zaterdag 30 juni 2018

Waar is Sokètje?

— Nijlen, Paasvakantie 1965. Van links naar rechts: Mac Loy, Koenraad Levecke (†), Hugo Pauwels en de jongen waarnaar we op zoek zijn: Sokètje (met pijl.) —

Wie in Frankrijk ooit een overweg gezien heeft weet het wel: un train peut en cacher un autre. Iets soortgelijks geldt voor dit stukje: een vraag kan een andere verbergen en in dit geval zelfs meer dan een.
Waar is Sokètje? Maar ook: hoe heet Sokètje? En om te beginnen: wat betekent Sokètje?
Waarom werd die jongen door ons zo genoemd? Is het een bijnaam en slaat die op het Franse soquet, het Nederlandse fitting, het gedeelte van de armatuur waar je de lamp inschroeft? Of is sokètje de verbastering van jockey? Misschien is Socquet zijn echte naam, dat kan ook, want die naam bestaat. En hoe luidt dan zijn voornaam? Ge ziet: het zijn teveel vragen voor één mens.
Hij was al een tiener toen hij hier in Bredene kwam wonen. Verblijven is een correcter woord, want zijn thuisadres was, denk ik, Roeselare. Verblijven deed hij, denk ik, bij zijn grootouders, in een klein, alleenstaand huisje dat, in mijn herinnering althans, aan de zeekant van de Kapel(le)straat stond. Ik denk niet dat het nog bestaat.
Tijdens dat verblijf liep hij school in ’t college van Oostende. Weet iemand welke studierichting hij daar volgde? Valt zijn naam te traceren op een of ander palmares van die school? (In dat van het jaar 1968 wellicht.) Was hij elders weggestuurd? Had hij het in Roeselare te bont gemaakt? Verklaart dat zijn plotse aanwezigheid alhier?
Zijn integratie verliep in elk geval probleemloos en hij werd meteen in de bende opgenomen, zoals ook uit de foto’s in mijn schoendoos blijkt. Ik herinner me hem als een moppentapper en als een overtuigde pijproker. Ik herinner me ook een feestje dat hij in dat huisje gaf.
Later heb ik hem eens in Gent ontmoet, vlak bij het rectoraat van de unief. Daar had hij zich ingeschreven in de faculteit psychologie & pedagogische wetenschappen. Ik herinner me dat hij toen een ietwat afstandelijke indruk maakte. Hij was in elk geval gehaast en kwiek stapte hij verder. Nu en dan produceerde hij daarbij een rookpluim, want ja, hij lurkte ook toen nog aan de pijp. Ik keek hem na tot hij uit het zicht verdwenen was en tegelijk ook uit mijn leven, want daarna heb ik Sokètje nooit meer weergezien.
Flor Vandekerckhove


P.S.: Wie ons meer over Sokètje wil laten weten doet dat bij voorkeur in een reactie onder dit stukje.

donderdag 28 juni 2018

Niet alleen de vis wordt duur betaald


In de gerieflijke zetels van Kinepolis kijken we naar Distant Sky, een concert van Nick Cave & The Bad Seeds. De band heeft net een song aangevat over een straat die ik goed ken, een straat die hier in de stationsbuurt ligt en waarin je halverwege het huis passeert dat door insiders De rijzende zon genoemd wordt, welja over die straat gaat Jubilee Street.
Godver, mijn telefoon! Ik incasseer boze blikken van wel honderd ouwe rockers die net als wij naar de zaal afgezakt zijn om van de concertfilm te genieten. Een sms-bericht.
Terwijl Cave zijn duivels ontbindt lees ik: ‘Et maintenant c’est toi qui ne répond plus! Je t’appelle quand je sort d’ici ou je suis comme d’habitude seul.’
‘Van wie is dat?’, vraagt mijn vrouw. Ik zeg dat het van iemand is die het niet erg nauw met de Franse spelling neemt, en die een verkeerd nummer heeft ingetikt. Waarna ik m'n mobieltje uitschakel.
Dat lost mijn probleem niet op. Wanneer ik mijn gsm na het concert weer tot leven wek staan er twaalf berichten klaar om gelezen te worden.
Zij die ze me stuurt blijkt over een klein zwart boekje te beschikken waarin mijn naam op elke bladzijde weer te vinden is. Al die berichten verwijzen naar tijden waarin ik me in De rijzende zon baldadig gedragen heb, iets waarvoor ze me nu de rekening presenteert. Dat komt doordat het huis inmiddels door Russen uitgebaat wordt. Zij verplichten de meisjes om het soort chantage te plegen waarmee zij mij nu belaagt.
Ik ben er weer naartoe beginnen gaan, naar dat huis, om de zaak te schikken — in der minne, zoals het enigszins toepasselijk heet — maar ’t is anders uitgedraaid. Weer heb ik me er uitzinnig gedragen en de prijs die ik betaald heb is niet gering.
Hoe lang is het nog maar geleden dat ik naar de Kinepolis geweest ben? En zie me hier nu staan! Kijk me eens aan! Mijn vrouw heeft me verlaten, de kinderen mijden hun vader, de buren lopen in een boog om me heen, de collega’s keren me de rug toe. Ik sta er alleen voor. M’n koelkast is leeg, mijn portefeuille is leeg, mijn bankrekening is leeg. Hier woont geen kat meer, want ook die heeft me verlaten. Niets hebben ze me gelaten, de Russen. Mijn gordijnen zijn dicht, ik durf me nergens nog te vertonen. Kijk me eens aan, zie me hier staan… 
Flor Vandekerckhove


