zaterdag 26 september 2015

George Orwell lost een onwelriekende wind

— Bradley, thans Chelsea, Manning —
Er zijn schrijvers die me mateloos boeien omdat ik er kop noch staart aan krijg. Zij luisteren naar namen als Victor Serge, Albert Camus en George Orwell… mensen die zowel van rechts als van links onder vuur genomen worden, veelal omwille van iets wat zowel hun sterkte als hun zwakte blijkt te zijn. En waarvan ik me blijf afvragen wat dat 'iets' dan is. Wie in de rechterkolom van de blog de labels bekijkt kan zien dat ik over die mensen al een en ander geschreven heb.
Van de drie vernoemden is Orwell de meest actuele. Nadat Bradley (thans Chelsea) Manning ons enkele oorlogsmisdaden van het Amerikaanse leger getoond had en Edward Snowden ons leerde dat de Amerikaanse National Security Agency al ons elektronisch verkeer nauwlettend in ’t oog houdt, schoten de verkoopcijfers van Orwells 1984 door ’t plafond. Niet dat het ooit uit de markt weggeweest was. Van dat boek, en ook van zijn andere meesterwerk, Animal Farm, werden al 50 miljoen exemplaren verkocht: 50.000.000 ! Zijn naam heeft ons overigens een nieuw begrip opgeleverd. Orwelliaans staat voor een situatie waarin leidinggevenden smerige propagandatrucs gebruiken om de wereld naar hun hand te zetten; na Bradley en Snowden weet iedereen dat orwelliaans niet alleen op stalinistische dictaturen slaat.
Orwell wordt gewaardeerd omwille van zijn antiautoritaire satires. Maar zijn naam is ook besmet. In 2003 duikt het notitieboekje op waarin hij 35 namen genoteerd heeft van personaliteiten, veelal schrijvers, waarvan hij vermoedt dat ze naar het communisme neigen. Kort voor zijn dood heeft hij dat lijstje aan een vriendin gegeven die voor de IRD werkt, de Information Research Department, een Britse propagandadienst. Of hoe de grote criticus van de staatspropaganda zich ten dienste stelt van een propagandadienst van het Verenigd Koninkrijk!
Tot voor kort dacht ik dat het met een evolutie te maken had die we wel meer zien gebeuren. Je bent links wanneer je jong bent en met het voortschrijden der jaren word je rechts. Maar bij nader inzien blijkt ’s mans visie erg consistent te zijn. Voor Orwell is het socialisme altijd een kwestie van fatsoen geweest, ‘common decency’. Ik heb The Road to Wigan Pier (1937) inmiddels helemaal uitgelepeld en daardoor ook gezien dat het tweede deel van dat boek volledig aan zijn ‘common decency’ gewijd is: je verdedigt de arbeidersklasse omdat een fatsoenlijke gentleman dat hoort te doen.
Er zijn maar weinig gentlemen die daarin zo ver gegaan zijn als Orwell. Maar ook hier geldt blijkbaar: je kunt de mens wel uit de bourgeoisie halen, maar de bourgeoisie niet uit de mens. 
Orwell wordt als Eric Blair geboren in gezin dat hij zelf als ‘lower-upper-middle class’ omschrijft. De jonge Eric kent de neerwaartse trend die zijn familie ondergaat. Zijn grootvader is een van de eerste Blairs die zelf moest werken om zijn gezin te onderhouden. Hij neemt een taak op zich in de administratie van de Britse kolonies. Later doen ook zijn zoon en kleinzoon Eric dat: de Blairs treden toe tot het politieapparaat in de koloniën. De familie is dan wel geen upper-upper-upper-class meer, maar je zult die mensen evenmin proletariërs noemen. Eric Blair komt als ’t ware tussen twee stoelen ter wereld.
Alhoewel de Blairs het zich niet echt kunnen veroorloven komt Eric in het elitaire Eton College terecht. De jongens worden er ingeleid in de normen & waarden van de leidende klassen. Maar zijn schooltijd is ook deze van de Eerste Wereldoorlog, de Russische revolutie en van het arbeidersverzet dat in Engeland op de oorlog volgt. Je vindt die twee tegenstrijdige werelden weer in het oeuvre van de tot George Orwell gerecycleerde Eric Blair. In The Road to Wigan Pier valt het op hoe de schrijver het arbeidersgezin idealiseert. Het zou naar ‘perfect symmetry’ neigen omdat het geleid wordt door ‘justice and common decency’. Ik kan me voorstellen dat feministen daar toch het hunne van denken. Revolutionaire oproepen moeten, zegt Orwell, geworteld zijn in ‘a vision with interests centering around the same thing as at present—family life, the pub, football and local politics.’ Very British indeed!
Het is een visie die Orwell in de jaren dertig ontwikkelt en die hij volhardend blijft verdedigen, zij het niet altijd in dezelfde tent. Hij is eerst actief in de Independent Labour Party (ILP), een kleine partij die door marxisten als ‘centristisch’ omschreven wordt, waarmee ze bedoelen dat de opvattingen van zo’n partij zich ergens tussen deze van de reformisten en de revolutionairen in bevinden. In 1936 gaat hij in Spanje tegen Franco vechten, in de POUM, een partij die sommigen wel trotskistisch mogen noemen, maar die Trotski zelf als centristisch aan de kant zet. Kenmerk van dat centrisme is dat het geen stabiel gegeven is. Ook Orwell wordt ferm over en weer geslingerd. In 1941 schrijft hij nog The Lion and the Unicorn: Socialism and the English Genious, een gauchistische oproep tot revolutie op zijn Engels. In 1943 treffen we hem aan in de linkervleugel van Labour. In 1947 komen we in het tijdperk van de Koude Oorlog terecht. Er is dan niet zoveel plaats meer voor de centristen. Orwell probeert aan een keuze te ontsnappen door zich uit de actieve politiek terug te trekken, maar… vluchten kan niet meer. Hij moet nu niet langer kiezen tussen revolutie en reformisme, maar tussen de cholera en de pest. Het lijstje dat hij zijn vriendin van de IRD bezorgt, leert ons dat hij het kamp van de cholera kiest.
Rest me alleen nog je de titel van dit stukje uit te leggen. Ik heb die aan Marc Eyskens te danken. ‘Principes zijn als winden’, zei die, ‘Je houdt ze vast zolang je kunt, maar als je niet meer kunt, laat je ze heel stilletjes los.’ Een kwestie van common decency als ’t ware.
Flor Vandekerckhove 

donderdag 24 september 2015

Herman de Coninck, vilein en geestig

— Ik las een bundel opstellen van Herman de Coninck en keerde terug in de tijd. Wat ook blijkt uit deze indrukwekkend grote typemachine die toentertijd ongetwijfeld 'modern' was. —


