zaterdag 28 november 2015

Noël, met de grond verbonden

— Het is niet eenvoudig om nog een foto te maken van het Oudland zoals we dat destijds, ten oosten van de Duinenstraat, gekend hebben. De later aangelegde Hasseltstraat heeft het gebied doorgesneden. Je moet je al op verboden terrein begeven om de restanten van dat gebied te kunnen fotograferen. — 
Dat wij, hier aan de kust, niet in de Zandstreek wonen, is iets wat voor een kind haast niet te begrijpen valt. Staat je ouderlijk huis niet op een boogscheut van het strand? En ligt dat strand niet vol zand? Moet je dat hier dan niet de Zandstreek noemen? Polders zegt u? Hoezo Polders? Daar hebben we ons indertijd alleen maar bij neergelegd omdat tegenspreken geen optie was, de roede werd voor minder bovengehaald.
De ouderlijke grond onder onze kinderlijke voeten heet Oudland omdat hij uit oude polders bestaat. Dat van dat Oudland weet ik nog niet erg lang, net zoals ik nog maar sinds kort weet dat de Duinenstraat oorspronkelijk een dijk geweest is. Het is achter die dijk dat het land droog is komen te liggen en het de Poldervlakte werd.
Wie je daarvan destijds niet moest overtuigen was Noël. Hij woonde, net als ik, in de Duinenstraat. Aan de oostkant van die straat, achter onze huizen, ontplooide zich ’t gebied waarover ik zo mijn twijfels had. Noël was misschien niet zo’n goeie leerling, maar dat we in de Polders woonden wist hij beter dan wie ook. Zijn vader bewerkte er een lapje grond. Noël werd daar al vroeg bij betrokken. Zaaien, planten, harken, oogsten, spitten. Vooral dat laatste. Hem moest niemand uitleggen dat hij in dikke, vette, zware klei aan ‘t wroeten was.
We groeiden op en ik verloor Noël uit het oog. Dat veranderde toen ik, na tal van omzwervingen, weer in Bredene kwam wonen. Fietsend langs de plekken van mijn jeugd ontwaarde ik her en der oude bekenden. Daar was een fel bebaarde medemens bij die, op lapjes grond die wachtten om bebouwd te worden, ferm aan ’t spitten was: Noël. Later zag ik waar Noël zijn huis gebouwd had. In de auto voor zijn deur lag een rakel, een spa, een hark en nog gerei waarvan ik de naam zou moeten opzoeken. We zijn weer aan de praat geraakt. Hij was al enige tijd met pensioen, maar het land bewerken was hij blijven doen. ‘Maar gelukkig niet meer in de zware kleigrond die achter ons huis lag’, zei hij.
Waarmee de kwestie in mijn hoofd heropend wordt. Lichtere grond dus. Komt dat doordat Noël nu ten westen van de Duinenstraat gaan spitten is? Ligt die grond niet dichter bij de plek waar de geuzen rond 1600 de duinen geslecht hebben? Zet Noël zijn spa nu in grond die de geuzen destijds hebben laten overstromen om de Spanjool buiten Oostende te houden? Heeft het aldus aangevoerde zeezand de grond lichter gemaakt? Dan toch een soort zandstreek? ‘’t Is misschien geen zandstreek’ zegt Noël, ‘maar ‘t is toch wel grond met veel meer zand in.’ Aha !
Flor Vandekerckhove

— Noël Denys (rechts) en Flor Vandekerckhove, op 28 november 2015. Noël wordt op die dag 66. —

Dit stukje past in een reeks portretten die ik van oude bekenden ga maken, schoolmakkers en andere kennissen; mensen die ik in mijn jeugd heb leren kennen en die, allicht zonder dat ze het beseffen, indruk op me gemaakt hebben, veelal omwille van eenvoudige dingen. Ik werk nu aan een stukje over Rachel, waarover ik op dit ogenblik niet meer wil zeggen. Kortelings op dit scherm!