— Still uit de Official Uncensored music video Jubilee Street van Nick Cave & the Bad Seeds. Hier te bekijken.
Het gebeurt wel meer dat liedteksten me inspireren. In de blog staan nu al twintig verhalen die via songs tot mij gekomen zijn. Het laatste dat ik in die reeks gepubliceerd heb heet Mevrouw de hond, meneer het paard, een verhaal dat ik bij Jacques Brel ging sprokkelen. En nu is er ook Niet alleen de vis wordt duur betaald, dat hierboven staat.
Wie de achterliggende filosofie van die manier van doen wil kennen moet maar eens klikken op Een lied kan een verhaal verbergen.  —

dinsdag 26 juni 2018

De doodsengel van Stalin

— Boris Pilnjak en Dubravka Ugresic in een blogpost verenigd.  —  

Over de Russische schrijver Boris Pilnjak heb ik het eerder al gehad in We zijn allemaal trotskisten. Daarin doe ik het verhaal van zijn arrestatie in 1937 en zijn executie. Ook over de Kroatische auteur Dubravka Ugresic heb ik al een stukje gepost, meer bepaald over de manier waarop ze de stad Gent beschrijft, terwijl ze daar op een taxi staat te wachten: Een schrijfster in GentVandaag kan ik die twee schrijvers aan elkaar koppelen: de styliste Ugresic en de geëxecuteerde Pilnjak in één stukje.
Ugresic studeert literatuur in de tijd dat Kroatië nog een deel van Joegoslavië is. Ze krijgt een beurs om zich in Rusland over het werk van Pilnjak te buigen. Ze leert er overlevenden van Stalins terreur kennen en vertaalt een aantal van Pilnjaks boeken in het Kroatisch.
In haar jongste boek (°) laat ze de zoon van Boris Pilnjak vertellen over de arrestatie van zijn vader. Boris Andrejevitsj heeft daar zelf geen herinneringen aan, want op het dag van de feiten wordt hij pas drie jaar. Wat hij weet is wat hij later van Kira Andronikasjvili, zijn moeder, vernomen heeft.
‘Om tien uur ’s avonds verscheen er een nieuwe bezoeker. Hij was helemaal in het wit, hoewel het al herfst was en al laat. Boris Andrejevitsj had die man “in het wit” al eens ontmoet in Japan, waar hij in de Russische ambassade werkte. Hij was een en al beleefdheid: “Nikolaj Ivanovitsj (°°) vraagt of u zo snel mogelijk wilt komen. Hij wil u iets vragen. U bent over een uur weer terug.” Toen de man bij de naam Nikolaj Ivanovitsj de twijfel en de schrik in de ogen van Kira Andronikasjvili bespeurde, zei hij nog: “Hij wil alleen een paar dingen controleren.” Boris Andrejevitsj knikte: “Kom, we gaan.” Kira Georgijevna probeerde haar tranen te bedwingen, maar wilde hem wel een pakje meegeven. Boris Andrejevitsj weigerde het en vroeg: “Waarom?” En de man in het wit zei iets met verwijt in zijn stem: “Kira Georgijevna, uw man Boris Andrejevitsj komt over een uur weer terug.” Mama hield mijn vader hardnekkig het pakje voor, waarmee ze het spel dreigde te bederven dat de beleefde man wilde spelen, maar Boris Andrejevitsj nam het niet aan. “Hij wilde het huis verlaten als een vrij man, en niet als een gevangene,” vertelde zijn moeder.’
Boris Andrejevitsj beschrijft in die passage ongetwijfeld een concrete boodschapper, maar tegelijk ook een soort doodsengel. ‘De man in het wit’ is als ’t ware het bureaucratische equivalent van de aartsengel Samael. Net zoals die aartsengel de sterveling in ’t uur van zijn dood onbewogen benadert om Gods destructieve macht te concretiseren, net zo vervult ‘de man in het wit’ onbewogen zijn verraderlijke werk in Stalins opdracht. 
Flor Vandekerckhove