Herman de Coninck schreef niet alleen gedichten, hij was ook een journalist, hij schreef essays en kritieken. Een aantal opstellen werden gebundeld in Over Marieke van de Bakker (1987). Ik zag het boek staan in de bib en ’t was alsof ik tussen de rekken op een oude kennis stootte. Kom, zei die oude kennis, we gaan een beetje leuteren over de tijd van toen. En terwijl ik met dat boekje een koffie ging drinken, hadden we het over vroeger. Hoe zou het nog met Paul Goodman gaan? Heb je Hedwig Speliers nog gezien? Ken je KoR Van der Goten nog? En André Demedts, Clem Schouwenaars, Ome Willem en Neil Postman? Het boekje herinnerde me aan mensen die dood en vergeten zijn. Of die vergeten zijn en nog leven. En het herinnerde me vooral aan een tijd waarin papier zo goedkoop was dat je je als schrijver geenszins moest inhouden. De Coninck legde bijvoorbeeld elf bladzijden apart om een essaybundel van Hedwig Speliers de grond in te boren. Dat gebeurde dan ook grondig. Waar Speliers in zijn boekje pleitte voor meer poëzie in het onderwijs, bijvoorbeeld door het aanleggen van een kleine bloemlezing per klas, voegde de Coninck daar cynisch aan toe: ‘men kan zulks doen met behulp van een fotokopieerapparaat.’ Dat was nog maar het opstapje: ‘We mogen hier misschien ook even wijzen op het klassikaal nut van een emmer water bij het gedicht ’t Is triestig dat het regent in de herfst. Tevens kunnen de leerlingen bij Gezelles Mezennestje een onuitgebroed ei proberen te mimeren en vervolgens een uitgebroed. Bij een gedicht van Faverey kunnen ze een dubbelepunt uitbeelden, met z’n tweeën dan: dit wordt groepswerk. Enzovoort. (Ter illustratie van het woord enzovoort kan eventueel de hele school opdraven.)’ De Coninck was tegelijk vilein en geestig.
De Amerikaanse anarchist Paul Goodman was volgens de Coninck een slechte dichter: ‘Er wordt gerijmd als het zo uitkomt, maar vaak vindt Goodman een assonantie al meer dan genoeg. Je zou kunnen zeggen: een beetje à la Emily Dickinson, maar veel onhandiger en oneleganter. Dickinson heeft namelijk gezocht naar haar halfrijmen. Goodman heeft niet lang genoeg gezocht naar zijn volle rijmen en ze dan maar half laten staan.’  Slecht, slecht, slecht…Toch besteedde hij veertien pagina’s aan die mens en samen met Benno Barnard vertaalde hij ook nog eens tien van Goodmans gedichten, goed voor weer zes bladzijden. Ja, in die tijd was papier niet alleen verduldig, het kostte ook twee keer niets.
In een artikel met de veelzeggende titel KoR van der Goten: de heroïek van de zieligheid smeerde de Coninck de neergang van deze sjansonjee uit over vierentwintig bladzijden. Het stuk voerde me terug naar een tijd waarin Bart De Wever nog André Demedts heette. De Coninck citeerde uit een briefje waarin die Demedts er de Gewestelijke Omroep West-Vlaanderen op wees dat Van der Goten wel gedraaid mocht worden: ‘maar a.u.b. beloof ons iets: wij vinden dat een chanson wel ondeugend mag zijn, maar we zouden toch willen verhinderen dat het chanson als zodanig de bijnaam van ‘pervers, sexueel-exhibitionistisch liedje’ krijgt. Wilt u daarmee rekening houden?’
De Coninck had het in die bundel niet alleen plaats voor mensen die neergesabeld moesten worden. Er bleef nog veel papier over om het uitvoerig over gelijkgezinden te hebben. Die vond hij in een gezamenlijke afkeer van de beeldcultuur, ja ook toen al. Zo citeerde hij uitgebreid mijn kameraad Ernest Mandel die de achteruitgang van de woordcultuur aanklaagde: ‘Dat leidt onherroepelijk tot de verwording van de bekwaamheid tot denken.’ Het was nog lang wachten tot een intellectueel ietwat genuanceerder over de nieuwe barbaren begon te spreken. In de tijd waarin de Coninck en de zijnen ten aanval trokken, was die nuance geenszins aanwezig. Zegt Mandel: ‘Toen ik in de Sunday Times las dat er in Londen reeds meer winkels van video-cassettes zijn dan boekhandels, beschouwde ik dat als het slechtste nieuws van na de Tweede Wereldoorlog.’ Nou nou. 
En ook dat: winkels van video-cassettes! Het waren waarlijk andere tijden.
Flor Vandekerckhove

woensdag 23 september 2015

Moderniteit en simpelghyd

— Marguerite Yourcenar werd grootgebracht in deze villa op de Zwarte Berg. (Eigen foto) —

