donderdag 30 juni 2016

Je moest een fiets hebben (3)

— Bredene — Tieners op de fiets. Van links naar rechts: Honoré Pitteljon, Hugo Pauwels, Flor Vandekerckhove. Die laatste foto dateert van december 1963, de twee andere van een onbekend jaar. Alle drie werden ze op een zondagmiddag gemaakt, je ziet dat aan de kleren. Met de fiets kunnen de jongens aan de zondagse verveling ontsnappen. —

In die tijd baadde alles in zekerheden. Maandag wasdag, dinsdag strijkdag, woensdag midweek, donderdag kuisdag, vrijdag visdag, zaterdag klusjesdag, zondag rustdag. Je wist op voorhand wat er komen zou en dat had voordelen. Het had ook nadelen.
Ik neem je mee naar zo’n zondag. Je bent pakweg veertien jaar. De zekerheden dienen zich aan. 
Het gezin heeft kip genuttigd. Op de radio weerklinkt onvermijdelijk de Aria van de smeden uit Verdi’s opera Il Trovatore. Het is de begintune van het programma Opera & Belcanto dat een ferm stuk van de middag zal vullen. Je ouders bevinden zich elk in een fauteuil. Hun voeten rusten op een poef. Twee uur lang zal de radio beroemde aria’s draaien. Binnen de kortste keren worden die vergezeld van de zware adem van je ouders die in slaap gesukkeld zijn. Zondag rustdag doet zijn reputatie alle eer aan. Je veertienjarige zelf dreigt bedolven te worden onder een karrenvracht verveling.
Later komt daar de tv bij. Die staat elke zondagmiddag afgesteld op Rijsel. Die zender is geabonneerd op Nana Mouskouri. Verveling, verveling. Nu en dan maakt die Mouskouri plaats voor Claude François, een soort Jacques Raymond op speed. Waarna het de beurt is aan Mireille Mathieu, een kloon van Edith Piaf, maar dan in de middenklasseversie, een Piaf zonder scherpe randjes. Of je kijkt naar rugby, twee ploegen die je niet kent, een sport waar je niets van begrijpt. In de winter springen skiërs heel de godganse middag een gat in de lucht. Je ouders snurken. Salondansen. Verveling, verveling.
Je bent veertien jaar. Wat kun je doen? Je hebt zondagse kleren aan die langs alle kanten knellen. Je mag die vooral niet vuil maken. Gepoetste schoenen, Jan Theys, plooi in de broek, De Tijd Van Toen, gesteven hemden, Opera & Belcanto, manchetknopen, een te nauwe boord. Clo-Clo, plastron, Inlichtingen Voor Duivenliefhebbers, gesnurk van ouders…
Onlangs had ik het er nog over met Erik, een oud-schoolmakker. We waren het erover eens: de fiets heeft ons van het spleen gered. Hoe zouden we die zondagen zonder fiets doorgekomen zijn? We durven het ons niet in te beelden. Zondag fietsdag!
Flor Vandekerckhove

dinsdag 28 juni 2016

Porna

— Beatriz Gimeno links, Clara Serra midden, Amarna Miller rechts —
Trouw aan de idealen van mijn jeugd lever ik vandaag nog altijd een financiële bijdrage aan de Socialistische Arbeiderspartij (SAP), wellicht het allerkleinste politieke partijtje van dit landekijn. ’t Is vooral for old time’s sake en ook omdat ik nooit iets gevonden heb dat beter is.
Op 5 juni werd ik verrast door de site van dat partijtje. Daar werd toen verslag uitgebracht van een debat in het Spaanse linkse Podemos. Op zich is dat niet verwonderlijk, want de Spaanse geestesgenoten van de SAP zijn in Podemos actief. Het was evenmin het onderwerp — seks, porno en feminisme — dat me verraste, want de SAP heeft een sterke feministische traditie. Ik werd wel verrast door de positieve toon waarmee de drie linkse sprekers porno benaderden. Ook vreemd: niemand van de SAP vond het nodig om achteraf commentaar te leveren. Wie zwijgt stemt toe?
Aan de tafel zitten drie ter zake ervaren vrouwen: Beatriz Gimeno, Clara Serra en Amarna Miller. De eerste is regionaal parlementslid. Ze is ook feministe, auteur van pornografische literatuur en LGBT-activiste [LGTB is een Engelse afkorting voor Lesbian, Gay, Bisexual, Transgender.] Clara Serra is verantwoordelijk voor het gelijkheidsbeleid in die partij en Amarna Miller is de meest bekende Spaanse porno-actrice èn feministe. Voorwaar een indrukwekkend panel. Van dat debat onthoud ik dat niet heel de linkerzijde porno afkeurt en ook dat niet alle feministen porno als zijnde verwerpelijk wegzetten.
Clara Serra breekt een lans voor feministische porno die ook wel porna genoemd wordt: Porno is voornamelijk gemaakt (…) met een machistische invalshoek. Veel feministen staan daarom negatief tegenover porno en breder tegenover seks, omwille van het geweld en machismo. Feministische porno probeert te breken met deze normativiteit (…) Het is belangrijk dat feministische porno vertrekt van de verlangens en lusten van vrouwen (…) De bedoeling moet zijn om de verlangens van vrouwen serieus te nemen, of een vrouw nu een passieve of dominante seksuele rol verkiest.’
Ik heb zelf al een en ander over porno geschreven. Verslag van mijn onderzoekingen vind je in zeven stukjes van de blog, wanneer je ter rechterzijde op het label seks drukt. Over feministische porno of porna (een naam die fel betwist wordt) heb ik evenwel niets geschreven; nog niets.
Maar kijk, de feministen van Podemos hebben de deur ontgrendeld. Op het internet speur ik naar namen van enkele regisseurs: Erika Lust, Petra Joy, Jennifer Lyon Bell, Anna Span, Maria Beatty, Candia Roylle, Murielle Scherre… Vervolgens ga ik op zoek naar een film van een van die mensen.
In het goede gezelschap van mijn geliefde zal ik die film, ten gepaste tijde, consumeren. En u daar vervolgens verslag over uitbrengen. Kortelings op dit scherm! Komt dat zien, komt dat zien!
Flor Vandekerckhove

maandag 27 juni 2016

Wat te doen?