(°) Dubravka Ugresic. De vos. 2017. Uitg. Nijgh & Van Ditmar.352 p. 
(°°) Nikolaj Ivanovitsj is de beruchte Jezjov, van 1936 tot 1938 hoofd van Stalins geheime politie NKVD.

zondag 24 juni 2018

Mevrouw de hond, meneer het paard (°)



Ik was toen echt wel gelukkiger’, zegt het paard tegen de hond, ‘ik was veel gelukkiger toen ik nog een koetspaard was en gewoon een rijtuig trok, gewoon van sjokkesjok. Jawel mevrouw de hond, gewoon van sjokkesjok.’
De hond en het paard staan samen in de wei en bespreken de geplande optredens. Het zijn er veel, misschien teveel om goed te zijn, zelfs voor een paard. Maar een hond met ambitie beseft dat het hoefijzer gesmeed moet worden terwijl het heet is. ‘Akkoord, meneer het paard’, antwoordt de hond, ‘maar we moeten allemaal offers brengen. Denkt u dat het voor mij altijd een pretje is om uw manager te zijn? Ik blijf liever in mijn mand liggen hoor.’
‘U hebt gemakkelijk praten, mevrouw de hond', zegt het paard, 'u blijft achter de coulissen op uw kont zitten. Terwijl ik daar, op mijn achterste benen, voor het voetlicht sta en een uur lang moet staan briesen, zó luid, zó veel, zó lang… dat ’t geen naam meer heeft.’
‘Een uur, dat is toch niets’, zegt de hond dan weer, ‘Daarna gaat u lekker slapen in de stal hé, meneer het paard, terwijl ik de zaken verder afhandel en ook daarna is ’t voor mij nog niet gedaan, want dan lig ik slapeloos in mijn mand te woelen, gekweld door zorgen en kommer om de dag van morgen.’
‘Morgen? Morgen is ’t van ’t zelfde laken een broek, dan sta ik wéér op mijn achterbenen voor de micro, morgen sta ik wéér te briesen van Ne me quitte pas en dan treur ik op dat podium wéér om mijn galop, mijn stal, mijn merrie, mijn groene wei.’ Het paard schudt de manen.
‘Maar er zijn toch ook wel zegeningen, niet? U bent als paard wereldbekend geworden, voor u lopen overal de zalen vol, voor u slaat het hoofd van menig dame op hol.’
‘Maar aan al die vrouwenliefde heb ik niets. En als ik weer thuiskom, in de stal, slaapt de merrie al en dan is ’t daar ook weer niets.’
‘Niets aan te doen, meneer het paard’, zegt de hond en hij gebruikt een doorslaggevend argument, ‘u hebt nu eenmaal een talent. ’t Komt door uw tanden dat u gelijk die zanger bent.’
Flor Vandekerckhove


(°) Dit sprookje werd geïnspireerd door Le Cheval, een chanson van Jacques Brel uit 1967.
Het gebeurt wel meer dat liedteksten me inspireren. In de blog staan nu al negentien verhalen die via songs tot mij gekomen zijn. Het laatste dat ik in die reeks gepubliceerd heb heet 'In de keuken van Frank Zappa' en nu is er dit verhaal dat ik bij Jacques Brel ging sprokkelen.
Wie de achterliggende filosofie van die manier van doen wil kennen moet maar eens klikken op Een lied kan een verhaal verbergen
Er zitten nu nog twee in de pijplijn. Die werden door songs van Nick Cave geïnspireerd.



zaterdag 23 juni 2018

Niet alleen Elvis blijft bestaan

In Zeno, de weekendbijlage van De Morgen, verscheen op 3 maart een krantenartikel over The Last Testament, een boek van de Noorse fotograaf Jonas Bendiksen. In dat werk gaat de fotograaf overal ter wereld op zoek naar mensen die van zichzelf zeggen dat ze Jezus Christus zijn.  
Een aantal van deze woud be Christussen verenigde ik in een compacte figuur en vervolgens schreef ik er een kort gedicht over.