donderdag 26 november 2015

Kijk, kijk, het Duinengat



Eigenlijk weet ik niet of Duinengat de officiële naam is, maar zo noemen we in Bredene de weg die, tussen twee duinen in, vanaf de Koninklijke baan naar ’t strand leidt. Dit is het oudste beeld dat ik van dat Duinengat vind. Het wordt geschoten vanuit een kamer in het inmiddels verdwenen hotel Helvetia. Ik zie dat de foto 95 jaar oud is, hij dateert van 1920. Je moet al bijna honderd zijn om dat beeld in ’t echt gezien te hebben.
Er valt op die foto veel te bekijken. De kusttram is gearriveerd. Er stapt volk in en uit. Aan de overkant van de weg staan twee auto’s te wachten. Is er in die tijd een taxidienst die de gasten naar een van de grote hotels brengt, die nochtans op wandelafstand liggen?
Links van het paneel BREEDENE, waaronder je passeert om dat Duinengat in te trekken, staat iets wat ik percipieer als een wachthokje. Is dat een Dienst voor toerisme avant la lettre? Staat daar een politieagent in, klaar om het schaarse verkeer te regelen? Of is 't een ijskraam? Opvallend is dat het paneel aan deze zijde van de Koninklijke baan geplaatst staat en niet aan de overkant, zoals wij dat daar nog gekend hebben. Wat ook opvalt is dat er aan beide kanten van het Duinengat grote platte duinen liggen die nu verdwenen zijn, wellicht omdat de ontdubbeling van de Koninklijke baan eraan gevreten heeft. Maar zover zijn we in die tijd nog niet. Dit zijn de pioniersdagen. In het Duinengat ontbreken zelfs de banken waarop we allemaal wel eens gezeten hebben om 't zand uit onze schoenen weg te gieten.
De hotels die in de Kapelstraat en de Driftweg gebouwd zijn hebben aan de overkant van de straat een privaat stuk grond waarop hun gasten kunnen verpozen. Of er is een tennisveld, zoals dat het geval is voor het hotel d’Anvers. Dat tennisveld zie je niet op deze foto, maar vooraan rechts zie je wel het hofje van de Helvetia, een hotel dat de hoek van de Kapel- en Duinenstraat markeert. Het hofje van het Grand Hotel l’Espérance, dat daar tegenover langs de Driftweg ligt, zien we op bovenstaande postkaart evenmin, maar het is er wel, want op onderstaande foto zien we de parasols die de gasten van dat hotel tegen een al te felle zon beschermen.
Die tweede foto toont ons hoe de wijk er in die tijd uitziet wanneer je die vanuit het Duinengat bekijkt. Twee heren van stand staan centraal in beeld. Wachten ze op de tram of zijn ze op weg naar het ‘rustoord’ waarover die postkaart het heeft? Wordt daarmee het sanatorium Marin bedoeld, waarover ik hier eerder al een stukje geschreven heb? Een ding is zeker: hun kunnen we het niet meer vragen.
Flor Vandekerckhove


woensdag 25 november 2015

Open brief aan Nieuwsbredene.be




In mijn blog De Laatste Vuurtorenwachter plaats ik korte verhalen. Soms schuren die rakelings langs de werkelijkheid, soms behoren ze tot het rijk van de fantasie en het best geslaagd vind ik deze waarin werkelijkheid en verbeelding nauwelijks van elkaar te onderscheiden zijn. Dat geldt ook voor de 123 verhalen die Bredene als achtergrond hebben. Zo heb ik gisteren een nieuw stukje gepost, een vignet, dat zich in Bredene afspeelt en dat zowel echt als gefantaseerd is. U moet er hier maar eens naar kijken.
Maar in deze brief wil ik het over een ander stukje hebben. Dat heet Veiligheidsniveau 4. De webmaster van Nieuwsbredene vindt dat stuk problematisch. Normaliter plaatst die site een link naar de stukjes die in mijn blog over Bredene gaan. Voor mij heeft dat het voordeel dat ik mensen bereik die anders niet naar mijn blog kijken. Voor de gemeente heeft dat het voordeel dat de lezers beseffen dat literatuur niet het alleenrecht van pakweg Amsterdam of Antwerpen is. Maar het stukje dat Veiligheidsniveau 4 heet, en dat zich in mijn verbeelding nochtans in Bredene afspeelt, zal niet op die site vermeld worden. Dat komt, zo schrijft de webmaster me, omdat de zaak te gevoelig ligt.
Ik wil de kwestie niet dikker maken dan ze is en ik zal zeker niet met het woord censuur zwaaien, want dat is het geenszins. Elkeen die dat wil kan het verhaal hier immers lezen. Maar heb ik begrip voor die beslissing? Ja en neen. Ja, ik begrijp dat men de inhoud van die site wil beperken tot datgene wat 7000 keer ‘vind ik leuk’ oplevert. Neen, want ik vind dat het verhaal Veiligheidsniveau 4 een goed antwoord formuleert op de gevaren die ons, gewone mensen van welke origine ook, bedreigen.
In het verhaal stel ik me de situatie voor van een jonge moslim die er ten onrechte van verdacht wordt gevaarlijk te zijn. Hoe zou een doordeweekse Bredenaar dat ervaren? Is het moeilijk om ons dat voor te stellen? Neen, zegt het verhaal, want we delen allemaal dezelfde dromen. In het betreffende verhaal is dat wel een natte droom, maar dat komt natuurlijk doordat het een satire is, zij het van een vederlichte soort, juist om geen enkele bange blanke man voor het hoofd te stoten.
Veel lezers hebben me laten weten dat ze het verhaal appreciëren. De mooiste reactie kwam van de u misschien wel bekende Rachida Aziz. Zij is moslima en modeontwerpster. Zij schreef me: ‘Heerlijk. Humor is precious indeed. Thx: :-).’
Flor Vandekerckhove

dinsdag 24 november 2015

Vignet (*)


Sommige dingen kun je echt niet doen, vind ik, maar soms doe ik ze toch. Zo ben ik eens een koffie gaan drinken op een terras van een café in Bredene, op het voetpad, buiten op straat. Dat is iets wat ik anders echt niet zou doen. Zo’n terras in Bredene, dat is niet zoals een terras in Parijs, Brussel of zelfs Oostende. In Bredene is dat anders, want ik woon daar. Ik woon daar om de hoek en ik vind ’t gênant dat ik daar, op honderd meter van mijn deur, buiten op straat, een koffie zit te drinken, op een plek waar mijn buren passeren en me toeknikken en tegen zichzelf zeggen: kijk, hij zit daar buiten op dat terras een koffie te drinken, op honderd meter van zijn deur. Het heeft met menselijk opzicht te maken, dat weet ik wel, en ook wel met de hoed die ik zopas gekocht heb, een deukhoed. En je ziet de mensen langslopen, je buren, en je ziet ze denken: kijk hij zit daar op een terras, een koffie te drinken, op honderd meter van zijn deur en kijk, hij heeft een nieuwe hoed op, een deukhoed. Ik vind dat allemaal gênant, vooral als het dan ook nog eens aan ’t regenen is.
Flor Vandekerckhove

