vrijdag 28 juni 2013

A l’Ostendaise


Om mijn tijd te verdoen ging ik in die dagen veel naar de cinema. Vooraf ging ik dan iets eten, meestal sole à l’Ostendaise, maar als 't snel moest gaan gewoon een zakje frieten. Zelf wist ik dat niet, maar de frietkoten van Oostende waren toen allemaal in handen van de gebroeders Braun. De uitbating ervan werd door die broers uitbesteed aan trawanten die daar soms wel soms niet een goede zaak aan overhielden. 
Der Untergang is een lange film. De vertoning begon, zo had ik op de valreep gezien, vroeger dan gewoonlijk, waardoor ik die dag niet uitgebreid kon tafelen; ik ging voor de snelle hap. In het frietkot leerde ik Eva kennen die dat frietkotwerk maar niets vond. Ze toonde me een foto van een omgebouwde bunker, te midden het voor de rest ongerepte duingebied van Bredene. Daar woonde ze met haar twee honden en een immer afwezige man. Ik vond het een indrukwekkende woonst en de immer afwezige man opende onverwachts nieuwe perspectieven. Ik toonde haar foto’s van mijn kleinkinderen, en daarvan kwam zij dan weer onder de indruk; het maakte van mij de familieman die ik niet ben. We spraken af om samen een glas te drinken en ik gaf haar mijn telefoonnummer.
’s Anderendaags vertelde ik een collega over mijn ontmoeting. Van de weeromstuit vertelde hij me een verhaal over een visser die Adam heette en die op latere leeftijd tot het besluit kwam dat hij meer vrouw dan man was. Adam had de zee vaarwel gezegd om aan de wal als Eva door 't leven te gaan. Die collega bracht me ook op de hoogte van de machtsverhoudingen in de Oostendse frietkotensector. Ik hechtte er weinig belang aan, noch aan dat verhaal over Adam & Eva noch aan dat van de frietkoten. Ja, zei ik, om ervan af te zijn, 't zijn merkwaardige tijden.
Een week later was Eva me thuis komen ophalen. In ’t pikkedonker waren we het duin opgereden. De honden hadden gegromd. Zij had zich in de badkamer teruggetrokken en in afwachting van wat komen zou had ik me op ’t bed uitgestrekt. De wind gierde vervaarlijk om de bunker. Aan de muur hing de foto van een vissersschip. Hoe langer ik ernaar keek, hoe meer ik in paniek geraakte. Ik meende te horen hoe een auto het duin opreed, waardoor ik ook nog eens aan de immer afwezige man moest denken. De honden jankten. Hoorde ik Eva roepen dat ik me moest verstoppen? Ik wachtte niet, sprong op een kist, opende een tot raam omgebouwd kijkgat, stak mijn been naar buiten en werd verblind door de bliksem die op de bunker insloeg. Mijn andere been wilde niet mee en twee honden kwamen kwijlend op me afgerend, het schuim op hun muil voegde zich bij dat van de golven die tegen het beton van de bunker te pletter sloegen.
De telefoon maakte me wakker. De droom ontsnapte uit mijn bewustzijn. Eva. Of ik die avond vrij was. Ja, dat was ik. Ik wreef de slaap uit mijn ogen. Of ik zin had in een glas. Ja, dat had ik. Dat ik later op die dag mijn been brak, belette me niet om 's avonds met haar mee te rijden. Dat was verkeerd van me, want laat dit nu net de moraal van dit verhaal zijn: een mens hoort de voortekenen te respecteren. In de bunker lag ik op Eva te wachten die zich in de badkamer teruggetrokken had. Ik keek om me heen, zag de foto van het vissersschip en het tot raam omgebouwde kijkgat. Alles leek op iets wat ik al eerder gezien had. Toen kwam Eva uit de badkamer. Daar viel niet naast te kijken en ik zag meteen dat ze de tot inkeer gekomen visser was waarover mijn collega me verteld had. Ik moest vluchten, maar dat gebroken been belette me tot bij het raam te komen. In een bunker bij de zee werd ik genomen door een visser die geen visser was. Daar op die dag, in de duinen, beleefde ik mijn eigen ondergang, der Untergang à l’Ostendaise!
Flor Vandekerckhove

donderdag 27 juni 2013

Waarover ik het met Mario Vargas Llosa eens ben


‘Een schrijver voelt diep in zijn hart dat schrijven het beste is wat hem is overkomen en hem kan overkomen, omdat schrijven voor hem de best mogelijke manier is om te leven, zonder na te denken aan de sociale, politieke of financiële gevolgen die wat hij schrijft voor hem zou kunnen hebben.’
(…)
‘[H]et uitgangspunt van de schrijversroeping? Ik denk dat het antwoord luidt: rebellie.’ Al in zijn jeugd geeft de potentiële schrijver te kennen ‘dat hij het leven zoals het is, de werkelijke wereld, afwijst en bekritiseert en dat hij ernaar verlangt die te vervangen door een leven en een wereld die hij met zijn verbeelding naar eigen wens verzint.’
(…)
‘De reden van die — essentiële — rebellie tegen de werkelijke wereld, die mijns inziens op de bodem van elke roeping van een schrijver klopt, is echter van geen enkel belang.’
(…)
‘Het leven dat in fictionele teksten wordt beschreven — vooral in de meest geslaagde — is nooit het leven dat werkelijk geleid wordt door degenen die het verzonnen, opschreven, lazen en waardeerden, maar een fictief leven dat zij kunstmatig hebben moeten creëren omdat ze het in werkelijkheid niet konden leiden, en daarom berusten ze erin het slechts te leiden op de indirecte, subjectieve manier (…)’
(…)
‘Omdat fictie het resultaat is van innerlijke onvrede met het leven zoals het is, is zij zelf ook een bron van onbehagen en onvrede. (…) Het gevoel van onrust dat goede literatuur veroorzaakt kan in bepaalde omstandigheden resulteren in een opstandige houding ten opzichte van het gezag, instituties of de heersende geloofsovertuiging.’
(…)
‘Een romanschrijver die niet schrijft over wat hem in zijn diepste wezen stimuleert en opeist, die kil en rationeel zaken of onderwerpen kiest omdat hij denkt dat hij zo sneller succes zal oogsten, is niet authentiek en daarom waarschijnlijk ook een slechte schrijver (al heeft hij succes: zoals u weet staan de bestsellerslijsten vol slechte romanschrijvers).’

Mario Vargas Llosa, Aan een jonge romanschrijver. Essays.1999. Meulenhoff Amsterdam.