— Foto Jonas Bendiksen. Tekst Flor Vandekerckhove ­—

woensdag 20 juni 2018

Jongens en pijpen


— Van links naar rechts: Marcel Derdeyn, Koenraad Levecke (†), Daniël Crabeels en de laatste jongen is niet ‘Sokètje’, zoals ik eerst dacht, maar Daniël Pauwels. —


Vooraf dit: het woord is niet eenduidig. Pijpen is bijvoorbeeld een seksuele handeling, waarover ik hier al een verhaal geschreven heb. Verder kan Pijpen ook iemands naam zijn, van Jaak Pijpen bijvoorbeeld. Pijpen is uiteraard ook meervoud van pijp, woord dat op een langwerpige holle koker slaat of op dat deel van de broek waar je je been in steekt. Maar zelf denk ik bij pijp toch eerst & vooral aan het instrument om tabak te consumeren, en 't is over dat instrument dat ik u een wijle zal onderhouden. 
Misschien is de pijp wel aan een remonte bezig, want op het internet lees ik dat hipsters de pijp weer ter hand nemen, omdat ze van handgemaakte materialen houden en van voorwerpen uit het verleden, een attitude waarbij ook hun hipsterbaard past. 
In onze tijd rookten we de pijp al toen er van baardgroei nog geen sprake was. Ik grabbel in de koekendoos van mijn verleden en vind daar moeiteloos foto’s van zeventienjarige pijprokers waarmee ik mijn jeugd gedeeld heb.
Wie waren we? Wat deden we? Wat dreef ons? Was het een surrogaat voor de seksuele praktijk die ik in de openingsparagraaf vermeldde? Volgden we stichtende voorbeelden? Grepen we naar de pijp in afwachting dat we de pen ter hand zouden nemen? Misschien wel ja, want er waren destijds nogal wat schrijvers die pijprokend door ’t leven gingen: Harry Mulisch, George Simenon, Godfried Bomans, Ernest Hemingway, Stijn Streuvels, Felix Timmermans, Gerard Walschap… Of werden we naar de pijp gelokt door imaginaire pijprokende personages zoals kapitein Haddock, Ollie B. Bommel, Popeye, Sherlock Holmes, Maigret, madam Pheip
Ik zoek naar oude advertenties die ons mogelijks beïnvloed hebben. Die leren me dat onze prille mannelijkheid wellicht in ’t geding was: ‘Het stáát een man! Een pijp staat sportief en mannelijk.’ En kijk naar deze: ‘Overal waar werk door flinke kerels wordt gedaan is de pijp favoriet. Pijproken is mannenwerk.’
Zelf herinner ik me vooral de indringende, zeemzoete, peperkoeken geur van een Schotse tabak waaraan we de voorkeur gaven, maar die, eerlijk gezegd, niet te harden was. De geur van Clan was zo overweldigend, dat de luchten boven de polders er van doordrongen bleven, lang nadat we de pijp alweer aan maarten gegeven hadden. En zelfs nu, dik een halve eeuw later, gebeurt het nog wel eens dat, wanneer ik met forse tred aan 't wandelen ben langs Vlaamse wegen, oude hoeve, huis of tronk, er mij, van over de beemden, een vaag restant van die geur komt toegewaaid.

Flor Vandekerckhove

P.S.: Over een ander tabaksmerk gaat dan weer dit stukje dat terecht als volgt heet: Roltabak van Harelbeke.


