vrijdag 23 juni 2017

Hamburgertent

Ik sta in de rij. Boven de toog hangen helverlichte, veelkleurige plakkaten, aanschouwelijke spijskaarten waaruit degenen die me voorgaan vlot hun keuze maken. 
Wat zijn zo'n reclameborden anders dan een postmoderne variant op bijbelse voorschriften? Dit zijn de beesten die gij eten zult, zegt zo'n plakkaat. Voor mij is dit bijzonder moeilijk, want terwijl ik aanschuif moet ik kiezen tussen gerechten waarbij ik me niets kan voorstellen.
Mijn beurt. Onzeker wijs ik naar de FUCKING BIG SUPERMAC met CHEESE PINDA CHIPS & COLA ON THE ROCKS: SLECHTS 9,99.  Een onwaarschijnlijk jonge kassierster noteert mijn keuze. Terwijl ze nog aan ’t tikken is staat mijn bestelling, verpakt in isomo, al op mijn bord. Plus een stapel sausjes die ik blijkbaar ook besteld heb.
Tafels met formicabladen. Stoelen die aan de grond vastgeschroefd zijn. Aan zo'n tafeltje ga ik neerzitten. Mijn knieën knellen tegen het tafelblad. Voor het eerst in mijn leven eet ik in een hamburgertent. Voor me ligt de FUCKING BIG SUPERMAC en al de rest.
Ik neem enkele happen en begin meteen te zweten. Ik probeer verder te eten maar dat gaat niet, want ik moet teveel klappertanden. Ik voel hoe al mijn energie zich in mijn maag samentrekt.
Diep in mij maakt het zopas verorberde voedsel een zeer onnatuurlijke beweging. Vanuit mijn maag zoekt het kolkend een weg naar mijn slokdarm en als mijn slokdarm vol komt te staan, gaat het naar mijn mond.
Ik probeer de zaak binnen de perken, dus in mijn mond te houden. Ik blokkeer de eerste gulp. Bolle wangen. Maar de eerste wordt gevolgd door een tweede en…   Ik wil alles weer inslikken, verzwelgen, terugduwen, maar dat lukt me van geen kanten. 
Een straal. De vrolijke kleuren van de hamburgertent worden bedekt onder een laag kots. Pastel wordt bruin. Het is alsof een stroompanne alle licht van de eettent uitschakelt. Formica wordt slijm. Zo’n massa kots! 
De vloer beweegt. Mijn braaksel klotst zich een weg doorheen de zaak. Het botst als een wilde rivier tegen de muren op en sleurt alles met zich mee. Het eethuis wordt compleet vernield door de ziedende gore massa kots die uit mijn mond hutst.
Met veel vallen & opstaan geraak ik op de stoep en terwijl ik daar probeer te bevatten wat me overkomen is, hoor ik een stem die zegt: In het omstreden slachthuis in Tielt wordt vandaag het werk hervat. Het slachthuis werd de laatste twee weken verplicht gesloten nadat er beelden opdoken waarop de varkens ernstig mishandeld werden. "Het slachthuis is nu aan strenge voorwaarden onderworpen", meldt minister Weyts.’

