIe en de XVIIIe eeuw, plunderden bemanningen, de eerste proletarische rebellen, uitgestotenen van de beschaving, de zeeroutes tussen Europa en Amerika. Ze opereerden vanuit landelijke enclaves, vrije havens, “piratenutopieën”, gesitueerd op eilanden en langs de kust, buiten het bereik van elke beschaving. Vanuit deze mini-anarchieën — “Tijdelijke Autonome Zones” —  lanceerden ze raids die zo vruchtbaar waren dat ze een crisis van het imperium veroorzaakten doordat ze de Britse handel met de kolonies aanvielen, het globale uitbuitingssysteem van de slavernij en het opkomende kolonialisme indrukwekkende slagen toebrachten.’ Zo luiden de eerste zinnen van het Franstalige boekje ‘Piratenbastions’. (*)
Het citaat maakt al duidelijk dat we een partijdig standpunt voorgeschoteld krijgen, maar dat laat ons wel toe de piraterij eens van een andere kant bekijken, namelijk vanaf de onderkant.
‘De euro-amerikaanse maatschappij van de XIIe en XVIIIe eeuw is deze van het kapitalisme in volle ontwikkeling, van oorlog, slavernij, de landbouwrevolutie; honger en miserie gaan schouder aan schouder met een onvoorstelbare rijkdom.’ De matrozen op de schepen die deze onvoorstelbare rijkdom uit de nieuwe wereld naar de Nederlanden, Spanje, Frankrijk, Portugal en Engeland verschepen, hebben een hondenleven; ze worden tiranniek behandeld en slecht betaald. Sommigen slaan aan het muiten en vluchten met schip en al naar de nog maar pas ontdekte eilanden van de Caraïben waar ze voor de overheid ongrijpbaar zijn.
Daar ontmoetten deze drop outs andere verworpenen der aarde. Veelal betrof het radicalen die ontevreden waren met de uitkomst van de Engelse burgeroorlogen uit de XVIIde eeuw. Die radicalen werden, om ervan af te zijn, door de Engelse overheid naar de nieuwe wereld gedeporteerd. Ze troffen daar duizenden andere Europeanen aan, armoelijders die contractueel in de nieuwe kolonies tewerkgesteld werden. Later kwamen zwarte slaven hun plaats innemen.
Deze ‘soep’ van muiters, radicalen, slaven en proleten blijkt moeilijk onder controle te houden. Velen onder hen gaan zich verstoppen op een van de paradijselijke eilanden waar ze, zo stellen de auteurs, vrije, autonome gemeenschappen stichten. Dat zou veelal op basis van gelijkheid en broederschap gebeurd zijn. Het zijn deze egalitaire gemeenschappen die de basis vormen voor de piraterij van de Caraïben die in de XVIIde eeuw ontstaat.
De zeelui die ontsnapt zijn aan de tirannie van de koopvaardij, moeten nu hun eigen gedragscode opstellen. Merkwaardig is dat deze door de hele bemanning vrijwillig onderschreven moet worden, wat getuigt van een nooit eerder ongeziene democratische ingesteldheid. Ook solidariteit zou hoog in het piratenvaandel gestaan hebben, want In deze charters worden voorzieningen opgenomen voor gekwetsten die niet meer in de mogelijkheid verkeren aan de piraterij deel te nemen.
Volgens een boek uit 1724 zou de code van de piraat Bartholomew Roberts volgende passage bevatten: ‘Elkeen heeft zijn stem in de lopende zaken; heeft evenveel recht op vers eten en op sterke drank, op elk moment te gebruiken, tenzij een tekort ons ertoe noopt te stemmen over een beperking ervan.’
