vrijdag 28 augustus 2015

Hier schreef, bakte en kakte Stijn Streuvels

De pasteibakkerij van de familie Lateur, toen Stijn Streuvels er de bakker van 
was. Gezelle was moeders naam, zij was een zuster van de dichter Guido.

Een jaar nadat de grote schrijver gestorven is zet ik voet aan wal in Avelgem. Die zin is zo bombastisch dat ik hem niet zou mogen gebruiken, maar hij staat er nu en hij vraagt om uitleg. De grote schrijver is Stijn Streuvels die in 1969 overleden is. Ik ben ondergetekende. Avelgem is de gemeente waar in 1970 een jonge vrouw woont die later de moeder van mijn kinderen zal worden en voet aan wal betekent dat ik van de trein stap, want in die tijd heeft Avelgem nog een treinstation. Misschien zit de lucht daar op dat moment wel vol nattigheid en ligt het perron er zoppenat bij, misschien kan ik nauwelijks iets zien vanwege slunsen mist waarin kraaien zwart als doodzonden wentelwieken. Ik zou ’t niet meer weten. Wel weet ik dat ik naar de banketbakkerij in de Doorniksestraat trek.
In die winkel hangt een bas-reliëf waarop Streuvels’ hoofd afgebeeld staat met daaronder de merkwaardige zin: Hier schreef, bakte en kakte Stijn Streuvels. ’t Is bekakt uitgedrukt, maar het is daarom niet minder waar, want dit is de plek waar de vijftienjarige Frank Lateur in 1887 terechtkomt om er de bakkersstiel te leren. De zaak wordt op dat moment uitgebaat door twee ongehuwde ooms en de klanten worden in de winkel bediend door Franks oudere zuster. Later neemt vader Lateur, die kleermaker is, de zaak over en op 11 mei 1887 vestigt het gezin zich in de bakkerij. Frank wordt naar Brugge gestuurd om zich daar verder in de patisserie te bekwamen en in 1891 keert hij weer naar Avelgem, waar hij zich nu meester-bakker mag noemen.
In Avelghem (1947) beschrijft Streuvels het huis dat oorspronkelijk een hofstede geweest is en al ‘honderden jaren’ door de familie Lateur bewoond wordt. Het huis stond in de straatlijn tusschen een groote heerenwoning langs den eenen kant en langs den andere een schoenmakerswinkel, waar het met zijn witgeschilderden voorgevel, deftig figuur maakte. (…) In den winkel een toonbank waarop twee blinkend koperen weegschalen; de wanden bekleed met banken waarop brooden gereekt stonden, glazen bokalen en bakjes met spekken, suikergoed, spekulaus, amandelbrood, kinderbeschuit, donder-en-bliksem en ander koekensoorten waren uitgestald, — elk op zijn vaste plaats, alsof het van overouds altijd en onveranderd dezelfde koopwaar was.’
1943. Voor de patisserie staat Godelieve, een dochter van Edgard Seynaeve.
Op de bakfiets: Henriette De Clercq, een naamgenote van mijn moeder.
Of hij een goede bakker was weet ik niet, maar ik weet wel dat hij het niet graag deed. Wat hij veel liever deed was schrijven. En publiceren, maar bij voorkeur onder een pseudoniem: ‘Want mij beving nog altijd de schroom dat ik buiten mijn sfeer handelde (…) de ingeboren bedektheid die mij bang maakte en verlegen bij de gedachte dat iemand van mijn naastbestaanden of persoonlijke kennissen zou onder ogen krijgen wat ik schreef (…)’. Dat pseudoniem zou uiteindelijk Stijn Streuvels worden en die zou vanaf 1899 de bakker overvleugelen. Maar je weet hoe ’t gaat: tussen droom en daad… ‘Doch er bestonden moeilijkheden buiten mij om: wat met mijn moeder en zuster? Daarover met hen beginnen praten, mijn plan blootleggen, zulk een onderwerp aansnijden behoorde tot de onmogelijkheden!’ Hij is nu eenmaal de kostwinner, hij moet de winkel blijven bevoorraden. Het huis is op dat ogenblik trouwens nog altijd eigendom van nonkel Fik: ‘Hoe zou hij het opnemen als we de voorouderlijke bakkerswinkel zouden verlaten om het avontuurlijke aan te gaan?’
Wanneer die Fik in 1903 sterft erven Frank en de zijnen het huis. Streuvels begint meteen over de verkoop na te denken. In Ingooigem laat hij het Lijsternest bouwen. Moeder Louise en zus Lisa gaan in Brugge wonen. In 1905 huurt Edgard Seynaeve de bakkerij die hij in 1919 koopt. Frank Lateur heeft er vijftien jaar eerder zijn beroep geleerd en vijftien jaar lang is hij tegen zijn zin bakker geweest. Edgard Seynaeve daarentegen…
Voor me ligt een familiegeschiedenis van Martha, een van ’s mans negen kinderen: ‘Edgard Seynaeve en Marie Van de Maele hebben samen met hun kinderen het bedrijf verder uitgebouwd tot een kwaliteitsvolle en succesrijke banketbakkerij, die nog jarenlang een uitstekende reputatie genoot in de omstreken.’ Na Edgards dood zet Marie, samen met nog twee thuis wonende kinderen, de zaak verder, die later in handen komt van zoon Albert en diens echtgenote Agnes D’Haene. Zij worden mijn schoonouders, want een jaar nadat de grote schrijver gestorven is zet ik voet aan wal in Avelgem, maar ik zie dat ik in herhaling val. En weeral zo bombastisch!
Flor Vandekerckhove
Hedwig Speliers. Dag Streuvels. 'Ik ken de weg alleen'. — Uitg. Kritak, 1994.
Edgard en Jan Seynaeve. Een eeuw Martha Seynaeve — Eigen beheer,  2013.