(*) Een vignet is een kort, impressionistisch tafereel dat een beeld schetst van een bepaald moment en een bepaalde plaats. Ik heb er in deze blog al enkele gepubliceerd. Ze staan gegroepeerd onder het label Vignet.

maandag 23 november 2015

Veiligheidsniveau 4


Er stopte een tank voor de deur. En nog een. En dan nog een. Drie tanks na elkaar. Lawaai. Kabaal. Laarzengetrappel. Gesnauw. Geblaf van honden. En dan opeens complete stilte. Spontaan stond ik uit mijn zetel op, trok mijn pantoffels aan, liep door de gang en opende de voordeur. Nog voor ik as-salamu alaykum kon zeggen stormden vier gewapende soldaten op me af, vier mannen en een hond. Vlam! Ik op de grond. Bovenop me stond de hond. Die begon aan mijn kleren te trekken en de soldaten trokken aan de hond. Scheur! Mijn hemd aan flarden. De hond begon zich op mijn blote borst te concentreren. ‘Koest! Zit!’, riep een van de soldaten.  De hond liet prompt mijn borsthaar los en ging er bovenop zitten. Intussen stroomde mijn huis vol met soldaten en politiemensen. Gevechtskledij, lange geweren, korte geweren, kordate gezichten, verwilderde blikken. Sommigen namen strategische posities in, anderen begonnen mijn laden open te trekken. De hond bleef op me zitten en zijn blik was nu op mijn onderbuik gericht.
Een officier kwam op me af en vroeg: ‘Ben jij degene die hier woont?’ Ik weigerde op zo'n dwaze vraag te antwoorden, maar de hond nam dat niet en beet zich ferm vast in mijn broek. Weer begonnen de soldaten aan de hond te trekken. En scheur! Mijn broek aan flarden. Daar lag ik nu met mijn kruis open en bloot voor een bende gewapende mannen. Ik kan je verzekeren… De hond zag er alvast een uitnodiging in en beet in mijn pik. Ik schreeuwde het uit, wat door de officier als weerspannigheid geduid werd. De vier soldaten grepen me vast. Een hield mijn hoofd in een wurggreep, twee hielden mijn armen in bedwang, de vierde kneep hard in mijn ballen. Mijn vier belagers lichtten me op en propten me in een van de tanks. Daarna verloor ik het bewustzijn.
Toen ik weer wakker werd had ik het erg koud en ik had een droge mond. Mijn ballen deden pijn, mijn pik deed pijn. In de hoek van de kamer zag ik de hond die rustig op een kussentje sliep. Er stond iemand over me gebogen. Ik zag een uniform. Dat uniform was heel dichtbij. Ik voelde de adem van degene die het droeg en ik rook een zwoel parfum dat mijn ogen prikkelde. Op mijn netvlies vormde zich traag het beeld van een politievrouw. Ik zag de golvingen van haar borsten. Ze lachte me toe. Voor ik iets kon zeggen legde ze een vinger op mijn lippen. ‘Zwijg’, zei ze, ‘zeg maar niets.’
Ze ging weg en ik keek haar na. Haar heupen wiegden onder haar uniformrok. Nooit eerder had ik een uniform met zo’n korte rok gezien. En hij zat strak, die rok, wellicht veel strakker dan het reglement dat voorschreef. Ze droeg lange laarzen. Nooit eerder had ik een uniform met zo’n lange laarzen gezien, 't moet zijn dat ze een hoge pief was. Ze kwam terug met een potje waaruit ze een zalf nam die ze over haar handen uitsmeerde. Ik probeerde recht te staan, maar voelde dat ik aan handen en voeten gebonden was. En toen begon ze mijn pik te strelen. Ze streelde me zacht maar kordaat, zoals politievrouwen dat wellicht ook doen in de natte dromen van teruggekeerde Syriëstrijders.
Flor Vandekerckhove