zondag 23 juni 2013

Edna O’Brien, een meisje van buiten


Edna O'Brien
De Ierse schrijfster Edna O’Brien (°1930) heeft in 2012 haar memoires gepubliceerd. Het boek werd in 2013 in het Nederlands vertaald en uitgegeven als Een meisje van buiten. De titel verwijst naar De buitenmeisjes (The Country Girls, 1962), haar eerste boek.
‘De eerste alinea van mijn roman ging over de angst voor de vader — “Ik werd wakker en zat meteen rechtop in bed. Alleen als ik me ergens zorgen over maak word ik zo gemakkelijk wakker en even wist ik niet waarom mijn hart sneller klopte dan normaal. Toen herinnerde ik het me weer. Dezelfde reden als altijd. Hij was niet thuisgekomen.”
Maar mijn moeder kwam in mijn eerste boek prominent in beeld, van haar was het boek doortrokken. Tijdens het schrijven voelde ik al dat ze het zou afkeuren, omdat ze argwaan koesterde tegen het geschreven woord. “Papier weigert geen inkt”, was een van haar meest sarcastische uitspraken.’ (p.156)
We bevinden ons te midden van het katholieke Ierland dat we kennen uit The Magdalena Sisters, een film over misdadige nonnen die tot in de jaren zestig ongestoord hun gang konden gaan.
Het eerste boek van O’Brien was meteen een schot in de literaire roos, maar de Ierse goegemeente zag dat enigszins anders: ‘De dag van de publicatie was niet anders dan andere dagen, recensies druppelden binnen, lovende woorden, verstoord door geluiden van thuis. Mijn moeder schreef over de reactie van buren, hoe geschokt, gekwetst en vervuld van walging ze waren. Ik had haar een exemplaar gestuurd, maar ze had de ontvangst nooit bevestigd; na haar dood vond ik het in een kussensloop, de aanstootgevende woorden doorgehaald met zwarte inkt. Wanneer ik met de kerst thuis zou komen, zouden velen zich van me afkeren, schreef ze. De directrice van het postkantoor, toevallig en protestantse, liet mijn vader weten dat ik als passende straf naakt door het stadje geschopt zou moeten worden. Stenigen kwam dan later.’
‘In de fragiele toestand was ik gelukkig niet op de hoogte van de correspondentie tussen de deugdzame aartsbisschop McQuaid en de toenmalige minister van Justitie, Charlie Haughey, die het er samen over eens waren dat het boek een en al vuiligheid was en niet in nette huisgezinnen thuishoorde.’ (p.169)
Zoals al die andere kunstenaars die het haar voorgedaan hadden, ontvluchtte Edna O’Brien de beklemming van deze gesloten maatschappij. Wanneer ze er later terugkeert is alles veranderd: ‘De heerschappij van de bisschoppen en hun priesters was voorbij. Er waren net twee rapporten verschenen, het Ryan Report en het Murphy Report, waarin talloze grimmige en pijnlijke details gedocumenteerd stonden over het systematische misbruik van kinderen door priesters, christelijke broeders en zusters, in weeshuizen, wasserijen, novicehuizen en op scholen, gedurende de afgelopen vijftig jaar. De talloze onthullingen over mishandeling, uithongering, kastijding en niet-aflatend seksueel misbruik waren des te schrijnender omdat ze hardnekkig ontkend waren door de samenzwerende Kerk en Staat. Er was ziedende, hartverscheurende woede. Op Paaszondag werden voor de St Mary’s Pro-Cathedral in Dublin de hekken behangen met kinderschoentjes, met zwarte linten omwonden, als symbool van verloren kinderjaren, en op diverse aanplakbiljetten stonden bittere levensverhalen te lezen, (…) Op een ander aanplakbiljet werd het katholieke geloof bestempeld als een “nazigodsdienst”.’ (p.369)
Flor Vandekerckhove

Edna O’Brien, Een meisje van buiten. De Bezige Bij Amsterdam. ISBN 9789023477372. 14,99 euro.

woensdag 19 juni 2013

Work in Progress (XIV)


