dinsdag 25 september 2012

Ons Volk


Achteraan 'Ons volk' stond het houten chalet 'Onze rust'. Het werd gebouwd in 1911 voor rekening van de Brus­selse deco­rateur F. Rul­lens 
(elders vermeld als Florent Roelens). Als eerste verhuurde hij in BredeneDuinen gemeubelde 'Franse appartementen'. Het werd afgebroken op het einde van WO II.  (Met dank aan Mireille Vanblaere voor de foto's.)
Telkens wanneer ik aan deze blog een nieuw stukje herinneringen brei, denk ik aan Van oude mensen, de dingen die voorbijgaan, een zin die te pas en te onpas gebruikt wordt, ook door mij. Die zin is in de jaren zeventig als titel van een televisiefeuilleton populair geworden. We kennen hem trouwens al langer, want Van oude mensen, de dingen die voorbijgaan is een naturalistische familieroman die Louis Couperus meer dan een eeuw geleden al geschreven heeft.
Terwijl Couperus dat boek aan ’t schrijven was — het verscheen eerst als feuilleton in 1904 ­—, werden de contouren van de wijk vastgelegd waarin ik later zou opgroeien en waar ik inmiddels ook weer woon. Het was inderdaad in 1903 dat enige grootgrondbezitters een maatschappij oprichtten die S.A. Breedene-sur-mer lez-Ostende’ heette. De acte waarmee deze NV gesticht werd, is tegelijk de geboorteaangifte van Bredene-Duinen, telg van verkavelaars die een graantje wilden meepikken van het oprukkende toerisme.
Hola, Van oude mensen, de dingen die voorbijgaan ligt alweer op de loer. Maar misschien kan ik eens een stukje schrijven over iets dat nog niet voorbijgegaan is?  Laat ons eens kijken.
Op het internet valt mijn oog op een stuk erfgoedbeschrijving: [A]an de vooravond van de Eerste Wereldoorlog telt Bredene-Duinen twaalf villa's en een eerste ‘appartementsgebouw’ "Onze Rust", een houten constructie aan de Golfstraat, in 1911 opgetrokken door de Bredense aannemer G. Versluys (…)’
Zo heb ikzelf het gebouw nooit gekend.
Mijn interesse is gewekt, want de Golfstraat ligt hier vlak om de hoek. Kan ik nog sporen van dat zogenaamde appartementsgebouw vinden? Jawel. In het fotoboek 100 jaar Bredene aan zee in Beeld staat: 'Midden jaren '20 verwierf de samenwerkende maatschappij “Ons Volk” de houten villa Onze Rust aan de Golfstraat.
We keren terug naar de erfgoedbeschrijving en lezen daar: ‘In 1925 wordt het "Rustoord Ons Volk" in de Golfstraat geopend als vakantieverblijf voor de leden van de "Christelijke Werkliedenbond St.-Andries" uit Antwerpen. Samen met de "Floréal" te Blankenberge, is dit het eerste vakantiehuis van de syndicale beweging aan de Belgische kust en een voorbode van "De wet op het betaald verlof" (1936).
Welwel. Onverwachts kom ik in een brok sociale geschiedenis terecht, ik vind een gebouw dat nog niet ‘voorbijgegaan’ is en ik stoot op de naam van iemand – Gustaaf Versluys — die ik in mijn kindertijd gekend heb.