De piratenschepen werken volgens het principe ‘Geen buit, geen fluit’. Het is een principe dat ook elders bestaat, maar bij de piraten is er een extra. Er wordt geen deel weggelegd voor reder, investeerder of handelaar. Iedereen ontvangt een gelijk deel; alleen de kapitein krijgt anderhalf part, wat relatief weinig is. Zij onderscheiden zich daardoor van andere kapiteins, bijvoorbeeld van kapers (dit zijn zeerovers met een overheidsvergunning), die veertig delen voor zichzelf nemen. De auteurs van deze tekst menen trouwens te weten dat de piratenkapiteins verkozen worden en door de bemanning afgezet kunnen worden als ze misbruik maken van hun autoriteit.
Er ontwikkelde zich dus een piratencultuur. Het lijkt erop, zo lezen we in dat boekje, dat deze gemeenschappen een eigen taal proberen te ontwikkelen, een mengelmoes van de vele talen van herkomst, aangevuld met overdadig veel gevloek.
Uiteraard was het de piraten om de buit te doen, maar sommige tekenen wijzen erop dat ze ook culturele motieven hadden, zoals… wraak! Dat blijkt uit sommige scheepsnamen, waarin het woord ‘revenge’ (wraak) voorkwam. Zwartbaards schip heette de ‘Queen Anne’s Revenge’, Piraat John Cole heette zijn schip New York Revenge’s Revenge’, het schip van William Fly heette Fame’s Revenge.  Geldgewin? Zeker, maar sommigen zagen zichzelf blijkbaar als een Robin Hood ter zee. Vandaar wellicht dat het schip van piraat John Ward ‘Little John’ heette, naar de helper van Robin Hood.
De gouden eeuw van de piraterij is tegelijk ook de gouden eeuw van de slavenhandel. Sommige piraten nemen aan die handel deel, maar anderen bevrijden juist de slaven door er… piraten van te maken. Een kwart van de mannen aan boord van het piratenschip Bellamy zou zwart geweest zijn. Sommige ex-slaven klimmen op in de piratenhiërarchie en worden tweede man aan boord. Wanneer Zwartbaard in 1718 gevangen genomen wordt,  ziet men dat vijf van de achttien bemanningsleden zwarten zijn.
Andere elementen van de piratencultuur zijn de uit de hand lopende feesten. in 1669 bijvoorbeeld houden piraten een feest langs de kusten van Hispaniola (thans Haïti) waarbij ze het zo bont maken dat ze hun eigen schip laten ontploffen. Ook hadden ze muzikanten aan boord en er zijn getuigenissen waaruit blijkt dat er muziek gespeeld werd tijdens de aanval. Er wordt ook stevig gedronken. Zo is er het verhaal dat een piratenschip er drie dagen over deed om een prooi te enteren omdat er nooit genoeg nuchter volk was om de klus te klaren.
De Gouden Eeuw van de piraterij heeft van 1650 tot 1725 geduurd, met een piek rond 1720. De ontwikkeling van het kapitalisme in de XVIIde eeuw vraagt evenwel om sterke staten. Het begin van het einde wordt gemarkeerd door de terugkeer van de oude piraat Sir Henry Morgan naar Jamaica. Hij wordt er tot gouverneur benoemd en heeft tot taak de piratennesten te elimineren. In 1700 wordt in Engeland een nieuwe wet gestemd waarbij het toegestaan wordt piraten ter plekke te oordelen en te doden. Ze worden dan ook met tientallen tegelijk opgehangen. In 1722 bijvoorbeeld worden 169 bemanningsleden van kapitein Bartholomew Roberts veroordeeld. 52 ervan worden opgehangen. Het Gouden Tijdperk van de piraterij is afgelopen.
Flor Vandekerckhove

