zaterdag 19 oktober 2019

Het meisje van Toulouse


— Links zie je mij op het plein van de Abattoirs in Toulouse staan. Ik lees er de tekst die op de gevel aangebracht werd:‘Dans l’attente du septième jour qui nous réunira aux premières heures de la nuit.’ ’s Nachts worden de woorden van Joël Andrianomearisoa in neon verlicht. Wij gaan in dat museum kijken naar de overzichtstentoonstelling van de Amerikaanse schilder Peter Saul. Maar de voorgaande avond maakten we ook al een en ander mee. —

Op twee uur rijden van het vakantiehuisje ligt Toulouse. Daar gaan we naar de Thurston Moore Group kijken. Geen idee wat me te wachten staat, voor de zekerheid heb ik oordoppen meegebracht. Op het binnenplein verzamelt zich een publiek dat zich in niets van dat van de AB in Brussel onderscheidt. En er is dat ene meisje, ik schat vijfentwintig, mooi als alle meisjes van haar leeftijd, maar in deze zwart wit film heeft de regisseur haar een kleurtje aangemeten. Ik zou haar uitvoerig kunnen beschrijven, in haar pakje en zo, maar dat soort schrijver ben ik niet, bij mij moet het vooruitgaan. Ik geef haar een naam: het meisje van Toulouse.
Op dat eigenste moment, in de aanblik van dat ene meisje, leert deze zeventigjarige man dat hij uitgeteld is. Het spel der seksen raast voort, heftig als immer, maar zonder dat hij er nog iets in te betekenen heeft. Het meisje roept veelzeggende woorden in de oude man op: berusting, onthechting, aanvaarding. Ze staan hem niet tegen, die woorden.
Dan breekt de noicerock van Thurstin Moore en de zijnen los. Ik voel de bassen en Tania’s heupen. Eén uur lang jaagt de band ons op in een wervelende tocht naar de absolute uiteinden van het heelal. In een glimp ontwaar ik het meisje van Toulouse. In trance. Ja, het is nogal iets met de mensheid, zo onderweg en al, in afwachting van de zevende dag die ons zal verenigen met de eerste uren van de nacht.

Flor Vandekerckhove


O.S.C. Avondgenoegen treedt op in — BREDENE, de fakkel, zondag 20 oktober, 16 uur — OOSTENDE OOSTEROEVER, O.666, vrijdag 25 oktober, 19 uur — WENDUINE, Persepit (in de duinen), 24 november, 14 uur — OOSTENDE STAD, De Grote Ruutten, 1 december (uur volgt) …

donderdag 17 oktober 2019

De kwestie van de blauwe Cadillac

Last Ride Hank Williams 4 maakt deel uit van een collectie tekeningen die Jo Clauwaert momenteel in de Verenigde Staten tentoonstelt, meer bepaald in de Yard Dog Gallery in Austin. De tekening, die verwijst naar het tragische leven van singer-songwriter Hank Williams, inspireert me wel. De vogel, die in Clauwaerts tekening zo’n prominente plaats inneemt, wordt door Williams bezongen in diens tearjerker ‘I'm so lonesome I could cry’: Hear that lonesome whippoorwill / He sounds too blue to fly, / The midnight train is whining low / I'm so lonesome I could cry… Clauwaerts tekening levert nu ook een gedicht op: De kwestie van de blauwe Cadillac. De vernissage van Clauwaerts werk gaat in de Verenigde Staten door op 17 oktober. Op diezelfde dag maak ik het gedicht wereldkundig, maar dan hier aan de Noordzee. Is dat niet schoon?!    

De kwestie van de blauwe Cadillac

De Sheriff had de peuk in ‘t gras gekeild en er daarna,
Met de top van zijn laars, het vuur uitgeduwd.
Zelf had ik uit de zadeltas het schrijfgerief genomen
Om nauwlettend te noteren wat hij me dicteren zou.