Sinds ik met mijn blog gestart ben, gebeurt dat laatste wel meer. Die wordt ook gelezen door mensen die ik een halve eeuw geleden uit het oog verloren heb/ben. Soms stuurt zo’n mens me dan een berichtje, en je weet wat ze zeggen: het ene woord brengt 't andere mee.
Zo’n mail kreeg ik ook van Mireille Vanblaere, een buurmeisje dat destijds schuin over mijn ouderlijk huis in de Duinenstraat woonde en dat bleef doen tot ze de wijde wereld introk (wat in het geval van Mireille letterlijk genomen mag worden).  Nooit meer gehoord, nooit meer gezien. Tot ze deze blog ontdekte. Het resulteerde in een intense correspondentie.
Dat over en weer geschrijf leert me dat Mireille Ons Volk zeer goed kent. Haar grootouders Alfons Vanblaere (°1885 -†1964) en Irma Major (°1890-†1963) zijn er de eerste uitbaters van. Henri Vanblaere (°1911-†1944), Mireilles vader, groeit er op en ook Mireille zelf woont er tot ze tien is en met haar grootouders naar de Duinenstraat verhuist.
Het was Mireille die me foto’s opstuurde waarop het houten chalet en Ons Volk te zien zijn. Ze gaf er tekst en uitleg bij: ‘Het houten appartementsgebouw Onze rust dat op het terrein achter Ons Volk stond, was eigenlijk een paviljoen. Het had een groot terras en een verdieping, het werd vernietigd in de Tweede Wereldoorlog.' 
Op de postkaart bovenaan zie je dit grote paviljoen, achter Ons Volk.  Dat houten chalet behoort tot de dingen die voorbijgegaan zijn, maar Ons Volk, het vakantieverblijf dat in 1925 naast dat chalet gebouwd werd, bestaat wel degelijk nog altijd.
Zo herken ik Ons Volk uit de periode toen ik nog kind was.
Zoals het gebouw op de eerste twee foto's afgebeeld staat, heb ik het zelf nooit gekend, maar de derde foto van het terrein roept wel herinneringen op. Zo heb ik Ons Volk in de jaren vijftig van vorige eeuw inderdaad gezien. Ik woonde toen in de Golfstraat, op een steenworp van het verblijf dat in die tijd (wellicht na de verhuizing van de Vanblaeres) niet meer gebruikt werd. Ik passeerde er vaak toen ik met mijn maat Ivan Steen naar de boerderij van Decoster (voorheen Seys) trok, want de Golfstraat liep dood op de aarden landweg die naar dat erf leidde.
Als mijn geheugen me geen parten speelt, bleef het gebouw ongebruikt tot de familie Leroy er een goed gemikt commercieel oog op liet vallen. Nog later werd de zaak overgenomen door dochter Lucienne en haar echtgenoot Jonckheere en nu worden de lakens daar al uitgedeeld door hun dochter Caroline, zo leert me de website van dat vakantieoord.
Op dezelfde website lees ik dat er op de drie verdiepingen plaats is voor 115 gasten, in zesentwintig kamers van twee tot zes personen. Er zijn klaslokalen, een overdekte speelruimte, een open speelplaats en een voetbalveld. De accommodatie wijst erop dat Ons Volk geen individueel vakantieverblijf is. De zaak is gericht op scholen (openluchtklassen katholiek onderwijs), verenigingen, mutualiteit, KWB… De geest van de stichters van Ons Volk waart dus nog steeds door het gebouw… dat tot de dingen behoort die niet voorbijgegaan zijn.
Flor Vandekerckhove