dinsdag 25 augustus 2015

De Rest gaat naar de hemel

Het was lang geleden dat ik nog iets van hem vernomen had, maar gisteren had ik weer contact met Hoss, een cowboy op rust, die overigens verre familie van me is. Hij had me iets te vertellen dat hij liet aanvangen met de spectaculaire openingszin: ‘God is één ding en de hemel is iets anders.’ Ik nestelde me in de zetel en liet de woordenstroom via Skype over me heen komen: ‘Zo heb jij dat wellicht nog niet bekeken’, zei hij terecht, ‘maar ik ben tot de conclusie gekomen dat God niet bestaat, maar de hemel wel.’ Ik zuchtte. ‘Over God kan ik kort zijn’, zei hij, ‘men zegt dat Hij alles kan. Kan Hij dan ook een steen maken die Hij zelf niet kan opheffen?’ Ik besloot wijselijk om te zwijgen en maar goed ook, want hij vervolgde triomfantelijk: ‘Het antwoord bewijst sowieso dat God niet almachtig is en derhalve niet bestaat.’  Daar viel geen speld tussen te krijgen. Hoss weer: ‘Aantonen dat de hemel bestaat is moeilijker, want dan moet ik je de snaartheorieën uitleggen en het over het multiversum hebben, maar je zult toegeven dat een groot deel van het heelal nog onbekend is.’ Ook dat moest ik toegeven. Hoss was erover gaan nadenken toen ze onder de grond in Genève het Higgsdeeltje vonden. En of ik dat kende. En of ik wist dat een mijner landgenoten het bestaan van dat deeltje als eerste, zij het in theorie, ontdekt had. En of ik begreep dat dit inhield dat alle elementaire deeltjes een massa hadden. Gemakshalve antwoordde ik telkens ja. ‘Welnu’, vervolgde cowboy Hoss, ‘ook na onze dood moet er van ons een minieme hoeveelheid massa overblijven, want iets kan niet ineens niets worden, er blijft altijd iets.’ Daar moest ik eens over kunnen nadenken, maar Hoss gaf me de kans niet: ‘Gelovige mensen noemen het de ziel, maar da’s zever, ik noem het De Rest. Belangrijker dan de naam is dat je beseft dat zo’n elementair deeltje zo licht is dat het zich aan enorme snelheden door het universum beweegt. Niet tegen de lichtsnelheid, want dan zou het géén massa mogen hebben, maar toch aan een snelheid die deze van het licht benadert.’ En waar gaat De Rest dan zo rap naartoe, wilde ik vragen, maar Hoss was me voor: ‘Onlangs heeft de NASA de planeet Kepler-425b ontdekt. Men denkt dat daar leven mogelijk is. Ik ben ervan overtuigd dat De Rest naar zo’n plek gaat, waar het goed toeven is en waar al De Rest bijeenkomt. Want’ en hij liet een goedgeplaatste stilte vallen, ‘Kepler-425b is nog maar het begin.’ Het werd tijd voor enige tegenspraak, want Hoss beweerde daar dat er ergens in ’t heelal een enorme hoeveelheid ‘menselijkheid’ bestaat die almaar aangevuld wordt. Dus vroeg ik: ‘Hoe komt het dat wij dan van al De Rest nooit enig teken ontvangen hebben?’ Hoss had, zo moet ik toegeven, een schitterend antwoord klaarstaan: ‘Weet je hoever die Kepler-425b van ons vandaan ligt? 1.400 lichtjaren! En ja, de hemel ligt wellicht nog verder. De Rest doet er dus ontzaglijk veel tijd over om tot daar te geraken. De Rest van wie gisteren gestorven is heeft nog een lange weg te gaan. Wat daar al toegekomen is… da’s De Rest van mensen die bijlange niet op ons technische niveau staan, misschien is dat De Rest van mensen die de fiets nog niet uitgevonden hebben. En als wij, met al de huidige mogelijkheden, niet in staat zijn om zo’n contact te leggen, hoe zou De Rest van mensen die al zo lang dood zijn dat dan kunnen?’
Flor Vandekerckhove
Eerdere skypegesprekken met Hoss vind je hier, daar en ginder.


Het Oneindige Heelal

maandag 24 augustus 2015

Mijmeren in ’t Park Ramakers

Twee keer het Park Ramakers. Links een historisch beeld waarop villa Mon Castel nog te zien is. De foto rechts nam ik enkele dagen geleden op dezelfde plaats in het inmiddels gerenoveerde park. Verder in dit stuk heb ik de historische foto extra groot weergegeven en daaronder een foto die gemaakt werd tijdens de inhuldiging van het park. In 1954 ?


Nadat hij in de blog over de Bredense Kasteellaan gelezen had, stuurde Roland Vanmassenhove me enkele oude postkaarten waarop de omgeving afgebeeld staat. Sommige ervan kende ik wel, ik had ze al eerder gebruikt in een stukje waarin ik het ontstaan van de wijk beschreef. Maar die ene foto had ik nooit eerder gezien. Het beeld toont ons het Park Ramakers, wellicht kort nadat het voor het publiek opengesteld werd. De foto neemt ons mee naar de vroege jaren vijftig, misschien wel 1954. Links zien we de villa Mon Castel die in die tijd nog helemaal met het park verbonden was. We zien de trap die van het bordes naar het park liep, wat me laat veronderstellen dat heel het gebied oorspronkelijk de villatuin was. Ik herinner me dat de leegstaande villa later omheind werd. In 1981 werd het vervallen gebouw door de gemeente aangekocht en gesloopt.
[Terloops wijs ik er hier nog even op dat Roland Van Loo destijds gereageerd heeft op een stukje waarin ik herinneringen aan Mon Castel ophaalde. Hij herinnert zich dat daar na de oorlog een soort lusthof met kleine speeltuin was: een schommel, tennisveld, vijver… Speelkameraden van Roland waren daar Lucien Samijn, Yves en Jacques Danneels, André De Kuyper, Ghislain Maertens… Binnen in de villa kon een glas gedronken worden. Uitbater was ene Compernolle die later in Bredene een soepronde had. Na de Compernolles zou de villa nog bewood geweest zijn door de familie Heymans Het verblijf van die Heymans in Bredene was kort, ze verhuisden toen, zo zegt Van Loo, naar de Westkust.]
Op de historische foto zien we ietwat rechts van het midden de steen die burgemeester Plovie daar kort ervoor onthuld had, ‘Ter nagedachtenis van / schepen Ramakers / geboren te Dendermonde / 15.4.1902 / verongelukt te Julich Duitsland / 17.9.1953.’ De herdenkingssteen ligt ook vandaag nog, weliswaar op een andere plek, in het Park Ramakers dat in 2009 volledig heringericht werd.