[Op mijn vierenzestigste verjaardag begon ik een autobiografie te schrijven, of toch een min of meer verbeelde variante op het genre. Ik hoopte een eerste versie af te hebben op de dag dat ik vijfenzestig word. Zo nu en dan presenteer ik in deze blog een nieuw hoofdstuk. Wie (eerst) eerdere hoofdstukken wil lezen, drukt op een van de labels onderaan.]
XIV.
Buiten, op het neergelaten rolluik, wordt een kruisbeeld aangebracht. Telkens ik het huis passeer moet ik het kruisteken maken. Dat huis staat aan de overkant van de straat, schuin tegenover het onze, en wordt bewoond door voerman Raymond Vansieleghem en zijn echtgenote bobonne.  Werd bewoond, want op deze zomerse dag in 1955 is Raymond schielijk overleden.
Ik herinner me de overledene. Ik herinner me ook de dag van zijn overlijden, een zonnige weekdag; Raymond is tijdens het werk, in zijn vrachtwagen, gestorven.  De auto, die onbeheerd is achtergebleven, wordt door zijn zoon Robert naar huis gehaald. Ik zie hoe die zoon er nog diezelfde dag traag mee voorbijrijdt. Robert ziet er geslagen uit, getekend door het onverwachte verlies. Iedereen staat buiten op de stoep sprakeloos toe te kijken.  We volgen met onze blik stilzwijgend de vrachtwagen die de parkeerplaats oprijdt. Ik begrijp dat er iets onomkeerbaars gebeurd is. Raymond die er in mijn perceptie altijd geweest is zal er opeens niet meer zijn, nooit meer, een begrip dat moeilijk te vatten is.
’s Anderendaags gaat mijn moeder de overledene de laatste eer bewijzen. Ik steek mee de straat over, moet in het huis in de gang blijven wachten terwijl mijn moeder en bobonne zich afzonderen, maar ik vang toch een glimp op van de dode Raymond die in de verduisterde voorplaats opgebaard ligt. Het is voor het eerst dat ik een dode mens zie, maar ik ben vooral onder de indruk van de zwarte baldakijn waarmee de rouwkamer ingericht werd en die benadrukt dat wat hier plaatsgrijpt een pikzwart drama is. (Bobonne zal de rest van haar leven in 't zwart gekleed gaan.)
Het is een klap waar we allemaal in delen, want er bestaat een verwantschap tussen mijn familie en de overleden Raymond. Hij is de schoonvader van tante Alice, mijn vaders zuster die met Robert — nonkel Robert — getrouwd is, een zoon van bobonne en Raymond. Bovendien bestaat er in die dagen maar een dunne scheidingslijn tussen nauwe en verre familie, tussen familie en buren ook. Er heerst een hechte gemeenschap in dat stukje straat waar mijn ouders zich in de onmiddellijke nabijheid van mijn grootouders, ooms en tantes gevestigd hebben; waar de buren kameraden van elkaar zijn en in veel gevallen ook bij elkaar over de vloer komen.
Zo’n kameraden waren Raymond en mijn vaders vader, Edmond, mijn dooppeter. Veel later krijg ik van een nicht een foto toegestuurd waarop die twee staan, de armen manhaftig gekruist, samen met nog andere jongemannen, allen klaar om naar Frankrijk te trekken, om daar te participeren aan de bietenoogst.
Het begrip privacy moet in die tijd nog uitgevonden worden.  Het huis van mijn grootouders Zoë en Edmond doet dienst als sluipweg. Alle kinderen die in dat deel van de straat wonen, gebruiken het om naar de wijk erachter te trekken, waar hun school ligt, die anders alleen via een omweg te bereiken is. Wanneer de stapelplaats openstaat dan wordt die daarvoor gebruikt; is die gesloten dan gaan die kinderen door de winkel, vervolgens door de keuken en uiteindelijk via de veranda van die mensen naar de school. ’s Avonds wordt die weg omgekeerd afgelegd.
Onlangs vernam ik van zo’n ouwe schoolkameraad dat ook hij van die sluipweg gebruikt maakte, maar niet zonder tolgeld te betalen. Wie er passeerde moest tegelijk iets kopen in de winkel. Hij kocht telkens een appel, zijn dagelijkse stuk fruit. 
’t Waren dan ook harde tijden.  Grootmoeder Zoë heerste krachtdadig over het huishouden en over de winkel, maar de stapelplaats was het terrein van grootvader Edmond. Hij bracht er veel van zijn tijd door omdat hij daar groenten schoonmaakte en fruit trieerde, en ook wel omdat die stapelplaats voor hem eveneens een sluipweg was, maar dan naar het café van Alida.
In die stapelplaats hing een menggeur van overrijp fruit, groenteafval en kak. Die merkwaardige mix werd deels veroorzaakt door de waren die er lagen, maar er was ook een wc: houten plank met uitgezaagde opening, grote spinnen onder het deksel, geen water, krantenpapier om je kont schoon te vegen. Daar kwam een beerputgeur vandaan.  Mede omdat die stapelplaats een tochtgat was, mengen al die geuren zich tot iets wat geen naam heeft, maar desondanks niet al te onaangenaam rook.
We ontmoetten elkaar daar vaak, mijn grootvader en ik, hij op de terugweg van Alida, ik op de terugweg van de school. Daardoor komt het dat hij voor mij met die onnoembare stapelplaatsreuk verbonden blijft. Wanneer ik aan mijn overleden peter denk dan herinner ik me de aparte geur van die stapelplaats.
Ik zag mijn peter graag. Wanneer hij in 1960 stierf, huilde ik tranen met tuiten en kort daarna zorgde ik er persoonlijk voor dat hij in de hemel terechtkwam.  Dat laatste vraagt uiteraard om enige uitleg.
Hoe het er nu aan toegaat weet ik niet, maar in die tijd kwam de ziel van de mens na de dood in de hemel terecht, in de hel of in het vagevuur. Dat mijn peters ziel in de hel terechtgekomen zou zijn, was onaannemelijk. Een rechtstreekse tocht naar de hemel was eveneens uitgesloten, want daarvoor had zijn lichaam al te veel gebruik gemaakt van de sluipweg die naar Alida’s café leidde. Pekelzonden waren dat, maar dan toch van het soort dat per vergrijp pakweg 150 jaar vagevuur opleverde. Tien keer was al goed voor 1.500 jaar, en stel dat hij dat sluipwegverkeer twintig jaar volgehouden had (een onderschatting) dan kwam hij aan 30.000 jaar vagevuur.  In het licht van de eeuwigheid was dat weliswaar een peulenschil, maar ik mocht er niet aan denken dat zijn ziel het daar zolang zou moeten uitzweten.
Gelukkig bestond er ook een sluipweg uit het vagevuur. Er was één dag in ’t jaar dat er volle aflaten te verdienen waren. Ik denk dat het op Witte Donderdag was, maar zeker weet ik dat niet meer. Met zo’n volle aflaat kon je iemand uit het vagevuur weghalen. De manier om dat te doen was poepsimpel. Je verliet de kerk, ging er vervolgens weer naar binnen, sloeg daar een kruisteken, zegde een Onzevader op, gevolgd door een Weesgegroet, dacht bij dat alles aan de ziel die je uit ’t vuur wilde redden en klaar was kees. Volledigheidshalve moet ik er aan toevoegen dat dit alleenlijk lukte als je vooraf te biecht geweest was.
Bovenstaande herinneringen deel ik wel met veel generatiegenoten, zo leert me een rondvraag, maar we geraken het niet eens over de dagen waarop deze aflaat te verdienen viel en evenmin over het soort gebeden, en het aantal, dat deze aflaat regelde. De meest betrouwbare bron weet me te melden dat er voor deze praktijk zelfs een Oostends woord bestaat, persjoenkelen; dat het op Allerheiligen of Allerzielen doorging en dat je zes Onzevaders, zes Weesgegroeten en zes Glorie zij de vaders moest bidden om succes te hebben.
Ik had dat in elk geval allemaal volgens de regels van ’t spel gedaan en daarmee mijn peter dertigduizend jaar vagevuur bespaard. In 1960 stierf hij en in 1961 kwam hij al in de hemel terecht; niet slecht voor een sluipweggebruiker.
Al de mensen in dat stukje straat dragen hun eigen geschiedenis met zich mee, hij eigen drama’s, hun eigen kommer en kwel.  In het huis links van Raymond en bobonne wonen de Vanblaeres met hun kleindochter Mireille. Het meisje, dat enkele jaren ouder is dan ik, is een weeskind. Een foto uit het familiealbum leert me dat ik nog met Mireille gespeeld heb, maar daar herinner ik me niets van.