Sartre schreef graag in cafés. In zo’n etablissement schrijft hij in 1943 ook Het zijn en het niet, een indrukwekkend boek dat ik half gelezen — zelfs dat niet — aan de kant gelegd heb. Ik zie dat ik daarin maar één passage onderstreept heb. Da’s erg weinig, want het boek telt 788 bladzijden.
In die passage observeert Sartre een kelner, misschien wel deze die op de foto hiernaast staat: ‘Zijn bewegingen zijn snel en voorkomend, een beetje te precies, een beetje te snel — al zijn gedrag lijkt een spel … hij speelt, hij vermaakt zichzelf. Maar wat speelt hij? We hoeven niet lang te kijken voordat we het kunnen verklaren: hij speelt een ober in een café.’
Als ik Sartre goed begrijp — wat bijlange niet zeker is — is het oké om zo’n rol te spelen, op voorwaarde evenwel dat je je daarvan bewust bent. Dat is ook het enige wat ik van dat boek geleerd heb. Toch mag ik dat niet weinig noemen, want daardoor heb ik begrepen dat ook ik een rol in het leven speel. In 2003 is dat de rol van een uitgever van het tijdschrift Het Visserijblad. Vandaag is het deze van een schrijver die zijn oeuvre publiceert in een blog die De Laatste Vuurtorenwachter heet.
Het is lang geleden dat ik daar nog eens over nagedacht heb. Dat ik dat nu toch weer doe komt doordat ik juist een essay gelezen heb van Batya Ungar-Sargon, een freelance schrijfster uit New York.
In Undercover atheists heeft ze het over afvallige joden die, ondanks het feit dat ze atheïst geworden zijn, aan de rituelen en verplichtingen van het ultra orthodoxe joodse geloof blijven participeren. Ze kiezen bewust voor een dubbelleven in de ultra-joodse gemeenschap, want als ze voor hun atheïsme uitkomen dan verliezen ze hun werk, wordt hun huwelijk ontbonden en moeten de kinderen de school verlaten. Ze blijven de kleren van de orthodoxie dragen, ze eten volgens de rituelen en laten de orthodoxie nog altijd bepalen met wie ze in ’t publiek spreken, wanneer ze dat doen, hoeveel keer en waar. Hun kinderen blijven naar de joodse scholen gaan en hun echtgenoten blijven het ware geloof aanklampen. En dat gebeurt allemaal terwijl ze ervan overtuigd zijn dat God niet bestaat.
Ze noemen zichzelf ‘orthopraxen’, zij die correct de joodse praktijken beoefenen en onderscheiden zich zodoende van de ‘orthodoxen’ die het correcte geloof bezitten. Je kunt het hier allemaal zelf lezen. 
Dat essay laat me met een vraag zitten. Is het oké om ook in dat geval zo’n rol te blijven spelen? Wat zij doen lijkt me toch niet hetzelfde te zijn als wat de kelner van Sartre doet. Zij belazeren doelbewust de kluit. 
Mocht ik jonger zijn, dan zou ik daar ongetwijfeld negatief op antwoorden. — Hoezo oké? Wat een huichelaars! — Maar op mijn leeftijd ben je niet zo rap meer in het uitdelen van slechte punten.
Tijd om een ander boek uit de kast te halen. In De vreemdeling voert Albert Camus een mens op die weigert het spel te spelen. Zijn held wordt door de rechtbank ter dood veroordeeld, niet omwille van de moord die hij gedaan heeft, maar omdat hij weigert met minder genoegen te nemen dan met een authentiek leven: hij weigert te liegen. Liever dode jan dan blode jan!
Moeten die atheïstische joden dat dan ook doen, zo'n radicale keuze maken? En de vraag die jou wellicht meer interesseert: wat zou jij in dat geval doen? En ik, wat moet ik doen?
Dit is altijd weer het punt waarop Bertolt Brecht me te hulp snelt, waar hij zegt: ‘Verwacht geen ander antwoord dan dat van jezelf.’ Camus en Sartre zouden het hier wellicht mee eens geweest zijn.
Flor Vandekerckhove