Rechts op het pad wandelt een vrouw met kind in de richting van die gedenksteen. Heb ik het verkeerd voor wanneer ik in die persoon weduwe Ramakers meen te herkennen? [Daar blijk ik me inderdaad in te vergissen. Nadat Ivan Schamp dit stukje gelezen had, nam hij contact op met Oréanda Ramakers, dochter van Willy Ramakers en kleindochter van Jean en Maria Spegelaere. Oréanda is er zeker van dat de vrouw op bovenstaande dochter haar grootmoeder niet is. Ze herkent die wel in de vrouw met de witte hoed op de foto die hieronder staat.] Ik herinner me die vrouw die, veelal in witte schort, druk in de weer was in de omgeving van haar pension in de Gentstraat. Moeiteloos vind ik het huis weer waar die zaak uitgebaat werd. In de cartouche boven de deur zie je in bas-reliëf nog de naam Jean staan, maar nu overschilderd. Schuin tegenover dat pension, op de hoek met de Antwerpenstraat, staat ook de later gebouwde ‘annexe Jean’ die, zo denk ik, met de horecaonderneming van weduwe Ramakers te maken had. [Ook wat dit betreft hebben we meer uitleg gekregen van Oréanda. Na de dood van Jean Ramakers heeft haar vader, Willy (toen 24), de zaak verder gezet. Hij is het die, samen met zijn echtgenote, in het begin van de jaren zestig, de zaak uitgebreid heeft met hoger vermelde annexe Jean. Na het overlijden van Willy op 1 oktober 1970 heeft Oréanda's moeder de uitbating van het pension stopgezet en werden de kamers omgevormd tot appartementen.]
Over de verongelukte schepen Jean Ramakers kon ik maar weinig gegevens vinden. Op het doodsprentje las ik dat hij 'hoofdrekenkundige' was bij de firma's 'Froid Industriel' en 'Pescator', het pension werd niet vernoemd. In een propagandablaadje vond ik de socialistische lijst uit 1952 weer. Op de zesde plaats stond Ramakers Jan-Leon, rekenkundige-pensionhouder. Tijdens die gemeenteraadsverkiezingen sleepte de partij van burgemeester August Plovie acht van de elf zetels in de wacht. Ramakers werd schepen, functie die hij dus maar kort kon uitoefenen. Het boek Zoeklicht op Bredene leert ons dat de andere schepen Valère Vermoortel was. Na zijn plotse dood werd Ramakers opgevolgd door mevrouw Germaine Vansteenkiste.


Ramakers was een mandataris van de BSP. Is het niet merkwaardig dat (de echtgenoot van) een kleine zelfstandige pensionhouder in die tijd partij voor de socialisten koos? Wellicht wel. Waarom deed hij dat? Ik vind niemand die het me kan uitleggen. ’t Was wellicht geen zaak van plat opportunisme, want de zesde plaats zal toch wel ’n strijdplaats geweest zijn en het overdonderende succes van de lijst was wellicht niet op voorhand gegeven. Was het een kwestie van vrijzinnigheid? In Zoeklicht op Bredene lees ik ook nog: ‘Ook het officieel onderwijs stichtte te Bredene-Bad een wijkschool. Deze leerlingen werden eerst voorlopig ondergebracht in een aanhorigheid van het hotel ‘Jean’ in de Gentstraat (…)’. Getuigt dit van het vrijzinnig engagement van Ramakers? Het doodsprentje dat ik onder ogen kreeg getuigt nochtans van een kerkelijke begrafenis. Het vraagt de lezers ervan te bidden voor 's mans zielsrust en wie dat doet wordt 300 dagen aflaat beloofd. Was hij een uitgesproken voorstander van de lekenstaat? ('t Is ook altijd 't zelfde, tegen de tijd dat ik me voor een onderwerp begin te interesseren rest er niemand meer aan wie ik er iets over kan vragen.)
Er is nog iets wat me boeit. De vrouw die het pad afwandelt heeft een kind aan de hand. Hadden de Ramakers nog zo'n jong kind? [Ook op die vraag kwam inmiddels een antwoord. Willy, de zoon van Jean en en Maria Spegelaere was in 1954 al 24. Hij kan bijgevolg de kleine dreumes niet zijn die we op de foto zien.] Ik speur het internet af en vind de coördinaten van twee Jean Ramakers. De ene schrijft me: Het enige wat ik weet is dat mijn peter (ook genaamd Jean Ramakers) uit een familie van 11 kinderen kwam. het merendeel is uitgeweken naar de USA. En de familienaam zou uit het Limburgse komen.’ De andere Jean Ramakers woont in Bredene — ha! — maar ook hij zei me geen weet te hebben van familiebanden met de man die zijn naam aan het park gaf.
Flor Vandekerckhove

zondag 23 augustus 2015

Hope uit de viswinkel

Zeven jaar had ik met die vrouw samengeleefd en nu haatte ik haar. Ik kon haar nochtans niets verwijten. Het eten was voortreffelijk en de rest van de verzorging was dat ook. Ze had een behoorlijk inkomen en daar werd ik van onderhouden. Het was ook niet dat ze me verplichtingen oplegde, want dat deed ze niet. ‘s Morgens maakte ze zich uit de voeten, ze werkte heel de dag in die boetiek van haar en intussen kon ik mijn verhalen schrijven.
Ik liep rond in het appartement en zag haar gadgets staan. Overal hingen vreselijke schilderijen. Veel tapijtjes op de vloer en tafeltjes en krukjes, gedroogde bloemen, vazen en boeken, allemaal op strategische plaatsen. Ik hoorde bij de schrijftafel, vlak voor het raam, met uitzicht op zee.  Ze had zich een woonst bedacht met eendjes en foto’s en schilderijen en een schrijver. Ik was een deel van haar decor. Die conclusie was zich net aan ‘t vormen toen de telefoon begon te rinkelen, een telefoon in de vorm van een miniatuurpiano. Ze zou iets later zou thuiskomen. Ik legde de pianofoon neer, vleide me op de sofa en keek hoe de dag voorbij aan ’t gaan was.
Opeens sprong ik recht. In een openbaring had ik alles doorgrond. Dàt was het wat me stoorde in het appartement, in die vrouw, in dit leven. Het was allemaal verpakking en daarin zat niets, helemaal niets. Ze had het leven herleid tot franjes en ik was de grote strik die dat leven er waardevol deed uitzien. 
Eens je dat inzicht hebt, twijfel je niet langer. Dan sla je op de vlucht en dat is ook wat ik prompt deed. Ik stak mijn pen op zak en trok de deur achter me dicht, waarmee ik een vrij man werd. Ik stond weer op eigen poten en huurde dezelfde dag nog een gemeubelde studio.
‘s Anderendaags deed ik inkopen. Ik kocht veertien light menu’s, een krat bier en een stapel papier en besloot een nieuw boek aan te vatten. De tijden bruisten van vitaliteit. Ik at de ene light menu na de andere, liet de afwas staan en kreeg van iemand een jong straathondje cadeau. Het beest scheet het huis vol en de studio stonk als de pest, maar het schrijven ging goed vooruit. De held was zojuist in New York aangekomen, in zijn bagage stak een kilo coke met een straatwaarde om U tegen te zeggen.
Tien dagen later was ik twee kilo vermagerd. De studio was een ruïne. Mijn ondergoed stonk zo erg dat het zelfs voor de hond niet prettig meer was. Op de keukentafel was geen plaatsje meer vrij. Vier afgewerkte hoofdstukken lagen kriskras door elkaar en daartussen lagen lucifers, sigarettenpapier, koffievlekken, een omgevallen glas bier en het begin van nog een ander boek.
Ik liet alles voor wat het was en ging wandelen. Ik voelde de najaarsbries door mijn kleren waaien en vroeg me af wat de zin van mijn bestaan was. Ik ging een bar binnen om mij eens goed te bezatten. Aan de tapkast zat het verkoopstertje uit de viswinkel rechtover de boetiek van mijn ex. Ze was alleen. Rond haar hing de weeë geur van garnalen. Ik realiseerde me dat alleen eenzame vrouwen in zo’n bars rondhangen en ging op de kruk vlak naast de hare zitten. Mijn naam is Hope, zei ze. Ik ken je wel, antwoordde ik, jij bent de Hope van de vishandel. We geraakten in gesprek. Wat het mens mij aangedaan had! Dat vond zij zonde. Je moest een kreng zijn om iemand als ik kapot te maken! Een schrijver!  Een kunstenaar! Kortom, ik was veel te goed voor dat boetiekmens en had een vrouw nodig die me begreep.  Een vrouw uit de vissector bijvoorbeeld.
Het was al flink na middernacht toen we naar haar flat trokken. Het appartement was warm en gezellig. Er stonden Engelse meubeltjes en hier en daar lag een boek. Aan de muren hingen gereproduceerde foto’s van halfnaakte meisjes. Haar kamer was lichtblauw geschilderd en er hing een poster die ik al eens ergens anders gezien had. We probeerden te vrijen, maar dat ging niet zo goed omdat ik in slaap aan ’t vallen was. In die slaap droomde ik een droom waarin ik verloren liep en uiteindelijk op een afgelegen erf bij gevaarlijk volk terechtkwam. Toen ik daar een openstaande deur ontwaarde greep ik mijn kans en sloeg op de vlucht. Dat probeerde ik althans, want hoe hard ik ook liep, ik geraakte geen meter dichter bij de deur die zich inmiddels alweer aan ’t sluiten was.
Flor Vandekerckhove