(*) ‘Do or Die, Bastions pirates, Une histoire libertaire de la piraterie’. 2001. Het boekje werd samengesteld op basis van uittreksels uit het tijdschrijft Do or Die nr. 8. De Franse vertaling draagt het anti-© label. Alle citaten komen uit dat boekje.

Wie op een van onderstaande labels klikt, vindt elders in de blog nog soortgelijke stukken.

donderdag 22 november 2012

Het Besloten Genootschap voor Topvrouwen


Bij de politie had ze de top bereikt.  Haar steile opgang was niet onopgemerkt gebleven.  Ze werd dan ook gecontacteerd door het Besloten Genootschap voor Topvrouwen die haar het prestigieuze lidmaatschap van de vereniging aanbood. De politietopvrouw herkende de nood waaraan het Genootschap tegemoet zei te komen. Ze stemde toe en werd lid.
Het Genootschap kwam bijeen op onbekende, wisselende adressen en over de leden ervan was buiten die club nauwelijks iets bekend.
Kort daarna had de politietopvrouw een sms ontvangen. Voor verdere instructies moest ze naar het nummer van een mobiele telefoon bellen. 
Er werd haar een wachtwoord gegeven. Ze kreeg het adres (Knokke!) en ze kreeg twee uur tijd om zich om te kleden.  Ze mocht desgevallend een partner meenemen, zo zei de voorzitster, op voorwaarde dat hij bereid zou zijn de avond geblinddoekt door te brengen zodat de locatie niet door derden bekend zou worden.
De politietopvrouw kon niet onmiddellijk een geschikte partner vinden, wat een gevolg was van de carrièreklim die aan haar sociale contacten geknabbeld had. Ze haastte zich om zich om te kleden. Terwijl ze dat deed voelde ze een lichte opwinding. Dat kwam door de spanning en het kwam ook doordat ze fijne lingerie aantrok, kousen ook en een jarretellehouder.  Ze besloot boven haar zijden blouse een strak pak aan te trekken, zwart, met een nauwsluitende rok.  Pumps.
Krek op het moment dat ze haar wagen startte, kreeg ze van de dienst een oproep. Er moest in het grootste geheim een verdachte overgebracht worden, een auteur die ervan beschuldigd werd pornografische teksten naar topvrouwen rond te sturen.  In Brugge zou de pornograaf ’s anderendaags in alle vroegte door de onderzoeksrechter verhoord worden.
Ze dacht even na.  Het was haar eerste vrije avond sinds lang en ze besliste er koste wat het kost gebruik van te maken.  Er zat niets anders op dan de verdachte op te halen en hem mee naar Knokke te nemen.  Na afloop van de activiteit zou ze hem verder naar Brugge transporteren.
In het commissariaat werd haar de man overhandigd.  Ze deed hem een boei om die ze ook aan haar arm vastmaakte.  Over de handboeien heen legde ze een jas om hem onopvallend naar haar wagen te leiden.  Daar maakte ze 's mans boei vast aan de staaf die daarvoor speciaal in de wagens van politietopvrouwen gemonteerd wordt.
Terwijl ze reed, monsterde ze de man in haar achteruitkijkspiegel.  Hij zag er sexy uit.  ‘Zo,’ zei ze, ‘U verstuurt dus pornografie naar topvrouwen.’ 
De man ontkende: ‘Ik ben een auteur van erotische verhalen,’ antwoordde hij, ‘dat is geen pornografie.  Alleen is het zo dat de normen van het genre aan het vervagen zijn en dat er bij de overheid een tendens bestaat om de twee genres over één kam te scheren.’
Ze repliceerde: ‘Maar waarom stuurt u die dingen naar topvrouwen?’
‘Ik stuur geen dingen,’ antwoordde hij, ‘ik ben een schrijver. Ik stuur teksten.’
Het was al donker toen het merkwaardige koppel Knokke binnenreed.  Ze parkeerde de wagen op enkele meters van het huis waarin het Genootschap bijeenkwam. Het was een drukke straat en ze begreep dat het geen optie was om de pornograaf alleen in de wagen achter te laten.  Ze besloot hem mee naar binnen te nemen.