Flor Vandekerckhove

woensdag 21 juni 2017

Sterkste man van Gent blijkt West-Vlaming te zijn

Eén keer heb ik in ’t cachot gezeten. Dat was in Gent, op de Poeljemarkt. Nu is daar, denk ik, geen politiebureau meer, maar in die tijd dus wel. Naar dat bureau was ik gevlucht, achternagezeten door een horde Gentenaars die het op me gemunt had, omdat ik een West-Vlaming ben.
Aan de flik, die daar de nacht aan ’t doen was, vroeg ik meteen asiel en toen hij antwoordde dat hij daar geen papieren voor liggen had, schold ik hem uit voor vorte vis. Met resultaat, want hij stak me in de cel. Daar zat ik veilig, althans voorlopig.
Buiten ging het van kwaad naar erger. Een dolle massa troepte voor het bureau samen. Ik hoorde paarden briesen, honden blaffen en mensen joelen. Het deed me aan die western denken, waarbij het plaatselijke plebs het recht in eigen handen nam en het kantoor van de sheriff belegerde.
De flik nam het zekere voor het onzekere en sloot het bureau. Daar zaten we nu opgesloten, de flik en ik. Voor de deur stond een massa autochtonen te scanderen dat we beuzakskes waren. Gevaarlijk werd het pas echt toen ze uit het Gravensteen een stormram haalden en ermee tegen de deur begonnen beuken.
De flik begreep dat het zo niet kon blijven duren. Hij ontgrendelde het cachot en gaf me zijn matrak. Zelf haalde hij zijn blaffer uit de holster en op zijn teken — van één, van twee, van drie — stormden we naar buiten. 
Terwijl de flik een waarschuwingsschot loste overschouwde ik de Poeljemarkt. In de hoek was de galg al opgesteld. Voor ons stond een dreigende massa. Ik kon alleen maar ontsnappen door me met de matrak een weg te meppen in de richting van de Mammelokker.
En dat is ook wat ik vervolgens deed. ‘k Stekte er ene vaste en ik stak hem naar omhuuge, ‘k liet hem toens weer vallen en stond hij weren op, awel, ‘k gaf hem ne klop en nen bok van mijne kop. Die had niemand zien aankomen! De meute stond versteld. Meer nog dan mijn machtsvertoon maakte mijn woordgebruik grote indruk. (*)
Een Gentenaar kwam met zijn hond op mij af en riep: ‘Past op of hij bijt.
Ik antwoordde: ‘Moar van zo een biestje benne ‘k ik toch niet benijt.’ Doarop begoste ‘k ik aan zijn slurfke te trekken, ik sprong op zijne rug en ik had hem vast bij zijne nekke, ik droaide da biestje ne kier of viertig rond, hij lag daar toens te spertelen mee zijn muile op de grond.
Het lied stopte bruusk toen het snoer uit de jukebox getrokken werd. Ik schrok ervan wakker. Overal om me heen zag ik restanten van de voorbije nacht liggen, lege glazen, tierlantijnen, halfvolle frietzakjes en plassen met braaksel. Heel het café was, op mij na, leeg. Ik had koppijn en zwoer dat ik nooit ofte nimmer nog aan de Gentse feesten zou deelnemen.
Flor Vandekerckhove
(*) Waarbij beuzak een rotzak is en omhuuge omhoog. Een bok van mijne kop is een kopstoot. Een slurfke is een pietje. Benijt is benauwd. De agent in kwestie heette Tsjok en dat betekent Jaak.


maandag 19 juni 2017

Op bezoek bij Roger De Coster


— Roger De Coster (77) en Ria Lhermitte. (Eigen foto) —

In ’t donker projecteert de treurwilg zijn schaduwspel op de kerkgevel. De glasramen bieden zachtjes weerwerk. In ‘t dorp leer ik genieten van de gothic sfeer die het huis omgeeft.
In die tijd woon ik in het huis dat Pier de garde daar in 1928, naast het kerkhof, heeft laten bouwen. Ik moet er de dingen nog een beetje gewoon worden, vooral de nachtelijke geluiden: knerpend grint, een flard van een gesprek, een kat die krijst, graniet dat, ja dat wat eigenlijk?
Soms, bij nacht & ontij, hoor ik kerkmuziek. Terwijl ik een nachtelijk plasje maak, komt het pijporgel mij daarbij assisteren, alle registers open. Waarna een diepe bas het van de pijpen overneemt.
Stoute schoenen heb ik niet. Ik roep de hulp in van Annie Vanhee, de volkskunstenares die daar trouwens nog altijd woont, en samen duwen we de kerkdeur open. Geruisloos lukt dat niet. De zanger onderbreekt zijn zang. Wij staan oog in oog met Roger De Coster die me prompt vraagt of ik ook kan zingen.
De Coster herinner ik me uit mijn kindertijd. Zoon van Maurice, de meubelmaker die een atelier — de zagerij — had in de Duinenstraat, oudere broer van Rita en Erna (†). Ik herinner me zijn in- en uittrede bij de paters van Orval. Ik hoor het onze vaders nog zeggen: ‘Zijn roeping als beeldhouwer is groter dan zijn roeping als pater.’ Wat me leert dat cynisme goed gedijt bij een uitgestreken gezicht.
— Afsluiten doen ze met een streepje muziek.
Hij op zijn mondharmonica, zij op de
tamboerijn. (Eigen foto) —
Later, wanneer ik van het dorp naar de duinenwijk verhuis, zie ik hem daar wekelijks voorbij fietsen. Na het sluiten van de markt gaat hij de resten ophalen. En dan opeens niets meer.
Tot verleden week. In De Zeewacht lees ik een stuk (°) over een koppel dat als moderne kluizenaars omschreven wordt. Zij heet Ria en hij Roger. Zij heeft een boek over hem geschreven: ‘Hij heeft speciale keuzes gemaakt in zijn leven en heeft een visie. Ik wil niet dat zijn ideeën en gegevens verloren gaan.’ Veel van die ideeën gaan over soberheid en het eren van de Schepper. Elk kunstwerk drukt iets van die Schepper uit. Het boek zoekt nog een uitgever.
Ik bekijk de foto en herken meteen de man die me twintig jaar eerder gevraagd heeft met hem mee te zingen. Onlangs heb ik zijn naam, hier, onder een schoolfoto uit 1948 zien passeren. Ook omdat ik op zoek ben naar nog enkele ontbrekende namen, beslis ik om het koppel op te zoeken. Ik neem de schoolfoto met me mee.
Vannestes artikel leidt me naar het huisje aan de Vosseslag. Ik word er gastvrij ontvangen. Als het koppel al bekeringsijver heeft, dan valt die me niet op. De twee vertellen me over hun leven, over het onbegrip dat ze daarbij ontmoeten, over goede mensen die hun pad kruisen. En over wat er met het werk van Roger moet gebeuren nu het einde nadert. Ik beloof dat ik links en rechts eens informeer naar iemand die daarbij kan helpen.
Mijn bezoekje fleurt het koppel op. Roger voelt dat ik positieve energie in het huisje breng. Zo zie je maar wat een atheïst vermag, zeg ik. Mijn kwinkslag wordt me vergeven. Afsluiten doen ze met een streepje muziek. Hij op zijn mondharmonica, zij op de tamboerijn.
Flor Vandekerckhove