Eergisteren stond ik waarlijk voor de kerk van Berthen, die, zo las ik  in 't Frans, Nederlands en godbetert ook in 't Vlaams — in 1878 gebouwd werd. Van die eerste bouw schiet vandaag nauwelijks iets over. Toch vallen er nog altijd enkele originele brokstukken te ontwaren, maar dan moet je ìn ’t gebouw gaan kijken, want die broks zyn nog zienlijk in ’t binnenste. Voor de rest is het bouwwerk helemaal nieuw, want het werd in brokken esleegen van een luchtbombardement den 28sten van mei 1940.  Vandaar dat het alheële weere-ebouwd moeten zyn. Die werken ent begunt ewist in 1961 en de kerk wos ekonsakreerd in 1964. En ja, ’t is waar, de architect heeft veel moeite gedaan om moderniteit en simpelghyd te trouwen.
Moderniteit en simpelghyd. ’t Is iets wat je voortdurend opvalt, wanneer je door Frans-Vlaanderen trekt. Dit is Vlaanderen zoals we het bij ons niet meer kennen. En wat hierboven cursief afgedrukt staat is West-Vlaams, zoals we het in West-Vlaanderen niet meer horen. Toch is de streek geen variante van Bokrijk; moderniteit en simpelghyd zijn er waarlijk met elkaar getrouwd. Misschien komt dat wel door het staatkundige isolement waarin dit deel van Vlaanderen terechtgekomen is. Waardoor eens te meer blijkt hoe juist de filosofie van Johan Cruijff is: elk nadeel heb z'n voordeel!
De kerk van Berthen is ’t vertrekpunt van een wandeling die ons over de Zwarte Berg leidt. Maar die kerk is niet het mooiste gebouw dat we op onze tocht ontdekken. Dat is wel het ouderlijke huis van de Franse schrijfster Marguerite Yourcenar. De villa is intussen een ontmoetingsplaats voor schrijvers geworden en ja, zelf zou ik daar ook wel enige tijd willen toeven. Ik zou dan eerst in Berthen een teugsche kaffie gaen drinken en achternaer huuzewaerts gaen om me daar te verdiepen in het Vlamsch-Fransch Woordenboek. En natuurlijk ook in de biografie van Marguerite Yourcenar, die al vele jaren ongelezen in mijn kast staat. Ja ’t wordt tijd dat ik me eindelijk eens buig over de importente momenten van die vrouwes leeven.

Flor Vandekerckhove

zondag 20 september 2015

De Oostendse viswijven

Oostende 1959. Een visleurster verkoopt haar waar aan Paula Deplancke (links) in de Werkzaamheidstraat. De kleindochter van Paula bezorgde de foto aan de Oostendse beeldbank en leverde daarmee een belangrijke bijdrage, want foto’s van viswijven, terwijl ze aan ’t werk zijn in de Oostendse straten, zijn schaars.
In ’t midden van de vorige eeuw waren er zo’n vijftig vrouwen die in Oostende met vis leurden. Sluiswachter op rust Pascal Decmyn herinnert ze zich nog goed, 't is van hem dat ik al 't onderstaande te weten kwam. 
Ze werden gemeenzaam de viswuven genoemd en mogen niet verward worden met de vissersvrouwen, al waren er overlappingen. Ze doorkruisten de stad met een steekkar: buitenkant groen, binnenkant wit. Onmisbaar was de ijzeren weegschaal en het bakje met gewichten. Bekende viswijven waren Manse Mus, Jeanne Tuier, den Uniprix (die goedkope vis verkocht), Achel, Willetje Drogebrood, Sprance… De viswijven hadden een eigen cultuur. Ze droegen twee, drie rokken boven elkaar, met daarbovenop een blauwe schort, Verder een hoofddoek, dikke kousen, klompen, rode zakdoek met witte bollen. Ze spraken veelal in verkleinwoorden: karretje, me pallulletje (echtgenoot) z’n schiptje, me pruumtje, e visje, e pientje… Een arbeidersvrouw werd steevast een slore genoemd en een burgervrouw was een kakmadam. Ze gebruikten allemaal snuiftabak, een snuuftje. Dat tabaksmeel werd met de vingers in de neus gebracht en diep geïnhaleerd, waarop veelal een niesbui volgde. Sommigen hadden neusgaten die zwart waren van de snuuftjes. Wanneer twee viswijven elkaar ontmoetten werd een snuuftje uitgewisseld, want er was er van soorten.
De karren stonden opgesteld langs de Visserskaai. ’s Morgens om vijf uur trokken de vrouwen naar de vismijn, sommigen deden het met de tram (die in die tijd tot vlakbij de vismijn reed), sommigen te voet. Ze hadden allemaal hun pangel bij de hand waarin tot veertig kilo vis kon. In de mijn kochten ze ‘vis-van-achter-de-planken’, vis die de veiling niet gepasseerd was. Tegen negen uur keerden ze, zwaar geladen, terug naar hun kar in de stad. En dan trok elkeen naar een eigen wijk, luid roepend: verse platjes zie, verse toengetjes zie (dat ‘zie’ stond voor 'zijn'; van bijvoorbeeld 'moet er garnaal zijn'.) En de verkochte vis werd in een krant verpakt, bijvoorbeeld in De Zeewacht.
De overheid probeerde met man & macht de verkoop van zwarte vis binnen de perken te houden. Daardoor zagen de viswijven zich onderworpen aan tal van reglementen die ze van de weeromstuit koste wat het kost probeerden te omzeilen. Wanneer er in de vismijn controleurs opdaagden waren de viswijven dan ook bijzonder op hun hoede. Zo is er de anekdote van een vrouw die in de vismijn betrapt werd bij het aankopen van zwarte vis. Ze vluchtte met pangel en al de duinen in en ze zat daar nog toen de controleur al lang weer naar huis was.
In de stad waren het dan weer politieagenten die ontweken moesten worden. Want die durfden al eens naar de aankoopfactuur te vragen en naar de leurderkaart. Een factuur kon zo’n wijfje meestal niet voorleggen en de kaart bleek al eens verlopen te zijn of ‘aangepast’ met een bic. Wanneer de agent daarvan een proces verbaal wilde opmaken, gingen de vrouwen in de tegenaanval. En dat ze zijn echtgenote wel zouden vertellen dat ze hem uit een bordeel hadden zien komen! Of die tactiek succes had, weet ik niet, maar de confrontatie zorgde ongetwijfeld voor veel ambiance.
De distributie via de viskarren had zo zijn eigen normen & waarden. Wanneer de vis schaars en duur was, viel er in de straatverkoop niet veel te verdienen. Sommigen kleefden dan loden gewichtjes onder de weegschaal, zodat het overgewicht een en ander goedmaakte. Wanneer de vis niet al te fris meer was, trok zo’n viswijfje al eens naar ’t slachthuis waar de mannen een snuifdoosje met vers koeienbloed vulden. Daarmee smeerde zo’n wijfje vervolgens de kieuwen in. Waardoor de klanten met eigen ogen konden zien hoe ‘levende vers’ die vis wel was.