Dit is geen auto, zei hij vreemd genoeg meteen,
En ik schreef letterlijk die woorden op,
Dit is overduidelijk iemands woonst, zei hij,
Wijzend naar het wrak van de blauwe Cadilllac.

Hij trok zijn neus op, snoof en zei: ik ruik etensresten,
Erwtensoep, bloemkool, patatjes, varkensgebraad,
In sneetjes, voegde hij eraan toe,
Het soort eten dat men thuis maakt.

De Sheriff is een echtgenoot, een specialist in
Zo’n geuren, en hij zei nogmaals: dit is iemands onderdak.
Schrijf daar maar bij, zei hij, in kapitalen:
Ik ruik alom de geur van alcohol.

In ’t schoon Amerikaans dicteerde hij vervolgens al
Wat hij van buiten door het raampje binnen zag,
Al wat van belang kon zijn voor ’t onderzoek, door mij
Genoemd: de kwestie van de blauwe Cadillac.

Bloemetjesbehang, eenvoudig meubilair,
’t Is allemaal heel ouderwets, zei hij,
Een autoradio zonder FM, je moet niet vragen
Over welke langverleden tijd dit gaat.

Omdat het portier vanbinnen af gesloten was,
Sloeg De sheriff, met het handvat van zijn colt,
Het raampje stuk, dat in scherven brak, en wild fladderde
Hij het zwerk in, de gezant des doods, Kill Bill The Whippoorwill.

De Sheriff en ik keken lange tijd de vogel na, tot die
Godbetert de trein nam, die daar juist voorbijkwam, en
Pas daarna ontwaarden we op de achterbank de cowboyhoed
Waaronder een mens genaamd Hank Williams lag.

Een restje stroom van de al lang leeggelopen autobatterij
Lichtte het schermpje van de radio op en we luisterden stilzwijgend,
De Sheriff en ik, naar de echo van een song die, zo noteerde ik meteen,
Als volgt van start ging: Koetje boe koetje boe koetje boe boe boe.

Flor Vandekerckhove


De queeste van de blauwe Cadillac valt ook te beluisteren op podcast. Het betreft een variante. Daar wordt ‘De Sheriff’ vervangen door ‘Jo Clauwaert’. Mocht u zich afvragen waarom ik twee varianten maak, weet dan dat ik de schepper van dit gedicht ben en daar zoveel varianten van maak als ik maar wil. Er is ook een minder pretentieuze uitleg: de figuur van De Sheriff is wel degelijk door Clauwaert geïnspireerd, de kunstenaar die de tekening Last Ride Hank Williams 4 maakt. Wie de podcastversie van het gedicht wil beluisteren klikt hier!


O.S.C. Avondgenoegen treedt op in — BREDENE, de fakkel, zondag 20 oktober, 16 uur — OOSTENDE OOSTEROEVER, O.666, vrijdag 25 oktober, 19 uur — WENDUINE, Persepit (in de duinen), 24 november, 14 uur — OOSTENDE STAD, De Grote Ruutten, 1 december (uur volgt) …

woensdag 16 oktober 2019

Berg en dal en voortschrijdend inzicht


— Foto links: vanaf de Bau des Poun kun je gemakkelijk de rij huisjes op de daar tegenovergelegen Puèg del Borion  spotten. Foto Rechts: Omgekeerd gaat moeilijker. Waar bevindt zich de point de vue? Ik ijk me op twee hoog opgeschoten bomen in het dal. Het uitkijkpunt ligt krek tussen het verlengde ervan, vlak onder de bovenste bomenrij op de Bau des Poun. Ja, dáár. —