vrijdag 21 september 2012

Het gezelschap van een man alleen


Achteraan in een hoek van de cafetaria, waar ik me altijd nestel omdat er weinig kans is dat ik daar lastig gevallen wordt, komt hij vlak voor me zitten. Hij schuift zijn dienblad tot tegen het mijne. Het is alsof hij daarmee op een bewust manier mijn terrein betreedt. Ik probeer niet op te kijken. Hij giet sprankelend water in zijn glas en begint warempel tegen me te spreken: ‘Je zult het zien,’ zegt hij, ‘ik zal net zo eindigen als mijn moeder, helemaal alleen.’
Deze man tutoyeert me.  Ik moet een lichte vorm van paniek onderdrukken. In mijn hoofd beginnen de vragen over elkaar heen te vallen. Kent die man me? Ken ik hem? Kent hij me goed? Ken ik hem vaag? Wat heb ik met die moeder te maken? Heb ik het wel goed begrepen? Zit hier iets achter? En hoe moet ik reageren?
Terwijl hij zijn servet ontrolt, probeer ik hem te negeren. Ik kijk om me heen, maar niemand kijkt terug. Dit is iets tussen hem en mij.
Wanneer de man opkijkt om na te gaan hoe ik op zijn woorden reageer, knik ik hem toe; een kort knikje, want ik wil hem niet aanvuren, maar ik wil evenmin onbeleefd zijn. En ik moet tijd zien te winnen, want misschien valt het me straks te binnen wie deze opdringerige medemens is.
Ik zie dat hij hetzelfde besteld heeft als ik: dagschotel, spuitwater, toetje. Hij moet er nog mee aanvangen, ik zit al aan het dessert. 
‘Het wordt almaar erger met me,’ vervolgt hij, ‘weet je wat ik nu meegemaakt heb?’  Neen, dat weet ik niet, maar ik weet wel dat hij het me zal vertellen. Ik schud heel lichtjes het hoofd en probeer me te concentreren op mijn mousse. ‘Voor ik hier naartoe kwam, ging ik tanken. Ik stond aan de pomp en naast me kwam een wagen toe waaruit een man stapte die me enthousiast groette. Zo van, godver, wie we hier zien?! Je weet wel, de groet van iemand die jou kent en die je al lang niet meer gezien hebt.’
Ik neem een slok en kijk nu vol aandacht naar de mens die me zo vrijmoedig toespreekt. Blauwe ogen, licht ingevallen wangen, de gezonde teint van iemand die aan sport doet, grote neus, grijzend dunner wordend haar, fijne lippen… Op een of andere manier komt hij me vertrouwd voor.
Hij steekt een aardappel in zijn mond en wijst dan met zijn vork omhoog om zijn woorden kracht bij te zetten: ‘Die mens aan de andere kant van de pomp scheen verwonderd en blij te zijn omdat hij me daar tegenover hem zag staan. Hij vroeg me wat ik daar deed. Ik antwoordde dat ik in de buurt werkte en dat ik daar altijd kwam tanken, en van de weeromstuit vroeg ik hem op mijn beurt wat hij daar aan die pomp kwam doen.’
Mijn ongenode gast hield even op om een stukje vol-au-vent weg te werken. Zelf schraapte ik mijn kommetje chocolademousse leeg. We veegden tegelijk onze mond schoon en hij vervolgde: ‘De man zei dat hij in de buurt moest zijn omdat hij een afspraak in de bank had. Er zat een zekere trots in de manier waarop hij dat zei, als wilde hij me zeggen dat hij goed terechtgekomen was, dat hij goed geboerd had. Hij reed met een Lada.’
Mijn tafelgenoot, die ik inmiddels nog altijd niet had weten thuis te brengen, maar die me een toch wel erg persoonlijk verhaal aan ’t vertellen was, schudde het hoofd: ‘Voor mij was het een nietszeggend gesprek, blablabla tussen twee mensen die elkaar misschien wel vaag kenden, maar ook niet meer dan dat, mensen die elkaar toevallig aan de pomp ontmoetten en daar oppervlakkigheden uitwisselden. Ik was hoe dan ook klaar met tanken, klikte de kraan weer vast, groette hem even vriendelijk als vluchtig en reed weg.’  Nog steeds had ik mijn ongenode disgenoot niet kunnen thuiswijzen, maar ik moet er wel aan toevoegen dat zijn stem me hoe langer hoe meer vertrouwd voorkwam.