° Jean Paul Sartre. Het zijn en het niet, Proeve van een fenomenologische ontologie. Lemniscaat, 2003.
° Albert Camus. De vreemdeling. De Bezige Bij, 2010
° Bertolt Brecht. Aan de wankelaar te lezen in http://florsnieuweblog.blogspot.be/2016/03/aan-de-wankelaar.html

zaterdag 25 juni 2016

De drie ridders

Overvloedige regenval heeft de weg onder water gezet. —
Deze week start onze wandeling in Gijverinkhove, een dorp waarvan wij niets afweten, helemaal niets. Dat is een beetje vreemd, want het ligt hier vlak om de hoek en het heeft een geschiedenis.
Vlak bij de kerk, waar ik een banaan verorber, wonen in 1200 drie ridders. Na de dood van hun moeder gaan ze elk hun weg. Nothing behind me, everything ahead of me, as is ever so on the road’, zoals Jack Kerouac het zo welsprekend zegt in zijn voor de rest onleesbare boek On the Road.
Ze komen alle drie nog een keer terug naar het dorp. Een ervan is ridder gebleven, maar de twee anderen hebben zichzelf tot kluizenaar gerecycleerd. Ik weet ook niet waarom. 
Hoe dan ook, vlak voor ze weer vertrekken laten ze voldoende geld achter om er een kapel te bouwen, of misschien wel drie, want ik zoek me te pletter om de feiten te checken, alsmede te dubbelchecken, maar het internet leidt me alleenlijk naar horecazaken en een brouwerij die De Drie Ridders heten en niet naar kapellen.
Je kunt die kapel(len) daar nog opzoeken en dat is ook wat wij gaan doen. Helaas, driewerf helaas! De overvloedige regenval heeft een Gijverinkhoofse weg zodanig onder water gezet dat we onze wandeling halverwege moeten afbreken. Ik word genoodzaakt de feitelijkheden betreffende de drie ridders tot in drogere tijden uit te stellen.
Waar de feitelijkheden ophouden, neemt de fantasie het over. Ik wijt het ongemak aan een van de ridders. Voor mijn geestesoog zie ik de snoodaard over de zompige beemden dwalen en in mijn geestesoor hoor ik hem wreed lachen. Hij ruikt, zo zegt mijn geestesneus, naar solfer.
Terwijl we op onze schreden wederkeren herinner ik me een vak uit de lagere school dat Werkelijkheidsonderricht heette. Ik herinner het me omdat ik daarin iets geleerd heb over irrigatie van landbouwgronden. ‘Boeren leggen buizen onder hun akkers om overvloedig water af te laten vloeien’, zeg ik mijn vriendin. ‘Die buizen zijn onderaan waterdicht, maar bovenaan waterdoorlatend.’
‘Weet je dat wel zeker?’, vraagt ze niet geheel onterecht, want heel het land is daar ondergelopen. ‘Die buizen helpen blijkbaar niet erg veel.’
Wat ze ook zegt is dit. ‘Werkelijkheidsonderricht? Was dat een soort tegengewicht voor de godsdienstlessen?’ Zo had ik dat nog niet bekeken, maar haar vraag wijst me er vooral op dat we inmiddels met de tweede Gijverinkhoofse ridder geconfronteerd worden. Hij lacht ons uit vanuit de holte van een knotwilg. Wat me leert dat hij een van de gerecycleerde kluizenaars is.
Terwijl we achteraf naar huis rijden, vind ik het spijtig dat er, ter wille van het verhaal, geen derde voorval is dat ik aan die ridders kan koppelen, want het zijn er ten slotte drie.
Die avond zal ik op een boekvoorstelling aanwezig zijn. In Oostduinkerke wordt het boek Onze vissers, Het Zilte Leven voorgesteld, waaraan ik heb meegewerkt. Het evenement ontgaat me evenwel compleet en ik vergeet ernaartoe te gaan. Daar moet die derde ridder voor iets tussen zitten.
Flor Vandekerckhove

vrijdag 24 juni 2016

Een kwestie van kleren


Enige tijd geleden postte ik hier een nostalgisch stukje over de kleren waarmee ik in de sixties mijn contesterende identiteit probeerde uit te dragen. Ik stond daar uiteraard niet alleen in, ik baadde in de jeugdcultuur van die tijd. We droegen als ’t ware allemaal zoiets. Ook John Lennon had zo’n tweedehands legershirt, zoals uit de foto hiernaast blijkt.
Mijn generatie was niet de eerste die zo’n eigen jeugdcultuur etaleerde en zij zou evenmin de laatste zijn. Ter verstrooiing van de mensheid in het algemeen en van u in het bijzonder heb ik deze week een beetje naar voorlopers gespeurd. Het heeft machtig mooie beelden opgeleverd, die ik onderaan dit stukje bijeengebracht heb.