Omdat de man met politiezaken geen ervaring had, protesteerde hij niet toen ze hem de blinddoek ombond.  Weer klonk ze de boei vast aan haar arm, weer legde ze een jas over hun polsen. Zo stapten ze als een haastig koppel naar het huis. 
Ze belde aan. Toen het spionnetje geopend werd, zegde ze het wachtwoord en de twee werden meteen binnengelaten.  Er brandden kaarsen en er speelde zachte muziek.
‘Welkom, welkom,’ zei de voorzitster overbodig twee keer na elkaar. ‘Mmmmm,’ fluisterde ze daarna in het oor van de politietopvrouw, ‘mooi exemplaar heb je meegebracht. Kom ik zal jullie naar binnen leiden.’ 
Een wolk van parfum ontsnapte uit de achterliggende kamer. In de ruime living zag de politietopvrouw wel twintig andere dames staan, waarvan ze er op het eerste gezicht niet een kende. Ze werd hartelijk begroet.  Wangkussen, handjes schudden, gekir, blablabla.  De man werd bekeken en gekeurd, iemand kneep hem in de kont, niemand deed moeite iets tot hem te zeggen.  Samengedrukt in een hoek van die ruime living stond een hoopje mannen, eveneens geblinddoekt. 
‘Kom,’ zei de voorzitster,’ik zal je jas meenemen.’ Meteen werden de handboeien zichtbaar.  ‘Oh!’ Er ging een langgerekte kreet door de kamer.  Alle vrouwenogen waren meteen op de handboeien gericht. ‘Prachtig! Tralala! Subliem! Wunderbar!’ (Want er was ook een Duitse topvrouw bij.)
Even was de politietopvrouw van de kaart door het tumult dat de handboeien veroorzaakten.  Ze maakte aanstalten om ze los te maken, maar de verenigde topvrouwen beletten dat. ‘Neen,’ gilden ze, ‘niet doen. Je mag hem niet losmaken.  Niets is zo geil als een vastgebonden man.’
De pornograaf begreep nauwelijks wat hij hoorde. Hij kon zich niet verzetten, gesteld dat hij dat al gewild zou hebben, want hij vond het directe contact met de politietopvrouw best aangenaam.  Dicht tegen haar aangedrukt rook hij haar parfum, hij hoorde het ritselen van de rok tegen haar kousen, soms voelde hij de welving van een borst, hij voelde ook de zachte wind van haar adem wanneer ze sprak. 
Inmiddels waren de vrouwen druk in de weer met het uitkiezen van een man uit het hulpeloze hoopje dat daar samengedrukt stond.  De politietopvrouw keek toe hoe de oudste vrouwen het eerst mochten kiezen.  Ze zag hoe de jongere vrouwen hun keuze beperkt zagen worden tot de resterende oudere mannen.  Ze keek toe hoe de laatste vrouw — de jongste, een kind van nauwelijks twintig — uiteindelijk de hand nam van de enige resterende man, een exemplaar dat al met tram zes reed, zoals dat plastisch genoemd wordt, zij het alleen maar in de volksmond. 
De voorzitster zag hoe de politietopvrouw daarbij de wenkbrauwen fronste en daarom fluisterde ze in haar oor: ‘Zo is het goed. De oudere dames lusten best een jong blaadje en wat de jongste vrouwen betreft… Zegt het spreekwoord niet dat je het beste leert te rijden op een oude fiets?’ 
De politievrouw zag vervolgens hoe de vrouwen de gekozen partner meenamen naar de dancingachtige ruimte achter de living, waar ze zich koppel per koppel in diepe fauteuils nestelden.  Zelf nam ze de pornograaf mee naar de bar waar ze hem, aan elkaar geklonken als ze waren, met veel moeite op een kruk geplaatst kreeg.  Ze zaten beiden nog niet goed neer of ze voelde dat ze dringend moest plassen. Ze keek de kamer rond en ontdekte de deur waarop Cour geschreven stond.
Wat er die avond verder nog gebeurd is, kan ik u niet vertellen. Dat blijft daar allemaal binnenskamers. Mocht het anders zijn dan zou die vereniging toch niet Besloten Genootschap heten? Of wel?
Flor Vandekerckhove 
Wie op een van onderstaande labels drukt, vindt elders in de blog nog dergelijke verhalen.