(°) Ann Vanneste in DZ, 16 juni 2017, p.42. ‘Met wie kun je nog echt praten?’

— Over deze schoolfoto schreef ik hier eerder al een stukje. Roger De Coster staat er, rood omcirkeld, op. Maar wie zijn de anderen? — 

zaterdag 17 juni 2017

Joggen in het post-Dutroux-tijdperk


De zeekant laat ik achter me, ik neem de houten trap over de duinen, stijgend vanaf de Spinoladijk, dalend naar de Koninklijke Baan. Boven kijk ik uit over de dingen, rechts Oostende, links Bredene, in de verte polders. Achter me de zee en ook een stem: ‘Meneer?’
Een knaap. Hoeveel kilometer ik wel loop, hoeveel keer per week en waarlangs dat dan gaat. Waar ik woon en of ik getrouwd ben.
Wie jong is ontwaart niet meteen een kindervriend in me — ik heb kleinkinderen die schrik van me hebben — maar deze jongen ziet dat anders. Ik wil hem niet teleurstellen, toch niet meteen, en geef vriendelijk antwoord op de vragen die hij over me uitstort. Waarna het mijn beurt wordt om iets te vragen. Ja, ook hij is een jogger. En een zwemmer. Op muren klimmen doet hij ook, iets waarin hij uitblinkt.
Beneden aan de trap scheiden onze wegen. Hij verblijft bij zijn vader, rechts, en mijn joggingparcours leidt naar huis, links. Doei!
Honderd meter verder: ‘Meneer?’ De knaap weer. Of hij een eindje met me mee mag lopen. Hij jogt wel graag, maar niet alleen. Hij wordt gepest. Houdt niet van zijn vader. Heeft nog twee broers en een zus. Soms ziet hij het leven niet meer zitten. Heeft al eens gedacht om er een einde aan te maken. Zijn moeder woont in Brugge. De scheiding weegt zwaar, maar bijlange niet zo zwaar als de pesterijen. Hij is tien.
Ik weet niet goed wat me overkomt, want kinderen beginnen al te wenen zodra ze me nog maar van verre zien. Niet deze jongen. Terwijl we verder lopen aan een tempo dat iets te traag voor hem is en iets te vlug voor mij, formuleert hij zware antwoorden op mijn lichte vragen. De jongen ontroert me zowaar. Ik graaf diep in mijn schaarse kindvriendelijkheid en zeg hem dat alles in het leven twee kanten heeft, een slechte en een goede. Dat hij ook naar de goede kant van de dingen moet leren zoeken. Een mens moet iets zeggen.
‘Ja’, antwoordt hij, ‘dat hoor ik overal. Mijn mama en de psychologe zeggen dat ook, maar,’ voegt hij er meteen aan toe, ‘het duurt soms lang voor je de goeie kant kunt zien.’
Die jongen is godver een duim groot en wat hij zegt is allemaal zeer waar. Ik ben sprakeloos, en dat komt niet alleen doordat ik te hard loop. Gelukkig ben ik ook bijna thuis.
Op de straathoek laat ik de knaap achter, ik wil niet dat hij weet waar ik woon. Ik vrees de moeder, ik vrees de psychologe, ik vrees de vader, ik vrees de flikken, ik vrees de blikken van de mensen. Dit is het post-Dutroux-tijdperk.
Achteraf bedenk ik dat ik een angsthaas ben, een bangerik, een haasvreter, een schijtebroek, een schijter. Een lafbek, ja, dat is het goede woord, een lafbek. Maar dat je vandaag de dag niet voorzichtig genoeg kunt zijn… da's natuurlijk ook waar.