Die Vanblaeres verkochten eerder de garage Achille aan Robert Vansieleghem, die hem sindsdien uitbaatte. Die onderneming bevond zich naast het huis van Zoë en Edmond en was genoemd naar Achille Goethals die er, vóór de Tweede Wereldoorlog, de eerste eigenaar van geweest was. De mens ging aan zijn ondernemingsdrift failliet en het gebouw werd aangekocht door de familie Vanblaere.
Henri Vanblaere zou de garage verder uitbaten tot hij in 1942 door de Duitse bezetter naar het concentratiekamp Gros Rosen weggevoerd werd waar hij als politieke gevangene op 11 december 1944 aan zijn einde zou komen.
Henri liet een echtgenote na en twee dochters. Een ervan, Aline, stierf bitterjong en ook zijn echtgenote leefde niet lang. De andere dochter, Mireille, werd verder opgevoed door de grootouders.
De Vanblaeres waren in die straat de eersten die een televisie in huis hadden en wij, straatlopers, verdrongen ons ’s avonds voor het raam om mee te kijken naar de bewegende beelden. Grootvader Vanblaere was beide benen afgezet, wellicht door suikerziekte. De mens jaagde ons daardoor een beetje schrik aan. Van zodra hij zijn kar in beweging zette om ons van voor zijn venster weg te jagen, stoven wij uiteen.
De garage was een plek waar de mannen uit de buurt zich ’s avonds, na de dagtaak, aan de poort, verzamelden om er te palaberen: René Olders, Jef alias Tsjeppen en Camiel Rosseel, Georges Cornelis, Robert Vansieleghem, mijn vader… Voor mij waren dat mooie momenten.  Ik mocht er getuige zijn van een mannelijke camaraderie die me ook vandaag nog kan bekoren.  Ook de garage zelf staat me nog levendig voor de geest: de smeerputten waar altijd water in stond en die avontuurlijk oogden, ook omdat we er op ouderlijk bevel ver van moeten wegblijven; de hydraulische brug die er later kwam, het traliehek waarachter de werkbank stond en het materiaal; het bureautje waar het naar rubber en olie rook. Ook zie ik nog de bruine, steile trap die naar het appartement leidde en uitkwam in een halletje.  Rechts ervan was er een veranda-achtige ruimte met stenen vloer die als waskot dienst deed en ook als speelruimte, daar was ook een volière, want Robert kweekte zangvogels.  Ik herinner me de living en zelfs de bruin geverniste lage kast met gebombeerde deuren en centraal de zware eettafel.  Daar heb ik voor het eerst in mijn leven mosselen gegeten. Ik weet nog dat ik al de kleine, bruine stukjes eruit losgepeuterd had omdat ik dacht dat het oogjes waren. 
Al die verdwenen plekken, huizen, mensen…  Mijn doopmeter, Aline, moeders moeder, woonde inmiddels niet meer bij ons. Zij was ingetrokken bij Degrande, haar tweede echtgenoot, de man die zij op late leeftijd in Bredene had leren kennen; de twee zouden de rest van hun leven samen, al bekvechtend, doorbrengen. Ook Roste Miel en tante Eugenie waren inmiddels verhuisd. Zij waren teruggekeerd naar Westkerke, waaruit ze zoveel jaren eerder vertrokken waren om aan de zee fortuin te maken. Ze hadden Pol bij ons achtergelaten. Waardoor deze Pol mijn eerste kat werd en ik een kattenmens. Pol kon, net zoals een hond dat doet, een pootje geven. (Ook vandaag heb ik nog een kat in huis, een exemplaar dat ik van mijn overleden moeder geërfd heb en dat eveneens Pol heet, maar helaas geen pootjes geeft. Pol is de naam van mijn eerste kat geweest, veel kans dat het ook de naam van mijn laatste is.)
In die straat kon je in juli ook getuige zijn van een ritueel dat, zolang de Ronde van Frankrijk duurde, dagelijks terugkwam. Mijn vader en ik staken dan haastig de straat over, want daar bevond zich de Littoral van Alida en in dat café flikkerde het testbeeld. In het achterzaaltje zaten al enkele mannen te wachten. Mijn vader bestelde een pils van het merk White Star.  Zelf kreeg ik een glas gevuld met kleurstoffen die vandaag ongetwijfeld verboden zijn, want we bevinden ons nog steeds te midden de vorige eeuw, en de voedselinspectie staat nog in de kinderschoenen.
De stoelen kraken, de mannen steken een sigaret op en ik mag meeroken, zij het alleen maar passief. We wachten en kijken naar het testbeeld. Dat wordt nu en dan verstoord door schuine strepen. Waarop waardin Alida van achter de tapkast komt om de TV een dreun te geven. 
Opeens krijgen we een straat te zien, een andere dan deze die ons gisteren getoond werd, maar veel verschil is er niet.  Dwars over de straatbreedte werd een witte streep geschilderd. Daarboven hangt een spandoek waarop Arrivée geschreven staat. Nu en dan zien we iemand die straat oversteken en daarmee moeten we het doen. Na enige geaborteerde pogingen krijgen we een stem te horen die zegt dat we op de renners wachten. Ik nip van mijn limonade en krijg er een gele snor van. We wachten. Mijn vader zegt dat de Ronde van Frankrijk op maat van de Fransen gemaakt is. Dat blijkt ook uit het klassement dat de reporter ons nu voorleest en waarmee het wachten gedood moet worden.
Opeens gaat de stem van de reporter in overdrive, passerende moto’s duiden erop dat de renners in aantocht zijn. Vervolgens zien we een zootje dat op de meet afstevent en een renner die zijn hand omhoog steekt.  In het geharrewar valt de stem van de reporter weg, waardoor we een beetje moeten gissen wie er gewonnen heeft. 't Zal wel weer een Fransman geweest zijn.
Mijn vader en ik steken de straat weer over en vervolgen onze werkzaamheden, want in die tijd roept kinderarbeid bij niemand weerstand op en bij de Bredense middenstand nog het minst van al. Enkele uren later fietst een jongen door de Duinenstraat die Tour de France roept en Uitslag van de rit. Hij verkoopt de speciale editie van Het Volk, krantje dat vlak na de arrivée met vliegtuigjes in de Vlaamse beemden gedropt wordt, waarna loopjongens het tot bij de nieuwsgierige massa’s brengen. Mijn vader kijkt wie op Alida’s TV als eerste over de streep gereden is en ik zoek de muis op in de strip van Thomas Pips. 
In die periode van het jaar was het bijzonder druk voor onze deur. Honderden dagjesmensen zakten via die straat naar het strand af.  Dat gebeurde veelal per fiets, want ik heb het over een tijd waarin auto’s alleenlijk gekocht werden door mensen die daar echt nood aan hadden (alsmede door rijkaards, maar die kwamen niet naar Bredene, die gingen elders zonnen).
Tussen mijn ouderlijk huis en dat van de buren lag links een afgesloten stuk grond te wachten op bebouwing. Aan de poort hing een bordje waarop Plaats voor velo’s aangekondigd werd.  Elke zondagmiddag werd naast dat bord een stoel gezet en op die stoel zat ik.
Kort na het middageten kwamen ze toegestroomd.  Ze kwamen van heinde en ze kwamen van ver; van Oudenburg en Westkerke, Ichtegem en Eernegem, van het Sas en van het Dorp; vaders met hun zoon op de buis, moeders met hun dochter op de bagagedrager, bromfietsers die zwoeren bij het onvolprezen merk Superia, jonggezellen met brillantine in het haar, mannen die Wervik rookten en vrouwen met een hoofddeksel dat foulard heette en hun permanent moest beschermen tegen ’t zand. 
A rato van vijf frank konden ze hun fiets bij ons achterlaten. Op zonnige topdagen werden er zodoende vele tientallen en, in mijn misschien wel vervormde herinnering, zelfs meer dan honderd fietsen aan mijn hoede overgelaten.
En er was concurrentie. Aan de overkant van diezelfde straat, vijftig meter voor ons huis, stond de woning annex woonerf van boer Jerome Lagast.  Ik herinner me dat daar jaarlijks graan gedorst werd. Voor de rest gebeurde er op dat erf niet veel. Dus was ook daar plaats voor velo’s.  Daar werden de zaken geregeld door Martha, een leeftijdgenote van mijn ouders en dochter van de oude Jerome.