In 1964 worden de Britten opgeschrikt door gewelddadige confrontaties tussen mods en rockers, jongeren die wel de leeftijd met elkaar gemeen hebben, maar er voor de rest helemaal anders uitzien. Rockers rijden op zware moto’s en dragen daar aangepaste kledij voor: veel leer en indrukwekkende laarzen. Mods daarentegen zijn modieus gekleed en verplaatsen zich per scooter. Ander vervoer, andere kleren, andere muziek ook, want mods prefereren andere bands dan rockers. Tegengestelde identiteiten. Voeg er een dosis puberale dadendrang aan toe en je krijgt rellen, wat thans zinloos geweld genoemd wordt, als zou daarmee iets nieuws uitgevonden zijn.
In 1964 draag ik alleen maar kleren die mijn moeder voor me klaarlegt. Ik ga al naar de universiteit wanneer ik voor het eerst iets voor mezelf koop. Die kleren kosten nauwelijks geld, want ze komen uit de legerstock.
Bij de mods & rockers ligt dat anders, zij zijn ware consumenten. Dat blijkt ook uit bovenstaande foto waarop rockers en mods van beiderlei kunne met elkaar op de vuist gaan. Niet echt eigenlijk, want ik pik de foto van de website van een boetiek. In Londen kun je inderdaad nog altijd kleren kopen die naar die oude jeugdculturen verwijzen.
In de regel beginnen arbeiderskinderen in die tijd al vroeg te werken en vanaf de aanvang van de Trente Glorieuses (1946-1975) mogen ze een deel van het geld voor zichzelf houden. Zij worden de eerste teenagers-consumenten uit de lagere klassen. Wie aan de dokken werkt manifesteert zich als rocker; wie pakweg in een warenhuis zijn brood verdient wordt een mod.
Er waren voorlopers. In Londen zag je eerder al teddy boys. In Frankrijk had je blousons noirs, in Amerika beatniks. Ook bij ons werd in de arbeidersklasse al vroeg een jongerencultuur gesignaleerd: de nozems, aanhangers van de brillantine, de vetkuiven.
Nóg vroeger, in de XIXde eeuw, waren er ook al jongeren die via hun garderobe een identiteit benadrukten: de bohemiens. In een essay waarin hij het over het futurisme heeft schrijft Leon Trotski: ‘De romantici (…) droegen hun haar lang, (…) en de burgerij was nog niet weinig beschaamd wanneer Theophile Gautier een sensationele rode vest ging dragen. De gele blouse van de futuristen is ongetwijfeld een achternicht van deze romantische vest die zoveel weerzin opriep bij de papa’s en de mama’s.’ Lang haar, rode vesten, gele blouses… Worden de hippies er later door geïnspireerd?
Mocht ik in de jaren vijftig een beetje ouder geweest zijn dan was ikzelf misschien wel een artistiekeling geworden, want die verplaatsten zich, zo leert me ’t internet, per fiets. [Ik had de term, eerlijk gezegd, nooit eerder gehoord, hij werd, zo lees ik nu, in de jaren vijftig geijkt in Rotterdam.] Ze ontmoetten elkaar in jazzcafés en koffiehuizen. Terwijl je luisterde naar Brassens lulde je wat over Sartre. Kleren: slobbertruien, ribfluweel, legerparka… Ja, dat lijkt me wel iets voor mijn jonge zelf geweest te zijn. Voor mijn ouwe zelf trouwens ook, want mijn kleerkast zit, zo constateer ik tot mijn eigen verwondering, vol met dat soort kleren.
Flor Vandekerckhove

— Op krek dezelfde manier waarop dat voor hun ouders gold domineerden klassenverschillen de kledij van jongerenToffs and Toughs, een foto van Jimmy Sime, illustreert de Britse klassen in 1937. —


— Nozems met brommers op de kermis op de Nieuwmarkt in Amsterdam. De jongen heeft een vetkuif. Het meisje achterop draagt een dun chiffon sjaaltje over haar suikerspinkapsel. De brommer werd een buikschuiver genoemd, omdat je er voorovergebogen op reed. Op onze fietsen probeerden we dat te imiteren door het stuur zo ver mogelijk naar beneden te keren. (Foto Ed van der Elsken.) —

— Artistiekelingen in Amsterdam. De jongens dragen zwarte coltruien, het meisje een zwart truitje met artistieke garnering. De fiets was het meest gebruikte vervoermiddel. Een jongerencultuur die vooral door dat laatste binnen ons bereik lag. (Foto Dirk de Herder.) —
— Die twee Amerikanen lijken me ook wel door de jongerencultuur van de artistiekelingen geïnspireerd te zijn. Bill en Hillary in 1973, tijdens hun studentenjaren. —

woensdag 22 juni 2016

Je moest een fiets hebben (2)


De fietsloze jongen had in die tijd een handicap. Hij werd de facto uitgesloten van het sociale leven dat zijn leeftijdsgenoten met elkaar deelden en dat veelal uit activiteiten bestond waarbij er moest gefietst worden.
Ik had het hier eerder al over de wielerwedstrijden die we toen organiseerden. Maar er was nog ander fietsverkeer. Ook om te voetballen had je een fiets nodig, want wanneer er tegen de White Star gespeeld werd — een wedstrijd waarin we nota bene een sportieve pandoering van jewelste kregen — dan trok je met de fiets naar Zandvoorde. Je had die fiets ook nodig om in Oostende op het terrein van Hermes te geraken en zelfs om te gaan voetballen op het hobbelige plein van IZNO, de plek waarop nadien het rijksstation voor visserijonderzoek gebouwd werd.
Er werd ook minder doelgericht gefietst, bijvoorbeeld om de vervelende zondagmiddagen te verdrijven; daar ga ik later zeker nog een stukje aan wijden, want een mens kan zich die zondagse verveling vandaag nauwelijks nog voorstellen.
En er waren de lange fietstochten die ons naar Walcheren leidden, naar Frans-Vlaanderen of Limburg, en waarover we het allemaal eens zijn dat ze tot de mooiste dagen van onze jeugd behoren.
Eindelijk foto’s waarop achteraan een datum staat! Ze dateren van de paasvakantie 1965. Gemiddeld zijn we zestien jaar. De tieners die je ziet zijn op weg van Bredene naar Nijlen. Of beter gezegd: ze zijn op weg naar ergens anders, maar het is in Nijlen dat ze stranden. We zien (1) Marc Loy, (2) Flor Vandekerckhove, (3) Hugo Pauwels, (4) Soketje, (5) Danny Crabeels, (6) Chris Stuyts (†), Willy Versluys, (8) Lucien Geryl, (9) Koenraad Levecke (†), (10) Bert Tas, (11) Roland Vanmassenhove en (12) Serge Schaut.
De groep was groter dan wat deze foto laat vermoeden. Elders in de blog heb ik eerder al een poëtisch stukje over die fietsvakantie gepost en daar kun je mooie foto’s van heel de bende zien.
Ook over een andere fietstocht, die keer in 1967, naar Lommel, heb ik al enkele stukjes geschreven. Die vind je hier en daar.
Die fietstochten waren dan wel onvergetelijk, veel ervan was ik toch vergeten. Goed dat we na het publiceren van die stukjes onze geheugens nog eens op een hoop gelegd hebben.