maandag 18 juni 2018

Dood gaan we allemaal

Tijdens het festival Theater aan Zee wordt een merkwaardig stuk opgevoerd dat Rechtszaak tegen de dood heet (°). De zitting gaat door op 25 juli in het Oostendse Vredegerecht. Openbare aanklager Jean-Luc Cottyn zet persoonlijke getuigenissen over de dood om in een juridische aanklacht.
Een van die getuigen à charge is de Oostendse reder Willy Versluys die tijdens zijn carrière zeven van zijn vissers heeft zien omkomen: ‘Zoiets gaat,’ zegt hij in Knack, ‘niet in je kouwe kleren zitten.’
Els Leenknecht treedt op als advocate van de burgerlijke partijen. De dood krijgt advocaat Walter van Steenbrugge toegewezen. Verschillende deskundigen verwoorden hun aanklacht of verdediging, o.a. Wim Distelmans en Jean Paul Van Bendegem. Deze laatste zegt daarover in De Morgen: ‘De mensen die het initiatief genomen hebben zeggen dat het moeilijk was om voorstanders van de dood te vinden. Iedereen wil van de dood af. Ik niet.’
Op 4 augustus volgt de uitspraak, maar niemand weet hoe die zal luiden.
De aankondiging laat me er weer aan denken: dood moeten we allemaal. En aan mijn leeftijd is het goed om je daar enigszins op voor te bereiden. Daarom heb ik hier al mijn eigen overlijden beschreven. Meer zelfs, ik heb er ook al een passend treurlied bij bedacht. Op mijn teraardebestelling dient het door een kloon van drs. P. gezongen te worden of, mocht die niet voorhanden zijn, door een reïncarnatie van The Dubliners die dan wel deze Engelse versie aanheffen. [Oproep: ik zoek nog een toondichter die, liefst nog voor mijn verscheiden, muziek bij de liedteksten levert. Voelt u zich geroepen, draai dan zeven negen zeven twee nul vier.]
Wie daar niet mee had kunnen lachen is Hugues Viane, hoofdfiguur uit Bruges la Morte, een boek dat ik nu toevallig aan ’t lezen ben en dat helemaal bij deze rechtszaak past.(°°) Heel dat werk door treurt Viane om het verlies van zijn geliefde: ‘De godsdienst verbood hem de hand aan zichzelf te slaan. Wanneer hij zelfmoord pleegde zou hij niet in Gods Rijk worden toegelaten en iedere mogelijkheid verliezen haar weer te zien.' 
Of Georges Rodenbach, auteur van dat boek, zelf in Gods Rijk geloofde weet ik niet. Maar dat hij van plan was te verrijzen is een feit. Daarvan getuigt zijn graf dat een groot I’ll be back-gehalte heeft. Op het monument is duidelijk te zien dat zijn snorretje dan nog altijd mooi in de plooi zal liggen. Zijn boodschap aan degenen die in de opstanding geloven is duidelijk: als ge dan toch per se terug wilt komen, zorg er dan tenminste voor dat uw haar gekamd is!
Flor Vandekerckhove

(°) Mij zou het verwonderen mochten daar nog tickets voor resten, maar klik voor alle zekerheid toch maar eens op Rechtszaak tegen de dood
(°°) Georges Rodenbach. Brugge-de-dode. Uit het Frans vertaald door Marjolijn Jacobs en Jolijn Tevel. 122 p. 1978. Uitg. Van Kampen & Zoon,  A’dam — Standaard Uitgeverij, A’pen.



zaterdag 16 juni 2018

Geveld door een citaat

In de stallen werd het vee onrustig. Doorheen de mistslierten ontwaarde ik een schim. Ik dacht meteen: meneer Delanghe! Hij had me immers van zijn wederkomst verwittigd: I’ll be back!  Zelf had ik me daar goed op voorbereid. Achter de deur stond de mestvork klaar.
Ik ging wijdbeens in mijn deurgat staan en riep de schim toe: ‘Van mijn erf gij! Of ik rijg u aan mijn riek.’
‘Er is meer dan een citaat van een of andere heimatschrijver nodig om mij te stoppen’, antwoordde de gedaante. Die woorden sloegen nergens op, maar ze namen wel alle twijfel weg. Meneer Delanghe had ik immers goed gekend als iemand die voortdurend naast de kwestie sprak; een trekje dat hij blijkbaar naar het rijk der ondoden meegenomen had.
Om te demonstreren dat het geen citaat betrof, maar scherp metaal, plantte ik de mestvork vlak voor me in ‘t plantsoen. Het belette hem helaas niet om nóg nader te komen. 
Toen meneer Delanghe vlak voor me stond zei hij: ‘Alleen haiku’s van Basho en citaten van Amoz Oz kunnen mij aan ’t wankelen brengen.’ Ook als ondode bleef hij graag zijn eruditie etaleren.
‘We zullen zien’, zei ik. Met een goedgeplaatste stoot reeg ik hem aan de riek. Nog bleef hij raaskallen: ‘Vergeet niet dat ik in een andere niche leef. Denk maar niet ik klein te krijgen ben, want ik ben een wereldburger en nog verdraagzamer dan ik voorheen al was. Kijk, ik verdraag zelfs deze riek in mijn lijf.’
Ik besefte dat het ijzer zijn hart niet had geraakt, iets wat absoluut nodig is om een ondode het zwijgen op te leggen. Ik trok zijn colbert open en zag dat de riek was blijven steken in zijn haast ondoordringbare portefeuille. ‘Ha,’ riep hij, ‘probeer daar maar eens door te geraken met je ouderwetse citaten.’
Toen fluisterde ik in zijn oor: ‘Geen ijzer kan het menselijk hart zo ijzig doorboren als een goed geplaatste punt.’ En daarna zette ik dat punt.
Flor Vandekerckhove