[Hope uit de viswinkel is de bewerking van een verhaal dat ik eerder al geschreven had. Ik heb het hierboven niet alleen flink ingekort, maar ook op cruciale punten veranderd. Het maakt nu deel uit van een project waarin ik verhalen schrijf die zich in het milieu van de Oostendse beroepsvissers afspelen. Een aantal van die verhalen worden beleefd door vissers, andere door hun leveranciers (Elooi Valke en zijn vrouw) of hun afnemers. Voor wat die afnemers betreft vind je in de blog al stukjes over de viswijven (Molly de waternekker), visleurders (Hoe vorter de vis, hoe groter de versterving). Maar een verhaal over iemand uit de winkeldistributie had ik nog niet. Dat is nu rechtgezet. Wie meer verhalen uit deze reeks wil lezen, kan hier klikken. De link leid je naar 25 vertellingen.]

vrijdag 21 augustus 2015

Hoe ik van mijn geloof gevallen ben

Bij mij thuis waren ze katholiek; allemaal, en ik nog ’t meest van al. Onze handel & wandel werd in toom gehouden door onze moeder de heilige kerk en door al wat daar komt bij kijken: een indrukwekkend arsenaal van liederen, plichtplegingen, zeden, geboden en verboden — vooral verboden — gebaren, groepswandelingen en vreemdsoortige handelingen waarover ik hier helaas niet kan uitweiden omdat het een kort verhaal moet blijven. Maar weet dat ik nog altijd de gebeden ken, de gezangen, de rituelen, de catechismus, de hoogdagen, de tien geboden… Het is zoals Gezelle het in lang verleden dagen al in ‘t Kruiske zeide: ‘t is geschreven 
/ diep mij in den kop gebleven.
Mijn geloof bereikte zijn absolute hoogtepunt toen ik zeventien was. Ik denk niet dat je iemand zult vinden die op die leeftijd even hard gelovig was als ik. Of het zou het meisje moeten zijn waarmee ik een soort voorgeborchte van het huwelijk deelde. Dat deden we trouwens al toen we zestien waren. Veel te jong uiteraard en om dat vuur zowel laaiend als onder controle te houden deelden wij niet alleen onze liefde, maar ook ons geloof. En bij 't geloof hoorden de werken. We biechtten dat de stukken eraf vlogen, begaven ons samen naar de zondagsmis èn naar de communie en baden, met gesloten ogen en gefronst voorhoofd, gebeden waarin het heil/geil van de geliefde centraal stond. 
We hadden een geestelijke leidsman, pastoor Verhelle, een mens waaraan ik overigens de beste herinneringen overhoud. Op zijn kamer stond een oude, houten kist waarin hij zijn platendraaier geïnstalleerd had, een interieur-technische truc die op mij veel indruk maakte en waardoor ik ook vandaag nog altijd veel fikfak in huis heb staan. Hij gaf me Wegen der vriendschap, een boek dat me veel over het onderwerp geleerd heeft en dat wellicht het eerste ernstige boek was dat ik te lezen kreeg. Het boek leerde me ook dat ik liever essays lees dan romans.
Maar hoe ik ook bad, boette en biechtte, het maakte van mij niet de liefhebbende echtgenoot in spe die ik zo hard probeerde te zijn. Mijn liefde voor dat meisje was groot, maar oneindig veel groter was de ontrouw waarin ik zelfs als maagd al zeer bedreven was. Ejaculatio praecox hier, praecox daar, praecox overal, vooral in tenten op kampeerterreinen, waar goddeloze maar ondernemende Walinnen ons, gelovige maar gewillige Vlamingen, naartoe wisten te lokken.
Uiteindelijk geraakte het uit. Al dat bidden, biechten, berouwen, geloven en hopen had nergens toe geleid. Samen met die jeugdliefde verloor ik mijn geloof, want de breuk liet een heel bouwwerk van zekerheden instorten, waarmee het Bijbelse woord bewaarheid werd: En de slagregen viel neer en de waterstromen kwamen en de winden waaiden en sloegen tegen dat huis en het huis stortte in en zijn val was geweldig. (Mattheus 7:27.) 
Maar je weet hoe ’t gaat, al na korte tijd moest ik aan mezelf toegeven dat ik eigenlijk wel blij was dat ’t voorbij was. Ik had God daar bijgevolg best dankbaar om mogen zijn, maar daarvoor was ’t nu te laat, want Hij bestond goddank niet meer.