donderdag 15 november 2012

Een wijk rond de Avenue le Grand


— Nog steeds bestaande villa's in de Avenue Le Grand, thans Zeelaan. —
In 1903 werd de S.A. Breedene-sur-mer-lez-Ostende opgericht. Op braakliggende grond, vlak achter de duinen, wilden de vennoten een toeristische wijk uitbouwen. ‘Om de verkoop te stimuleren bouwt de vennootschap villa's voor eigen rekening bestemd om te verhuren of volledig afgewerkt te verkopen; bovendien staat ze in voor het eventuele afsluiten van leningen en hypotheken.’ 
De projectontwikkelaars tekenden de residentiële villawijk rond wat eerst Avenue centrale n° 5 heette. Die naam die eerder aan een werkkamp dan aan een villawijk liet denken werd al gauw vervangen. De straat werd toen Avenue le Grand, naar een Gentse grootgrondbezitter, medeoprichter van de S.A. Breedene. Pas in 1939 kreeg de straat haar huidige naam: Zeelaan. 
Er was ook een André Danielslaan. Die werd genoemd naar een Oostendse architect die een stimulerende rol speelde in de uitbouw van deze verkaveling. In 1939 werd die straat Strandlaan. 
De Prinses Marie-Josélaan heette tot 1939 Marc Samdamlaan, naar een Gentse nijveraar die meerdere villa's in de straat bezat. (De familie Samdam was o.a. eigenaar van de villa Mon Castel die zich in het later ontwikkelde Park Ramakers bevond, vandaar dat een van de straten die daar naartoe leidt de Kasteellaan is.)
De Meeuwenlaan heette Segonzaclaan, naar een Frans familielid van le Grand.  Wat vandaag de H. Consciencelaan is, heette tot 1939 Vandersmissenlaan, zo genoemd naar een Schaarbeekse groothandelaar een beheerder van de S.A. Breedene. De Kroonlaan was deels Avenue de Boeck en deels Avenue G. Hendrickx en die laatste was een Brusselse architect-landmeter. De Noordlaan was dan weer de Avenue Gielen, naam van een medebeheerder van de S.A. Breedene. De Peter Benoitlaan was de August Pedelaan. Die Pede was een Oostendse vis- en wijnhandelaar, eveneens een van de beheerders van de N.V. (Vanaf het kruispunt met de Prinses Marie-Josélaan heette de laan Avenue de Liège). Merkwaardig is de naamsverandering die de Avenue de France in 1939 onderging. Die werd toen tot Frankrijklaan vervlaamst. Maar de Avenue de France verwees niet naar ons buurland, maar naar Antoine de France, landmeter die gronden van de familie le Grand behandelde.
Postkaarten vermelden onderstaande straat zowel als Avenue Marc Samdam als Avenue Max Samdam. Max of Marc, In beide gevallen is het nu de Prinses Marie-Josélaan.
Flor Vandekerckhove