Flor Vandekerckhove

vrijdag 18 september 2015

De merkwaardige lotgevallen van lichtmatroos Malfait

De molfiet is de zeemansvariante van de zondebok. 
Het woord wordt gebruikt om aan boord van 't 
schip iemand aan te duiden die de schuld 
toegeschoven krijgt.
Toen Jan Malfait voor het eerst ter visserij voer had hij nog geen bijnaam, want hij was nieuw. Daarmee onderscheidde hij zich danig van de anderen die allemaal naar zo’n bijnaam luisterden. Hoe die bijnaam ook luidde, hij wees erop dat ze gepokt en gemazeld waren in de zeevisserij. Malfait was anders, hij was onervaren, onwetend en onzeker. Zij wortelden in de vissersgemeenschap, hij in de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening en de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling, hij kwam uit de herscholing.
De werkloze Malfait was naar de visserij gekomen omdat die de belofte van geldgewin in zich droeg. Maar op ‘s mans eerste zeereis viel dat toch erg tegen. Toen de motor aan ‘t sputteren ging, had het schip de visgronden niet eens bereikt. De schipper besloot terug te keren. Het vaartuig bleef drie weken aan de kaai liggen en de matrozen hadden zich al die tijd onledig gehouden met het uitvoeren van klussen waarin ze tig keer beter waren dan Malfait.
De tweede reis verliep voorspoediger, zij het maar een beetje. De vangst was matig, Malfait was traag, de mannen wrevelig, de spanning steeg. Toen de verkoop in de visveiling erg bleek tegen te vallen, kwam de geruchtenstroom op gang. Schoot Malfait niet overduidelijk te kort? Was zijn aanwezigheid niet het enige wat veranderd was in een voor de rest stabiel gegeven? En had hij zijn naam niet tegen? Molfiet, het zeemanswoord waarmee de zondebok benoemd wordt, komt van ‘t Franse mal fait, slecht gemaakt. Geen twijfel mogelijk, Jan Malfait was de molfiet. Malfait verdween uit ’t spraakgebruik en Molfiet kwam in de plaats. Dat hij nu een bijnaam had getuigde enerzijds wel van zijn integratie, maar anderzijds begrijpt u ook dat men met zo’n bijnaam tevergeefs naar werk zal zoeken. De schipper wachtte niet langer en zei dat Molfiet zijn matras van boord moest halen.
Geef toe dat dit een straf verhaal is, maar 't is nog niet zo straf als wat nu volgt.
Er staat die dag een stevige wind. Molfiet haalt zijn matras van boord. Die vangt een windstoot en Molfiet sukkelt met zijn matras in het dok. Een scheepshersteller weet de drenkeling uit ’t water te halen. Een half uur later voert een ambulance, met loeiende sirenes, de onderkoelde Molfiet weg van de kaai.
Een kruispunt. De chauffeur ziet, gelukkig net op tijd, hoe een bromfietser, vlak voor zijn ambulance, het rode licht negeert. De chauffeur drukt hard op het rempedaal. De ambulance slipt in een plas, draait twee keer rond zijn as en stopt in ‘t midden van het kruispunt. Niet tot stilstand komt de draagberrie waarop Molfiet in een deken vastgesnoerd ligt. De brancard gehoorzaamt aan de wet van Newton die zegt dat een voorwerp in beweging zijn toestand wil behouden. De draagbaar botst tegen de achterdeur die openschiet. De brancard vliedt uit de wagen. Dwars over het kruispunt volgt hij, op zijn kleine, bibberende wieltjes, cirkelend rond zijn as, een rechte lijn die bepaald wordt door de scheve toestand waarin de ambulance zich bevindt. De chauffeur ziet hoe de draagberrie op zijn weg een oud vrouwtje omver rijdt. Hij springt uit de auto, legt de aangereden vrouw vlug bovenop Molfiet, schuift de brancard weer in de ambulance en rijdt met de twee, en met loeiende sirenes, naar de spoed. Doordat het vrouwtje òp hem ligt krijgt de koude Molfiet het al vlug weer warm, wat zijn herstel erg bespoedigt. Het vrouwtje daarentegen sterft enkele dagen later door de overdaad aan emoties, maar niet voordat zij haar fortuin heeft nagelaten aan Molfiet, de laatste man die ze even toevallig als onverwachts, in een ambulance dan nog — een jeugddroom! —, heeft mogen berijden.
Flor Vandekerckhove 