Flor Vandekerckhove

dinsdag 18 augustus 2015

Over taboes en hoe ze ongestraft doorbroken worden

Een schip is als een vrouw, zegt de pastoor. Het meisje lacht. Echt, zegt hij, ik heb dat al veel horen zeggen, dat ze naar hun tweede vrouw gaan. Hij nipt van zijn glas. Ja, zegt het meisje, dat zeggen ze ook als ze naar ons komen
Tijd voor een nieuw rondje Tuborg. Een schip is meer dan een werktuig, zegt hij tegen een ander meisje dat om zijn aandacht vraagt. Daarom krijgt een schip ook een naam. Het wordt gedoopt en het krijgt een peter en meter. Dat toont aan dat het niet alleen maar werktuig is. Het meisje twijfelt. Mijn vibrator heeft ook een naam, zegt ze, hij heet Johny. De pastoor gaat daar niet op in. De vissers spreken over hun schip als over 'haar', zegt hij, terwijl het schip toch onzijdig is. De visvangst is trouwens een seksuele daad. De vissers bezwangeren hun schip met de vangst die in de buik — het ruim — geschoven wordt. In de visveiling wordt 'zij' van de vangst verlost, zoals een vrouw van een kind verlost wordt. 
Komt het daardoor, vraagt een meisje, dat wij ons, na ’t werk, niet op de pier mogen vertonen? Dikke Blomme zegt dat de vissers daar boos om zijn en dat het slecht is voor de zaken. 
Ja, dat klopt, antwoordt de reder die de meisjes betaald heeft, je mag geen vrouwen zien bij ’t vertrek naar de visgronden, dat leidt de aandacht af van ’t werk; dat is slecht voor de zaken. We nippen van ons glas. Op zee mogen de vissers maar oog hebben voor één vrouw, zegt de reder, en dat is het schip
Vraagt dat andere meisje: Waarom mogen de vissers ook geen varken zien als ze op weg zijn? Algemeen gelach. En Tuborg. Dat meisje heeft gelijk, zegt de pastoor, met waterige oogjes, varkens zijn taboe. Het woord taboe gaat van mond tot mond: taboe, taboe, taboe, taboe, taboe… Hola, zegt het ene meisje, je gaat vrouwen toch niet met varkens vergelijken zeker. Ik kan je verzekeren dat ’t vooral mannen zijn die… Maar de pastoor heeft een verklaring: Varkens hebben twee tenen, zoals de duivel, da’s dus geen goed teken. 
Een visser roept: Je mag ook geen katten zien. 
De pastoor knikt: Katten doen aan heksen denken, net als kraaien en raven. Slecht teken! We drinken Tuborg. En dan roept een andere visser: Eenden! Eenden mag je ook niet zien! De visser die al zo’n beetje overal geweest is, roept ook: Op de Shetlands mogen we geen palingen en otters zien en in Schotland moet je zorgen dat je blik geen zeehond kruist. 
De pastoor knikt, hij ziet er moe uit: In Texas mogen de vissers geen alligator zien en in Zweden heerst er een taboe op kikkers. Zijn stem lispelt: Dat zijn allemaal dieren die de grens tussen land en water kunnen overschrijden, ze zijn dus ambigu en daarom taboe. De twee meisjes zitten nu op de schoot van de pastoor. Het linkse meisje zegt zachtjes in zijn oor: Ambigu, ja, da’s een mooi woord en taboe da’s ook een mooi woord. Het rechtse meisje zegt: Mag ik straks ook eens ambigu zijn en je taboe afzuigen?
Dit is het moment waarop ik in actie moet treden. Daarom heeft de pastoor me met hem mee gevraagd, om de kerk in ’t midden te houden, iets waar ik bekend voor ben. Ik sta op en zeg kordaat: Straks vaart Patten uit! Gaan we hem uitwuiven? 
De meisjes vinden het een goed idee, want ze zijn toch al betaald. Ook de vissers vinden het oké. Alleen de pastoor twijfelt, maar ik help hem over die twijfel heen door hem zijn jas aan te reiken.
Een vreemd gezelschap is ‘t, dat daar bij ’t krieken van de dag de pier opstapt, de pastoor met aan elke arm een jonge vrouw, met kleren die van lichte zeden getuigen; de reder die zijn kat gestuurd heeft en een bende vissers die elkaar de paling doorgeven die ik een vroege visboer ontvreemd heb. Helemaal op ’t einde van de pier wachten we geduldig op ’t schip dat straks van achter de sluisdeuren zal opdagen. De pastoor heft een lied uit de Carmina Burana aan, de vissers roepen: Dáár! Daar is zij! En dan glijdt het schip van Patten voorbij, sierlijk als een mooie vrouw die met een perfecte zwemslag door de golven klieft, rijp om uit het zicht van ’t land bezwangerd te worden. We joelen en juichen. De meisjes ontbloten hun borsten, een visser steekt de paling omhoog, ik roep: Patten, kijk, kijk, er staat een pastoor op de pier! Patten zwaait ons lachend toe. Hij roept iets wat we niet verstaan en toont ons dan zijn bloot gat. Terwijl het schip onverstoorbaar zee kiest, staren wij het na. Het feest is afgelopen. De meisjes knopen hun blouses dicht en terwijl we op onze schreden terugkeren neemt de pastoor ons de biecht af. 
Morgen weer!

Flor Vandekerckhove


[Dit stuk maakt deel uit van een verhalenproject waarbij ik versteende vissersverhalen weer tot leven probeer te wekken. Wie er meer wil lezen kan hier klikken, op die plek worden er een twintigtal vermeld.]


zaterdag 15 augustus 2015

Van het ene gebouw naar het andere


Over de Bredense villa Mon Castel schreef ik hier eerder al een stukje. Het huis was eigendom van de Gentse nijveraar Marc Samdam en het bevond zich in een straat die naar hem genoemd werd: avenue Marc Samdam. Vlak voor de villa eindigde er in de Marc Samdamlaan een andere straat en die werd dan weer naar het huis van die Samdam genoemd: avenue Mon Castel. Die mens mocht er zich bijgevolg op beroemen dat zijn patrimonium twee straatnamen waard was, de Kasteellaan en de Marc Samdamlaan.
Die laatste straat heet zo niet meer, da’s nu de Prinses Marie-Josélaan. Maar de avenue Mon Castel is ook vandaag nog altijd de Kasteellaan. De villa bestaat niet meer, maar er bestaat wel een foto die vanaf het bordes van Mon Castel gemaakt werd en waarop de Kasteellaan afgebeeld wordt. Vooraan zien we het hek dat het kasteeltje van de straat scheidt. De twee hoekhuizen staan er ook vandaag nog. Het huis links heeft zelfs nog altijd zo’n poortje met dak. Voor de rest zien we nog enkele huizen en veel bouwgrond. Als ik dat goed interpreteer dan toont de foto ons ook dat de avenue Mon Castel in die tijd nog niet helemaal tot aan de Driftweg doorgetrokken was.
Op ’t einde, rechts, zien we de zuidkant van het sanatorium Marin, een gebouw dat een belangrijke rol in mijn leven gespeeld heeft. Daar komt in 1934 de alleenstaande moeder Aline Hofman toe, samen met haar elfjarige dochter Henriette De Clercq. De Gentse heeft er werk gevonden als strijkster. Dochter Henriette leert de plaatselijke jeugd kennen en groeit er op tot jonge vrouw. Hoe het haar verder vergaan is vind je hier, maar het komt er hoe dan ook op neer dat ik daar het resultaat van ben.
En dan kijk je naar zo’n historische foto, waarop je vanuit het sjieke Mon Castel de zuidkant van het sanatorium ziet. Daar zie je de terrassen waar de patiënten in hun bed naartoe gerold werden om er van een zonnekuur te genieten. En onder die terrassen bevinden zich enkele kamers voor het personeel. In een van die kamers woont mijn grootmoeder met haar dochter die later mijn moeder wordt.
Flor Vandekerckhove