zaterdag 10 november 2012

Toen het fort nog 'van Napoleon' heette


Het duinengat leidde naar de vrijheid.
Het duinengat van Bredene was een poort die ons elke zaterdag naar het rijk van de vrijheid leidde. Daarachter lag de zee, een leegte die alleen maar door de horizon begrensd werd. Rechts kon je bij goed weer tot aan Zeebrugge kijken en links zag je hoe het Oostendse oosterstaketsel zijn vuist diep in zee stak. Achter ons lagen de duinen die ons van de vele geboden — vooral verboden — afschermden die ons jonge leven regelden.
Onze korte beentjes konden ons nooit tot in Zeebrugge brengen, want we moesten natuurlijk wel op tijd weer thuis zijn.  Maar we probeerden wel, menig maal zelfs, om tot in Oostende te geraken.
Het is niet zo dat we dan besloten met fikse tred tot aan het oosterstaketsel te stappen. Het is meer dwalen wat we deden, van golfbreker naar golfbreker, een tocht die voortdurend onderbroken werd door alles wat er onderweg te ontdekken viel: het kadaver van een meeuw, een aangespoelde zeehond, een stuk visnet, bunkers en andere oorlogsresten die onze aandacht opeisten…
Zo nu en dan beklommen we een duin om uit de hoogte de andere kant te observeren, op zoek naar een herkenningsteken dat ons kon leren hoever we inmiddels gevorderd waren. Waren we al voorbij de oude molen? Waren we de Groene Dijk al gepasseerd? En vervolgens trokken we weer verder.
Die dag hadden we een record gebroken. Nooit eerder waren we zover geraakt. Wie was er die dag bij?  Ik weet ik niet meer. Ivan Steen? Ivan Schamp? Freddy Versluys? Norbert Olders? Wijlen Koenraad Levecke? Was Ronny David van de partij? Marc Loy? Dat zijn de namen die me spontaan te binnenschieten wanneer ik aan die stranddagen denk.  Maar zij die erbij waren zullen het zich herinneren. 
Ten laatste male beklommen we een duin om te kijken waar we ons exact bevonden.
En daar zagen we een bouwwerk dat we niet konden negeren.
En daar zagen we het fort van Napoleon, een bouwwerk dat we niet konden negeren. We bewapenden ons met stokken — want we waren op onbekend terrein dat misschien wel door andere jongens verdedigd werd — en beslopen het imposante gebouw in gespreide slagorde. De gespannen stilte werd verbroken toen een van ons riep: ‘Kom hier! Ik heb iets ontdekt.’
En zo kwam het dat een vijftal knapen enkele tellen later rond een gat lag dat in de duinen uitgegraven was, een verticale schacht die tot diep in het duin doordrong. In de muur waren ijzeren sporten verankerd als evenveel uitnodigingen om erin af te dalen.
Er volgde enig overleg: doen we het of doen we het niet? Wie durft, wie durft niet? We bespraken de tactiek: wie niet durfde zou op opkijk blijven staan. De rest zou in de schacht afdalen, een per een, zodat we niet allemaal tegelijk zouden verongelukken als zo’n sport loskwam.
Ik denk dat ik de eerste was om af te dalen, maar het kan ook een wankel geheugen zijn dat me hierin de heldenrol toebedeelt. Hoe dan ook, afgezien van die ene bloodaard die zichzelf opgaf om bovenaan op uitkijk te blijven staan, daalden we een na een de ladder af, diep in dat duin, op weg naar het onbekende.
Daar beneden was het avontuur bijlange niet afgelopen. De schacht mondde uit in een nauwe onderaardse gang die zich horizontaal door het zand boorde. Daar was alleen maar al kruipend door te geraken, maar op het einde van die tunnel was er licht te zien, voorwaar een uitnodiging waartegen we geen verweer hadden. 
Nadat we ons steunend op onze ellebogen doorheen de smalle tunnel gemanoeuvreerd hadden, kwamen we in een caponnière van het fort terecht. Wat een ontdekking!
De rest van de middag spendeerden wij in dat indrukwekkende fort dat er in die tijd verlaten en verwaarloosd bijlag. We ontdekten er open haarden waarvan we veronderstelden dat soldaten van Napoleon er zich aan gewarmd hadden, we vonden stro dat we in verband brachten met de paarden van het Franse leger en er stond ook een generator, maar dat laatste negeerden we omdat, zo besloten we na overleg, er in de tijd van Napoleon geen elektriciteit bestond, laat staan generatoren om die op te wekken.
De schacht die naar de onderaardse gang leidt
bestaat vandaag nog wel degelijk.
Wat een middag! We hadden een echte onderaardse gang ontdekt die toegang gaf tot een fort dat na de dood van Napoleon door niemand meer betreden was.  Van dat laatste overtuigden we onszelf op de terugweg die merkelijk vlugger afgelegd werd dan in het doorgaan, want het begon al te schemeren. Thuis wachtte ons dan ook het gewone pak slaag omdat we weer eens te laat aan tafel kwamen.
Nog niet zo lang geleden vertelde ik de dochter van mijn vriendin over dat avontuur. Ik had het nog een beetje aangedikt, zodat het kind me niet geloofde. Dus trokken we samen op zoek naar die onderaardse gang. En ja, we vonden de schacht wel degelijk, maar erin afdalen was onmogelijk. Een vergrendelde metalen plaat sloot de toegang af. In dat deksel was geen beweging te krijgen.  Ze hadden, zo moest ik constateren, ons fort afgepakt. Dat heet dan ook niet langer het fort van Napoleon. Da's nu Fort Napoleon van de horeca. 
Flor Vandekerckhove