donderdag 17 september 2015

Dheepan

— Anthony Jesuthasan, schrijven, acteren en borden wassen. —

Enkele dagen geleden heb ik Dheepan gezien, de film die dit jaar in Cannes met de Gouden Palm is gaan lopen. Dheepan is ook de naam die op het valse paspoort staat waarmee een oud-Tamiltijger uit Sri Lanka wegvlucht. Hij doet dat niet alleen. Het paspoort vermeldt immers dat de dode Dheepan een jonge echtgenote heeft en een dochtertje van negen. Geen probleem, jonge vrouwen staan daar in de rij om de miserie te ontvluchten en zo’n vrouw plukt ook wel vlug een weeskind van de straat; ook dat kind heeft daar niets meer te verliezen. De film volgt dit ‘nieuw samengesteld gezin’, eerst naar Frankrijk en helemaal op ‘t laatst ook naar Engeland.
De film is een meesterwerk. Het verhaal slaagt er moeiteloos in om ons het probleem vanuit het standpunt van de vluchters te tonen. Achteraf besef je ten volle dat het onderscheid dat in het Antwerpse stadhuis gemaakt wordt tussen ware noodlijdenden en valse gelukszoekers alleen maar uit de mond van arrogante blaaskaken kan komen.
De realiteit waarin ‘het gezin Dheepan’ in de Parijse voorstad Le Pré-Saint-Gervais terechtkomt wordt beklijvend verfilmd. De nieuwe Dheepan en zijn gezellin Yalini integreren zich in de informele economie van de banlieue, in een wijk waar de politie zich niet meer durft te vertonen en de dienst uitgemaakt wordt door een bende jonge criminelen. De beelden vertellen ons iets over de makers van het verhaal: zij weten waarover ze spreken.
Dat geldt zeker voor de hoofdacteur, Anthony Jesuthasan (°1967), de man die de rol van de nieuwe Dheepan speelt. Dat verneem ik in een interview dat De Morgen op 12 september publiceert. Die Anthony is zelf kindsoldaat en Tamiltijger geweest. Net zoals het filmpersonage is hij uit Sri Lanka gevlucht en hij leeft vandaag, jawel, in zo’n Franse banlieue, waar hij aan de kost komt als bordenwasser, rekkenvuller, piccolo… En ’s nachts schrijft hij boeken, essays, toneelstukken! Ze worden gelezen in India, Sri Lanka en in de internationale Tamilgemeenschap.
— Sans papier komt aan de kost in Frankrijk. —
De Gouden Palm maakt Anthony Jesuthasan uiteraard blij, ‘maar ook niet meer dan dat. Kijk, dankzij die film heb ik wat geld kunnen verdienen. Daardoor heb ik de vrijheid om enkele maanden voluit aan mijn nieuwe boek te schrijven. Maar weet je: binnenkort is dat geld op en zal ik weer borden moeten afwassen in een restaurant. Dat is gewoon zo.’  Het leven zoals het is! In dat interview staat nog iets wat mijn aandacht trekt: ‘Door mijn linkse sympathieën kwam ik in contact met de internationale trotskistische beweging. Het is mede dankzij hen dat ik opnieuw als schrijver en acteur begon te denken (…)’ Ha, denk ik dan, een geestesgenoot, kijk eens aan. Maar ‘de internationale trotskistische beweging’ is, zo weet ik ook wel, een huis met vele kamers, het ene nog kleiner dan het andere. Overigens, de grootste kamer die dat trotskisme ooit heeft mogen bewonen is in Sri Lanka te vinden. Is het daar dat Anthony Jesuthasan de trotsen gecontacteerd heeft? Ik begeef me op ’t internet en probeer het uit te vissen. Een Engelstalige website leert me dat het in Frankrijk is dat hij de trotskisten op zijn weg ontmoet: In my 25th year, after I had reached France, I was attracted by a Trotskyite group called the Revolutionary Communist Organization. I spent four years with this group. It was then that my friends in the party introduced me to literature; I was able to discuss literature and politics with them. It must have been that environment that motivated me to write. De Revolutionary Communist Organisation dus. Wanneer ik dat letterlijk in ‘t Frans vertaal kom ik uit op Organisation Communiste Révolutionnaire, een naam die in de Franse trotskistische fauna & flora niet weer te vinden is. Zou het de Ligue Communiste Révolutionnaire kunnen zijn? Zouden mijn oude kameraden me in mijn zoektocht aangaande deze prangende kwestie te hulp snellen? De toekomst zal ’t uitwijzen.
Flor Vandekerckhove


dinsdag 15 september 2015

Wat een sierk!

Op de achtergrond zien we de eerste vismijn van Oostende. Omwille van zijn ronde vorm werd hij door de Oostendenaars
meteen de sierk genoemd. Rechts van de poserende vislossers staat de fameuze vistrein klaar om de waar tot ver
in 't binnenland te transporteren. (Met dank aan Dirk Reunbrouck voor het leveren van de foto.)

Meer dan tachtig jaar geleden, in 1934, werd er op de Oostendse Oosteroever voor ’t eerst een vismijn gebouwd. Die kreeg het tijdens de oorlog erg te verduren en nadat het stof van ’t krijgsgewoel gaan liggen was, moest hij heropgebouwd worden. Ik heb de geschiedenis van dat gebouw eerder al beschreven en dat stukje vind je hier. Maar voor er een vismijn op die Oosteroever stond, had Oostende een andere. Die lag in de stad, vlakbij de plek waar nu het treinstation staat. Omwille van zijn ronde vorm werd die vismijn door de Oostendenaars meteen de sierk genoemd. ('t Waren niet alleen de vissers die een bijnaam kregen.)
In die cirkel hadden de rederijen ateliers waarin de grootste hun eigen visafslag organiseerden. De namen zijn legendarisch: Bauwens, Baels, Aspeslagh, Lauwereins… Andere reders hadden geen eigen afslag, maar ze huurden daar wel een pakhuis en ook die namen laten in de visserij vandaag nog steeds een belletje rinkelen: Vroome, Golder, Hamman… Verder waren er in die sierk ook nog kantoren voor de vismijndirecteur en de administratie.
In de omgeving van de sierk waren er nogal wat cafés: het Meivisje van Verbanck, het Geel Huis (Maison Jaune), de cafés van Henri Lauwereins, Philomene Deckmyn, Pros Peelaert en Cavereel… Mede doordat de burelen in de vismijn verre van aangenaam waren, werden er in die omliggende visserskroegen nogal wat zaken afgehandeld. De vislossers werden bijvoorbeeld in die cafés uitbetaald, wat tot veel misbruik leidde, want wie geen pinten wilde drinken, moest maar elders werk gaan zoeken (dat er veelal niet was). Dat de praktijk uit de hand gelopen was, bewijst het feit dat de gewoonte uiteindelijk wettelijk verboden werd.
Met het verdwijnen van de sierk, in de jaren dertig, verdween ook het sociaal leven uit de wijk. De Bredense volkskundige auteur Richard Verbanck zegt het zo: ‘Een groot gedeelte van het oude kaaikwartier en de stadsdokken lag lijk vermoord. Het vroeger zo intense leven in de herbergen rond de vismijn kreeg de genadeslag. Het menselijk contact dat aldaar had bestaan tussen allen die werkzaam waren in het visserijbedrijf werd genadeloos afgebroken. Even trachtte men de schijn op te houden, maar het hart was dood voor goed.’ En waarom moet ik bij die woorden eigenlijk weer aan die andere vismijn peinzen, met name aan deze op de Oosteroever, die algauw afgebroken wordt?
Flor Vandekerckhove