(Martha heeft het lang volgehouden.  De grond naast mijn ouderlijke woning was al lang bebouwd, zelf was ik al een man op zijn retour, boer Jerome was al lang dood & begraven, maar Martha bleef pal naast haar bordje Plaats voor velo’s staan. Jaarlijks verminderde het aantal fietsen dat op het erf van Lagast geparkeerd werd.  Kwam dat doordat het fietsslot intussen uitgevonden was? De tijd had inderdaad niet stilgestaan, al was dat aan de kledij van Martha niet te zien.  Het merk Superia bestond niet meer.  De mensen uit de polderdorpen namen nu het vliegtuig naar Benidorm. Het zal vooral aan het toenemende autobezit gelegen hebben…  Het kon hoe dan ook niet blijven duren. Toen ik na veel omzwervingen terug in Bredene kwam wonen, zag ik haar nog altijd naast het bordje staan, waarop nu evenwel geschreven stond: Plaats voor auto’s.)
Rechts naast ons woonde coiffeur Van Outryve. Diens dochter Francine was verloofd met Frans Mestdagh die om de hoek woonde. De Mestdaghs baatten  daar een kleine bloemenkwekerij uit. Tegelijk was Frans ook koster.
Ik zie ze voor me staan, op de hoek van die twee straten. Ze zien er gelukkig uit. Ze konkelfoezen. Zij is te voet, hij met de fiets.  Hij komt van de kerk waar hij ervoor gezorgd heeft dat de dienst netjes verlopen is.
Frans en Francine waren beiden telgen van streng katholieke families. En doordat de roepingen in die tijd welig tierden, hadden zowel Frans als Francine een broer die ingetreden was.  Over de broer van Francine wist ik niets. Onlangs vernam ik dat hij maar kort als broeder in ’t klooster verbleven heeft.  De broer van Frans was missionaris en verbleef in Rwanda.
Pater Mestdagh kwam met grote tussenpozen naar het land terug. Dat was telkens een hoogtepunt in ons rijke roomse leven. Er werd dan telkens een feest van het type Vlaamse kermis aangericht, waarbij wij, de kinderen, telkens moesten aantreden om onze kunstjes te tonen. De opbrengst was voor de missiewerken van de pater. Uiteindelijk kwam hij in Rwanda om in een autoaccident.
We groeiden op in een wijk waar iedereen elkaar bij de voornaam, of zelfs bij de lapnaam, noemde.  Sietje, Pros, Jerome, Paula, Theofiel (Thei!), Adriënne, René, Troete… En kijk, inmiddels woon ik, na veel omzwermen, weer in de wijk waar ik in mijn jeugd geleefd heb. Vandaag wordt diezelfde wijk echter bevolkt door onbekende medemensen, afkomstig uit streken die je op de kaart niet eens kunt aanwijzen.  Het vraagt veerkracht om daarmee om te gaan. Dat niet iedereen die veerkracht opbrengt, mag blijken uit het eigenaardige, soms zelfs verwerpelijke stemgedrag dat de verkiezingen ons keer op keer weer openbaren.
Wij hebben niet zo goed leren omgaan met verschillen.  In heel mijn kindertijd heb ik op straat één zwarte medemens gezien. Dat was in de tijd dat we nog neger mochten zeggen. Hij tekende jaarlijks present op de dag dat de cavalcade door de straten trok. (Een cavalcade is een stoet.)  Op de stoep van de Duinenstraat stonden toeschouwers zich vele rijen dik te vergapen aan Vlaamse praalwagens en nog meer aan de inderdaad indrukwekkende billen van Nederlandse majorettes. Maar voor het zover kwam, passeerde daar eerst nog de pikzwarte Boele.  Hij had een mooi pak aan, glom van het zweet en leurde met snoep.  Terwijl hij voorbij de wachtende massa’s voortschreed, prees hij zijn waar aan, luidkeels ‘boules’ roepend. Van zodra we hem in ’t zicht kregen, begonnen wij, kinderen, opgewonden te roepen: ‘Boele is daar! Boele is daar!’  Want hij was de voorbode van de cavalcade. 
Dat hij ook de voorbode was van de verstedelijking, de globalisering en de interculturele maatschappij, konden wij niet weten.  Wij dachten dat alles niet alleen nu, maar ook in de eeuwen der eeuwen 't zelfde zou blijven.  Duurzaamheid! Het woord werd toentertijd door niemand gebruikt omdat het de evidentie zelve leek te zijn.
We hadden nochtans beter moeten weten. Was er in Brussel niet een Wereldtentoonstelling georganiseerd? Waren we daar in 1958 niet allemaal naartoe geweest? Hadden we op deze Expo 58 niet allen gezien dat alles in beweging was en dat niets zou blijven zoals 't was?  Het na-oorlogse fundament was gelegd, zo leerde die tentoonstelling ons, nu lag de weg naar de vooruitgang voor ons open. Gauw! Kom kijken! Kom kijken! Kom kijken naar deze wondere producten die de nieuwe tijden aankondigen: Philips, IBM, Coca-Cola, Solvay, Kodak en niet te vergeten Côte d'Or die van Expo 58 gebruik maakt om ons kennis te laten maken met een chocoladereep gevuld met praliné: Dessert 58!
Het wiel van de verandering was wel degelijk in gang gezet.  Een poelier worden, zoals mijn vader er een was, kon iedereen. Je had er geen diploma voor nodig, je moest alleen maar bereid zijn met bloedend en krijsend pluimvee om te gaan. Een beenhouwer was iets helemaal anders, de beenhouwerij was een stiel die aangeleerd moest worden, en ja, een beenhouwer verdiende meer dan een poelier.
Je weet hoe het is met ouders, zij dromen van een betere toekomst voor hun kind. Dus wilde mijn vader dat ik beenhouwer zou worden. Ik sprak hem niet tegen, omdat mijn mening niet gevraagd werd, maar ook omdat ik vond dat beenhouwer Fernand Minne een toffe pee was die in zijn winkel worsten draaide terwijl hij sigaretten rookte.
Toen ik twaalf jaar geworden was moest de zaak getrancheerd worden. Bij een slager in de leer gaan was uitgesloten. Mijn vader zei dat ik evengoed zijn winkel kon kuisen als die van Minne, mijn moeder vond dan weer dat ik te goed leerde om de school links te laten liggen. Even werd eraan gedacht mij naar de slagersschool van Anderlecht te sturen, maar daar zou ik intern moeten worden en ja, hoeveel zou dat alweer niet kosten. De zaak bleef onbeslist. Wat een beetje ongemakkelijk was, want ik was aan ’t einde van het lager onderwijs gekomen.
Het compromis bestond erin dat ik wel naar het college in Oostende trok, maar niet naar de middelbare afdeling ervan. Op aanraden van de directeur werd ik er ingeschreven in een zevende jaar, een voorbereidingsjaar. Tijdverspilling was het en bijzonder frustrerend omdat mijn vriendjes door die keuze een jaar voorsprong op me namen. Mijn ouders gaf het de tijd om de beenhouwerskwestie te trancheren.
In de winkel luisterde ik later in dat jaar een gesprek af tussen mijn moeder en een klant. Dat deed ik wel meer, want het was een goede manier om iets te weten te komen over al datgene waarover kinderen in het ongewisse gelaten werden. Zo kwam mij ter ore dat ik uiteindelijk toch geen beenhouwer zou worden, want, zo zei mijn moeder, een col is vlugger gewassen dan een overall.
Voorwaar een uitspraak waarover ik moest nadenken, want hij riep nogal wat vragen op. Minne droeg immers geen overall maar een kiel. Daarnaast vond ik het problematisch dat een beroep beoordeeld werd naar de was die het voortbracht. Verder scheen het me toe dat het wassen van een boord ook niet simpel was, want Dash waste in die tijd bijlange niet zo wit als de reclame zegt dat ze dat vandaag doet. En waarom moest ik daar nog verder in dat zevende studiejaar blijven zitten?
Het waren vragen die naast de kwestie zaten. En de kwestie was dat ik geen beenhouwer zou worden. Er zat voor mij niets anders op dan verder goed te leren.  In afwachting opende ik het dakraam van mijn zolderkamer, stak mijn hoofd naar buiten, ontstak een verfomfaaide sigaret die ik uit een jaszak gepikt had en wachtte tot wanneer ik Rachel beneden in de straat zou zien passeren. Rachel was heel afstandelijk en daardoor ook heel begerenswaardig. Mijn buikgevoel leerde me dat ik wel zin had om mijn hoofd onder haar rok te steken.  Terwijl de sigarettenrook zich oploste in de lucht van mijn kindertijd dacht ik tevergeefs na over een gepaste manier om het haar te vragen.