Boven op de Bau des Poun kijken we naar het huisje aan de overkant van de vallei. De huizenrij staat scherp afgetekend tegen de wand van de tegenovergelegen berg, de Puèg del Borion. Omgekeerd gaat moeilijker: het bos slorpt de point de vue in zich op. Buren die zeggen te weten waar dat punt zich exact bevindt, wijzen in een richting die voor mij onaanvaardbaar is. Tegenspreken durf ik niet — zij wonen hier, ik niet — twijfelen doe ik des te meer.
Op de wandeling nemen we een oud laken mee. Aan het uitkijkpunt knoop ik de lap rond een tak. Terug thuis neem ik de verrekijker ter hand. Vergeefs.
Diezelfde dag rijdt houthakker Antoine met zijn motocycle over de bergkam. Na afloop gaat hij er een kraken bij de buren. Hij zegt: Er hangt godver een laken aan de point de vue. De buurman beaamt: ’t is dat van les Belges. Antoine wijst de richting aan, waardoor de buurman leert dat de point de vu zich geenszins bevindt waar hij hem al heel zijn leven situeert.
En dit is heden. Om beurten turen de buurman en ik door de verrekijker. Ja, dáár, links van het dorp, hoog tegen de Bau des Poun, is soms een miniem wit stipje te zien, soms niet. ’t Kan een waaiend laken zijn. Een rode lap ware duidelijker, zegt de buurman. Waardoor ik me m’n rode vaan in de kelder herinner. We gaan de kwestie meteen beslechten. Tania rondt de Bau des Poun met de auto, in de koffer de vlag. Van de point de vue stuurt ze me een tekstberichtje. Ha! Op de Bau del Poun wappert nu onmiskenbaar de rode vaan. De buurman en ik heffen de Internationale aan, hij in ’t Occitaans, ik in ’t West-Vlaams.

Flor Vandekerckhove


O.S.C. Avondgenoegen treedt op in — BREDENE, de fakkel, zondag 20 oktober, 16 uur — OOSTENDE OOSTEROEVER, O.666, vrijdag 25 oktober, 19 uur — WENDUINE, Persepit (in de duinen), 24 november, 14 uur — OOSTENDE STAD, De Grote Ruutten, 1 december (uur volgt) …

dinsdag 15 oktober 2019

Het voortschrijden der tijden, maar dan in Vabre

’t Is lang geleden dat er beweging in de blog gezeten heeft. Dat komt doordat ik twee weken in m’n vakantiehuisje in Vabre heb doorgebracht. In dat dorp is er wel internet beschikbaar, maar je moet er de berg voor afdalen en je naar de bib begeven, tijdens de schaarse uren dat de vrijwilligers van de association die voor geopend verklaren. Soms doe ik dat ook wel, maar deze keer heb ik het vertikt. Wat niet betekent dat er niets te vertellen valt.

Toulze (86) is overleden.’t Is niet dat ik dacht dat hij het eeuwige leven had, maar toch. 
Katholieken en protestanten hebben in dit dorp gescheiden begraafplaatsen. Waar ligt Toulze? En waar komen overleden atheïsten in deze tweespalt terecht? Een schier onverstaanbare autochtoon zet ons op weg naar het katholieke kerkhof. Veel fikfak op Toulzes graf en een plaket waaruit blijkt dat hij een combattant en Angérie, Maroc et Tunisie geweest is.
Toulzes overlijden confronteert me met het voortschrijden der tijden en op een zachtere manier doet ook de pensionering van Christine dat. Weer schrik ik, weer vervalt een zekerheid. De épicerie heet nu Le panier d’ Hélène. Even sober, maar opgefrist, wat hoopgevend is, net als de verhuizing van de krantenwinkel naar de overkant van de straat hoopgevend is, ook daar in een opgefrist interieur.
Ik heb de tijd gekend dat het dorp een bakker had, daarna ik heb ik het meegemaakt dat een jong koppel de bakkerij vruchteloos overnam en verleden jaar zag ik een ander koppel dat daar een lokaal bier begon te brouwen, dat vreemd genoeg Saison belge en Noire belge heette. Ook dat is alweer voorbij. Ik lees de mare: ‘Merci pour cette année, du soutient, des découvertes, des bas et des hauts, merci pour cette aventure.’ De uitbater van de krantenwinkel zegt me dat er achter deze mooie woorden een echtscheiding schuilt.
De dorpsklok slaat zeven, de zon verdwijnt achter de berg die, indrukwekkend als altijd, voor ons ligt. Ik plaats een punt achter dit stukje over veranderingen in een dorp waar alleen maar schijnbaar niets verandert. We halen de kussens binnen en gooien een extra houtblok op het vuur. De nacht omarmt het dorp, de uil maakt zich kenbaar.