Intussen was mijn toetje op. Ik wilde weg, want ik ben niet bepaald het type dat lange conversaties nastreeft. Bovendien vond ik dat de situatie hoe langer hoe meer onbehaaglijk werd.  Terwijl ik de rest van de prik opdronk, vroeg ik me af hoe ik op een beleefde manier de tafel zou kunnen verlaten.
Wellicht had mijn disgenoot dat voorvoeld, want hij haastte zich om zijn verhaal af te ronden. Hij sprak verder met volle mond: ‘Terwijl ik wegreed, keek ik in de achteruitkijkspiegel en zag ik hoe verweesd die man daar aan de pomp achterbleef.  Die mens was zichtbaar verbijsterd, zeg maar van de kaart. Hij bleef me nakijken, als kon hij mijn reactie niet begrijpen, reactie die hij duidelijk als meer dan onderkoeld ervaren had. En weet je wat?
Inmiddels was ik opgestaan en nu stond ik daar, recht aan de tafel, met het dienblad in mijn handen, klaar om het op het rek te zetten, maar in mijn aftocht belet door de vraag die hij stelde. Ik moest nu wachten tot wanneer hij zelf het antwoord gaf. Het kwam meteen. Hij sloeg zich tegen het hoofd en zei: ‘Tegelijk viel het mij te binnen wie de man aan de pomp was. Ooit was hij een huisgenoot geweest. Dat was iemand waarmee ik twee jaar op hetzelfde kot gezeten had. Twee jaar hadden we samen ontbeten, we hadden samen cursus gelopen, twee jaar hadden we wel en wee gedeeld. Hij was voor geen haar veranderd, zo zag ik in de spiegel, maar ik had hem aan de pomp niet herkend!’  De man zweeg. Hij leek wel uitgeput. Hij at niet meer. Hij schoof het dienblad voor zich uit en liet de rest van de vol-au-vent onaangeroerd. Hij keek me recht in de ogen als wilde hij zeggen: zie je nu welke mens ik ben, zie je nu waarom ik in eenzaamheid aan mijn einde zal komen, net zoals mijn moeder.
U zult zijn houding ongetwijfeld theatraal vinden en ik vermoed dat het u moeilijk valt om een verband te leggen tussen een eenzaam stervende moeder en ‘s mans even toevallige als mislukte ontmoeting met een oude bekende.  Vreemd is het dus dat ikzelf wel degelijk aanvoelde waarover hij het had. Dat was een gewaarwording die me ergerde. Ze versterkte het nare gevoel dat die man iets met mij te maken had. Het werd me te persoonlijk, ik moest echt maken dat ik wegkwam.
Dus glimlachte ik een beetje schaapachtig en knikte nog eens, om duidelijk te maken dat ik het begrepen had, dat ik met hem meevoelde en dat het leven rare dingen met ons doet. En zocht vervolgens vlug de plek op waar de vaat verzameld wordt. Ik kieperde een halve vol-au-vent in de vuilniszak en zette het dienblad op het rek.
Er zat nog veel volk te tafelen en er was volop geroezemoes. Al dat gewemel legde een deken van anonimiteit over me, waarvoor ik dankbaar was, want het gesprek had me danig benauwd, en ik wilde niets liever dan dat ik voor die man onzichtbaar werd. Ik liep in een grote boog om de plek heen waar ik gegeten had.  Ik duwde de cafetariadeur open, hoorde de straatgeluiden en voelde dat aan als een verlossing. In het deurgat keerde ik het hoofd om, keek naar binnen en vond achteraan in de cafetaria meteen de plek waar ik gegeten had. Daar zat niemand aan tafel. En aan die tafel stond één stoel.
Flor Vandekerckhove.