dinsdag 11 juni 2013

De Blauwerssluis


De Blauwe Sluis te Bredene.
Zelf vind ik dat Bredene mooie namen aan zijn wijken geeft: Sas, Dorp, Duinen. Zo mogelijks nog fraaier zijn Kop van ’t Sas, Maria Duyne, Groenendijk en Blauwe Sluis. Mooi is ook dat al die namen voor zichzelf spreken, behalve Blauwe Sluis dan.
De Blauwe Sluis. Ik sta ernaar te kijken en ik kan er niets ontwaren dat blauw is, of ’t zou het publiciteitspaneel van een café met dezelfde naam moeten zijn. Dat café is op die dinsdag helaas gesloten en ook de andere woningen ogen verlaten. De wijk lijkt op een Spaans dorpje tijdens de uren van de siësta. Ik ben er haast zeker van dat de mensen hier nog, net als ik, in Belgische franks rekenen.
Een boogscheut verder zit een grijsaard op de stoep. Ik vraag hem waarom het daar de Blauwe Sluis heet. Hij antwoordt me op gedempte toon, als om de rust niet te verstoren: ‘Dat komt doordat er hier destijds geblauwd werd. Eigenlijk heet ’t hier de Blauwerssluis.’ Waarna ’s mans echtgenote hem komt weghalen omdat ’t eten klaar is.
De kwestie van de Blauwerssluis laat me sindsdien niet meer los. In gedachten keer ik terug naar een tijd waarin het grondgebied van Bredene alleen maar uit slikken, schorren en zoutweiden bestaat. Er wonen wel mensen, maar niet erg veel en degenen die er wonen blijven niet lang, want ze staan haast voordurend met hun voeten in ‘t sop. Waarmee ik zo’n duizend jaar streekgeschiedenis samenvat en mij inmiddels aan het begin van het tweede millennium bevind.
Kort na het jaar 1000 doen zich weer grote overstromingen voor. De enigen die aan al die nattigheid iets kunnen doen zijn de monniken. Om het land te cultiveren graven ze vaarten en werpen ze dijken op. Afgeschermd van het stormgeraas kan Bredene zich, nu met vaste grond onder de voeten, rustig ontwikkelen. Wat me, hopla!, weer zeshonderd jaar verder brengt.
Die rustige Bredense vastheid wordt in het midden van de XVIde eeuw verstoord. Oorlog! De ene partij, de Geus, verschanst zich in 1601 in Oostende. Hij slecht de duinen zodat de omgeving bij hoogtij overstroomt, wat moet beletten dat de Spanjool hem langs daar aanvalt.  De overstromingstactiek heeft ook onbedoelde gevolgen: het afgraven van de duinen leidt in Oostende tot het ontstaan van de huidige havengeul en creëert in Bredene een krekennet.
In 1604 valt de stad.  Nu de oorlogsstokers elders vechten kan er hier weer vredig aan de polders gewerkt worden. In de eerder aangelegde dijk (vandaag is dat de streep die gevormd wordt door Duinen-, Sluizenstraat en Plassendalesteenweg) graaft men in 1626 een gat waardoor zo’n kreek met de aan de andere kant liggende Noordede verbonden wordt. Het overtollige water kan nu van de landerijen stroomafwaarts naar de Oostendse haven vloeien.  Zo’n gat brengt uiteraard gevaar voor overstromingen met zich mee. Vandaar dat er in dat gat een sluis gebouwd wordt. Ha, voel je hem komen?!
Dat stelsel van kanalen en vaarten dient niet alleen voor de afwatering. Met kleine platte schuiten voert men over water goederen van Bredene naar de Ieperlee. Aan de sluis worden die schuiten via een windas over de dijk de Noordede in getrokken. 
Hier komt dan eindelijk de kwestie van het blauwen in zicht.  Dat is, zoals u ongetwijfeld weet, niet hetzelfde als blowen; blauwen is een synoniem van smokkelen. Moet men aan die sluis tol betalen? Worden daar douanerechten ontweken? Worden er daarom goederen over de sluis gesmokkeld? 
Tijd om de zaken scherp te stellen. Het begrip smokkelen is ruimer dan het ontduiken van de rechten van in-, uit- en doorvoer.  Het woord betekent ook bedriegen van anderen door iets achter te houden. (1) En dat zal daar ook wel gebeurd zijn. In de overdracht van schuiten zal er aan de sluis wel regelmatig een en ander ‘van de camion gevallen' zijn; ja, er zal ongetwijfeld geblauwd zijn. Daardoor komt het dat men er vandaag nog over de Blauwerssluis spreekt. 
Er zit een flink stuk poëzie in het woord Blauwerssluis, vind ik. Helaas werd de sluis niet daarom blauw genoemd, wel omwille van de prozaïsche reden dat hij in blauwe arduinsteen gebouwd werd. (2) 
Spijtig? Een beetje wel, ja. Maar wat belet ons eigenlijk om desondanks van de Blauwerssluis te spreken? Er is daar vandaag, zoals gezegd, niets te zien dat blauw is. Een sluis heb ik daar trouwens evenmin gezien. Zouden ze die ook geblauwd hebben?
Flor Vandekerckhove

(1)  Sluiken — smokkelen. Het begrip smokkelen is ruimer dan het begrip sluiken. Het laatste ziet uitsluitend op het drijven van sluikhandel, het ontduiken van de rechten van in-, uit- en doorvoer; smokkelen op het bedriegen van ambtenaren der belastingen en ook op het bedriegen van anderen door iets achter te houden of te verzwijgen. Ik wil nog wel een spel met u spelen, maar onder conditie, dat gij niet weer smokkelt.’ Handwoordenboek van Nederlandsche Synoniemen (1908).
(2) G. Desopper, Bredene en de Blauwe Sluis, in Jaarboek 1996 Ter Cuere, ps 97 e.v. Waaruit ik ook alle andere feitelijkheden van dit stuk gehaald heb.

zondag 9 juni 2013

De roemloze levens van Pierre Michon


Pierre Michon
‘(…) zo meteen komen ze binnen, zo meteen bestaan en lachen ze, ze houden hun adem in en volgen bevend elke zin want aan het eind daarvan is hun lichaam misschien, maar zelfs nu zijn hun vleugels te licht, ze schrikken van een log bijvoeglijk naamwoord, ze voelen zich door een hortend ritme verraden, verslagen vallen ze eindeloos neer en dan zijn ze nergens meer, hun gestuite herrijzenis doodt hen altijd en eeuwig, ze treuren en verdwijnen onder de grond, andermaal zijn ze minder dan dingen, niets.
Moge een trefzekere stijl hun val hebben vertraagd, waardoor de mijne misschien ook trager is; moge mijn hand hun hebben vergund, hoe vluchtig ook, in de lucht een gedaante aan te nemen, louter opgeroepen door de spanning in mij; mogen ze, door mij te vellen, hebben geleefd, hoger en lichter dan wij leven, zij die zo weinig waren en weer zo weinig zullen zijn. En mogen ze misschien, wonderlijk genoeg, verschijningen zijn geworden. Er is niets waar ik zo dol op ben als op een wonder.
Maar heeft dit alles wel plaatsgehad?’
(…)
‘Toch heb ik, terwijl ik naar hen op zoek was, terwijl ik met hen in gesprek was in een allesbehalve woordloze stilte, vreugde gekend, en mogelijk kenden zij die ook; vaak werd ik zelf bijna geboren in hun mislukte wedergeboorte, en altijd stierf ik bijna met hen; ik zou hebben willen schrijven vanuit dat duizelingwekkende ogenblik, vanuit die bevende verwachting, verrukking of niet te bevatten verschrikking, schrijven zoals een sprakeloos kind sterft en oplost in de zomer — in een grote, amper zegbare ontroering. Er is geen macht die kan beslissen dat ik daar hoegenaamd niet in ben geslaagd. (…)’

Soms valt er niets aan toe te voegen.  Dat gevoel overrompelt me meermaals terwijl ik Roemloze levens van Pierre Michon aan ’t lezen ben.  En dan, helemaal op ’t einde, staan daar ook nog eens de hierboven geciteerde zinnen die, beter dan wat ook, uitleggen waarom het schrijven aan de alchemie verwant is.  Ik, krabbelaar, kan alleen maar nederig het hoofd buigen en constateren dat Pierre Michon tot de allergrootsten behoort.

Pierre Michon, Roemloze levens. 2001. Uitg. G.A. van Oorschot, A'dam. Oorspronkelijke titel Vies minuscules. 1984.
[Wie op onderstaande labels op 'leesnotities' drukt, vindt elders in de blog nog soortgelijke stukken.]

zaterdag 8 juni 2013

Work in Progress (XIII)


[Op mijn vierenzestigste verjaardag begon ik een autobiografie te schrijven, of toch een min of meer verbeelde variante op het genre. Ik hoopte een eerste versie af te hebben op de dag dat ik vijfenzestig word. Zo nu en dan presenteer ik in deze blog een nieuw hoofdstuk. Wie (eerst) eerdere hoofdstukken wil lezen, drukt op een van de labels onderaan.]