Flor Vandekerckhove


O.S.C. Avondgenoegen treedt op in — BREDENE, de fakkel, zondag 20 oktober, 16 uur — OOSTENDE OOSTEROEVER, O.666, vrijdag 25 oktober, 19 uur — WENDUINE, Persepit (in de duinen), 24 november, 14 uur — OOSTENDE STAD, De Grote Ruutten, 1 december (uur volgt) …

maandag 30 september 2019

On The Road Again

— Deze e-affiche werd geconstrueerd op basis van het gedicht Ensor en zijn bende in Oostende. Op podcast kunt u horen hoe het gedicht spoort met de muziek van Dimer Geedts: klik hier !  —  

Dit is eerst. — Na mijn pensionering trek ik me volledig uit het openbare leven terug. Ik sluit de deur en zeg de journalistiek vaarwel. Al wat ik nog wil doen is mijn extreem korte verhalen schrijven. Ongecensureerd. In stilte. Tot de dood ons scheidt.
Mijn geliefkoosde plaats wordt deze achter Het Laatste Vuurtorenraam, onder De Laatste Vuurtorenlamp. Auteurslezingen en publieke optredens zijn voltooid verleden tijd. Wie mijn verhalen wil lezen moet zich maar op deze Laatste Vuurtorenblog abonneren en wie wil horen hoe ik een gedicht declameer, moet maar naar De Laatste Vuurtorenpodcast luisteren. Als ik nog eens buitenkom is het alleenlijk om een wandeling te maken. Of om Iwein Scheer een plezier te doen, dat ook.

En dat is wat zich opeens voordoet. — Terwijl ik dat aan ’t doen ben (Iwein Scheer een plezier) leer ik Dimer Geedts kennen, een zonderlinge pianist-componist. Dat vertel ik hier.
Inmiddels heb ik Geedts tot De Laatste Pianoman Van De Laatste Vuurtoren benoemd. Da’s een eretitel waarvan u nooit eerder gehoord hebt en waarover ik u later nog wel eens iets meer zal vertellen.
Samen vormen De Laatste Pianoman en De Laatste Vuurtorenwachter nu de Ostend Social Club Avondgenoegen, een poëtisch duo dat u dit jaar nog ziet optreden in Bredene, Oostende Oosteroever, Wenduine en Oostende Stad. Niet slecht, vind ik, voor iemand die zich volledig uit het openbare leven teruggetrokken heeft. Dat vindt trouwens ook Martin Heylen: ‘Ik wens je veel succes’, schrijft hij, ‘Merkwaardige stroming brengen jullie op gang.’ Als ge dat maar weet, antwoord ik daarop.
Ge moet echt eens komen kijken, 't is overal gratis toegang. En 't is zoals ze het op de markt roepen: Allee madammeke, profiteert ervan,’t zijn De Laatste!

Flor Vandekerckhove

— O.S.C. Avondgenoegen in BREDENE, De Fakkel, zondag 20 oktober, 16 uur — OOSTENDE OOSTEROEVER, O.666, vrijdag 25 oktober, 19 uur — WENDUINE, Persepit (in de duinen), 24 november, 14 uur — OOSTENDE STAD, De Grote Ruutten, 1 december (uur volgt) … —

Herinneringen aan de Oostendse matrozen van de IJslandvaart

— Robert — Soepe — Rousselle, taxichauffeur ter zeevisserij —   

In 1988 vestig ik me op de Oosteroever, het vermoeid kloppende hart van de Oostendse zeevisserij. Als een soort derderangs messias wek ik er het pas overleden Visserijblad weer tot leven. In 1988 is het al duidelijk dat de merkwaardige biotoop van de zeevisserij zijn nadagen beleeft. Met enkele gelijkgezinden ga ik op zoek naar getuigen die ons nog kunnen vertellen hoe het er in de hoogdagen aan toegegaan is. Marc Loy vraagt het in 1988 bijvoorbeeld aan een taxichauffeur.