Flor Vandekerckhove

donderdag 15 juni 2017

Moskou 1939, verhaal wordt tribunaal

— Isaak Babel en zijn vrouw Zjenja aan het strand van Sint-Idesbald in België, zomer 1928. (Uit Isaak Babel Brieven naar Brussel 1925-1939.) —  


‘Babel is wellicht degene die ik nu met de grootste interesse lees.’
(Leon Trotski, 1932)

In Le Triomphe de l’Artiste (°) citeert Tzvetan Todorov een dagboekfragment van Isaak Babel. Die schrijft op 3 juni 1920: ‘De kleine joodse filosoof […] Zijn filosofie — Ze zeggen allemaal dat ze vechten voor de waarheid en allemaal plunderen ze. Mocht er tenminste één zijn die goed is.’ Babel zal die gedachte concreet ontwikkelen in het verhaal Gedali, dat deel uitmaakt van zijn wereldbekende De rode ruiterij.
De kleine joodse filosoof blijkt in dat verhaal een antiekwinkeltje te runnen. Niet alleen zijn verkoopwaar stamt uit vroegere tijden, ook zijn normen & waarden blijken antiek te zijn.
Eerst zijn de Polen in het dorp gepasseerd en daarna de Kozakken. Ze hebben allemaal geplunderd. Tot de verteller zegt de oude jood: ‘Wij zijn geen onbenullen. De Internationale… wij weten wat de Internationale is. En ik wil een Internationale van goede mensen, ik wil dat elke ziel meetelt en een eersteklas rantsoen krijgt. Hier, ziel, alsjeblieft, tast toe, schep genoegen in het leven. De Internationale, pan kameraad, u weet niet waarmee die wordt gegeten…’ Ten slotte volgt het antwoord van de verteller: ‘‘Die wordt met buskruit gegeten,’ antwoord ik de oude man ‘en gekruid met het beste bloed…’.’
Volgens Todorov bewaren de verhalen van Babel tot op het einde van diens leven discrete sporen van de filosofie van Gedali. Dat blijkt uit een verklaring die de schrijver na zijn arrestatie aflegt: ‘Ik heb begrepen dat mijn onderwerp, wat veel mensen raakt, dat van een zelfopenbaring is, een waarheidsgetrouw verhaal van hoge literaire kwaliteit over het leven van een "goede" mens tijdens de revolutie.’ [Ik weet niet of ik dat goed vertaald krijg, er staat: 'J'ai compris que mon sujet, qui touche beaucoup de gens, est celui d'une autorévélation, un récit véridique et de haute qualité littéraire, sur la vie d'un homme "bon" pendant la révolution.']
Goed & kwaad staan ook naast elkaar in zijn Verhalen van Odessa, de stad waar Babel een groot deel van zijn jonge jaren slijt. Daar is het gangster Benja Krik die de lakens uitdeelt, de koning der rovers.
Babel beschrijft de wreedheid die met het uitoefenen van macht gepaard gaat. Of dat geweld van de trawanten van de tsaar komt, de Polen, de Kozakken, van gangsters of gewoon van mannen, doet er niet toe. Het is de manier waarop hij dat geweld beschrijft — Babels stijl — die zijn verhalen zo sterk maakt. Viktor Sjklovski, een collega-schrijver, zegt daarover: ‘Babels procedé bestaat erin dat hij op dezelfde manier spreekt over de sterren als over een druiper.’
Na 1924 gaat Babel weer op zoek naar onderwerpen, in ’t verlengde van de vorige. Een milieu dat daar zijns inziens zeer geschikt voor is, is dat van de beruchte Russische geheime politie. Zijn in 1937 gepubliceerde verhaal Soelak zou daar, zo vermoedt men, deel van uitgemaakt hebben.
Is het daarom dat Babel regelmatig Genrich Jagoda opzoekt en Nikolai Jezjov, mannen die de grote Stalinistische zuiveringen organiseren? Dat soort volk lijkt hem inderdaad uitermate te boeien. Volgens Todorov zegt Babel aan een vriend: ‘Het zijn eenvoudigweg heiligen.’
Hoezo heiligen? Michel Krielaars (°°) weet dat Babel daar ook iets anders over zegt: ‘Volgens Nadezjda Mandelstam, zou Babel op de vraag van haar man wat hij bij de Jezjovs in godsnaam toch te zoeken had hebben geantwoord: “Ik zou ze met geen vinger aanraken, ik snuif alleen hun geur op”.’
Babels project over de geheime politie vindt geen uitkomst, toch niet in de literatuur. In het tijdperk van de Stalinistische terreur was dat uiteraard niet mogelijk. In 1934 betitelt Babel zichzelf dan ook ironisch als ‘de grootmeester van het zwijgen’.
In 1939 gebeurt wat in de sterren geschreven staat. Babel wordt door zijn potentiële onderwerp gearresteerd. Hij mag zijn werk niet afmaken, iets waar hij zijn belagers nochtans uitdrukkelijk om vraagt. ‘Toch’, zegt Todorov, ‘heeft dat project een geschreven spoor achtergelaten: het zijn de talrijke en lange verklaringen die hij voor de rechtbank aflegt. Hijzelf kwalificeert aldus ironisch de uiteindelijke staat van het project: “De vorm ervan is veranderd in de verslagen van het gerechtelijk onderzoek”.’
Flor Vandekerckhove