woensdag 12 augustus 2015

Het bal der mannen



Wie het Bijbelse verhaal van de tweelingbroers Ezau en Jacob kent weet dat er twee soorten mensen zijn, jagers en kwekers, en dat de eersten hun voorrangsrecht verkwanseld hebben in ruil voor een bord soep. De mythe van de tweelingbroers verhaalt de overgang van de jachteconomie naar die van de landbouw, een momentum dat ons 10.000 jaar in de tijd terugwerpt. En dit is wat de Oostendse Oosteroever zo apart maakt: daar, en daar alleen, bevindt zich het kwijnende nageslacht van de jager Ezau. Daar, in het hart van de Oostendse visserij, zie je de restanten van een jagerseconomie die ooit over de wereld geregeerd heeft. De vissers zijn de economische telgen van een oervader die 10.000 jaar geleden in het zand heeft moeten bijten. Het belet die telgen niet om ook vandaag nog op pad te gaan om, tegen beter weten in, op voedsel te gaan jagen.
Die afstamming heeft aan de Oosteroever zijn uitdrukking gevonden in merkwaardige rituelen & gebruiken, in aparte lichaamstooien, in liederen & verhalen en in een letterlijk ongezien feest dat Het bal der mannen heet. Dat er van dat feest nauwelijks sporen bestaan is zowel verwonderlijk als begrijpelijk. Verwonderlijk, omdat Het bal der mannen uniek is in de cultuurgeschiedenis; en bijgevolg een cultureel erfgoed is dat kan tellen. Begrijpelijk, omdat er op Het bal der mannen geen pottenkijkers geduld werden. U zult straks begrijpen waarom.
De jagersmaatschappij is er een van mannen. Uiteraard zijn er op de Oosteroever ook vrouwen aanwezig, ze zijn daar zelfs onmisbaar, maar ze zijn toch vooral onzichtbaar. Op welbepaalde momenten mogen ze zich geenszins op de kaaien vertonen. Dat geldt bijvoorbeeld wanneer een schip ter visserij vertrekt. In de antropologie heet het dat er een taboe op vrouwen rust. Het bal der mannen is daar de culturele uitdrukking van. De scheepsbouwers nemen het initiatief en nodigen uit ten dans. Die invitatie geldt uiteraard niet voor vrouwen, want dan zou Het bal der mannen een contradictie zijn. Het zijn de vissers die de vrouwenrol op zich nemen en zich door de scheepsbouwers laten uitnodigen. Wat meteen verklaart waarom pottenkijkers geweerd worden, want buiten de jagersgemeenschap zou die praktijk zekerlijk verkeerd geïnterpreteerd worden.
Tot het midden van de jaren vijftig is het gemakkelijk geweest om Het bal der mannen uit het maatschappelijke zoeklicht weg te houden, want in die tijd kent iedereen zijn plaats en wie daar niet moet zijn mijdt de Oosteroever. Die toestand is helaas niet blijven duren. De opmars van de sensatiepers, de toename van de massacommunicatie, de concurrentie tussen de media, de toegenomen maatschappelijke mobiliteit, het ontkiemen van het feminisme, de ongebreidelde consumptiedrang, de stichting van de Europese Gemeenschap van Kolen en Staal, de democratisering van het onderwijs, de groeiende verkoop van personenauto’s, de ontkerstening, de explosie van het toerisme… Dat alles maakt dat de Oosteroever almaar minder geïsoleerd komt te staan.
In het midden van de jaren vijftig is Het bal der mannen voor ’t laatst doorgegaan, wellicht op de scheepswerf van Panesi aan de Nieuwe Werfkaai. Op dat bal gebeurt er helaas iets wat nooit eerder gebeurd is: iemand maakt een foto! Spijtig, want zodra de vissers dat te weten komen, weigeren ze verder aan Het bal der mannen te participeren, ze gaan niet langer in op de uitnodiging ten dans en trekken zich terug in etablissementen als De Middenclub en 't Veegeetje. De scheepsbouwers proberen nog om er toch mee door te gaan en dansen nog een stonde met elkaar, maar iedereen weet dat het einde van een lange traditie nakend is. De foto maakt komaf met het meest merkwaardige feest dat de vissersgemeenschap aan de Oosteroever gekend heeft, Het bal der mannen, een uniek gebeuren dat zijn oorsprong vindt in voorhistorische tijden waarin de jacht meester over de dingen is, de tijd waarin Ezau zijn eerstgeboorterecht nog niet verkwanseld heeft voor godbetert een bord soep, linzensoep nog wel!
Flor Vandekerckhove

[In het Oostendse Stadsmuseum (Langestraat 69) leiden objecten, affiches, documenten en multimediatoepassingen je door het boeiende levensverhaal van de stad. Ze onthullen de geheimen achter de stadsontwikkeling, het toerisme, de visserij, de haven en de scheepvaart. Op zaterdag 15 augustus stelt het museum, van 18 tot 22 uur, gratis zijn deuren open. Flor Vandekerckhove leest er om 18,30 – 19,30 en 20,30 zijn vissersverhalen voor.]

dinsdag 11 augustus 2015

Lezingen



In het Oostendse Stadsmuseum (Langestraat 69) leiden objecten, affiches, documenten en multimediatoepassingen je door het boeiende levensverhaal van de stad. Ze onthullen de geheimen achter de stadsontwikkeling, het toerisme, de visserij, de haven en de scheepvaart.
Op zaterdag 15 augustus stelt het museum, van 18 tot 22 uur, gratis zijn deuren open. Flor Vandekerckhove leest er om 18,30 – 19,30 en 20,30 zijn vissersverhalen voor.
Een kwarteeuw lang gaf Flor Vandekerckhove Het Visserijblad uit. Al die tijd bracht hij verslag uit over het reilen & zeilen van de Vlaamse visserij. Gaandeweg ondervond hij dat de wereld van de laatste Vlaamse jagers niet uitsluitend op een journalistieke manier benaderd mocht worden. Wilde je de visserij ten volle begrijpen dan moest je er ook ‘het imaginaire’ bij betrekken. Dat deed hij door verhalen te schrijven die zich in dat milieu afspelen, waarvan de roman Amandine (2012) het kroonstuk was.
Nog steeds bouwt Vandekerckhove verder aan zijn visserijvertellingen. Hij doet dat in twee blogs (De Laatste Vuurtorenwachter en Het Voorlaatste! Visserijblad) en in Lapkoes, een wekelijkse column in het weekblad De Zeewacht. Zijn verhalen wortelen in een lange traditie van volksvertellingen waarvan het waarheidsgehalte twijfelachtig is.