In de topdagen van de Oostendse visserij, keren er wekelijks verschillende overvol geladen vaartuigen uit IJsland terug. Ook een aantal taxichauffeurs beleven in die tijd hun hoogtijdagen. Telkens zo’n ‘IJslander’ aanmeert staat een sliert taxi’s klaar. Ze pendelen dag en nacht tussen kaai en visserskwartier, met matrozen als passagiers. In de koffer van de auto zit hun vuil wasgoed en een panger, het deel in natura dat de visser na een zeereis meekrijgt naar huis.
Robert — soepe — Rousselle († 2001) is zo’n taxichauffeur: ‘Ik zette eens een nieuwe Chevrolet aan de vismijn. Hij was nog niet ‘geprepareerd’ voor de visserij, in de koffer had ik kranten gelegd om het meeste vissop op te vangen. Mijn eerste klant merkte onderweg een vriend op en ik moest stoppen, zodat hij die mens enige vis kon offreren. Daarna veegde hij zijn handen af… achteraan zijn broek. Ongegeneerd ging hij weer in de splinternieuwe zetels zitten. Ik kan je verzekeren: de visgeur kreeg je daar achteraf nooit meer uit.’
Wie, zoals Rousselle, voor de visserij rijdt, is daar vervolgens ook toe veroordeeld. Zo’n taxi is niet langer geschikt om pakweg trouwers naar de kerk te voeren. Erg is dat in die tijd niet, want de Oostendse vismijn draait elke werkdag op volle toeren — cliënteel genoeg.
De matrozen van de IJslandvloot torsen een stevige reputatie. Rousselle vertelt aan Loy volop anekdotes over jongens die hij van de ene naar de andere kroeg voert, tot het geld op is, en nadien gaat dat nog een tijdje door ‘op de poef’; hij vertelt over vissers die hij naar de rekrutering van het Vreemdelingenlegioen brengt en over thuisloze matrozen die zich in de Brugse gevangenis laten opsluiten om de winter door te komen … Waren ze allemaal zo? Neen, maar de reputatie komt evenmin uit de lucht gevallen.
— Schrijver Redmond O’hanlon scheepte in
aan boord van een diepzeetrawler. —
De Britse reisschrijver Redmond O’Hanlon heeft het er hier ook over. Een schipper vertelt hem wat er op zee met die jongens gebeurt: ‘Na (…) nachten van hooguit een halve slaapcyclus per keer, maximaal drie kwartier per twaalf uur, beland je in de manische fase van tekort aan slaap. En de jongens gaan daar telkens wanneer ze op zee zitten weer doorheen! Het is een of andere chemische reactie in onze hersenen, Redmond. Geen slaap. Dan proberen de hersenen orde op zaken te stellen om het te overleven, herinneringen te sorteren, alles voor te bereiden om in actie te komen door te práten in plaats van te dromen. Je vertelt mensen dingen die je niet zou moeten vertellen, je onderbewustzijn is voor andere mensen zichtbaar (…)  Zij bazelen niet over het onderbewustzijn! Nee, zij laten de mentale pijn van dit alles alleen merken door stomdronken te worden zodra ze de wal op gaan. En uiteraard is er niemand, niemand aan de wal die hen begrijpt of vergeeft. En dan hebben ze minstens zesendertig uur slaap van het hoogste niveau nodig – maar hun vrouwen hebben zich al helemaal in de stress gewerkt, omdat ze zich verwaarloosd voelen, omdat ze twee of drie weken zonder man hebben gezeten, en helemaal aan hun lot zijn overgelaten en in hun eentje op de kinderen hebben moeten letten, zonder dat ze een dag vrij hebben gehad, en hun man heeft zich op zee vermaakt, en daarom vertellen ze hem over alle problemen die hij heeft veroorzaakt doordat hij weg is geweest en dan staan ze er verdomme op samen te gaan winkelen… En daarom wordt de trawler weleens, heel af en toe, gewelddadig. En dan belt iedereen de politie.
Flor Vandekerckhove