(°) Tzvetan Todorov. Le Triomphe de l’Artiste. La révolution et les artistes — Russie: 1917-1941. Uitg. Flammarion 2017. Essay. 334 pp.
(°°) Michel Krielaars. Alles voor het moederland. De Stalinterreur ten tijde van Isaak Babel en Vasili Grossman. 2017. Uitg. Atlascontact. 344 pp.


maandag 12 juni 2017

Milieucatastrofe door klimaatopwarming in hoofdstad

— Brussel, het de Brouckèreplein in de regen. (Eigen foto) —

Mijn vriendin woont een optreden bij en Ik blijf achter in het hotel. Het leger trekt zich uit de straten terug. Vanaf de kamer kijk ik neer op het plein dat heraangelegd wordt. Putten, zand, hopen steen en daartussen bulldozers, kranen en dingen. Nadarhekkens houden de passanten op het juiste pad. Het is al heel de dag aan ’t regenen. Werf wordt modder. Aan de overkant haast een travestiet zich naar het werk. Ik voel enige verwantschap, want ook ik ga straks het werk aanvatten.
‘s Morgens zullen we daarmee klaar zijn, de travestiet en ik. De stripteaseuses trekken dan hun kleren weer aan. Vrachtwagens volgeladen met melk en straatvegers beladen met bezems nemen het van ons over. Beneden in het café zullen vermoeide minnaars de nacht proberen te rekken. Tevergeefs, want zodra de bakker het stokbrood in de etalage legt ontwaakt de stad.
Ik heb nog enkele uren om het vignet te schrijven: zo ziet Brussel er uit in de droogte van de klimaatcatastrofe. Moeilijke opdracht, want het blijft maar regenen. Terwijl ik op het troosteloze plein uitkijk vraag ik me af hoe ik het zal aanpakken. Ik moet er nu echt aan beginnen.
Net wanneer ik het gordijn wil dichttrekken wordt mijn oog aangetrokken door een uithoek van het plein. Daar blijkt zowaar een boerenpaard te staan. In ’t midden van Brussel!
Ik weet wel hoe dat komt, het is mijn schuld. Het komt door het vignet dat ik moet schrijven. De inspiratie hoop ik uit twee songteksten te halen. Enerzijds is dat Il est cinq heures, Paris s’éveille van Jacques Dutronc, want dat gaat over een grootstad, travestieten, stripteaseuses, warme bakkers en vrachtwagens vol melk. Je kunt ernaar luisteren als je de titel in deze tekst aanklikt. Dat geldt ook voor het andere lied dat me zal inspireren, A horse with no name, het woestijnlied van de popgroep America. Dat lijkt me bruikbaar te zijn als ik het over de klimaatverandering wil hebben. In de song staat dat paard wel niet op dit plein, maar het plein gelijkt tijdens de werkzaamheden een beetje op een woestijn.
Intussen regent het zo hard dat er tussen al de zand- en steenhopen een riviertje ontstaat. Dat riviertje wordt een stroom en de stroom wordt een woest kolkende zee. Er komt beweging in een bulldozer die in de deining meegesleurd dreigt te worden. Het paard kan de zich voor mijn ogen ontwikkelende catastrofe onmogelijk overleven. Ik beslis om mijn jas aan te trekken en het beest los te maken, zodat het kan ontsnappen. En zo komt het dat ik ’s nachts in Brussel, in de gietende regen, een boerenpaard de teugels geef.
Wanneer ik weer in de kamer kom ben ik doorweekt. Ik neem een douche en leg me op het bed. Wanneer mijn vriendin me twee uur later wekt, zegt ze: Er staat een paard in de gang.’