Flor Vandekerckhove

dinsdag 21 juni 2016

Boontjes naast de kwestie



De bib heeft het boek aangekocht waarin de cursiefjes verzameld staan die Louis Paul Boon in 1969, als Boontjes, in het dagblad Vooruit gepubliceerd heeft. Ik heb het meteen meegenomen, wellicht als eerste.
In 1969 ben ik een lezer van Vooruit. Dat komt vooral doordat het blad vlak naast ’t Keetje geproduceerd wordt, mijn Gentse stamcafé. Het is nauwelijks middernacht als de journalisten daar de krant al binnensteken, heet van de pers, letterlijk! Voor we ons te ruste begeven hebben we de ochtendkrant van de daaropvolgende dag al gelezen.
Ik ken die Boontjes bijgevolg al lang en ik herinner me dat ze me destijds nauwelijks konden bekoren. Dat komt doordat een jonge man denkt dat hij alles beter kan. In mijn jonge ogen is Boon in dat jaar al oud, 57.
Inmiddels ben ik tien jaar ouder dan Boon toen was. Ik weet nu uit ervaring hoe moeilijk het is om als columnist van een krant regelmatig een tekst van enige kwaliteit af te leveren, beperkt als je bent door het dwingende karakter van het formaat. Ik doe dat nu zelf al enige jaren in De Zeewacht — 1900 tekens, spaties inbegrepen. Ter vergelijking: dit stuk telt er iets meer dan 4200 — en ik moet toegeven dat ik er nog altijd mijn draai niet in gevonden heb. Een ervaring die me milder maakt voor die Boontjes.
Het spant in 1969 aan de Gentse universiteit. In dat jaar grijpt de Maartbeweging om zich heen, een soort Mei 68 après la lettre. Dat gebeuren speelt zich af in de onmiddellijke omgeving van de plek waar Boon zijn column zit te schrijven. Ik vraag me af het in zijn Boontjes een spoor nalaat.
Op 12 maart organiseert een studentenorganisatie een lezing over pornografie. Vlak voor die doorgaat ontvangen de organisatoren het bericht dat een en ander door de universiteit gecensureerd wordt.  Seks, censuur en jonge mensen… Het is een explosief mengsel dat al menig keer gevonkt heeft, ik heb het er hier al eerder over gehad. In Gent trekt die combinatie de Maartbeweging op gang.
Ik vraag me af of ik er in de Boontjes iets van weervind. Louis Paul Boon is immers ook de man van de beruchte Fenomenale Feminatheek, zijn verzameling van 22.400 erotische naaktfoto’s. Voelt hij zich bij die Gentse pornozaak betrokken? Ik bekijk het Boontje van 13 maart, dat vlak na het gebeuren verschijnt. Hij heeft het daarin over een toneelvoorstelling in Aalst waar hij die avond naar gaat kijken.
— 't Keetje in Gent. Vooruit
werd er om middernacht geleverd,
nog heet van de pers. —
Diezelfde dag bezetten 300 studenten het rectoraat van de universiteit. Dat ligt vlak rechtover het gebouw van de krant. De sfeer is grimmig, een student wordt aangehouden. Vanuit de ramen van de Vooruit moet het allemaal te zien zijn. Ik kijk naar het Boontje van 14 maart. Hij heeft het over een smakelijke hutsepot die hij verorberd heeft.
De Maartbeweging ontvouwt zich. Er worden nog studenten aangehouden. Ze worden verdedigd door Piet Van Eeckhout, de Gentse voorman van dezelfde socialisten die de Vooruit uitgeven. In zijn Boontje heeft de schrijver het over een probleem aan zijn dakgoot.
De universiteitsgebouwen op de Blandijnberg worden bezet, er volgt betoging na betoging. Professoren spreken zich uit, voor of tegen de beweging. Studenten worden tot in een warenhuis achternagezeten door de flikken. De onderdirecteur van dat warenhuis protesteert tegen dat politieoptreden. Dagblad Het Volk spreekt over voorbijgangers die zich opnieuw in de oorlog wanen, gepantserde wagens, zwaarbewapende politie met mitrailleurs, vier waterkanonnen, jeeps en omstanders die ‘Sieg-Heil’–kreten declameren.
Ik wil maar zeggen: het is al bij al niet niets wat daar gebeurt. Ik herinner me een betoging die vlak voor de gebouwen van de krant Vooruit stil komt te staan. Honderd meter verder houdt de gendarmerie zich klaar om toe te slaan. We buigen de stilstand om tot een sit in. Die door de gendarmerie prompt uiteengeslagen wordt. Ik vlucht de gebouwen van Vooruit binnen en verschuil me daar in het magazijn, achter een rol krantenpapier.
Valt in de Boontjes van dat alles een spoor te ontdekken? Neen. Hij heeft het in de resterende dagen van die maand nog over een griepje, zijn vrouw die klaagt over zijn gesnurk, boeken die zijn collega’s geschreven hebben, een kennis die overleden is en vooral over drank, heel veel over drank.
Is Louis Paul Boon de man niet die vond dat hij de mensen een geweten moest schoppen? Toch niet in zijn Boontjes van 1969.
Flor Vandekerckhove