video

zondag 22 november 2015

De begrafenis

In mijn bus zat een doodsbrief. Miel was gestorven. Ik schrok, kwam in ademnood en moest ervan gaan zitten. Miel had een vaderrol in mijn leven vervuld. Hij was de man die me had leren fietsen, hij had me respect bijgebracht voor de vruchten en het gedierte des velds en hij had me voorgehouden dat een rustig leven het mooiste was wat een mens kon nastreven. Alles wat ik aan levenskunst in me droeg was daar door Miel in geplant. En nu was hij dood.
De post had er in Frankrijk lang over gedaan om de brief tot bij mij te krijgen. Ik las dat hij ’s anderendaags al begraven zou worden. Ik twijfelde niet, stak enig ondergoed in een plastic tas en startte de auto. In één ruk legde ik de hele afstand af, elfhonderd kilometer, en onderweg dacht ik heel de tijd aan Miel, aan onze lange wandelingen, aan de sloten koffie die we daarna dronken en aan de gesprekken die we plachten te voeren over het weer, vooral over het weer.
Het was al donker toen ik het dorp binnenreed. Veel weiden en velden hadden er plaats moeten ruimen voor nieuwbouwwijken, maar al  die vooruitgang kon niet beletten dat ik moeiteloos de weg naar het oude centrum vond. Ik zag dat mijn jeugdvriendin er nog altijd haar bar uitbaatte. In heel de streek was ze wellicht de enige hoer die had kunnen standhouden, want veel middenstand bleef daar blijkbaar niet over. Ik parkeerde de auto vlak voor haar deur, stapte uit en proefde de wind die nog altijd de smaak van mijn jeugd in zich droeg. Ik belde aan, wist dat ze me door het spionnetje bekeek, ik hoorde de zoemer en ging naar binnen.
Mijn vriendin was dikker geworden, maar de bar was onveranderd gebleven. Ze was blij me te zien. De zoen die ze me gaf was veelbelovend en nadat we menig glas gedronken hadden gingen we naar bed. Het vrijen liet me denken aan zonde, radio Veronica, warme chocolademelk, The Beatles en deinende korenvelden. Daarna vielen we samen in slaap.
Toen we wakker werden was de avond alweer aan ’t vallen. De kerk was dicht, de koffietafel geruimd, de dooie Miel lag onder de zoden. Mijn ouwe vriendin bakte een eitje. Ik rekende af, gaf haar een kus en reed terug naar Frankrijk. Onderweg dacht ik heel de tijd aan Miel, aan onze lange wandelingen, aan de sloten koffie die we daarna dronken en aan de gesprekken die we plachten te voeren over het weer, vooral over het weer.
Flor Vandekerckhove

zaterdag 21 november 2015

Geliefd zijn degenen die gaan zitten

— Geliefd is degene die een vinger tussen de deur steekt —


Over de film Songs From The Second Floor (2000) heb ik het hier al eens gehad. Inmiddels heb ik ook de vervolgfilms bekeken, want Songs… is het eerste deel van een trilogie. Zowel in You The Living (2007) als in A Pigeon Sat On A Branch (2014) gaat regisseur Roy Andersson (°1943) verder met zijn onderzoek naar het menselijk tekort. We zien ook in de vervolgfilms dezelfde cameratechniek, dezelfde trage acties in keurig opgebouwde studiodecors. We zien dezelfde pastelkleuren die door iemand ‘aquariumkleuren’ genoemd worden en door iemand anders ‘post-sovjetkleuren’. We zien hoe Andersson ons in zijn vignetten alledaagse gebeurtenissen toont. Op ‘t eerste gezicht lijken die triviaal te zijn en op ’t tweede gezicht… eveneens. Andersson zweert bij het triviale.
Wanneer er in de jaren zeventig een bundel van de Peruaanse dichter César Vallejo (1892-1938) in ’t Zweeds vertaald wordt, komt Andersson daar zeer van onder de indruk. In het gedicht Struikelen tussen twee sterren verwoordt Vallejo een humanistische visie, in een eigen versie van de Bergrede. Andersson zal die visie tot de zijne maken:
Geliefd is de vreemde en zijn vrouw,
en onze buurman met mouwen, boord en ogen! 
geliefd is degene die op zijn rug slaapt,
degene die een kapotte schoen draagt in de regen
geliefd is de kale man zonder hoed
degene die een vinger tussen de deur steekt
geliefd is hij die zweet van schuld of schaamte
hij die betaalt met wat hij ontbeert
geliefd zijn degenen die gaan zitten.
Andersson draagt Songs From The Second Floor op aan César Vallejo. En hij gaat met diens woorden aan de haal. Hij haalt ze uit de verheven poëtische sfeer en zet ze om in filmbeelden, waar ze hun triviale karakter ten volle blootgeven. De verzen zijn in de film niet langer deze van César Vallejo, maar van het personage Tomas, een dichter die geïnterneerd werd omdat hij niet langer wil spreken: hij heeft de strijd opgegeven, hij behoort zelf tot degenen die gaan zitten. Hij heeft, zo zegt het gedicht, recht op onze liefde. Maar vader Kalle, die zijn zoon in die instelling bezoekt, maakt zich daar boos om. ‘Waarom zou je houden van iemand die gaat zitten?’ roept hij radeloos uit. Van hem zal die liefde dus niet komen. Hij wordt door twee verzorgers weggebracht, hij faalt als vader, hij komt tekort als humanist.
— César Vallejo —
In de film falen alle autoriteiten. Terwijl Stefan het gedicht van zijn broer Tomas opzegt staat een man toe te kijken. Hij draagt een witte stofjas, heeft een stethoscoop bij en terwijl hij aandachtig toekijkt of het gedicht effect heeft op de zwijgende Tomas, bladert hij in een patiëntendossier. Het beeld is duidelijk, de man is een dokter. Er komt een man op die dokter af die hem toebijt: Wat is dat hier voor stupiditeit?!’ Hij neemt hem stethoscoop, dossier en stofjas af en we beseffen dat de vermeende dokter een patiënt is: vertrouw geen autoriteit! Nog zo’n voorbeeld: de goochelaar die in de alom bekende truc een vrijwilliger middendoor wil zagen, mislukt pijnlijk — zeker voor de vrijwilliger — in zijn opzet.
Ook het vers geliefd is de kale man zonder hoed / degene die een vinger tussen de deur steekt wordt in de film in een erg triviaal beeld gegoten. In een station troepen mensen samen rond een man die zijn vinger tussen de deur van een treincoupé gestoken heeft. Uit de gesprekken blijkt dat iedereen al eens ergens een vinger tussen heeft gestoken. Ofwel: de meest triviale gebeurtenis illustreert ten volle de menselijke situatie. 
Wat wil Roy Andersson daar eigenlijk mee bereiken? Dit is wat hij daar zelf over zegt: ‘Ik gebruik artistieke middelen om de mensen een spiegel voor te houden. Ik hoop dat ze daarmee door een lens naar hun eigen leven kijken. Een lens die de blik op hun eigen leven verbreedt. In de hoop dat ze zich minder zorgen maken. En zich wat genereuzer opstellen. Vooral dat, wees genereus naar de ander.’