Flor Vandekerckhove

zaterdag 10 juni 2017

Ontsporingen van een haarsnit

— Kobe Ilsen, geen Alt Right, wel Undercut. —
Enkele dagen geleden heb ik u ingeleid in de politiek incorrecte achtergrond van een coupe die gaandeweg alle jongemannenhoofden aan ’t veroveren is, de u inmiddels welbekende undercut hairstyle. Ik zou er niet op terugkomen, ware het niet dat mijn mailbox overstelpt wordt met berichten van mensen die niet tot de Alt Right behoren maar wel de undercut hairstyle torsen.
Toch zie ik verschillen. Bij de Alt Right mannen — hier — geschiedt de overgang tussen kort geknipt en hoog opschietend enigszins genuanceerd, wat van hun gedachtegoed niet gezegd kan worden. Bij ordinaire hipsters valt die nuance in het haar helemaal weg, zoals de foto van televisiemens Kobe Ilsen — geen Alt Right — duidelijk laat zien. Kort is hier heel kort, lang is wel zeer lang. Met zo’n kobejaanse haartooi kun je geen overtuigend politiek discours houden, zelfs niet ter rechterzijde, da’s klaar. In New York kun je je daarmee trouwens ook niet op kantoor vertonen, want Wall Street is nog iets anders dan de Reyerslaan.
Mijn tweede voorbeeld is moeilijker te duiden. Ook Kim Jong-un praktiseert met verve de undercut hairstyle. Maar is deze jongeman Alt Right of is hij Old Left?
Dat ik deze vraag niet meteen met ja of neen beantwoord komt door de PVDA, voorheen AMADA, de partij die volgens de peilingen op de rand van een doorbraak staat. Ooit heb ik met zo’n member een debat gevoerd. Dat ging over Noord-Korea, waar de familie Kim al sinds 1948 de scepter zwaait. Die mens van de PVDA heeft toen door middel van talrijke haarkloverijen aangetoond dat Noord-Korea onder die familie een linkse heilstaat geworden is. Onzin natuurlijk, maar moeilijk te weerleggen, want niemand beheerst de techniek van de haarkloverij zo grondig als de gestaalde kaders van de PVDA. Die muggenzifterij heet daar dialectisch materialisme, kenners zeggen diamat.
— Kim Jong-un, Alt Right of Old Left? —
Eerlijkheidshalve dien ik hieraan toe te voegen dat de PVDA intussen helemaal van gedacht veranderd is: Noord-Korea is nu een dictatuur. De mens die me in dat debat onder tafel gepraat heeft is trouwens al lang geen lid meer. Nu haarklooft hij voor de N-VA. Andere partij, zelfde mens.

Flor Vandekerckhove

vrijdag 9 juni 2017

Django’s requiem

— Warren Ellis (°1953). Inzet Django Reinhardt (1910-1953) —
De film Django vertelt de oorlogservaringen van zigeunermuzikant Django Reinhardt, een gitaarvirtuoos wiens werk ook nu nog veel te beluisteren valt.
Nooit eerder gehoord is dan weer het requiem waarmee de film afsluit. We zijn in Parijs en de oorlog is pas afgelopen. De camera neemt ons mee naar een kerk. Daar luisteren we naar het lacrimosa (°) van Django Reinhardt. Groot strijkorkest, groot orgel, groot koor. Terwijl dat koor de taal van de Roma zingt, kijken we naar fotoreeksen van vermoorde zigeuners, slachtoffers van de nazikampen. Impressionant slot!
Django is het soort film waarvan je de aftiteling uitkijkt. We wachten tot de playlist getoond wordt, maar die passeert zo vlug dat we bijlange niet alles in ons kunnen opnemen. Hebben we de naam van Warren Ellis niet zien passeren? Da’s vreemd. Wat doet hij in die film?
Warren Ellis ken ik. Bij de Bad Seeds van Nick Cave neemt hij de vioolpartijen voor zijn rekening. Ik heb zo’n concert bijgewoond en Warren Ellis daarbij aan ’t werk gezien: hij bezet heel het podium, instrumenten doorklieven de lucht, ‘s mans wilde baard bevat een reserve aan strijkstokken, overal hangt losgekomen paardenhaar… Later leer ik dat Warren Ellis ook filmmuziek produceert, soms met Cave, soms alleen.
Maar wat doet hij in een film over Django Reinhardt, een mens die toch zelf zijn muziek geschreven heeft? De vraag koppelt zich aan andere. Hebben we in die film niet gezien hoe Django enkele noten uit een orgel haalt? En vertelt het verhaal ons niet dat de rest van die orgelmuziek verloren is gegaan?
Enters Warren Ellis. Regisseur Etienne Comar vraagt hem om het lacrimosa van Django Reinhardt te vervolledigen, startend van het weinige dat daarvan bewaard gebleven is, slechts enkele beginnoten.
Ellis vertelt erover in een interview. ‘Ik had nooit eerder muziek voor pijporgel en orkest geschreven. En een requiem, dat was echt wel een uitdaging. We weten niet hoe het lacrimosa van Django Reinhardt klinkt, het is een mythisch stuk. Ik wist wel dat het geen vrolijk deuntje was en dat het een zeker gewicht moest hebben. Ik denk dat ik maar weinig uit de nog bekende inleiding meegenomen heb. Ik heb er enkele keren naar geluisterd en daarna is me een idee te binnen gevallen. Ik heb het op de piano gespeeld en naar Etienne gestuurd. Daarna is de regisseur er bij mij naar komen luisteren en hebben we nog een en ander veranderd. In twintig minuten was het geklaard. Daarna is er een arrangeur bijgehaald, want de tune die ik bedacht had moest een partituur voor koor, orkest en kerkorgel worden. Dat is iets wat ik niet kan. Dat arrangement is veruit ‘t grootste werk geweest.’
Ik speur het internet af, zoek naar het lacrimosa uit de film, de Lacrimosa Song. Nergens vind ik de integrale uitvoering. Hier vind ik wel een stukje, amper dertig seconden. Om meer te horen heb ik de Spotify-app nodig, maar daar ga ik niet aan beginnen, er zijn grenzen.
Flor Vandekerckhove

Django, (2017) Film van Etienne Comar. Frankrijk. 117 min.