° Louis Paul Boon, Boontjes 1969. Uitg. Stichting Isengrimus en boekhandel Roelants, in opdracht van het Louis Paul Boon Genootschap. 413 ps, € 30.

maandag 20 juni 2016

Stock americain

— Vestimentair protest tegen de Amerikaanse oorlogsstokers. Links, de shirt van John Lennon. Ersatz bij Amazone.com te koop voor 166 dollar. Rechts mijn jacket, origineel te koop bij ’t Amerikaantje à 12 euro. —

Het is iets wat je normaliter alleen tijdens een autoreis in Frankrijk doet, maar wij deden het onlangs in eigen land. We lieten de autosnelweg links liggen en kozen ervoor om via de routes nationales naar huis te rijden.
Daardoor komt het dat we in de omgeving van Sint-Niklaas voorbij ’t Amerikaantje passeerden, een legerstock zoals er in mijn jeugd wel meer waren. Verleden tijd, want samen met de andere restanten van de Tweede Oorlog verdwenen ze gaandeweg uit het straatbeeld alsmede uit de distributiesector. ’t Amerikaantje leek me de laatste der Mohikanen te zijn, een gedachte die nog versterkt werd door de polyester indiaan die ons voor de deur naar binnen stond te lokken.
Deze kans kon ik niet laten liggen, vond ik. We keerden onze kar en parkeerden hem vlak naast de indiaan. Mijn verwachtingen waren even vaag als hooggespannen. Ze werden zowel bevredigd als teleurgesteld.
Ik was nog niet goed binnen of ik werd overvallen door een vlaag van intense nostalgie. De geur, het winkelconcept, de loods, de waren, de schimmel… Alles wierp me een halve eeuw terug in de tijd.
Tussen de legertassen zag ik ook de mijne liggen, die ik in 1969 voor misschien twintig frank gekocht had en vandaag nog altijd met me meetors (geel omcirkeld op onderstaande foto). Hij kost nu vijf euro, zie ik. Da’s een vertienvoudiging, maar nog altijd géén geld voor een tas die, zo mag ik ervaren, de rest van je leven meegaat.
Het deed me er aan denken dat ik in die tijd een licht kaki jasje van ’t Amerikaanse leger droeg, a vintage army jacket in legerstocktermen, een zomerjasje dat destijds tot de standaardkleding van de linkse jongeling behoorde, een vestimentair protest tegen de aanwezigheid van de Amerikanen in Vietnam.
— De legertas die ik in 1969 gekocht heb tors ik vandaag
nog altijd. Hier tijdens een toespraak in 2012, op de
uitreiking van de Arkprijs v/h Vrije Woord aan Peter
Holvoet-Hanssen.  (Foto Sarah Waegemans) —
Ik ben een conservatief. Ik steun nog altijd het partijtje dat me in m’n jeugd wist te bekoren en ik draag nog altijd hetzelfde soort kleren. Maar dat jasje heb ik ooit verloren gelegd, wellicht in een meisjeskamer.
Ik keek om me heen en ja hoor, daar zag ik de rekken staan met wel tientallen, wat zeg ik, honderden kaki legerhemden en -jassen, de ene nog meer vintage dan de andere. Belachelijk lage prijzen: tien, twaalf euro. Mijn dag kon niet meer stuk. Althans dat dacht ik.
Maar weet je wat? Tussen die honderden stukken vond ik geen enkel zomerjasje dat mij paste. ‘Dat komt,’ zei mijn vriendin, ‘doordat het legerkleren zijn. In ’t leger zitten geen mannen van in de zestig. Dat zijn allemaal jonkies, die hebben kleine maten.’  Haar woorden overtuigden me niet helemaal, maar mijn maat kon ik daar toch niet vinden.
Toen we weer in de auto zaten en onze weg vervolgden, vroeg mijn vriendin nog: ‘Had John Lennon in die tijd ook niet zo’n hemd?’
‘We hadden allemaal zoiets’, zei ik, ‘maar ik was eerst.’
Dat was een kribbig antwoord, want ik was nogal teleurgesteld door mijn mislukte zoektocht. Toen ik het later op het internet opzocht, zag ik evenwel dat ik in die Lennonkwestie gelijk had. Lennons foto’s met het vintage legerhemd dateren van in de jaren zeventig. Ik droeg zo’n jasje al in 1969.
Een kopie van dat van Lennon kun je vandaag nog altijd kopen. In de internetwinkel Amazon.com betaal je er 149,99 dollar voor, plus 15,95 verzendingskosten. Dat van mij is in ’t Amerikaantje al te koop voor 10 euro, zij het helaas alleen voor jongens met kiekenborstjes.
Flor Vandekerckhove