Flor Vandekerckhove

donderdag 19 november 2015

Over de efficiëntie van de Staatsveiligheid

— Doris Lessing (vooraan rechts) tijdens een protestmeeting tegen de A-bom. Links van haar John Osborne. Rechts achter haar: John Berger. Achter haar, met kap: Vanessa Redgrave. (Foto Reg Warhust/Associated Newspapers) —

Dient de staat tegen mij beschermd te worden? Vorm ik een bedreiging voor de orde? Een mens vraagt het zich af. Want als je de gazetten mag geloven, dan werkt de Staatsveiligheid zo slecht dat de Dienst daarop het antwoord schuldig blijft. En als de Staatsveiligheid het al niet weet, wie dan wel?
Dat ze daar ooit een dossier over mij aangelegd hebben is wel waarschijnlijk. Mijn ex-echtgenote weet bijvoorbeeld heel zeker dat onze telefoon destijds afgeluisterd werd. Zelf betwijfel ik dat wel een beetje, maar ‘t zou toch kunnen, want de Staatsveiligheid heeft me ooit bij nacht & ontij opgepakt terwijl ik revolutionaire leuzen aan ’t kalken was van het genre Martens buiten. (Martens was toen alhier de premier.) Misschien is dat voldoende om een dossier over iemand aan te leggen. Ik ben ook eens op een merkwaardige manier ontslagen. Dat was bij Honda, in de Gentse kanaalzone. Midden in de dag werd ik van het werk weggeplukt en door de meestergast tot aan de poort begeleid. En dat ik niet meer moest weerkeren. Zou de Staatsveiligheid dat bedrijf over mijn link(s)e bedoelingen geïnformeerd hebben? Als ze hun tijd daarmee verdoen dan is ’t inderdaad erg gesteld met de efficiëntie van de Staatsveiligheid. Of er werkt daar te veel volk dat niets om handen heeft.
Doet de Staatsveiligheid van andere landen het beter? De befaamde Britse MI5 bijvoorbeeld? Dit jaar nog, in augustus, werd in het Verenigd Koninkrijk een geheim mapje vrijgegeven betreffende de schrijfster Doris Lessing. Wetenschappers hadden daar ongeduldig op zitten wachten, want er bleven enkele vragen onbeantwoord over haar communistische betrokkenheid. Wist de Britse Staatsveiligheid iets wat die wetenschappers nog niet wisten? Was Doris bijvoorbeeld staatsgevaarlijk te noemen? Maar neen. Zelfs toen ze er in Engeland nog lid van was, stond ze al tweeslachtig tegenover de Communistische Partij. In haar autobiografie, die ik hier al eerder besproken heb, vertelde Lessing lang geleden al dat ze nooit goed begrepen had waarom ze in Londen tot die partij toegetreden was; ze omschreef die beslissing als ‘wellicht de meest neurotische daad van mijn leven.’
Lessing was wel een actieve communiste geweest, eerst in Zuid-Rhodesië (nu Zimbabwe) en vanaf 1952 in Engeland. Iedereen wist dat, ze stak dat lidmaatschap niet onder stoelen of banken. Ze ging de USSR bezoeken en schreef daar nadien lovende artikels over. Breken met die partij deed ze in 1956, na de inval van de Russen in het opstandige Hongarije. In 1957 werd ze in dat MI5-dossier omschreven als ‘een marxist op zoek naar een partij die ze kan steunen.’ De bron beschreef haar als ‘een aantrekkelijke, krachtige, gevaarlijke vrouw, meedogenloos waar nodig, die zelfs krachtig is wanneer ze twijfelt.’ Volgens mij is dat het soort geheime informatie dat wij in onze straat omschrijven als dikke vette zever, want hier wonen alleen maar zo'n vrouwen. Onze mannen daarentegen zijn dan weer meedogenloos wanneer 't niet nodig is en twijfelen doen ze zelfs wanneer ze krachtig zijn. 
Flor Vandekerckhove