(°) Het Lacrimosa is het laatste gedeelte van het Dies irea uit het requiem. Veel componisten hebben er een apart onderdeel in hun requiem van gemaakt, zoals Mozart, Verdi en kennelijk ook Django Reinhardt. Of Warren Ellis. Of de onbekende arrangeur.


woensdag 7 juni 2017

Die kat kom weer


Eerst is hij ontsnapt. Hij vliedt langs strand & duin tot het water van de havengeul hem belet verder te vlieden. Daar ligt een schip dat naar Ceylon varen zal. Zogezegd, want het is een roestbak van het soort waarover Jan de Hartog in zijn boeken schrijft. Daarvan heeft hij geen weet, want hij is een kat en leest geen boeken. Onwetend sluipt hij aan boord. En wat gebeuren zal gebeurt:
Nie ver nie van die land daar het die skip gesink,
En al die matrose op die skip het verdrink.
Maar niet de kat. Die zwemt naar een exotisch strand dat zich op een postkaartje onder de palmbomen bevindt. Uitgeput valt hij daar in slaap, in de kist van een luchtballon nog wel.
’s Anderendaags, in de vroegte, werpt de ballonvaarder de trossen los. Hij vertrekt naar de maan, maar zover komt hij niet, want opeens…
Bars die ballon met 'n enorme skoot
En tien myl van die plek lê die man morsdood.
Maar niet de kat. Die komt ondanks die skoot mooi op zijn pootjes terecht. Hij kijkt om zich heen en ziet dat hij in ’t midden van een vijvertje geland is.
Daarnaast zit een toerist, korte broek, witte sokken, sandalen, misschien een Vlaming, misschien niet. Hij vist de kat uit het water en zet hem in zijn vakantiehuis boven een petroleumvuurtje. De kat valt in 't vuur, springt er meteen weer uit…
En de man die 'm op hem krijg,
Wor plat gelijk een vijg.
‘s Mans vrouw kan er niet om lachen, want haar echtgenoot is nu gereduceerd tot een platte vijg met witte sokken. Maar niet de kat, die blijft eruitzien als een kat.
Ze bindt de kat die pootjes net tesaam
En leg het beestje op de railtjes van den tram.
Het trampje loop van spoor,
En breek te midden door.
Maar niet de kat. Die heeft er schoon genoeg van en gaat er weer vandoor. Hij kruipt aan boord van een schip dat naar Antwerpen vaart, er goed over wakend dat het deze keer geen roestbak is. De reis verloopt voorspoedig, maar in 't stad komt hij op de Sinksenfoor terecht, waar hij zich in een kermiskanon verstopt.
Die schot die wordt gelaan met zesenvijftig ton,
die schot valt ver van huis en slaat de stad in gruis.
Maar niet de kat. Die vliegt, gedragen door een straffe oostenwind, over de torens en de beemden, de lintbebouwing en de verkavelingen, de bossen met en zonder bomen, over natuurgebieden die ingekleurd staan als bouwzone en over asbeststorten in overstromingsgebieden, vanaf de Sinksenfoor in Antwerpen tot aan mijn openstaande raam in Bredene, en alzo het huis weer in.
Een straf verhaal is dit, maar is ’t ook waar? Dat valt moeilijk na te gaan, en morgen zal ’t nog moeilijker zijn. Het heelal dijt immers uit en neemt ons met zich mee, de kat en u en mij. Maar — en nu moet ge goed opletten — dijt ook wat alreeds voorbij is met ons mee? Neen, dat blijft achter in de nevelen van de voorbije tijd, waar het razendsnel aan ons zicht onttrokken wordt.