zondag 9 augustus 2015

De derde man

De feiten zijn niet meer te controleren, maar dat belet niet dat we
ons een beeld van de schippersvrouw kunnen vormen.
Ze komen niet allemaal van mij, de verhalen die ik over het leven aan de Oostendse Oosteroever vertel, ik heb dat niet allemaal zelf meegemaakt of zelf bedacht. Veel is me verteld door vissers. Die vissersverhalen zijn soms waar, soms niet, maar meestal zijn ze zowel waar als niet. Dat komt doordat die verhalen in een orale traditie leven. Ze worden, tussen twee trekken in, verteld aan boord van ’t schip; in de kroeg worden ze vervolgens, tussen twee reizen in, aangedikt tot ze de contouren van een heldendicht gekregen hebben. Omgekeerd kan ook, ze worden uitgedund, want niet alles wat op zee gebeurt kan aan de wal verteld worden. En altijd is er die constante dat de bron onvindbaar is: de betrokkenen zijn overleden of ze zwijgen, de feiten zijn niet te controleren.
In mijn boek Amandine schrijf ik over doodslag aan boord van een vissersschip. Dat is fictie, want Amandine is een roman. Maar het verhaal is wel gebaseerd op iets wat me voor waar verteld is. Die vertelling gaat als volgt. We bevinden ons in een tijd waarin er een groot tekort aan vissers is, een bemanningstekort. Schippers die er alles aan doen om hun schip varende te houden hebben hun mannen dan niet voor ’t kiezen. Ze moeten nemen wat er is en soms is dat een matroos die onbekwaam is, soms is ‘t een mens waarvan je weet dat hij de sfeer aan boord verpest, soms is het een persoonlijke vijand. Dat laatste is het geval in dit verhaal. Aan boord bevindt zich de minnaar van de schippersvrouw. Daar heeft de crew geen weet van, behalve die ene matroos, uiteraard, die het met die vrouw doet. Maar ook de schipper-reder weet het, want er zijn dingen die echtgenoten niet gezegd moeten worden; een hoorndrager voelt dat aan, dat weten jullie ook wel. In het hoofd van de schipper rijpt een plan dat hij, drie dagen later, dicht tegen IJsland, ten uitvoer brengt. De minnaar loopt de hondenwacht. De rest van de crew slaapt. Kort voor de wissel van de wacht slaat de schipper zijn rivaal de kop in, smijt hem overboord en kruipt weer in zijn kooi. Huwelijk gered! Wanneer de wacht wordt afgelost is de minnaar onvindbaar. Er wordt alarm geslagen, de man wordt als vermist opgegeven en zal nooit weergevonden worden. Man over boord, da's erg, maar het gebeurt wel meer.
Het schip vaart verder, vangt in korte tijd buitengewoon veel vis, keert vlug weer naar huis. Daar wordt een onderzoek gestart, de crew wordt ondervraagd, niemand weet wat er gebeurd is, ook de schippersvrouw houdt de kiezen op elkaar, de daad blijft ongestraft… Maar niet helemaal.
De bemanning wordt weggekocht door andere reders. Da's ook gemakkelijk te verklaren, want als je 't toch voor 't uitkiezen hebt, dan ga je voor een schip waar niemand overboord gegaan is; je kunt dat bijgeloof noemen, maar 't getuigt vooral van gezond verstand. De stuurman trekt naar hier, de motorist naar daar, de scheepsjongen naar ginder, een matroos vindt links werk en een andere rechts. Het vaartuig blijft zonder bemanning achter. Het ligt aan de kaai. Da’s erg, want dat is roestend kapitaal, dat is een lening die niet afgelost wordt, dat is de bank die de schipper meedeelt dat diens vaartuig aan de ketting wordt gelegd. Dat is een schipper die geen uitkomst meer ziet, begint te drinken en in dronken toestand wartaal uitkraamt over een passionele moord die hij gepleegd heeft; een verhaal waarbij de enen met hun wijsvinger tegen ’t hoofd tikken en de anderen met hun ogen rollen. Zo’n vissersvaartuig dat aan de kant blijft liggen, da’s ook een curator die met het faillissement van de rederij belast wordt en er met de schippersvrouw vandoor gaat.
Flor Vandekerckhove

[Dit stuk maakt deel uit van een verhalenproject waarbij ik versteende vissersverhalen weer tot leven probeer te wekken. Wie er meer wil lezen kan hier klikken, op die plek worden er een twintigtal vermeld.]

vrijdag 7 augustus 2015

Elooi Valke en zijn vrouw

Tot 1996 woonde ik op de Oosteroever, de stek van de Oostendse vissers, een plek waar de jachteconomie over de dingen heerste. ’s Nacht werd daar de vis gelost en overdag werden de schepen opgelapt. Veel over en weer geloop, ateliers, pakhuizen, koelhuizen, roestend ijzer en een visgeurtje. Veel volk woonde er niet; meestal eenzaten, outlaws zelfs, altijd mannen, slechts enkele gezinnen. Zelf woonde ik er op de hoek, vlak naast de vuurtoren — ik hield er mijn pseudoniem aan over, De Laatste Vuurtorenwachter. Links, naast mij, woonden Valke en zijn vrouw. Die Valke had lang als machinist gewerkt op vissersschepen die naar IJsland voeren. Toen de visserij daar op haar limieten stootte, had hij een handel in ijzerwaren overgenomen. De mannen die eertijds zijn collega’s waren, werden nu zijn klanten; voor hen was Valke meer dan een mensennaam, het was een huis van vertrouwen.
Elk jaar, op 1 december, nodigde Valke de buren uit, àlle buren. In de grote loods kwamen de bewoners van de Oosteroever dan bijeen. Dat had te maken met het feest van Sint-Elooi, de patroonheilige van de metaalbewerkers, voor wie Valke een grote devotie koesterde, want 't metaal was zijn broodwinning en bovendien heette hij zelf Elooi, Elooi Valke. Ik schat dat er in die loods dan telkens zo’n kleine honderd man aanwezig was, plus een vrouw, Valkes echtgenote. Er waren broodjes, er waren flesjes en er was geroezemoes. Neen, ik heb er nooit eerder iets over geschreven, ook niet toen ik een journalist was en dat eigenlijk wel had moeten doen. Er geschiedden daar immers dingen die het vermelden waard waren. U zou ze niet geloofd hebben, maar ze gebeurden wel degelijk, jaar na jaar, zeker tot 1996, het jaar waarin ik verhuisde en de buurt achter me liet.
Alhoewel we op den duur wel wisten wat er op zo’n bijeenkomst zat aan te komen, schrokken we ons toch telkens weer een hoedje. Eerst werd er gekeuveld, we aten een broodje en waren blij elkaar op zo’n ontspannen moment te ontmoeten. We haalden herinneringen op, zegden iets over het weer, lachten wat en dronken uit die flesjes. Dat was alleen maar voorspel, want opeens, altijd weer op een onverwacht moment, gebeurde het dat Elooi Valke omhoog begon te gaan. Hij steeg boven ons uit als een Christus die ten hemel voer. Ik kan u verzekeren dat het dan stil werd in die loods. Zelfs in 1996, toen ik het al voor de achtste keer mocht meemaken, werd ik er nog altijd stil van. Valke steeg gestaag, keerde zich al stijgend om en zette zich als een vlieg, op handen en voeten, tegen ’t plafond. Hij keek vriendelijk lachend naar beneden, verloor daarbij zijn pet, zette zich schrap en schoot vervolgens als schuimend water dat krachtig uit een slang gespoten werd, dwars door de openstaande poort, naar buiten. De complete stilte waarin dat alles gebeurde werd vervolgens, altijd weer, aan stukken gereten door mevrouw Valke die onbedaarlijk begon te lachen. Die lach van haar… Ze lachte op een manier die moeilijk te omschrijven valt, maar die in elk geval zeer aanstekelijk was, zodat ook wij op den duur begonnen te lachen, eerst enkelen en dan meer en meer; een lach die almaar toenam tot wij allemaal uitzinnig met mevrouw Valke meelachten. Het gebulder van die gemeenschappelijke lach was oorverdovend. Hij botste tegen het metaal dat overvloedig in Valkes loods aanwezig was en kaatste dan terug, tot in onze lendenen; in de eerste plaats in die van mevrouw Valke die van al dat lachen… klaarkwam. Mevrouw Valke had nu haar hoogtepunt bereikt, net zoals Elooi dat eerder al gedaan had. Voor ons werd het daarmee tijd om weer eens op te stappen. Waarna het leven op de Oosteroever zijn gewone gangetje hernam: ’s nachts loste men de vangst en overdag lapte men de schepen op met ijzerwaren van bij Valke, huis van vertrouwen.