zondag 16 september 2012

Rechthoek, driehoek, zandloper


[Oorspronkelijk was het de bedoeling om hier leesnotities neer te schrijven betreffende twee boeken die ik onlangs gelezen heb. Het is anders uitgedraaid en nu weet ik niet meer onder welke rubriek ik dit stuk kan plaatsen.]

Meer dan 90.000 exemplaren werden er inmiddels al verkocht van De voedselzandloper. De toch wel zeer magere dokter Kris Verburgh onderneemt daarin een aanval op de voedseldriehoek waarmee de overheid een gezond eetpatroon propageert.
Daarmee gaan we ons hier niet onledig houden, maar toch wil ik het over een driehoek en een zandloper hebben. En ook over een rechthoek, maar voor dat laatste moeten we ons in de teletijdmachine begeven.
In 1891 kwamen socialistische arbeiders voor het eerst op straat om de achturendag te eisen. Vele jaren later, naarmate dit verlangen in wetgeving omgezet werd, begon de dag er voor werkende mensen als volgt uit te zien: acht uur werken, acht uur vrije tijd en acht uur slapen. Patroons formuleerden het enigszins anders. Zij spraken van acht uur werken, acht uur gapen en acht uur slapen. 
Hoe dan ook, grafisch kan die dagindeling uitgebeeld worden door een rechtboek horizontaal in drie gelijke stukken te verdelen. Laat ons die geometrische figuur met een ietwat bescheten term de tijdbestedingrechthoek noemen.
Hoe zag het leven er vervolgens uit in pakweg Sas Slijkens, vlak naast Oostende? De man ging zes dagen werken à rato van acht uur per dag. De vrouw bleef thuis om voor de kiekens te zorgen. Het gezin kwam zodoende aan een betaalde werkweek van 48 uur. De kostwinner moest daarenboven elke dag een uur, al dan niet op klompen, naar dat werk stappen. Het gezin had bijgevolg 60 uur per week nodig om aan een inkomen te geraken.
Van die tijdbestedingrechthoek blijft inmiddels, zoals u ook wel weet, niets meer over.  De kleinzoon van die mens werkt wekelijks maar 36 uren meer, een pak minder is dat dan de 48 uur die van grootvader geëist werd. Op het eerste gezicht is men geneigd om van een arbeidsduurvermindering te spreken.
De echtgenote van die kleinzoon blijft echter niet thuis, want in een appartement mag je geen kiekens kweken. Ook zij gaat uit werken, 36 uren.  Die twee togen niet meer te voet naar het werk, maar ze staan over en weer toch ook al gauw twee uur in de file. Samengeteld heeft het gezin nu wekelijks 92 uren nodig om aan het inkomen te geraken. Neen, een arbeidsduurvermindering kun je dat dan niet meer noemen.
We gaan door.  Wanneer de kostwinner destijds thuiskwam, moest hij alleen maar zijn voeten onder tafel steken, want zijn echtgenote had tijdens diens werkdag een kip geslacht en klaargemaakt. Vandaag moeten die kleinkinderen eerst nog naar de Colruyt trekken enzovoort enzoverder.  
De rechthoek is een driehoek geworden, waarin het vergaren van een inkomen een buitensporig grote plek inneemt. Laat ons die driehoek, in analogie met die van het voedsel, de tijdbestedingdriehoek noemen. Ik heb er hierboven een tekeningetje van gemaakt.
Wellicht hebt u dat allemaal nog niet op die manier bekeken. Ik begrijp dat, want de werkelijkheid wordt verdonkeremaand door ‘newspeak’ en ‘windowdressing’, twee woorden waarvoor in het Nederlands maar moeizaam een equivalent te vinden is, maar belazeren komt dicht in de buurt.
De grootouders beschikten over een inkomen, de kleinkinderen beschikken over koopkracht; grootvader noemde men een arbeider, zijn nageslacht wordt tot de middenklasse gerekend; de grootouders kozen voor Achille Van Acker, de kleinkinderen voor Ward De Bever; de grootouders sliepen in de alkoof, de kleinkinderen vallen in slaap voor het plasmascherm; grootmoeder las een Vlaams filmke, de kleindochter probeert af te vallen met De voedselzandloper…
Woorden woorden woorden. Ikzelf was ook al dertig geworden vooraleer mijn frank viel. Maar eens ik het begrepen had, nam ik een besluit dat mijn leven ten gronde veranderde. Ik bestudeerde de tijdbestedingdriehoek en ontwikkelde een alternatief dat verdraaid goed op de voedselzandloper van dr. Verburgh gelijkt, namelijk de tijdbestedingzandloper waarvan u hiernaast als eerste — primeur! primeur! — een afbeelding te zien krijgt. 
Dat u deze primeur krijgt, komt doordat ik geen uitgever kon vinden die mijn zandloper op de boekenmarkt wilde positioneren (iets wat overigens voor de meeste van mijn geschriften geldt). De Brit Tom Hodgkinson slaagde er evenwel in een boek te publiceren waarin ik veel van mijn zelfvergaarde levenswijsheid weer kon vinden. Maar ook daarover wil ik het nu niet hebben, want eerst moet ik nog een beetje werken.
Flor Vandekerckhove

* Kris Verburgh, 2012, De voedselzandloper, 224 ps., uitg. Prometheus, kost 17,95. ISBN 9789035137585.
* Tom Hodgkinson, 2007, Leve de vrijheid, 383 ps., uitg. Samenw. Uitgeverijen Meulenhoff Boekerij, kost 22,50. ISBN 9789029079198.