zondag 19 juni 2016

Alles is seks

— Alphonse Lemmensplein —
Vijf jaar lang heb ik in Brussel gewerkt, meer bepaald in Anderlecht, in de drukkerij van de SAP, het partijtje van de trotskisten. Over die wijk, langs de chaussée de Mons, tussen de slachthuizen en de Zuidlaan, wil ik een kort stukje schrijven, een vignet, enkele herinneringen. 
Het is lang geleden, meer dan dertig jaar. Eerst luidde de titel boven dit stuk Herinneringen aan Brussel, maar deze die er nu staat is me al schrijvend te binnen gevallen en hij zal bovendien meer lezers lokken.
Het was een oude buurt en iedereen was er even arm. Er woonden jonge zwarten die occasieauto’s exporteerden, oude Vlamingen die een stuk ijzer op maat konden draaien, kruideniers van Noord-Afrikaanse origine, een Turkse bakker en er was ook een Brusselse winkelierster die deed alsof ze je niet begreep als je haar in ’t Nederlands om een stuk chocola vroeg, wellicht omdat de klemtoon dan verkeerd lag.
Als ’t mooi weer was bracht ik de middagpauze door op het Lemmensplein dat om de hoek lag. Terwijl ik er een boterham nuttigde keek ik naar het leven dat er bruiste in de prille dagen van de globalisering.
In die tijd ontwikkelde ik een speelse theorie die stelde dat alles een kwestie van seks is, een ironische variante op het ernstige Alles Is Politiek, dat feministen met succes in stelling hadden weten te brengen. Doordat ik mijn theorie aan de werkelijkheid wilde toetsen had ik veel oog voor de manifestaties van Eros & Thanatos op en rond dat plein.
In New York stonden de twin towers nog overeind, zelfs zwarte zondag moest nog vallen, maar het ging er ook toen al heftig aan toe. Op weg naar het plein passeerde ik een schooltje dat tegelijk een vesting was. IJzeren deur, sloten van het king size type, kettingen, getraliede ramen. De glazen deur van een apotheek toonde een indrukwekkende afgeplakte barst, wellicht veroorzaakt door iemand die dringend iets nodig had. Politiemannen met kogelvrije vesten hielden verveelde Marokkanen tegen. Allemaal voortekenen van wat komen zou.
Tegelijk heerste daar een dorpssfeer. Er speelden Afrikaantjes op het plein en op de banken zaten oude Belgen te breien. Er waren huizen die leegstaand op de sloop aan ’t wachten waren, maar vlak ernaast was er veel bewoning en er waren buurtwinkels, een postkantoor, de apotheek met de gebarsten deur, een slager…
— Gerda Chuffart, 'n toffe collega. —
Een van de jonge Afrikaantjes deed de boodschappen voor een oude Belg die niet langer goed te been was. Uit het raam van de tweede verdieping liet de man een mandje zakken. De jongen rende de boodschappen bijeen en de oude trok het mandje weer naar boven. Een idyllisch dorpsbeeld in ’t midden van de grootstad.
Op dat plein at ik mijn boterhammen in gezelschap van Gerda, een toffe collega. Ze had mollige rondingen en daardoor veel bekijks. We lachten erom. ‘Gerda,’ zei ik, ‘jij zult nooit om een wip verlegen moeten zitten. Al die Arabieren zijn meteen bereid.’
Het was politiek niet erg correct van me om dat te zeggen en de blikken van die mannen waren ook niet koosjer, maar Gerda ging helemaal mee in de theorie die ik aan ’t ontwikkelen was. ‘Ik mag het hopen,’ zei ze, ‘want alles is een kwestie van seks.’

Flor Vandekerckhove

zaterdag 18 juni 2016

Frankenstein en het klimaat

In Indonesië barst in 1815 een vulkaan uit. Die eruptie is zo hevig dat het klimaat er wereldwijd zwaar onder te lijden heeft, en dat gedurende verschillende jaren.
In een essay dat je hier kunt lezen, legt Gillen D’Arcy Wood een merkwaardig verband tussen die klimaatcatastrofe en Frankenstein, het bekende griezelverhaal van Mary Shelley.
1816 wordt ook wel Het jaar zonder zomer genoemd. Lord Byron is tijdens die on-zomer op vakantie in een villa vlakbij het meer van Geneve. Een boogscheut verder verblijven Percy en Mary Shelley. Het slechte weer belet de Britten om te gaan zeilen en ze brengen de tijd door in Byrons villa waar ze griezelverhalen bedenken om de verveling te verdrijven. Daar legt Mary Shelley de kiem van haar Frankenstein.
Het monster — een door ene dokter Victor Frankenstein gefabriceerde mens — wordt altijd in verband gebracht met de schok die de industrialisatie in de negentiende eeuw teweegbrengt en met de spectaculaire technische en wetenschappelijke ontwikkelingen van die tijd. Volgens D’Arcy Wood schenken dergelijke interpretaties te weinig aandacht aan de invloed die de toenmalige klimaatcatastrofe op de mensen uitoefende.
Volgens Wood is de miserabele creatuur die Mary Shelley bedenkt mede geïnspireerd door de desperate klimaatvluchtelingen die in Europa rondwaren. Mary Shelley & C° leven daar niet onder een stolp, toch niet helemaal. Veel ooggetuigen in die dagen hebben het over mensen die ‘als uitgehongerde beesten’ rondzwerven. In zijn essay wijdt Wood ook uitvoerig uit over de inspanningen die een Zwitserse weldoenster zich getroost om de vluchtelingen te helpen en hoe ze daarin door de burgerij gedwarsboomd wordt.
Het jaar zonder zomer is overigens een slecht gekozen term, zegt D’Arcy Wood. Hij verbergt de wereldwijde catastrofe die met de uitbarsting van de Tamboraberg in gang gezet wordt. Vulkanisch stof beïnvloedt het weer tot in 1818: overstromingen en droogte, veranderende oceaanstromingen, geruïneerde gewassen, mislukte oogsten, ziektes, versluierd zonlicht… In Europa sterven tienduizenden mensen van de honger, wereldwijd zijn het er wellicht een miljoen.
De auteur wijst er op dat het monster in het boek zelf zegt dat het geleden heeft onder de ‘inclemency of the season and still more from the barbarity of man’. Mary Shelley heeft het in haar boek, zijn inziens, ook over wat het betekent om een klimaatvluchteling te zijn, gevreesd, gehaat, radeloos, woedend, hongerig en eenzaam.
Wat met die vluchtelingen gebeurt, overkomt ook het monster. In de stad roept hij vrees en vijandigheid op, de burgerij bekijkt hem met afschuw: ‘Shelley verbond zichzelf psychologisch met de ervaring die duizenden hongerige en zieke mensen (…) meemaakten, mensen die in de pers en in de Europese parlementen nooit fatsoenlijk voorgesteld werden (…) In Frankensteins schepping toont Mary Shelley ons de krachtigst mogelijke incarnatie van de verafschuwde en ontmenselijkte vluchteling.’
Gillen D’Arcy Wood wijst er op dat we vandaag met een vergelijkbaar vluchtelingenprobleem geconfronteerd worden: ‘Het monster is terug. Hij is op vrije voeten. En omdat we allemaal dokter Frankensteins zijn, is dit welig tierende schepsel nu onze verantwoordelijkheid.’ Hij sluit zijn essay bijgevolg af in de beste tradities van het griezelverhaal: he’s back!
Flor Vandekerckhove