donderdag 14 juni 2018

Katoen is straffer dan marihuana


— Van links naar rechts: hasjiesjplant, dichter, katoenplant. —

Wie een foto van John Greenleaf Whittier bekijkt, zal daar bezwaarlijk iemand in herkennen die zo nu en dan een joint opsteekt. Toch heeft hij een lang gedicht geschreven waarin hij de geneugten van marihuana bezingt. Voor hem mogen die geneugten dan wel ondeugden zijn, na lezing moet je toch de neiging onderdrukken om de frietzak ter hand te nemen.
De Amerikaan John Greenleaf Whittler (1807-1892) heeft veel gedichten tegen de slavernij geschreven. Daarin gaat hij tekeer tegen de manier waarop katoenplantages uitgebaat worden. In het zuiden van de Verenigde Staten zijn dat de ondernemingen die de slavernij in stand houden. Hij keert zich tegen een elite die omwille van de smeer deze vorm van uitbuiting verdedigt. Zo heb je, constateert de dichter, voorstanders van de democratie die tegelijk pro slavernij zijn, geestelijken die geen tegenstelling ontwaren tussen een deugdzaam leven en het erop nahouden van slaven, rechters die de slavernij vrijpleiten enzovoort. Volgens deze dichter is de geest van zo’n mensen méér beneveld dan deze van mensen die zo nu en dan een hasjpijpje opsteken.
Er valt zeker iets voor te zeggen, vind ik. 
Flor Vandekerckhove


dinsdag 12 juni 2018

1966: de jongens van 1ste Economische b


In april plaats ik hier de foto van een jongensklas uit 1960-61. En terwijl ik de namen probeer op te snorren kom ik weer in contact met Marcel Tas, een oud-dorpsgenoot, die me naar zijn broer Rob(ert) leidt.
Rob is een van de jongens op die foto van 1960-61. Thuis heeft hij dezelfde foto liggen en wat meer is, op de ommezijde heeft hij de namen genoteerd. Waardoor we onverwachts & meteen al die jongens kennen, althans bij naam.
Rob heeft nog meer, bijvoorbeeld de klasfoto die hierboven staat. Die is zes jaar jonger dan de vorige en de jongens zijn intussen zes jaar ouder — een doordenkertje als ‘t ware. ’t Zijn jongens die het in dat college tot het einde uitgezongen hebben.
Tussendoor moet ik opmerken dat je in die tijd in ’t zesde begint en in ’t eerste eindigt, iets wat intussen veranderd is: nu begin je in ’t eerste en je eindigt in ’t zesde, wat logischer is.
Bovenstaande jongens zijn geboren in/omtrent 1947, ze verlaten de schoolbanken van ’t college in 1966. Sommigen gaan daarna meteen hun legerdienst vervullen, anderen togen aan ’t werk, sommigen studeren verder.
In de zomervakantie zullen ze er getuige van zijn dat Engeland de Wereldbeker voetbal wint. In de filmzaal kunnen ze naar een nieuwe film kijken die Blow-up heet (18+). Degenen die naar Leuven trekken zullen daar met de bisschoppen te maken krijgen en zij die naar Gent gaan zullen heimelijk eens binnenwippen in de beruchte cinema Leopold (xxx).
Belangrijk voor ons is dat Rob Tas (10) na al die jaren nog contact heeft met zijn oud-klasgenoot Marc Depuydt (19), want 't is met vereende krachten dat ze erin slagen de meeste namen weer te vinden: 1  Idesbald Lambrichts;  2 Dirk Maeckelberghe ?;  3  Lucas Roose; 4  Jos Watteeuw;  5  Eddy Rotsaert; 6 Jean-Pierre Houben (†); 7  Raf Vantyghem ; 8  Jean Ralet ; 9  Emiel Vandenberghe;  10 Rob(ert) Tas; 11 Jozef Lingier;  12 ?; 13 ? 14 Jean-Marie Viaene;  15 directeur Arsène Carron; 16 klastitularis Achille Venmans;  17 Redgy Schoolmeesters ; 18 Alain De Gruyter ; 19 Marc Depuydt. 
Flor Vandekerckhove

Meteen na publicatie komen er al reacties binnen. Er is al een geestige anekdote betreffende Jean Ralet en iemand vraagt zich af of de jongen achter het nummer 2 Dirk Maeckelberghe kan zijn. (Zie onderstaande reacties.) En omdat er inmiddels nog een reactie binnengelopen is die dat vermoedt, plaats ik de naam bij de lijst (gevolgd door ?). We zoeken nu alleen nog de namen van 12 en 13. 