XIII.
Omdat het waar is wat ik schrijf, daarom is ’t dat ik zo koortsachtig aan dit boek werk. Het is een inzicht dat zich gaandeweg gevormd heeft, iets wat in den beginne helemaal niet duidelijk was, maar het al schrijvend wel geworden is. Blijkt dat dit het boek wordt waarin ik, eindelijk, eindelijk, onbeschroomd tekeer zal gaan; met vorm en inhoud, met overdaad en schaarste; gekunsteld waar ik er zin in heb, meanderend waar ik wil, herhalend waar het me past, wars van de mening van de lezer die er überhaupt niet is. Door al die zelfgeschreven vrijheid komt de weg naar de waarheid open te liggen, net zoals de meesters het me voorgezegd hebben, Louis-Ferdinand Céline, André Breton, Pierre Michon en al die andere.
Het begon, wel ja, nog weifelend. Wat is dit voor een boek, vroeg ik me toen nog af. Maar dat is inmiddels wel verleden tijd.  Dit is geen autobiografie en een roman is ‘t evenmin, dit zijn geen memoires en je kunt het evenmin zomaar een verhaal noemen, dit is geen fictie en het is zeker geen non-fictie.
Dit is wat zich afspeelt aan een tafel voor het raam dat uitkijkt op het binnenplein van het rusthuis waar ik ooit terechtkom en waar ik half luidop voor me uit zit te monkelen, te vertellen, tegen niemand of 't zou tegen mijn spiegelbeeld in 't vensterglas moeten zijn, onverstaanbaar en zonder remmingen, of 't zouden deze van de taal moeten zijn, in de even tragische als geruststellende wetenschap dat niemand luistert, behalve de denkbeeldige die ikzelf ben. Dit is iets wat ik mezelf aandoe, het is mijn waarheid.  Dit is wat ik mezelf vertel; ’t is de vertelling van iemand die in zichzelf aan 't spreken is.
Er is niets meer dat de verteller in ’t gareel houdt.  Weg is de behoefte om ermee te scoren. Hier wordt de gouden regel gedood die zegt dat je je schatten moet doden, hier wordt de opschorting van ongeloof opgeschort, de vrees om het al te ingewikkeld te maken is weg, en dat geldt ook voor de behoefte om de dingen te verschonen, te verbloemen.
Open voor me ligt de weg naar waarheid.  Een van de vele weliswaar, maar een waarheid minstens even waar als al de andere (zelfs de tegenovergestelde); een waarheid die elkeen ook wel kan vermoeden mocht men daar enige moeite voor willen doen (maar die men uiteraard niet doet) of die deze of gene op een heimelijke manier zelfs zeker weet, maar desondanks een waarheid die nooit eerder uitgesproken werd, laat staan neergeschreven, omdat er bij voorkeur geen aandacht aan besteed wordt — waarom zou men? —, ook omdat men zegt dat het een waarheid is die met de mantel van de liefde bedekt moet worden; omdat ze over gedane zaken gaat die geen keer nemen; omdat men vindt dat ze niet opgerakeld moet worden; omdat het algemeen geweten is dat er over de doden niets dan goed verteld mag worden. Om al die redenen, voorwendsels evengoed als valabele redenen, wordt ze niet beschreven, maar al die argumenten komen uiteindelijk hierop neer: omdat het mijn waarheid is, alleen de mijne en niet die van iemand anders. Daarom is ’t dat ik zo dwangmatig bezig ben, omdat ik de enige ben die ze zal schrijven (en de enige die ze daarna zal lezen). Daarom is ‘t, omdat ik de schrijver èn de lezer ervan ben, de schepper van een waarheid die bestaat uit wat ik er als enige over schrijf en wat ik er vervolgens als enige over lees.
Twaalf hoofdstukken lang al vraag ik me af wat me ertoe drijft om zo passioneel aan dit boek te werken, ik die op de valreep van mijn vijfenzestigste sta en die het allang niet meer nodig heb om mezelf in de schijnwerpers van ’t leven te zien staan, integendeel; ik die naar de rust van de vergetelheid verlang; ik die alle literaire pretenties achter me gelaten heb, of dat althans denk; ik die zeker weet dat er voor dit boek geen plaats op de markt is (zoals dat voor mijn vorige trouwens evenmin het geval was). En nu weet ik het, nu weet ik waarom ik zo overmoedig aan dit boek begonnen ben en waarom ik sindsdien van geen ophouden meer weet.
[Er staat anders wel genoeg werk te wachten, taken die altijd weer te lang uitgesteld worden, formulieren die dringend ingediend moeten worden en die hier al zo lang liggen dat ze zoekgeraakt zijn, een tijdschrift dat al zo lang op een bijdrage wacht dat het er niet meer van zal komen, de boeken die voor ik sterf zeker nog gelezen moeten worden, houtwerk dat er afgebladderd bij staat, de was, de plas, het dak, een schurend scharnietje, kleinkinderen die me te weinig te zien krijgen, planten die bewaterd willen worden; er is zoveel dat belangrijker is dan dit boek dat desalniettemin al dat belang laat wijken.]
Ik mag dan onvervaard te werk gaan, je mag niet denken dat dit alles me niet bezwaart en dat ik mezelf, in de plaats van de lezer die er niet zal zijn — toch niet in die mate dat je van een publiek of van een lezerscorps kunt spreken — geen vragen stel bij wat hier nu tevoorschijn komt.  Ik vraag het me af, evengoed als elke willekeurige lezer het had kunnen doen, gesteld dat het hem de moeite geleken had: welke mens is dat eigenlijk die zijn ouders op zo’n manier beschrijft? Die mensen zijn dood, waardoor ze geen verweer meer hebben. Kan ik het voor mezelf verantwoorden dat ik ze hier op deze manier portretteer, zij die zichzelf niet meer kunnen verdedigen?  Schrijf ik over hen op een beschamende manier? Is het een afrekening, een al te lang uitgestelde daad van een overjarige puber? Lijkt het op revanche, op wraak zelfs?
Het zijn vragen die op een begrijpelijk misverstand berusten — zo weet ik inmiddels wel, zo heb ik het al schrijvend uitgedokterd —, dat veroorzaakt wordt door het ontleedmes waarmee dit boek door het leven snijdt, het mijne en dus ook dat van mijn ouders; een mes dat met omtrekkende bewegingen een gezwel blootlegt dat menselijk tekort heet, dat gezwel dat het leven danig bezwaart en waaraan mijn ouders niet hebben weten te ontsnappen; hij niet in de drank en zij niet in de religie; een gezwel dat ook het leven bezwaart van degene die er nu, zoveel jaar later, over schrijft en die daardoor een tekst aflevert als deze die ik nu aan ’t schrijven ben; ik, degene waarmee mijn ouders destijds hebben moeten leren leven, degene waarmee ook ik al die tijd moet leren leven; zoals we dat tenslotte allemaal moeten doen: ermee leren leven, met onszelf en met ons menselijk tekort.
Hadden die mensen nog geleefd dan zouden ze zich in dit boek herkend hebben.  Ze zouden er zich heel zeker aan geërgerd hebben. En ik, ik zou me op mijn beurt aan hun ergernis geërgerd hebben.  Ongetwijfeld zouden mijn woorden hun pijn gedaan hebben.  En als ze het me niet gezegd zouden hebben, om de kerk in ’t midden te houden, om geen olie op het vuur te gooien, om de dingen niet nog ingewikkelder te maken dan ze al zijn, omdat wij over al die dingen niet spreken, dan had ik het toch wel gezien, in een veelzeggende blik bijvoorbeeld die mij op mijn beurt weer pijn zou gedaan hebben. Maar wat valt daaraan te doen?  Dat is de pijn die ouders voelen als ze naar het kind kijken dat van hen vervreemdt; een kind dat evengoed naar ouders kijkt die hem vreemd zijn. Maar goed, die mensen moeten dat allemaal niet meer lezen, want ze zijn dood. En van dode mensen kun je veel zeggen, maar niet dat iets hen kwetst.