maandag 5 november 2012

Haruki Murakami en ik


Haruki Murakami op weg naar Marathon.
Murakami en ik hebben veel met elkaar gemeen. We zijn niet alleen leeftijdsgenoten die schrijven, we doen ook beiden aan hardlopen en we er zijn ervan overtuigd dat joggen voor onze schrijfpraktijk belangrijk is. Zegt Murakami: ‘Ik heb een sterk vermoeden dat mijn oeuvre er heel anders had uitgezien als ik bij de start van mijn schrijverscarrière niet beslist had om met langeafstandslopen te beginnen.’
Murakami is als schrijver en als jogger een laatbloeier: ‘Drieëndertig jaar. Dat was mijn leeftijd op dat moment. Nog jong genoeg, maar toch geen “jongeling” meer. Jezus Christus was zo oud toen hij stierf. Bij Scott Fitzgerald had de aftakeling rond die tijd al ingezet. Misschien is het een soort keerpunt in een mensenleven. In mijn geval ving op die leeftijd mijn leven als hardloper aan en stond ik, met enige vertraging, aan het echte begin van mijn carrière als romanschrijver.’ Zelf was ik al veertig toen ik in beweging kwam en ik was zelfs al tweeënveertig toen mijn eerste boek gepubliceerd werd.
Ik zie gemeenschappelijke karaktertrekken: ‘(…) voor alle duidelijkheid wil ik toch stellen dat ik van nature liever alleen ben. (…) Ik vind het niet vervelend om elke dag een of twee uur in mijn eentje te rennen zonder met iemand een woord te wisselen en dan vier of vijf uur in stilte aan mijn bureau te zitten schrijven.’ En evenmin als hij voel ik me aangetrokken tot teamsporten: ‘Het komt misschien doordat ik geen broers of zussen heb, maar ik kan me onmogelijk inleven in spelletjes die je samen met anderen doet. In sporten van man tegen man, zoals tennis, ben ik ook al niet erg goed. Ik hou wel van een partijtje squash, maar wanneer het tot een wedstrijd komt, voel ik me daar vreemd genoeg niet comfortabel bij, om het even of ik nu win of verlies. En vechtsporten liggen me al evenmin.’
Waarin verschillen we? Anders dan ik gaat Murakami er hard tegenaan. Hij ziet niet op tegen vliegtuigreizen om waar ook ter wereld aan marathons (en triatlons) deel te nemen. Da’s iets wat ik mezelf niet zie doen.
Uiteraard is er ook zoiets als talent. ‘De belangrijkste eigenschap voor een schrijver is — hoeft het gezegd? — talent (…) Het probleem met talent is echter dat de bezitter de kwantiteit en de kwaliteit ervan doorgaans niet goed onder controle heeft.’ En eerder in dat boek schreef hij al: ‘Schrijvers die gezegend zijn met een aangeboren talent kunnen ongehinderd romans schrijven, wat ze ook doen (of juist niet doen). Zoals water uit een bron gutst, zo gutsen de teksten als vanzelf uit hun pen. Ze hoeven zich niet eens in te spannen om boeken te produceren. Je hebt van die mensen. Maar helaas ben ik van een ander type. Het is niet iets om trots op te zijn, maar om me heen is kilometers in de omtrek geen waterbron te bespeuren. Om de bron van creativiteit te bereiken moet ik met een beitel in de hand de rotsen splijten en een diep gat maken. Om een roman te schrijven moet ik, met andere woorden, met mijn krachten woekeren en er de nodige tijd en moeite aan besteden. Elke keer als ik een boek wil schrijven, moet ik telkens opnieuw een diep gat graven.’
Wil je slagen, zegt Murakami, dan moet je je concentratievermogen aanscherpen: ‘De bekwaamheid om de beperkte hoeveelheid talent die je hebt intensief te richten op één cruciaal punt. Als je dat vermogen niet hebt, zul je nooit iets belangrijks kunnen verwezenlijken. Als je het echter wel hebt en er bovendien efficiënt mee omspringt, dan is het mogelijk om onvoldoende of ongelijk verdeeld talent in zekere mate te compenseren.’ En wat je ook moet aankweken, zegt hij, is uithoudingsvermogen: ‘Zelfs al ben je in staat drie, vier uur per dag geconcentreerd te schrijven, je zult geen lijvige roman aankunnen als je er na een week al helemaal doorheen zit. Romanschrijvers (…) hebben de kracht nodig om die dagelijkse concentratie een halfjaar, ja zelfs één of twee jaar aan één stuk vol te houden.’
Concentratie en uithouding zijn eigenschappen die je kunt aanleren: ‘(…) auteurs die veel minder begaafd zijn — wier talent, met andere woorden, maar net genoeg niveau haalt – moeten al van jongs af aan voor eigen rekening aan hun spierkracht werken. Door training kweken ze concentratievermogen en verbeteren ze hun uithoudingsvermogen. En noodgedwongen gebruiken ze die eigenschappen dan (tot op zekere hoogte) als “vervangmiddel” voor talent. Terwijl ze zich echter op die manier “behelpen”, kan het soms gebeuren dat ze heus, verborgen talent in zichzelf aantreffen.’
Waar staan m’n loopschoenen?
Flor Vandekerckhove

Haruki Murakami, Waarover ik praat als ik over hardlopen praat, Uitgeverij Atlas/contact. 205 ps. 15 euro. ISBN 978 90 482 222827.  Alle citaten komen uit dat boek.