dinsdag 11 september 2012

Het geheim


Na de publicatie van Sluipweg, een stukje dat ik over mijn grootvader schreef, kreeg ik van mijn nicht Nadine een briefje waarin ze me erop wees dat die grootvader stierf toen hij 63 was, een leeftijd die ik toen ook al enige maanden geleden bereikt had.  Ik kon haar niet tegenspreken, want ze had gelijk.
Het is inderdaad zover. Ik behoor nu tot de ouderen en de marketingterm senioren zal daar niets aan veranderen.  Dat ik daartoe behoor, zie ik ook aan deze blog waarin merkwaardig veel fragmenten staan die memoires genoemd worden, stukjes waarin een mens op zijn leven terugblikt. Ik zie het ook aan de reacties van lezers, want ja, deze blog wordt wel degelijk gelezen, vooral door andere ouderen die mijn verhalen nostalgisch noemen, eraan toevoegend dat ze daarvan houden, en die me aanmoedigen ermee door te gaan.
Ik hou ze al enkele jaren in de gaten, de ouderen. Als ik door het raam van een café naar binnen kijk, zie ik ze daar een kaartje leggen, ik zie ze in de bibliotheek gratis kranten lezen, ik zie ze buiten petanque spelen, en ik zie hoe ze zich in 't zweet fietsen, terwijl wie jonger is zich in 't zweet aan 't werken is.
Tot enige jaren geleden had ik een bureau waar iedereen zomaar kon binnenspringen. Dat werd ook veel gedaan, vooral door ouderen, want ja, die hebben tijd te over. Mijn schaars toegemeten tijd zaten ze daar dan uitgebreid te verbeuzelen. Maar wat kon ik ertegen doen? Ik kon die mensen niet zomaar aan de deur zetten, want ja, het waren ouderen. 
Dus heb ik van de nood een deugd gemaakt. Ik heb ze uitgevraagd en van hen geleerd hoe je ‘t best oud kunt worden. Nu ikzelf tot deze leeftijdscategorie toegetreden ben, wil ik de hun ontfutselde wijsheid op mijn beurt aan een volgende generatie doorgeven. 
Vraag: hoe zorg je ervoor dat je niet al te stram wordt? Antwoord: doe die auto weg en ga fietsen! Vraag: hoe zorg je ervoor dat je niet chagrijnig oud wordt? Antwoord: doe die auto weg en ga fietsen! Vraag: hoe vermijd je een hartaanval? Antwoord: doe die auto weg en ga fietsen! Vraag: hoe kun je met een klein pensioentje rondkomen? Antwoord: doe die auto weg en ga fietsen!  U begrijpt wel dat de antwoorden oorspronkelijk genuanceerder waren, meer omvattend, veelzijdiger en vooral uitvoeriger, maar dat ik ze hierboven in een slogan samengevat heb, in wat jonge mensen een oneliner noemen.  
Ik deed mijn auto weg. Het duurde vervolgens nog enige jaren vooraleer ik de laatste vraag durfde te stellen. Maar er was geen ontkomen aan. Hoe ouder ik werd, hoe meer de vraag zich opdrong.  Nadat mijn nicht dat briefje geschreven had, stelde ik hem uiteindelijk toch. ‘Hoe komt het eigenlijk’, vroeg ik aan een mens die nog ouder was dan ik, ‘dat men me nooit verteld heeft dat alles gewoon beter wordt als je ouder bent?’ Hij keek schichtig om zich heen om er zeker van te zijn dat niemand mijn vraag gehoord had. Daarna hield hij zijn hand schuin voor zijn mond om eventuele liplezers het liplezen te beletten en toen zei hij in mijn oor: ‘Sssssst, zwijg stil, laat ze in hun waan, dat mogen jonge mensen niet weten, dat is ons geheim. ’
Flor Vandekerckhove
Wie hieronder op een van de labels drukt, vindt verder in de blog nog soortgelijke stukken.

vrijdag 7 september 2012

Stil de tijd


Van het boek Stil de tijd, Pleidooi voor een langzame toekomst werden al meer dan 35.000 exemplaren verkocht. Dat is merkwaardig veel voor een boek dat geschreven werd door een filosofe.  Het cijfer leert ons dat het boek aan een behoefte beantwoordt en dat auteur Joke J. Hermsen erin slaagt haar filosofische bedenkingen dusdanig te verwoorden dat een breed publiek er iets aan heeft.
Hermsen schrijft inderdaad lichtvoetig. Dat is een compliment voor een filosofe die het per definitie over iets ongrijpbaars heeft.
Bestaat er naast de kloktijd nog een andere tijd? In tal van aparte stukjes weidt Hermsen uit over schrijvers, musici, filosofen, een fotografe, een kunstschilder… die haar iets meer leren over die toch wel merkwaardige vraag.
Hermsen kiest voor het essay; ze beoefent het probeersel. En ze besluit: ‘Het raadsel van de tijd is hiermee zeker niet opgelost, maar wel is er een sterk vermoeden gerezen dat er — hoe onmeetbaar ook — een andere tijd achter de klok verborgen ligt, die onze aandacht verdient (…)’
De auteur heeft het probleem van die 'andere tijd' niet uit de weg geruimd. Filosofen zijn immers intellectuelen en die verkleinen de probleemstelling niet, ze vergroten die. Dat doet Hermsen in dat boek ook, en ze doet het op een mooie manier. Het resultaat is een aangename leeservaring.
Onderweg hebben we veel bijgeleerd over de rol die deze 'andere tijd' in het werk van tal van kunstenaars en denkers speelt.  Zelf vind ik in het boek vooral de bijdragen interessant die over Marcel Proust handelen, Simeon ten Hold, zeemeerminnen (!), en vooral deze over Mark Rothko en Ernst Bloch. Die laatste is een Duitse marxist die Das Prinzip Hoffnung geschreven heeft, een kanjer waarvan Hermsen zegt: ‘Het is kortom hoog tijd voor een Nederlandse vertaling van dit opmerkelijke filosofische werk.’ Dat vind ik ook. Maar waarom geeft ze de indruk dat Bloch een gewezen marxist zou zijn? En waarom weigert ze Alain Badiou een marxist te noemen? Zou het iets met marketing te maken hebben? Is dat omdat marxisten uit de mode zijn? 
Er mochten in het boek overigens wel meer zo'n marxisten aan bod gekomen zijn, vind ik, want het tijdprobleem dat Hermsen omcirkelt, lijkt me toch vooral verweven te zijn met een economie die ons voorbijraast — almaar hoger, sneller, verder — en ons in almaar toenemende mate van onze 'tijd' vervreemdt. Het probleem van de tijd? It’s capitalism, stupid!
Flor Vandekerckhove