dinsdag 17 november 2015

Je leven documenteren, je eigenheid veroveren

Lemen voeten is de titel van een graphic novel van Livinus Pelgrims, een Antwerpenaar van zestig die in dat genre een soort autobiografie aan ’t schrijven is. En dit zijn de maatschappelijke beschouwingen die me overvallen wanneer ik Lemen Voeten lees: als je de vergelijking met de wielrennerij maakt dan is Livinus Pelgrims een eliterenner zonder contract. In de platenbusiness is hij de man die zijn CD in de bruine kroeg slijt. In de bouw is hij een doe-het-zelver. In de sector van de distributie is hij de weggeefwinkel. In de film Dirty Little Things is hij degene die zegt: je ziet ons niet, maar we zijn er wel. Livinus Pelgrims behoort tot degenen die niets te verliezen hebben, behalve hun… eigenheid.
Wie in bovenstaande paragraaf enige neerbuigendheid meent te ontwaren, dwaalt, want ik voel me met die mens erg verwant. Al die beschouwingen zijn immers evenzeer op mij van toepassing. En ze zijn dat bijvoorbeeld ook op de u eveneens onbekende Alain Van Meerbeeck. Over die Brusselaar lees ik in de krant dat hij zijn hele leven gedocumenteerd heeft, 800 uren film! Die moet hij nog monteren, maar hij heeft al een titel voor de documentaire film die er al dan niet zal uit voortspruiten: Gens ordinaires, gewone mensen.
Wie zijn eigen leven documenteert, leeft nadien bewuster’, zegt Alain Van Meerbeeck. Ja, dat is waar, wie dat doet verovert tegelijk zijn/haar eigenheid. Dat is wat ik ook mijn kinderen aanraad, dat ze hun leven, one way or another, documenteren. Dat is ook wat Livinus Pelgrims in Lemen voeten doet.
De journalist die in de krant over die Alain Van Meerbeeck schrijft stelt belangrijke vragen: ‘Is zo’n (auto)biografie het voorrecht van de groten? En hoe neem je de maat van een leven? Wanneer is iets groot genoeg, sterk genoeg, relevant, dwingend?’  Wel, de vragen stellen, zo zegt Pelgrims, is ze beantwoorden. Lemen voeten telt 209 (!) pagina’s en behandelt de jongensjaren van ene Frank die sterke overeenkomsten met de auteur vertoont. Het boek is het eerste deel van een trilogie, waarvan de twee volgende nog embryonaal zijn. Als die twee even dik worden als zijn eerste worp, dan klokt Pelgrims af op 627 bladzijden!
Van Meerbeeck: 800 uren film ! Pelgrims: 627 bladzijden strip ! De Laatste Vuurtorenwachter: 529 berichten ! Ook dat hebben we met elkaar gemeen: we zijn mateloos, we kunnen niet doseren. ’t Is de vloek van de autodidact meneer.
Maar waarom zou u Lemen voeten eigenlijk lezen? Wel, ikzelf heb in dat boek een tijdperk herkend, de tijd na de Tweede Wereldoorlog, maar vóór 1968, de jaren waarin zwendelaars allerhande ons een hemel beloofden, op voorwaarde dat we onze eigenheid afstonden. Ze geraakten daar nog weg mee ook. Livinus Pelgrims is die zwendel van zich af aan ’t schrijven, hij is zijn eigenheid aan het veroveren, misschien wel heroveren. Dat hij dat zoveel jaren na dato nog moet doen begrijp ik wel, want gemakkelijk krijgt een mens die zwendel er niet uit. Het is bij Pelgrims zoals het ook al bij Gezelle was, ‘diep mij in de kop gebleven’Die zwendelaars zijn er uiteraard nog steeds, maar het verschil is toch wel dit: we laten hen niet langer onze eigenheid bederven, nu zeggen we: no pasarán! 
Leeftijdsgenoten al te gare, een goede raad: geniet in onderstaande trailer nog eens van The Ronettes, want die waren we vergeten. En lees, heu kijk, heu… verorber dat boek!

Lemen voeten van Livinus Pelgrims werd uitgegeven door Schrijverspunt. 209 ps. 2015. ISBN/EAN: 9789081976213. € 14.95.


maandag 16 november 2015

Worstelen met de taal

Het blijft moeilijk, dat Nederlands. Dat komt doordat ik van Bredene ben, een taalvast Germaans bastion uit West-Vlaanderen. U trekt de wenkbrauwen op, maar geloof me, ik weet waarover ik spreek en ik zal het u ook uitleggen.
Ik heb een tijd in Amsterdam gewoond en heb daar veel mijn weg verloren. Richtingloos als ik in zo'n situatie ben, heb ik daar menig Amsterdammer aangeklampt om te vragen hoe het met mij verder moest. Telkens heb ik daarbij alles uit de kast gehaald om mij klaar & duidelijk uit te drukken. Echt volgens de regels van de taalkunde, echt zoals wij dat op school geleerd hebben, echt zoals Wilfried Martens spreekt. En elke keer, echt elke keer, heeft zo’n welwillende Amsterdammer me weer op weg geholpen, maar altijd weer… in ’t Engels.
In Amsterdam denken ze dat Bredenaars een dialect van ’t Engels spreken. Of van ’t Noors of van ’t Zweeds. Geef ze eens ongelijk. Als ik naar zo’n Zweedse film kijk of naar een Noors feuilleton dan is ’t ook alsof ik mijn familie bezig hoor. Ik heb daar haast geen ondertiteling bij nodig.
Maar neen, ze hebben ons verplicht om het in ’t Nederlands te doen. De gevolgen zijn ernaar, wat ook blijkt uit deze anekdote. In Bredene zegden we vroeger gecoiffeerd. Dat mochten we op den duur niet meer doen, want dat moest in ‘t Nederlands gekapt zijn. Tegen de tijd dat we daar weg mee waren, was ook gekapt al niet meer goed, dan moesten we opeens gehakt zeggen.
Hoezeer de onderwijzers het ook probeerden, ze kregen dat Nederlands er niet in. Heb ik je al eens verteld over die leraar die echt zijn best deed? Een lesuur lang had hij zich gesmeten om ons het Nederlandse verschil tussen de lucht en het licht bij te brengen. Hij had tientallen voorbeelden geciteerd, heel de Nederlandse literatuur was in dat lesuur gepasseerd, allemaal citaten die ons, Bredenaars, duidelijk moesten maken dat er echt wel een fundamenteel verschil is tussen de lucht en het licht. En toen de les voorbij was, verliet hij het lokaal met de dwingende opdracht: ‘De laatste doet de lucht uit.’
Flor Vandekerckhove
P.S.: Doe zoals dat in onderstaand filmpje gepropageerd wordt. Zeg het met chrysanthemums (!).