Flor Vandekerckhove

[Dit stuk maakt deel uit van een verhalenproject dat ik opgestart ben en waarbij ik versteende vissersverhalen probeer tot leven te wekken. Wie er meer wil lezen kan aan de rechterkant van de kolom op het label 'Verhalenproject 2015-16' klikken; daar staan er al een twintigtal.]

donderdag 6 augustus 2015

Dit is een aankondiging

— De Hendrik Baelskaai, deel van de Oosteroever in Oostende, het verleden in vager wordend sepia en een rooskleurig getekende toekomst —

Er is iets met het gebied dat in Oostende Oosteroever genoemd wordt, de kant aan gene zijde van de geul, het gebied dat door de haven van de stad gescheiden wordt, en niet alleen in afstand. Maar, zo vraagt een mens zich af, is er dan ook een Westeroever? Dat blijkt niet het geval te zijn, toch niet in Oostende waar men dat begrip niet kent. Daar heet deze zijde gewoon de stad. Mmmm, behoort de Oosteroever dan niet tot de stad? Laat het ons bekijken.
De grond is lange tijd gebied van de naburige gemeente Bredene geweest. Het is pas in 1897 dat het daar helemaal Oostende wordt. In die tijd spreekt men nog over Liefkemores, een gepolijste versie van lisjemorre, verwijzend naar lis & modder; geen stad dus. Later wordt het bebouwd en vuurtorenwijk genoemd, een negerdorp; geen stad! Nog later wordt het de biotoop van de laatste Vlaamse jagers, de vissers, die uit de stad verstoten worden, wanneer het toerisme er de zaak in handen neemt. En altijd is er dat gevoel: dit staat los van de stad, dit is anders.
Ik ben er in 1988 gaan wonen. Toen ik er acht jaar later weer vertrokken ben, heb ik het karakter van die plek proberen te beschrijven. 1996: ‘Een sportterrein naast een baggermaatschappij, naast een verlaten militaire basis. Scheepswrakken waarop verstotenen der aarde komen overnachten en vrijen, spuiten ook. Dingen die het daglicht niet mogen zien, een vuur dat in de duinen aangestoken wordt. Vreemde vogels en dwergkonijnen aldaar achtergelaten door stedelingen. Wat is het verband tussen dat alles of het zou ikzelf moeten zijn? Waarom ga ik daar dan weg? Zeker, er staat schimmel op de muren van het huis waarin ik woon, houtrot maakt dat ik de ramen niet open krijg en deze die helaas open staan niet dicht. Wat heeft de deur dichtgedaan? De schoorsteen die aan diggelen valt? Of is ’t de niet aflatende aanwezigheid van… laat ons ze initiatiefnemers noemen. De Europese Unie die geld heeft om het gebied een nieuwe bestemming te geven; promotoren die de dingen opkopen; politici die de leegte met macht bedekken; de jachthaven die er vroeg of laat zal komen en daarmee ook de winnaars van de rat race die hun tupperware-boten tegen de kaai gaan leggen, vlak voor de gebouwen die niet langer lege pakhuizen zullen zijn…’ Ik herlees die woorden en weet waarom ze ontoereikend zijn. Ik heb iets achtergehouden, iets verzwegen; er is iets wat ik in 1996 nog niet mag zeggen.
Gisteren ben ik er nog eens langs gefietst. De Oosteroever, zoals ik die gekend heb, bestaat niet meer. Een verhaal is afgelopen, een boek wordt dichtgeklapt. Voor ’t eerst in zijn lange geschiedenis maakt het gebied echt deel uit van de stad. En kijk, het grote vergeten is al begonnen. Wie kent het verhaal van Valke nog, toentertijd mijn buurman, die kon vliegen? Wie kan het epos van Rooie Machteld nog navertellen? Hebt u al gehoord over die merkwaardige dag waarop elk vissersschip een man te kort kwam? Wie herinnert zich het mannenbal, een traditie waarbij scheepsherstellers de vissers ten dans vragen? Wie zal zich de vrouw herinneren die klaarkomt van het lachen? Wie weet nog hoe het er in het zwarte café aan toegegaan is? (En dat is nog maar datgene wat spontaan in mij opwelt!) Nu het allemaal voorbij is, nu de Oosteroever stad geworden is, nu ook dit deel van de wereld onttoverd wordt, mag ik het geheim ontbloten. Deze blog zal u inleiden in de Geheimen van de overkant. Kortelings op dit scherm! Komt dat zien! Komt dat zien!

Flor Vandekerckhove

[Dit stuk maakt deel uit van een verhalenproject dat ik opgestart ben en waarbij ik probeer versteende vissersverhalen tot leven te wekken. Wie er meer wil lezen kan aan de rechterkant van de kolom op het label 'Verhalenproject 2015-16' klikken; daar staan er al een twintigtal.]