Gillen D’Arcy Wood. Frankenstein, the Baroness, and the Climate Refugees of 1816’.

vrijdag 17 juni 2016

De taal van het verhaal

— Karl Ove Knausgård (foto 2) heeft het over James Joyce (1)  in De lange weg naar huis, DM Boeken, 15 juni 2016. —The House on Mango Street (1984) van Sandra Cisneros (3) werd in 2007 in het Nederlands vertaald als Het huis in de Mangostraat en uitgegeven door De Geus. — Chuck Palahniuk (4) heeft het over zijn bronnen in Stranger than Fiction (True Stories). —

In de boekenbijlage van De Morgen lees ik een stukje dat Karl Ove Knausgård over James Joyce schrijft. Van A Portrait of the Artist as a Young Man zegt Knausgård: ‘Dat de roman van Joyce zo levenskrachtig blijft, in tegenstelling tot nagenoeg alle andere publicaties uit 1916, ligt in het feit dat de schrijver zo fel streefde naar een individuele uitdrukkingsvorm, naar een taal die inherent was aan het verhaal dat hij wilde vertellen, over de jonge man Stephen Dedalus, en zijn beginjaren in Dublin, waarin alles draaide om uniciteit en de vraag wat het betekent een individu te zijn.’  Wat de schrijver moet doen, zegt Knausgård, is een taal ontdekken die eigen is aan het verhaal.
Je kunt die taal in jezelf zoeken. Dat is wat Sandra Cisneros in Het huis in de Mangostraat doet. Zelf zegt ze daarover: ‘De taal in De Mangostraat is gebaseerd op dialect. Het is vooral anti-academische taal — kindertaal, meisjestaal, de taal van een arm meisje, spreektaal, de taal van een Amerikaanse Mexicaan. Binnen dit rebelse, antipoëtische gebied probeerde ik een poëtische tekst te creëren met behulp van de meest onofficiële taal die ik kon vinden. (…) Toen kon ik spreken, roepen en lachen vanaf een plek die uitsluitend van mij was, die niemand anders in de geschiedenis van dit heelal had toebehoord en die ook niemand anders zou toebehoren.’
Je kunt die stem in jezelf zoeken, maar je kunt ook op straat gaan luisteren naar het soort mensen dat je boek zal bevolken. Dit is wat Chuck Palahniuk in Stranger than Fiction over zijn methode zegt. Hij vertelt dat hij als vrijwilliger in een ‘charity hospice’ werkte toen hij aan zijn succesroman Fight Club begon te werken. Hij bracht er patiënten naar de hulpgroep en ging er luisteren naar hun verhalen. ‘In so many ways, these places-support groups, twelve-step recovery groups, demolition derbies-they’ve come to serve the role that organized religion used to. We used to go to church to reveal the worst aspects of ourselves, our sins. To tell our stories. To be recognized. To be forgiven. And to be redeemed, accepted back into our community.’
Waarom trekken mannen wekelijks naar de breiclub? Waarom gaan vrouwen kaarten? Om elkaar verhalen te vertellen, zegt Chuck. Dat is in de zelfgroep niet anders, maar dan in de overtreffende trap: ‘In these places I found the truest stories. In Support groups. In hospitals. Anywhere people had nothing left to lose, that’s where they told the most truth.’
Het is iets wat Palahniuk wel meer doet wanneer hij op zoek gaat naar een eigen taal voor zijn boeken: While writing Invisible Monsters, I’d call telephone sex numbers and asked people to tell me their dirtiest stories. You can just call and say: “Hey, everybody, I’m looking for brother-sister incest stories, let’s hear yours” or “Tell me about your dirtiest, filthiest cross-dressing fantasy” and you’ll be taking notes for hours. Because it’s only sound, it’s like an obscene radio show. Some people are terrible actors, but some will break your heart.
Het zal een melig einde opleveren, maar ik wil u toch verwittigen. Weet dat taking notes for hours een bijzonder dure aangelegenheid is wanneer de sekslijn openstaat.
Flor Vandekerckhove