zondag 15 november 2015

Een bergrede voor de middenklasse


De film Songs From The Second Floor bestaat uit 46 mooie tableaus vivants. Daarin portretteert de Zweedse filmmaker Roy Andersson een middenklasse die bij de eeuwwissel het noorden kwijt is. Dit is, zo stelt Andersson, de situatie die deze tijd markeert: vervreemding, fragmentatie, onmacht. Die uitzichtloze stuurloosheid wordt in de film beklemtoond door het verkeer dat zich in een eindeloze file vastgereden heeft.
Er is over die film veel te zeggen, veel meer dan wat ik hier ga doen. ’t Zou me ook verbazen als ik er later niet op terugkom, want nu ik Songs From The Second Floor gezien heb, wil ik ook de andere films van Andersson bekijken. Ik ga me een beetje in die mens verdiepen.
Zo trekt de film zich op gang: in de zonnebank (!) maakt een bedrijfsleider zich klaar om te vluchten. In deze vernederende ontmoeting raadt hij zijn rechterhand aan om dat ook te doen. De bedienden kijken stiekem toe. Wat kunnen ze doen? Ze sluiten de deur van hun bureau, ze zijn machteloos. 
Hoofdpersonage in Songs From The Second Floor is Kalle. De kleine middenstander heeft zijn meubelwinkel in de fik gestoken om het verzekeringsgeld op te strijken. Hij is mislukt als middenstander, maar ook als vader, want zijn zonen krijgen evenmin greep op hun leven. Tomas, de oudste, is een dichter die weigert nog langer te spreken, hij verblijft in een instelling. Nu voelt Kalle zich schuldig omwille van… alles. Hij gaat bij een pastoor te rade, want ja, je zou denken dat die met zo’n schuldgevoel wel raad weet. Dat blijkt niet het geval te zijn. De pastoor begint op zijn beurt te klagen, want zijn huis is door de economische crisis waardeloos geworden. Ook de wetenschap geeft verstek. De elite grijpt terug op oude rituele praktijken. De geleerden monsteren een glazen bol; zou daarin iets te zien zijn? We zien ook een ritueel waarin een maagd geofferd wordt. Door de straten trekt een stoet van flagellanten, deftig geklede mannen en vrouwen, velen nog met hun attachékoffertje ter hand, terwijl ze zich geselen. Uiteraard bieden al die praktijken evenmin een uitkomst.
Al die filmbeelden zijn veel dingen tegelijk. Je kunt ze surrealistisch noemen en esthetiserend, ze zijn ook komisch. Maar er valt wel maatschappijkritiek in af te lezen. Kalle voelt zich immers niet alleen schuldig omwille van de tekortkomingen in zijn persoonlijk leven, er is ook de collectieve schuld van een middenklasse die de kop in ’t maatschappelijke zand gestoken heeft. En dat ook de elite schuldig is blijkt uit de scene waarin de honderdjarige bevelhebber van het leger gehuldigd wordt.
In de slotscène zien we de slachtoffers van dat niets-doen uit de doden opstaan en als zombies naar voren treden om rekenschap te vragen. Rekenschap kan Kalle hen niet geven, want hij is ook maar een onbegrijpend slachtoffer.
Met deze film heeft Andersson zijn eigen bergrede geschreven. De film is trouwens gebaseerd op een gedicht van de Peruaanse dichter César Vallejo, dat door de Bergrede geïnspireerd is, een gedicht met de merkwaardige slotzin: Zalig zijn degenen die gaan zitten
Flor Vandekerckhove