zondag 13 september 2015

Kunst & arbeid

Pieter Bruegel de Oude, De korenoogst (hoogzomer), 1565.
De wereld van de arbeid, zoals die te beleven valt op de werkplek, in de vakbond, het straatleven, de rijtjeswoning en het openbaar vervoer lijkt vandaag nog maar weinig kunstenaars te inspireren. Zo weinig zelfs dat Frances Stonor Saunders in haar boek Who Paid the Piper (1999) kan schrijven dat er een systeem aan ten grondslag ligt. Is dat zo? Heeft de abstracte kunst een welbepaalde ideologische opdracht meegekregen? Is het bijvoorbeeld de taak van de abstracte schilderkunst om het beeld van de arbeidersklasse als 't ware te overschilderen? Wie Sauders leest zou er alvast van overtuigd geraken.
Ik combineer arbeid en kunst en speur daarmee het internet af. Ik vind al gauw een mooi hyperrealistisch schilderij van William Oberst, een jonge vrouw aan ’t werk in een eethuisje. Het doek inspireert me om mijn zoektocht te verfijnen. Ik ga op zoek naar kunst geïnspireerd door vrouwen uit de arbeidersklasse. Ik plaats mijn volgende vondsten onderaan de tekst, want er zijn mooie beelden bij die ik daar een beetje groter kan weergeven.
Een hyper-realistisch schilderij van William Oberst.
Misschien komt het doordat de fotografie grotendeels aan de abstractie ontsnapt is, maar die zoektocht leidt me haast uitsluitend naar fotografen. Naar Lewis Hine (1874-1940) bijvoorbeeld, een van de grondleggers van de moderne reportagejournalistiek. In zijn werk heeft hij veel aandacht voor sociale thema’s, vooral voor kinderarbeid: ‘Er is werk dat kinderen ten goede komt en er is werk waarvan alleen werkgevers profiteren. De bedoeling van de kinderarbeid is niet hen op te leiden, maar om grote winsten uit hun werk te halen.’ Onderstaande foto van mijn keuze toont ons een jonge vrouw, aan ’t werk in een atelier waar snoep geproduceerd wordt. Van Dorothea Lange (1895-1965) kies ik de bekende foto migrant mother. De vrouw straalt zowel sterkte als zorgelijkheid uit. Margareth Bourke-White maakt in 1937 het iconische beeld The American Way. We zien zwarte mannen en vrouwen in een rij die hen naar de voedselhulp leidt, tegelijk prijst een blank middenklassengezin op een affiche de Amerikaanse waarden aan. In dezelfde periode is ook Walker Evans aan ‘t werk. In zijn album Many are Called verzamelt hij foto’s die hij van 1938 tot ‘41 in de metro van New York gemaakt heeft. Mij lijkt ‘t weinig waarschijnlijk dat de vrouw op de door mij gekozen foto de arbeid als bevrijdend ervaart.
Wat me opvalt is dat er op 't internet minder voorbeelden te rapen vallen naarmate we de huidige tijd naderen. Is de arbeidersklasse inmiddels ook uit de fotografie verdwenen? Zijn we allemaal telgen van een middenklasse geworden die omzeggens heel de maatschappij omvat? Hmmm, dan geldt dat toch niet voor deze boerin waarvan de Amerikaan Scott Sternbach in 1990 een foto gemaakt heeft. 
Met Shirley Baker (°1932-†2014) geraken we eindelijk uit Amerika weg. Baker fotografeert in de sixties het straatleven in het Britse Manchester. De foto toont ons een stadsbeeld uit 1964. Erg hedendaags is het voorlaatste beeld dat mijn korte zoektocht oplevert, een still uit de video-installatie La Gioconda (2007-2009) van Karina Skvirsky. Met dat beeld treden we de era van de dienstencheques binnen. Wie daarbij gaat denken dat zo'n beeld ons geen 'echte' arbeidersklasse meer laat zien, dwaalt. En dwaalt zelfs in de overtreffende trap. Uiteraard behoort de dienstensector tot de wereld van de arbeid en bovendien blijven er ook vandaag nog prachtige foto's te maken van 'echte, ouderwetse' arbeid. Daarvoor moet ik zelfs het internet niet op, want Het Visserijblad dat ik tot voor kort uitgegeven heb, had met Jo Clauwaert een fotograaf in huis die je daar het bewijs van levert. Hoezo allemaal middenklasse? Hoezo de arbeidersklasse is onzichtbaar geworden?
Flor Vandekerckhove


(Lewis W. Hine, Candy maker, ca. 1920) 
Dorothea Lange, Migrant mother.
Margareth Bourke-White, The American Way (1937).
Walker Evans, Many are Called. (1938-'41)

Scott Sternbach, Boerin in 1990.
Shirley Baker, Manchester 1964.
Karina Skvirsky, La Gioconda (2007-2009).
©Jo Clauwaert, Oostende, 2011

zaterdag 12 september 2015

De (vis)trein der traagheid

— Links zien we de vistrein, op de achtergrond de vismijnkantine.  De lage spoorwegbaan en de hoge luifel die het
 visserijstation aan de Wandelaarkaai overkoepelde werden in 1993 afgebroken. —

Onlangs publiceerde ik een stukje over de kusttram die ons destijds naar de school bracht. Daarin schreef ik: Soms dwarste de fameuze vistrein onze weg. Vanuit de Oostendse vismijn vertrok in die tijd dagelijks een lange sliert witgeschilderde spoorwegwagens, vol vis, naar ’t binnenland en Luxemburg. Vanaf de Oosteroever stak hij traag de straat over. En blokkeerde alles wat daar moest passeren, dus ook de tram. Dat kon enige tijd duren, want de vistrein was, zoals gezegd, zeer lang. Hij was ook zeer traag. Wanneer dat ’s morgens gebeurde dan kon die trein niet lang & traag genoeg zijn, want dat gaf ons een sterk argument om te laat in de klas te komen. Meestal was ’t helaas op de terugweg en dan was ’t klote (…).’ Dirk Reunbrouck, die een gigantisch beeldarchief op zijn computer heeft staan, reageerde op dat stukje en stuurde me enkele foto’s van die vistrein. Ik kon niet nalaten er dit stukje bij te plaatsen.