Flor Vandekerckhove


maandag 5 juni 2017

Alt Right, de haarsnit


De verkiezingscampagne van de Amerikaanse president Trump heeft een tweestrijd ter rechterzijde blootgelegd: de conservatieven van de strekking Neocons versus alternatief rechts, inmiddels bekend als Alt Right.
Neocons zijn over ’t algemeen ouder. Foto’s tonen me vooral kalende mannen. Alt Right daarentegen is jong. De strekking is losjes georganiseerd en vooral online actief. En de mannen die deze strekking belichamen hebben een haarsnit waarover ik u toch iets wil meedelen, liever trouwens dan over hun gedachtegoed.
Maar aan die haarsnit scheelt toch ook iets. Technisch ziet de coupe er als volgt uit: zijkanten kort, lang bovenaan. In ’t Amerikaans spreekt men van undercut hairstyle. Praktisch is die snit wel, je kunt zowel mee langs straat tjolen als carrière maken. Het is een coupe voor wie tegelijk cool wil zijn en proper. Een streven dat voor mijn generatie onbegrijpelijk is, want cool en proper? Wij wilden alleen maar hot zijn.
Richard Spencer, boegbeeld van die Alt Right (linkse foto), toont ons een goed voorbeeld van deze nieuwe chic die gaandeweg alle jongemannenhoofden aan ‘t veroveren is.
Maar, zo giert het meteen door mijn anders zo rustige brein, is die haarsnit wel zo nieuw als men ons voorhoudt? Ik vertrouw namelijk niets wat van rechts komt, zelfs de coupe niet. 
Terwijl ik Richards doorpriemende blik op de foto probeer te doorgronden, dwalen mijn gedachten af naar vroegere tijden en wel naar de jaren dertig. Ik google een beetje en stoot zodoende op een foto van een representant van een iets meer belegen alternatief rechts. Ik zet de beelden naast elkaar en schrik me een hoedje, net zoals u wellicht, wanneer u, na lezing van dit alarmerende stuk, de twee foto’s nog eens goed bekijkt. De twee mannen lijken wel genetisch verwant te zijn!
Leert het me iets over het gedachtegoed van Alt Right? Ja ja, 't is al goed, ik weet wel dat ik Trump niet met Hitler mag gelijkstellen, want blablablabla, blablablabla en Trump heeft daarenboven geen moustache. Maar voor wat betreft de haarsnit van Trumps jeugdige Alt Right achterban ligt dat toch ietwat anders, neen? Kom me later niet zeggen dat ge het niet geweten hebt.

Flor Vandekerckhove

zondag 4 juni 2017

Geld in overvloed

Er valt een brief van Anita Walker (46) in mijn mailbox. Ze is, lees ik in de openingsparagraaf, een Amerikaanse weduwe bij wie bloedkanker vastgesteld werd. Waarna ze vreemd genoeg beslist om naar Oekraïne te verhuizen.
Het leven van weduwe Walker neemt wel meer onverwachte wendingen. Op 12 augustus 2013 wint ze 325,5 miljoen dollar met de Power ball Jackpot. Die winst omschrijft ze als een godsgeschenk.
Dat is meer dan een manier van zeggen, want ze laat me verder weten dat ik op mijn beurt door God uitverkoren ben om een stukje van haar winst over te nemen: 2 miljoen dollar. ‘’t Moet zijn’, schrijft ze, ‘dat u een godvrezend individu bent.’ Anders had God wel iemand anders gekozen. Ja, da's waar.
Anita hoopt dat ik het geld goed zal besteden, bijvoorbeeld om de armoede in mijn streek te lenigen, want daar is het haar om te doen.
Ik weet nog niet of ik die brief zal beantwoorden, want het toeval wil dat ik gisteren zelf een loterij gewonnen heb, met name de Online Lottery in Thailand. 4,600,000.00 U.S. Dollars! De mail die me op de hoogte brengt zegt dat ik alleen mijn bankgegevens moet meedelen en klaar is kees.
De sterren staan deze maand bijzonder goed. Malvina Abbott stuurt me het bericht dat ik een ‘Award’ gewonnen heb. (Eindelijk een Award!) En of ik vlug wil reageren, want dat ding staat in haar weg. Iemand anders heeft dan weer een nieuwe laptop voor mij klaarstaan. Hij moet alleen nog weten waar hij die mag afzetten. Dat geldt eveneens voor mevrouw Vivian Bernaldez. Zij wil me per se 2,5 miljoen dollar opsturen, maar dan moet ik haar uiteraard zeggen waar ik woon (ook zou ze graag een fotootje van me ontvangen, plus het nummer van mijn bankrekening).
Ik maak even een tussensom: in twee dagen tijd heb ik verworven: één Award, één laptop en verschillende sommen geld voor een totaal bedrag van 6.600.000 dollar. En mijn pensioentje loopt intussen gewoon verder hé.
Ge zult zeggen: wat een chansaar! Maar zo gemakkelijk gaat het nu ook weer niet. Dat heeft de Texaanse Natalie Joy Ancrum ondervonden. Zij zou geld uit Nigeria ontvangen, maar er is onderweg kennelijk iets misgelopen. Nathalie wil me daarvoor waarschuwen en stuurt me een link waarop ik moet klikken als me iets soortgelijks overkomt.
Misschien komt die link me vandaag al van pas, want Pastor Nicholas stuurt me zojuist het bericht dat de FBI en de Western Union Bank samen tot de conclusie gekomen zijn dat ik recht heb op een schadevergoeding van 150.000 dollar 'as compensation payment for scam victims.’ Scam victims? Ik zoek het op en vind: slachtoffers van oplichterij.

Flor Vandekerckhove