O.S.C. Avondgenoegen treedt op in — BREDENE, de fakkel, zondag 20 oktober, 16 uur — OOSTENDE OOSTEROEVER, O.666, vrijdag 25 oktober, 19 uur — WENDUINE, Persepit (in de duinen), 24 november, 14 uur — OOSTENDE STAD, De Grote Ruutten, 1 december (uur volgt) …

zaterdag 28 september 2019

Leren schrijven met Lydia Davis

In een oud nummer van the Paris Review (°) staat een interview met de Amerikaanse schrijfster Lydia Davis, een van de meesters van het zeer korte verhaal. Ze omschrijft het verschil tussen een kort en een zeer kort verhaal en ze leert me een indrukwekkende dichter kennen. Over dat interview maak ik een stukje van het type, zo weet ik uit ervaring, dat u wellicht overslaat. Dat ik het toch post komt door iets wat ik eerder al heb uitgelegd in Waarom plaats ik hier deze leesnotities als u die toch niet leest.

— Lydia Davis heeft niet veel plaats nodig —
De interviewster vraagt waarom Lydia Davis haar werk als ‘verhalen’ bijeenbrengt en niet als ‘korte verhalen’. Davis: ‘Voor mij is een kort verhaal een gedefinieerde traditionele vorm, het soort ding dat Hemingway schreef, of Katherine Mansfield of Tsjechov. Het is langer, meer ontwikkeld, met gesproken scènes en dialoog enzovoort. Je zou sommige van mijn verhalen goede korte verhalen kunnen noemen. De meeste noem ik geen korte verhalen, ook al zijn er veel heel kort. Sommige kun je gedichten noemen — niet veel.’ Hoezo gedichten. Davis weer: ‘Ja, het hangt erg af van de impuls die erachter zit. Sommige wil ik erg plat hebben en proza laten zijn. Ze zullen nog wel hun eigen muziek en ritme hebben, maar het zullen geen liedjes zijn. En bij andere denk ik aan liedjes. En dat zijn gedichten, ook als ze op de pagina niet op gedichten lijken. Van alle vormen van schrijven heb ik de gedichten altijd erg hoog geplaatst, en dat doe ik nu nog. Ik zeg niet dat er geen verbazingwekkende verhalen en romans zijn. Maar ik veronderstel dat wat een gedicht kan doen me meer verbaast.’ Verder zegt ze daarover: ‘Een ander probleem met terminologie is dat mijn zogenaamde verhalen in zoveel categorieën kunnen vallen. Ik wil niet moeten stoppen en denken: vandaag schreef ik een filosofische meditatie, of: vandaag schreef ik een anekdote; vandaag heb ik een vignet geschreven; vandaag heb ik een epi geschreven … wat is het, is ‘t een epigram of een epigrafie? Ik vergeet het altijd. Het punt is, ik wil dat soort zorgen niet.’
In dat interview formuleert ze, denk ik, een goede omschrijving van het zeer korte verhaal, zoals dat zich afbakent tegenover de typische korte verhalen in de gedefinieerde traditionele vorm. Je herkent er A.L. Snijders in (over het werkelijkheidsgehalte van diens ZKV’s heb ik hier eerder al een beetje gefilosofeerd): ‘In het begin van de jaren tachtig besefte ik dat je een verhaal kon schrijven dat eigenlijk alleen maar een verhaal was van iets dat je was overkomen, en dat je het enigszins kon veranderen, zonder het echt fictief te moeten maken. In zekere zin is dat gevonden materiaal. Ik denk dat het moeilijk is om de grens te trekken en te zeggen dat iets niet gevonden materiaal is. Want als een vriend van me mij een verhaal of een droom vertelt, dan denk ik dat het gevonden materiaal is. Als ik een e-mail ontvang die zich leent voor een goed verhaal, is dat gevonden materiaal. Maar als ik merk dat de maïsmeeltjes kleine condensaties maken, is dat dan het gevonden materiaal? Het is van mijzelf, ik gebruik geen tekst, maar ik gebruik een bestaande situatie. Ik verzin het niet. Ik vind wat er in de werkelijkheid gebeurt, erg interessant en ik vind niet dat er een grote behoefte is om de dingen goed te maken, maar ik hou er wel van verhalen na te vertellen die me worden verteld.’
En dan, terwijl de interviewster polst naar Davis’ beginjaren als schrijfster, leert ze me een nieuwe auteur kennen, een mens die me meteen zeer blijkt aan te staan: ‘Waarom ben ik niet gewoon doorgegaan met het schrijven van traditionele korte verhalen, zoals mijn moeder? (…). Ik vond de traditionele vorm van het verhaal zeer beperkend, zeer beperkend. Ik was niet blij om het te doen. Toen las ik de verhalen van Russell Edson, een Amerikaanse dichter. Hij zou die verhalen gedichten noemen, maar dat zou ik niet doen. Het zijn bizarre kleine verhalen, absurd en vreemd, en ik zag opeens dat ik dit soort stukjes kon proberen en dat het heel leuk zou zijn. Ik was blij dat ik iets nieuws probeerde. (…) het was spannend.’ Russell Edson, ik ga je daar nog mee lastigvallen, ik voel het.
Flor Vandekerckhove