Of kwets ik die overleden mensen toch wanneer ik schrijf hoe mijn moeder op zaterdagavonden de luizen uit mijn vaders haar aan ’t knijpen is, hoe ik daar als kind op sta te kijken terwijl hij met gebogen hoofd op een stoel zit, zij achter hem staat en een fijne kam door zijn half krullend haar laat gaan, waarbij ik uiteraard aan de apen denk die ik tijdens een schoolreis bezig gezien heb? Kwets ik mijn dode vader wanneer ik in dit boek over het ongedierte vertel dat hem bespringt terwijl hij in het hok kip na kip na kip de dood injaagt? Kijk ik niet toe wanneer hij die beesten omgekeerd in een trechter hangt zodat het bloed uit hun bek in het gootje vloeit waar het ook stolt? Zit ik er niet op te kijken, wachtend, een stinkend doek over mijn schoot, doordrenkt met bloed en slijm en stront, waar de oorwormen ’s nachts nest in gemaakt hebben, waarop hij straks de kip zal smijten die door mij gepluimd moet worden, terwijl de weeë geur van die doorweekte dieren zich in mijn poriën nestelt, waardoor ik altijd een beetje naar de dood ruik?  Ben ik niet de dagelijkse kroongetuige van het gekrijs van weer een konijn dat hij de nekslag geeft, waarna hij het niet helemaal bewusteloze, radeloze beest met een vlijmscherp mes de keel oversnijdt terwijl het zijn doodsangst uitschreeuwt en het bloed tot ver naast de emmer spuit die het had moeten opvangen? Zie ik niet hoe hij dat nog rillende konijn aan zijn gevlochten achterpoten over de balk hangt? Ik kijk goed toe wanneer hij het vilt, want ik vermoed dat de dag ooit komt dat ik het in zijn plaats zal moeten doen, en zie hoe de rokende ingewanden, een festijn voor de kat, in de emmer verdwijnen.  Ik heb ze gezien, al die beesten die meedogenloos gedood worden, maar uiteraard ook de luizen die aan de dood proberen te ontsnappen door mijn vader, even meedogenloos als hij, te bespringen; ik zie ze lopen in zijn nek, en ik heb gezien hoe mijn moeder hem er weer vanaf helpt. En dat ze dat met liefde doet, net zoals ik het de apen in de zoo zie doen.
De waarheid is: ik houd wel van mijn ouders. Ik houd van mijn moeder.  Is zij het niet die er voor mij is, altijd, ook op al die avonden dat er niemand anders is; niemand en zeker mijn vader niet? Is zij het niet die me met haar sierlijke handschrift het woord leert te waarderen? Is zij het niet die mijn waterverfschilderijtjes, even trots als lacherig, aan wildvreemden toont die er ’t hunne van denken? De waarheid is: ik houd van mijn vader die me meeneemt wanneer de Ronde van België in de buurt passeert, die me één enkele keer voorleest wat er in de krant onder de tekeningen van Erik de Viking geschreven staat, wiens handtekening ik imiteer, die me helpt bij het oppompen van mijn fietsbanden en die me op mijn twaalfde al leert autorijden in de Ford die ik de Mooie Amerikaanse noem.
De waarheid is: ik houd wel van mijn ouders, net zoals elk kind dat doet, maar waarom staat mijn vader, een volwassen man in de volle kracht van het leven, te wenen bij Zoë, zijn moeder, terwijl zijn zoon er niet begrijpend op staat te kijken? Aan mijn vader hoef ik het niet te vragen, want hij spreekt niet echt met mij, maar waarom legt mijn moeder me niet uit wat er gebeurt? Wat is er aan de hand met die twee? Welk drama speelt zich daar af, waar ik niets mee te maken mag hebben en desondanks alles mee te maken heb? Waarom gedragen die twee zich zo belachelijk? Waarom gaan ze zich zo te buiten op familiefeesten waar iedereen zich wel te buiten gaat, maar zij toch weer veel meer dan de anderen? Waarom legt mijn moeder me niet uit wat er gebeurt op zo’n momenten, zij die me anders altijd alles ongevraagd uitlegt? Waarom moet ik van dat alles de stomme getuige zijn? 
Ik weet het wel, bij haar is het mijn zusje, Myriam, die het niet gehaald heeft, die haar in een eenzaamheid stort waaraan niet te tornen valt, door niets en niemand, en die ze alleen maar kan uiten in tremolo's tijdens kerkdiensten. Bij hem is het de drank; drinken moet hij en zij heeft liever dat hij het in haar gezelschap doet dan elders; ik weet het wel, maar waarom kan ik daar met niemand over spreken? Waarom is Edmond, mijn vaders vader, zo vroeg gestorven en waarom is Jozef, mijn moeders vader, nog jonger gestorven? Waarom zal mijn vader zo vroeg sterven en zodoende mijn moeder verplichten om tot op hoge leeftijd alleen verder te leven, in eenzaamheid, zonder Myriam die haar gezelschap had kunnen houden, met alleen maar het bezoek van een onwillige zoon die nauwelijks in staat is haar zijn liefde te betuigen? Is dat allemaal omwille van de drank en omwille van een kind dat niet levensvatbaar was?
De waarheid is: ik houd wel van mijn ouders, net zoals een kind dat doet en ik haat hen net zoals een kind dat doet.  Ik haat mijn moeder wanneer ze haar machteloze woede weer eens op mij koelt. Ik haat mijn vader als ik hem in het huis, dat zuur ruikt naar verschaalde alcohol, de trap zie afkomen, in zijn marcelleke, zijn gezicht vol rode plekken, verwrongen van de alcohol; de paniek trotserend die zich van zijn echtgenote meester maakt wanneer ze vermoedt dat hij zich klaarmaakt om weer op pad te gaan; niet antwoordend op haar dwingende vraag waar hij heen gaat, als om ons te demonstreren hoe dwars een dronkaard wel kan zijn.
Ik haat hen beiden — zie ze daar staan! — en omdat ik niet bij machte ben hun dat ook te zeggen, muis ik er vanonder.  In de garage staat de Mooie Amerikaanse waarin ik me terugtrek. Het portier valt dicht met een zachte plof die ik nooit meer in een andere auto zal horen. In de wagen heerst een luxueuze stilte.  In het handschoenenvakje vind ik een aangetast pakje Sprint, de sigaret van de sportman; ik ga achter het stuur zitten, draai de autosleutels om — de Mooie Amerikaanse maakt nauwelijks lawaai, ze zingt.  Niemand komt me halen.  Ik open de garagepoort en luister voor het eerst in mijn leven naar de lokroep van de sirenen. ik vergeet de koplampen aan te steken en rijd de duisternis in, eerst weifelend, dan zelfzeker.
Ik zoek een lang stuk weg, de Koninklijke Baan, duw zover mijn kinderbeentjes het me toelaten het gaspedaal in en zoek de meest geschikte plek en het beste moment om me met de Mooie Amerikaanse te pletter te rijden; een daad die hun moet laten zien hoe groot mijn haat wel is. Mijn handjes omklemmen krampachtig het stuur van de mooiste auto die mijn vader ooit gekocht heeft, de Customline haalt honderdtwintig en kijk, hij gaat daar nu zelfs over.
Ik nader het einde van de weg, heb dan nog altijd geen geschikte plek gevonden en nog minder een geschikt moment, en besef ik dat ik een gevaarlijk stuk theater aan ’t opvoeren ben. Mijn hart klopt in mijn keel.  Ik laat het gaspedaal los. De Mooie Amerikaanse vertraagt, zoeft rustig verder doorheen het duister, en ik haal adem. Aan het einde van de weg keer ik de wagen en rijd hem weer naar huis. Ik parkeer hem onberispelijk in de garage, steek het pakje sigaretten in mijn broekzak, sluit de poort en ga weer naar binnen, klaar om te ontvangen waar ik om gevraagd heb.
Mijn moeder zit te boeren in de zetel. Ze zegt niets, maar ik voel dat ze erin geslaagd is mijn vader weer naar bed te sturen. Niemand heeft mijn afwezigheid opgemerkt. Niemand weet dat ik enkele tellen eerder aan honderdtwintig per uur op zoek geweest ben naar de geschikte plek om hun voor het eerst in mijn nog prille leven, op een bewuste manier, mijn afkeer te laten kennen. Mijn moeder zegt me dat het tijd is om naar bed te gaan. Ik gehoorzaam haar, als immer.