PS: Inmiddels stuurde Ginette M. me twee interessante filmpjes die met 'tijd' te maken hebben:
http://www.youtube.com/watch?v=NAWasq4jcHM&feature=related
en
http://www.youtube.com/watch?v=FSAUchwbgBk&feature=em-share_video_user

donderdag 6 september 2012

Coiffeurs zonder grenzen


Hij stootte op de boodschappentas die zijn echtgenote had laten rondslingeren, struikelde, sloeg met zijn armen in het ijle en viel op zijn gezicht. 
Toen hij probeerde recht te komen, zag hij hoe die echtgenote bovenaan de trap versuft stond toe te kijken. Ha schat, zei hij, ik ben blij dat je nog wakker bent, ik heb me gehaast, want ik heb groot nieuws.
De echtgenote, uit haar slaap gerukt, bleef wezenloos bovenaan de trap staan. Toon stommelde de trap op.
Zij luisterde niet naar wat hij te zeggen had, dat deed ze al lang niet meer, maar nadat ze het bad had laten vollopen, hielp ze hem wel uit de kleren. Daarna maakte ze het bed in de logeerkamer op, want dat was de plek waar hij zijn roes zou moeten uitslapen.
Slapen had hij nauwelijks gedaan toen de wekker hem twee uur later alweer uit bed rinkelde. Nog voor zijn echtgenote de keuken inkwam, had hij al koffie gezet. Hij zei dat het hem speet, dat hij het zeker zou goedmaken, maar dat hij, benieuwd naar de reacties van de directie, er nu rap vandoor moest gaan. De echtgenote luisterde minder dan ooit.
In zijn kantoor zag Toon meteen de brief liggen. In toenemende verwarring las hij daarin dat de firma niet meer met hem wenste samen te werken. Toon keek naar de boodschap en vervolgens om zich heen, maar niemand keek terug.
Onder de ontslagbrief lag de dikke bundel die hij de vorige dag op het bureau van de directeur achtergelaten had. Hij herkende de sierlijke letters die hijzelf op het omslag geschreven had, de slogan die zijn campagnevoorstel perfect samenvatte: Coiffeurs zonder grenzen. De directeur had er een streep door getrokken en er vijf grote vraagtekens achter geplaatst. 
Aan de secretaresse vroeg hij aarzelend om de directeur te mogen spreken. Het werd hem geweigerd. Hem restte alleen maar zijn persoonlijke spullen bijeen te harken en te vertrekken.
Dat alles gebeurde in 1971. Dat was ook het jaar waarin Toons echtgenote de scheiding aanvroeg en het was eveneens het jaar waarin de succesrijke organisatie Artsen zonder grenzen opgericht werd.
Flor Vandekerckhove