(°) Lydia Davis, Art of Fiction N°. 227. Interviewed by Andrea Aguilar and Johanne Fronth-Nygren. In the Paris Review, issue 212, Spring 2015.

O.S.C. Avondgenoegen treedt op in — BREDENE, de fakkel, zondag 20 oktober, 16 uur — OOSTENDE OOSTEROEVER, O.666, vrijdag 25 oktober, 19 uur — WENDUINE, Persepit (in de duinen), 24 november, 14 uur — OOSTENDE STAD, De Grote Ruutten, 1 december (uur volgt) …

donderdag 26 september 2019

Avondgenoegen bijt in de appel van het surrealisme

Zo luidt de opdracht: 
kun je van een stukje realisme, 
in casu het advies dat Hilary Mantel aan schrijvers meegeeft, 
een surrealistisch verhaal maken? 
Wel zeker!
Dat verhaal ga ik hier niet reproduceren, 
het staat daar
maar Mantels schrijversadvies 
wil ik wel nog eens meegeven: 

‘Denk aan Orwell, 
die goed proza met een kaal raam vergeleek. 
Concentreer je 
op het scherpen 
van je geheugen 
en leg je gevoeligheid bloot. 
Schrap minstens een derde 
van elke pagina die je schrijft. 
Probeer geen uitzinnige opsmuk 
in je zinnen te persen. 
Denk goed na wat je precies wilt zeggen. 
Zet het zo krachtig en direct mogelijk 
op papier. 
Eet vlees. 
Drink bloed. 
Hang je sociale leven 
aan de wilgen 
en denk maar niet 
dat je vriendschappen kunt onderhouden.’

Hoe het daarop gebouwde surrealistische verhaal luidt, kun je nu ook op podcast beluisteren. Dat moet je zeker eens doen, want de componist Dimer Geedts heeft er een stukje piano bij bedacht: klik hier !

Flor Vandekerckhove


— O.S.C. Avondgenoegen treedt op in — BREDENE, de fakkel, zondag 20 oktober, 16 uur — OOSTENDE OOSTEROEVER, O.666, vrijdag 25 oktober, 19 uur — WENDUINE, Persepit (in de duinen), 24 november, 14 uur — OOSTENDE STAD, De Grote Ruutten, 1 december (uur volgt) … —