zondag 10 juni 2018

Dagboek

* 4 juni 2018 — In de bieb heb ik Gestolen voorwerpen uit de rekken gehaald, een dagboek van David Sedaris. (°) Volgens die schrijver heeft zo’n boek als bedoeling ‘dat je erachter komt wie je bent’ en de uitdaging ligt er vervolgens in dat je in dat dagboek ‘trouw bent aan die persoon. Want dat is vaak niet mogelijk. Zullen de mensen zich niet van me afkeren als ze zien hoe ik werkelijk ben? Vraag je je af.’
Ik denk dat ik dat ook eens ga doen, een dagboek bijhouden. Ik neem me voor om dat tot ’t einde van de week vol te houden. Nauwelijks vijf dagen? vraagt u, schuddebuikend van 't lachen. Maar dan weet u niet dat ik het eerder al eens geprobeerd heb en toen heb ik het maar één dag volgehouden. Dat was op 9 oktober 1967. Wat in dat ééndagboek staat kun je hier nalezen. Wel dien ik u te verwittigen: er staat een naaktfoto bij!
* 5 juni — ‘s Mans naam kan ik je hier niet meedelen, want hij is een notabele en hij redeneert een beetje à la Trump, maar dan op z'n Oostends. Voorzichtigheid is geboden, want Trumpisten hebben de wind in de zeilen.
Via ’t internet krijg ik een tekst van deze miniTrump toegestuurd. Ik lees er een opeenstapeling van clichés in en laat hem dat ook weten. Hij antwoordt met een brief waarin zo mogelijk nog meer clichés staan.
Zo gaat dat nu al vele jaren. Hij schrijft een hoop onzin, en als ik hem daarop wijs antwoordt hij met nog meer onzin. Daar tegenover staat dan weer dat zijn strapatsen me regelmatig inspireren. De verhalen die eruit voortvloeien bouw ik op rond een personage dat meneer Delanghe heet; ik heb er al negen en er is nog een aan 't sudderen.
* 6 juni — Vandaag zijn we naar de cinema geweest. [Over die zaal heb ik hier eerder al een stukje geschreven]. De film heet The Guernsey Literary and Potato Peel Pie Society. Mooi schrijverssprookje. Achteraf voer ik in de gangen een gesprek met Carlo die daar werkt. We hebben het over de verschillende namen van de zalen, de Rode, Blauwe, Groene en… zaal Vier, en waarom die laatste niet de Zwarte of de Roze zaal heet, want dat zijn daar de dominante kleuren. Ik begrijp zijn uitleg niet helemaal, maar ’t is toch een aangenaam gesprek. En veel aangenamer dan de briefwisseling die ‘k gisteren met die would-beTrump gevoerd heb.
* 7 juni. — Vandaag laat ik me fotograferen in de traction avant van buurman Michel. Eerst denk ik het beeld te gebruiken voor een verhaal waarin zo’n auto een rol speelt. Maar je weet hoe ’t gaat: de dingen gebeuren omdat ze rijmen (zegt Nyk de Vries). Met fotoshop haal ik Michel uit de auto weg en ik plaats Jan van Eyck achter het stuur. Ik gebruik de foto bij een stukje over het gestolen paneel De rechtvaardige rechters, want nu Marc de Bel daar een nieuw boek over publiceert is er weer veel om te doen. Geestig is dat de Bel op mijn blogpost geantwoord heeft. Kijk hier maar.
* 8 juni — Vandaag heb ik Willy Pozzolo weergezien, een toffe pee. Hij is de kroegbaas van de Folk geweest, een kroeg waar ik menig uur gesleten heb. We gaan een koffie nuttigen en halen herinneringen op aan de tijd dat we massaal veel sigaretten rookten en in Oostende op de verkiezingslijst van de RAL stonden. Hij deelt me ook de grootte van zijn pensioen mee en da’s (uiteraard) meer dan wat ik vang.
Mireille, die er ook bij is komen zitten, wijst me erop dat ik misschien wel een klein pensioentje heb, maar wel een eigen huis. En ook nog een in Frankrijk, voegt Willy eraan toe. We nemen afscheid. Willy betaalt het gelag. Dat mag ook wel met zo’n pensioen.
* 9 juni — In de krant lees ik dat duizend academici in een petitie pleiten voor meer menselijkheid in het debat over asielzoekers. Het is een weerwoord op een discours dat door politici als Bart De Wever wordt gebruikt. ‘Een discours dat, zo leert de wetenschap, gevaarlijk is.’ Gelukkig staat tante Mia Doornaert niet op de lijst van ondertekenaars en haar ideologische neefje Maarten Boudry evenmin. Ook hoor ik professor Rik Torfs (kerkelijk recht) zeggen dat hij de petitie niet ondertekent. Hij vindt die ‘iets te polemisch’. Ik denk dat het gewoon een tjeventruc van hem is.
Zelf heb ik de petitie wel ondertekend; niet als academicus, maar als solidaire mens. U kunt dat hier trouwens ook doen. Bovendien heb ik ter zake een eigen schotschrift gepubliceerd. Kijk (nog) maar eens naar Zijt ge niet beschaamd. Het gedicht werd massaal gedeeld en staat inmiddels in de top 10 van de meest bekeken stukken uit deze blog.
Mag ik u er ten slotte op wijzen dat dit mijn laatste dagboeknotitie is. Aan het begin van de week had ik me voorgenomen het tot het einde van de week vol te houden. Opdracht volbracht. Een dagboek bijhouden? Ik blijf het een karwei vinden.
Flor Vandekerckhove