dinsdag 4 september 2012

In den beginne


Bredene-Duinen, 1913. (Met dank aan Mireille Vanblaere
die me de foto opstuurde die me geïnspireerd
heeft tot het schrijven van dit stuk.)
Voor me ligt een foto die mij, begiftigd met een grenzeloze verbeelding, meteen aan het boek Genesis laat denken. ‘In den beginne was er niets, behalve hotel Meiboom en de patisserie’.
Zo zou het scheppingsverhaal van deze duinenwijk inderdaad kunnen starten. Maar helemaal juist is dat niet. Rechts op de genesisfoto vangen we een glimp op van de Duinenstraat waar blijkbaar ook al een huis gebouwd werd, en links, te midden de akkers en beemden, staan eveneens woningen en een hoeve.
Waaraan laat die foto me nog denken? Aan De Vlaschaard waarin Streuvels een soort weerbericht neerschrijft: ‘Het vlakke land lag er afgebakend in zijn nauwen einder, overwaterd met mist, onnuttig, zoppenat’. Maar bij nader inzien klopt dat evenmin, want de foto toont ons een beeld waarin het zand haast moeiteloos in de polders overgaat, waardoor het geheel meer als een droog woestijnlandschap oogt dan als Streuvels’ zoppenatte landbouwgrond.
Het beeld herinnert me ook aan de foto’s die na de Eerste Wereldoorlog van Ieper genomen worden, een lege vlakte met slechts her en der een huis. Ook dat is uiteraard een loze vergelijking. In Ieper is alle bebouwing door het oorlogsgeweld neergehaald, terwijl in Bredene-Duinen alles nog moet beginnen.
Dezelfde site, 99 jaar later.
Lang zal dat evenwel niet meer duren. De Koninklijke Baan scheidt zichtbaar het platte duin (‘de platte dune’) van de wijk die erachter ligt. Vooraan, links op de foto, staat een klein gebouwtje waar de elektriciteit voor de tram omgevormd wordt. De infrastructuurwerken die het gebied voor het toerisme ontsluiten zijn al uitgevoerd: allen daarheen!
Raoul Eeckhout dateert de aanvang van de toeristische bedrijvigheid in Bredene in 1900, maar over een hotel Meiboom spreekt hij niet. (*) Dat gebeurt wel in een inventaris van het historisch erfgoed (**) die ik op het internet vind: Aan het kruispunt Driftweg/Kapelstraat met de Duinenstraat ontstaan de eerste herbergen met logies. De uitbouw van de Koninklijke Baan in 1902-1904, gevolgd door de aanleg van de parallel lopende kusttram in 1905, werken de ontwikkeling van Bredene-Duinen in de hand. De eerste hotels "De Meiboom" en "L'Espérance" worden opgetrokken.’
De genesisfoto werd ook afgedrukt in het boek dat Frank Huyghebaert en Erwin Mahieu over Bredene-Duinen publiceerden. (***) Het onderschrift leert ons dat café des Dunes rechts naast ‘In den Meiboom’ staat en dat het derde huis in de rij, de patisserie, door ene L. Plovie uitgebaat wordt. De hoeve op de achtergrond is deze van E. Seys (vandaag camping Duinzicht). Het huis in de Duinenstraat, waarvan we de zijgevel zien, is de kruidenierswinkel ‘In den Anker’ die, zo stellen Huygebaert & Mahieu, in 1913 gebouwd wordt.  
Ik herinner me die namen — Meiboom, café des Dunes, In den anker — maar het wordt almaar moeilijker om me die huizen concreet voor te stellen. Waar stonden die juist en welke huizen stonden ernaast?
Tijdens een zeldzaam moment van ondernemingsdrift heb ik geprobeerd om dezelfde site weer te fotograferen, maar dan bijna honderd jaar later. Het is me niet helemaal gelukt. De duinen hebben zich een beetje verplaatst, zodat ik de foto onder een andere hoek moet nemen. De begroeiing op die duinen is fors toegenomen, waardoor de Koninklijke Baan onzichtbaar is. Het platte duin is ei zo na verdwenen, net zoals hotel De Meiboom, het café des Dunes en de patisserie dat zijn.

Ik herlees het stukje dat ik hierboven geschreven heb en schrik me een hoedje. Deze blog begint wel zeer sterk op een filiaal van de plaatselijke heemkring te gelijken. Ik moet een beetje oppassen dat nostalgie de boel niet helemaal overneemt. Alhoewel… misschien vinden we elkaar daar uiteindelijk toch allemaal weer, in het heem van Ter Cuere, rond de tafel, naast de stoof, gebogen over oude kaarten, monkelend, en met wankele stem orerend over de tijd dat Bredene nog op zichzelf geleek. En wij ook.
Flor Vandekerckhove

(*) R. Eekhout, Zoeklicht op Bredene, 1968.
(**) https://inventaris.onroerenderfgoed.be/dibe/geheel/21818
(***) E. Mahieu & F. Huygebaert, 100 jaar Bredene aan Zee in beeld, 2001
P.S.: Karel Mestdagh laat me weten dat het gebouw dat op de historische foto vlak onder de kerktoren van Bredene Dorp te zien is, het 'Rozenhof' is, de bloemisterij van de familie Mestdagh.