Het laden van de vistrein in 1958. © KOHGK De Plate

Elkeen die Oostende vanaf de Opex binnenreed kende het verschijnsel. Vooral op woensdagen was de vistrein indrukwekkend. Over hoeveel vis ging dat eigenlijk? De cijfers durven elkaar al eens tegen te spreken. Werd er zwarte vis vervoerd? Bestond er een grijs circuit op het spoorwegnet? Wie zal ’t zeggen? Wat we weten is dit: in 1980 werd er 3.000 ton vis op de trein gezet, verdeeld over 53.000 zendingen.
Dat soort visvervoer had een lange traditie. Toen de vismijn (de ‘cierk’) nog in de stad lag, vertrok daaruit ook al een trein. Wanneer de visserij naar de Oosteroever gebannen werd, verhuisde de vistrein mee. Hij deed daar dienst tot in 1988. Het was toen overigens al langer duidelijk dat het einde in zicht was. De visaanvoer was, door de achteruitgang van de IJslandvisserij, vanaf de jaren zeventig beginnen dalen, het zwaartepunt van de aanvoer had zich van Oostende naar de oostkust verplaatst, de koudeketting moest van de wetgever almaar dwingender in stand gehouden worden… Het werd een onmogelijke opdracht voor de wagens die al veertig jaar tegen ten hoogste honderd kilometer per uur het land doorkruisten. Daarom knipten de spoorwegen in 1988 het vismijnlicht uit.
De lage spoorwegbaan en de hoge luifel die het visserijstation aan de Wandelaarkaai overkoepelde werden in 1993 afgebroken. Tijdens die afbraak noteerde ik voor Het Visserijblad de commentaren. Dat alles naar de kloten ging, zo mag ik die wel samenvatten.
Naar de kloten! Het is wellicht de uitdrukking die ik op de visserskaaien ’t meest van al mocht horen. Nadat de Amandine in 1995 voor ’t laatst naar IJsland gevaren was, waarmee een punt gezet werd achter het epos van de Oostendse IJslandvisserij, schreef ik er een toneelstuk over. Het werd in augustus van dat jaar op de Amandine zelf uitgevoerd, terwijl het schip voor de haringhallen aan de kaai lag. De titel van het stuk? Naar de kloten.

Flor Vandekerckhove

© KOHGK De Plate
© KOHGK De Plate

vrijdag 11 september 2015

Met je pulle op de tram

Het tramstation in Bredene, vroeger en nu.

Wij bleven altijd op het platform samentroepen, waardoor er nauwelijks plaats restte om adem te halen. Daarom ook lieten we de buitendeur ‘t liefst openstaan, er was immers toch die rood-wit geschilderde ijzeren staaf die we konden uitklappen, een beletsel om uit de rijdende tram te vallen. Met zo’n open deur kreeg je zuurstof binnen en we konden dan ook joelen naar de fietsers die we voorbijstaken.
Omdat daar echt wel teveel jong volk opeengepakt stond verplichtte de tramcontroleur — zeg kaartjesknipper— ons soms de plek gedeeltelijk te ontruimen en door te schuiven naar het tramcoupé. Daarom was ’t zaak om je zover mogelijk van die tussendeur weg te houden, want doorgestuurd worden ervoeren we als een nederlaag. Wij, dat waren de tieners die vanuit Bredene en De Haan per tram naar de middelbare school in Oostende trokken, jongens van de stedelijke vak, de koksschool, meisjes van de Kaaistraat, jongens van ’t college… Vrije zitplaatsen werden door ons principieel gemeden, ook omdat je je voeten niet op de bank mocht leggen. De standaardvraag van de volwassen medemens (‘Mogen jullie dat thuis ook doen?’) had ook een standaardantwoord: ‘Wij hebben thuis geen tram madam.’ (als die medemens een vrouw was.) Neen, dan monopoliseerden we liever zo’n platform waar beleefdheidsregels, die we grenzeloos belachelijk vonden, van generlei tel waren. Op ’t platform golden onze eigen regels, samen te vatten als de wet van de grootste mond. Wie bij zijn meisje stond, was onderwerp van hoon; wie te veel punten behaald had werd uitgescholden voor blokzwijn; wie het opnam voor Benoni Beheyt werd uitgejoeld… Wie een thermoskan in de boekentas had zitten, moest het ding met inzet van het hele lijf beschermen, want zo’n thermos vroeg gewoon om een goedgeplaatste trap. Echte mannen (we waren bijna zestien) weigerden bijgevolg de thermos die moeder hun aanbood. Wij dronken ‘s middags liever uit zo’n gedeukte metalen drinkbus, een pulle. We waren daarvoor bekend. Wij waren de boertjes die in ’t college een aparte studiezaal bezetten. Die boertjes waren daar ondergebracht bij een pastoor-studiemeester die zelfs zijn bijnaam aan onze blikken drinkbus te danken had: Pulle!
Voor de rest gebeurde er op die tram niet veel. Soms dwarste de fameuze vistrein onze weg. Vanuit de Oostendse vismijn vertrok in die tijd dagelijks een lange sliert witgeschilderde spoorwegwagens, vol vis, naar ’t binnenland en Luxemburg. Vanaf de Oosteroever stak hij traag de straat over. En blokkeerde alles wat daar moest passeren, dus ook de tram. Dat kon enige tijd duren, want de vistrein was, zoals gezegd, zeer lang. Hij was ook zeer traag. Wanneer dat ’s morgens gebeurde dan kon die trein niet lang & traag genoeg zijn, want dat gaf ons een sterk argument om te laat in de klas te komen. Meestal was ’t helaas op de terugweg en dan was ’t klote, ook omdat we daardoor de uitzending van Comedy Capers dreigden te missen, een programma vol stomme filmpjes van het genre waarin Laurel & Hardy zo goed waren.