(°) David Sedaris. Gestolen voorwerpen. Dagboeken 1977-2002. Lebowski Publishers, Amsterdam 2017. 510 p.

zaterdag 9 juni 2018

De dichter is een rolling stone

— Delphine Lecompte en Bob Dylan. —
Sommige dingen mag je niet vertalen, vind ik, zoals bijvoorbeeld het Amerikaanse FUCK YE. Hetzelfde geldt voor het Franse Nom de Dieu de putain de bordel de merde de saloperies de connard d'enculé de ta mère! Begin er maar eens aan.
Heb jij ooit iemand De rollende stenen horen zeggen als daarmee The Rolling Stones bedoeld wordt? Of De zwerfkeien, godbetert? Die bedenkingen wellen in mij op als ik naar de kaft van een boekje kijk waarin een Nederlandstalige hulde gebracht wordt aan Like a Rolling Stone van Bob Dylan. (°)
Het boekje heet Als een zwerfkei (2015) en daarin gaan bijna tachtig dichters aan de slag met het gegeven dat het vijftig jaar geleden is dat Like a Rolling Stone in vinyl geperst werd. 
Mijn oog blijft hangen aan het gedicht van Delphine Lecompte. Dat komt doordat we nog over en weer geschreven hebben, Delphine en ik. Aanleiding waren twee gedichten die ze me, via bemiddeling van Peter Holvoet-Hanssen, geleverd had, met de bedoeling ze in Het Visserijblad te publiceren; dat was poëzie waarin de dienst uitgemaakt wordt door een touwslager, een onderwaterlasser, een roodharige naaldenmaakster en een spookmatroos. Ons over en weergeschrijf ben ik kwijt, maar ik weet dat ik haar toen de beste levende Vlaamse dichter genoemd heb; of toch de beste die ik ken.
Dat vind ik nog steeds.
Ik hou van de wereld waarin ze ons via haar gedichten — die ook verhalen zijn — betrekt, de wereld van de imker, de ezeldrijver en haar oude kruisboogschieter, de Cobraschilder, de windhondenfokker, de messenwerper, de sponzenverkoper…
Hoe herdenkt Lecompte Like a Rolling Stone? Wel, ze neemt ons mee naar ‘t werk: Er staat een bus voor mij in de straat / Maar het is evengoed de bus van Cindy / Ze haat haar naam, ze kuist consultatieruimtes / Ik ook, ik ook consultatieruimtes, de oogartsen zijn het vuilst (…). En verder: ‘De eerste consultatieruimte is de hardste noot, ik leg een hand op mijn beste oog. / Ik heb een goed oog en een lui oog.’
Zo hoort het, vind ik: als een dichter om den brode uit werken moet, dan doet hij dat bij voorkeur met een lui oog bij een oogarts. Of zoals Ester Naomi Perquin het doet, die zojuist de Herman de Coninckprijs gewonnen heeft: ‘Misschien word ik wel parachutespringerinstructeur of ga ik worsten verkopen. Lijkt me fijn.’ Gaan kuisen, zoals Lecompte, is nog beter.
Na de dagtaak komt de oude kruisboogschutter de dichteres ophalen. Hij zegt: ‘Het is jammer dat je geen gedichten meer schrijft.’ En vervolgens schrijft Delphine daar een gedicht over.
Is dat niet prachtig?!
In heel het gedicht komen de woorden Dylan en Bob niet voor en het woord zwerfkei gelukkig evenmin, maar dat Delphine Lecompte een rolling stone is, da’s een feit.
Flor Vandekerckhove


(°) Kees ’t Hart & John Schoorl. Als een zwerfkei. Dichters over Dylan. 128 p. Uitg. Nijgh & Van Ditmar 2015.