Flor Vandekerckhove





dinsdag 8 september 2015

De roeschaard en de angst voor het witte blad

Dit was het doel: de vertellingen van de Vlaamse vissersgemeenschap weer tot leven wekken! Tot voor kort ging dat ook goed. Halverwege juni trok ik dat project op gang en twee maand later kon ik al meer dan twintig scalpen aan mijn gordel rijgen. Veel daarvan waren gebaseerd op wat vissers me verteld hadden toen ik Het Visserijblad uitgaf, andere verhalen waren pure verbeelding, maar de meeste bouwden verder op de visserijfolklore die in de Vlaamse volksverhalenbank te vinden is.
In die volkse vertellingen gaat het veelal over kwelgeesten, zoals kludde, osschaert, nekker… die niet exclusief aan de vissersgemeenschap vasthangen. Watergeesten, zoals de nekker, vind je overal waar je in ’t water kunt sukkelen. Kludde en osschaert zijn parasieten die zowel op de rug van de visser als van de landman leven. De roeschaard daarentegen is, voor zover ik dat kan inschatten, een plaaggeest wiens identiteit exclusief met de Noordzeevisserij verbonden is. Is ’t dan niet vreemd dat ik over die roeschaard nog altijd geen verhaal geschreven heb? Dat zou nochtans moeten, want wie de traditie van het zeemansverhaal reanimeert mag die roeschaard niet ontwijken. Voor me ligt, helaas, nog altijd het witte blad dat er zeven dagen geleden ook al lag. Nooit voorheen heb ik dit meegemaakt, maar nu word ik er onverwachts toch nog mee geconfronteerd: de angst voor het witte blad.
Dit is waar ik me de kop over breek: wat kan ik aanvangen met een plaaggeest die zijn oorsprong vindt in de tijd waarin de wereld nog verre van onttoverd is? De roeschaard wortelt in Blankenberge waar hij in 1791 uit de as van een verbrande heks voortspruit: ‘Van dien dag af vertoonde Roeschaard zich onder alle gedaanten midden de Blankenberghsche bevolking en vooral onder de visschers. De hond veranderde soms in een kat, dan in een ezel en dikwijls in een visscher. Dikwijls gebeurde het dat hij de nachtrust onzer zeelieden storen kwam door te roepen dat er een storm op handen was. (…) Lag er een klein schuitje 's nachts kalm op zee, dan zag de waker den Roeschaard plotseling verschijnen. De kwelduivel kroop langs den zijkant uit de golven op, en deed door zijn zwaarte het vaartuig zoo sterk hellen, dat het bijna omsloeg. En met zijn geweldige “roes! roes! roes!” sprong hij dan weer te water.
 Trok men het net op, ten vischtijde, dan zat den Roeschaard er niet zelden in. Schaterlachend verscheurde hij de mazen en verdween in zee.
 Maar ook de visschersvrouwen ondervonden zijne plagerijen. 't Gebeurde dat er een kindje erbarmelijk nevens eene hut lag te schreeuwen. Een medelijdende vrouw nam het wicht op en verzorgde, haaide en laaide het, totdat... O schrik!... Wel Heere!... de vermeende vondeling luide begon te lachen, en met den kreet van “roes! roes! roes!” door de schouw verdween!’ Zeg nu zelf, wat moet ik met zo’n onzin aanvangen?
De grootste Vlaamse schrijver van vissersverhalen, Gaston Duribreux, heeft het zich dik zeventig jaar geleden ook al afgevraagd. In 1943 schrijft hij de vissersroman De Roeschaard. Maar de geest die Duribreux ‘uit de duinen, aan gene zijde van de haven’ naar de Oostendse 'stadsvisschers' ziet overwaaien verschilt danig van wat daarover in Blankenberge verteld wordt. Zijn kwelgeest manifesteert zich niet als pakweg een kwade kabeljauw, maar als: ‘Hij dien men niet noemen mag’. De roeschaard is een je ne sais quoi geworden, een vage dreiging: ‘Hij draagt hetzelfde witte gewaad dat tot aan den horizont het landschap omhult.’
De roeschaard van Duribreux bestaat wel degelijk. Er hangt iets in de lucht! U kent die uitdrukking, u kent dat gevoel, net als ik het ken. In 1965 had ik nog nooit over de roeschaard gehoord. Maar ik heb hem toen wel ervaren. Ik heb er zelfs een stukje over geschreven, geen vissersverhaal, maar een vertelling over pubers die het hun studiemeester, Soupape, behoorlijk lastig maken. U kunt het hier lezen.
Maar goed, dat is 1965. We zijn nu alweer een halve eeuw verder en ik krab vertwijfeld in m’n dun geworden haren. Nog steeds heb ik geen nieuw verhaal waarin de roeschaard centraal staat en dat ik aan mijn collectie kan toevoegen. Voor me ligt nog altijd hetzelfde lege, witte blad dat me zo’n schrik aanjaagt. Ik sta op, kijk naar buiten en zie het vuurtorenlicht. Wat is het toch dat me zo van ’t schrijven weghoudt? En opeens begin ik 't ergste te vrezen: zou het de roeschaard zelf kunnen zijn? Laat me nog eens kijken wat Duribreux erover zegt: ‘Bij elke dertiende seconde klieft de straal van den vuurtoren zijn sluierige gedaante; doch telkens, na een weifeling, hervormt hij zich en drijft verder. Boven de witgewuifde nokken van de huizen ontneemt de wind hem steun. Plots stuikt hij neer en wordt onzichtbaar.’ Onzichtbaar, maar wel 'hervormd' tot blok aan mijn been! 
't Is de kwelgeest zelf die me belet zijn verhaal te schrijven. Of ’t zou moeten zijn dat ik dat zopas gedaan heb.
Flor Vandekerckhove