Songs from the Second Floor Trailer 

vrijdag 13 november 2015

Leven & streven van Edward Abbey

Over Edward Abbey (1927-1989) heb ik het eerder al gehad. Dat was (hier) in een stuk over Lonely Are The Brave (1962), de beste western die ik ooit gezien heb. Die film is gebaseerd op Edward Abbeys boek The Brave Cowboy. Die Abbey is dus een schrijver, maar hij is ook nog iets anders.
Voor hij naar het leger moet, onderneemt hij een grote tocht door het Amerikaanse zuidwesten. Hij komt er erg onder de indruk van de woestijngebieden: ‘Ik voelde dat ik dicht bij mijn verbeelding kwam, een plek waar het tastbare en het mythische met elkaar samenvielen.’ De ervaring zou zijn leven tekenen. Na zijn legerdienst gaat hij weer studeren, hij schrijft romans en essays en is daar erg succesrijk in. Anarchist is Edward al van huis uit en hij zal het heel zijn leven blijven. Maar anarchisten zijn er in vele maten en gewichten. Edward Abbey is er een die zich hevig verzet tegen de immigratie in de VSA omdat die schadelijk zou zijn voor de natuurgebieden. Er woont, zo meent hij, al volk genoeg in de VSA. Dat standpunt is destijds fel aangevallen door Murray Bookchin, een andere anarchist. Volgens Murray is Edward Abbey een racist en een eco-terrorist. Verwijten die Abbey dan weer pareert door Murray een ‘antropocentrist’ te noemen. Als je een mondje Amerikaans verstaat kun je daar zelf over oordelen want ik heb het standpunt van Abbey opgesnord: ‘(I)t occurs to some of us that perhaps ever-continuing industrial and population growth is not the true road to human happiness, that simple gross quantitative increase of this kind creates only more pain, dislocation, confusion and misery. In which case it might be wise for us as American citizens to consider calling a halt to the mass influx of even more millions of hungry, ignorant, unskilled, and culturally-morally-genetically impoverished people. At least until we have brought our own affairs into order. Especially when these uninvited millions bring with them an alien mode of life which—let us be honest about this—is not appealing to the majority of Americans. Why not? Because we prefer democratic government, for one thing; because we still hope for an open, spacious, uncrowded, and beautiful—yes, beautiful!—society, for another. The alternative, in the squalor, cruelty, and corruption of Latin America, is plain for all to see.’
Feit is dat de opvattingen van Abbey sporen met deze van Earth First! Die beweging is fel beïnvloed door The Monkey Wrench Gang, een roman van Edward Abbey. In dat boek gaan de protagonisten over tot sabotagedaden (een monkey wrench is het gereedschap dat wij ‘engelse sleutel’ noemen) om te ageren tegen de milieuschade die staat en bedrijfsleven aanrichten.
Edward Abbey is 62 wanneer hij sterft. Voor het zover komt geeft hij enkele instructies voor de begrafenis, waarvan ik je deze niet wil onthouden: a flood of beer and booze! Lots of singing, dancing, talking, hollering, laughing, and lovemaking.’
Er zijn enkele interessante reportagefilms gemaakt over Edward Abbey. Een heet Abbey’s Road. Die gaat vooral over zijn schrijversbestaan en zijn maatschappelijke inzichten. Ik plaats die film hieronder. Een andere reportage heet Wrenched en die gaat over sabotage als daad van verzet. De intro van die film vind je hier.
Flor Vandekerckhove


Abbey's Road

donderdag 12 november 2015

Hoorndrager

Ik had te veel gedronken, veel te veel. Ik had te hard gereden, veel te hard. En ik had de bocht te breed genomen, veel te breed. Mijn wagen was van de weg gegaan, had de vangrail geramd, was over kop gegaan en aan de andere kant van die vangrail met een luide plons in ’t water beland. Zo was ’t gegaan. 
En dit is wat er verder gebeurde. Ik maakte de gordel los, draaide het raampje open, wurmde me erdoor en probeerde de situatie in te schatten. Die was als volgt: ik stond kletsnat boven op de zijkant van mijn wagen die half verzonken in ’t kanaal lag. Een meter water scheidde me van de oever. Een meter is niet veel, maar ’t duurde toch een hele tijd voor ik de oever bereiken kon, want er was niet alleen dat water, er waren ook twee plasticflessen, drie stokken, een olievat en veel moeilijker te definiëren voorwerpen die danig in de weg lagen. Toen ik op de oever stond was ik niet alleen smerig en kletsnat, ik was ook mijn jas kwijt en een schoen. Er was nergens een huis te zien en er was niemand in de buurt. In het pikkedonker liep ik de weg af, mankend, rillend, stinkend en dankbaar omdat het al bij al goed afgelopen was. Ik beloofde mezelf dat ik nooit meer zou drinken. Vier uur later kwam ik thuis. En dit was nog maar het voorspel.
Via de achterdeur sloop ik naar binnen. Ik luisterde naar de stilte die alleen verbroken werd door het sompige geluid dat uit mijn natte kleren kwam. Mijn spieren deden pijn, mijn knoken eveneens, alsmede mijn gewrichten. Ik haalde een flesje uit de koelkast — een laatste, om het af te leren. Door een kier zag ik dat er nog licht in de slaapkamer brandde. Ik duwde de deur open en zei tegen mijn vrouw die uiteraard al lang in bed lag: ‘Moet je horen wat er nu gebeurd is…’ Mijn vrouw keek me vernietigend aan, zei geen woord, maar haar ogen zegden des te meer. Die ogen zegden namelijk dit: ‘Kijk hem daar staan, de zuiplap! Kijk hem daar kletsnat staan! Hij staat daar heel het deurgat nat te maken! Hij is weer bezopen, stinkt als een beerput en hij heeft ook nog eens een schoen verloren! Ziet hij dan niet dat hij beter rechtsomkeer maakt en gaat vanwaar hij gekomen is!?’ Dat zegden haar ogen me en ze spraken in uitroeptekens. Voor de rest valt daar niet veel meer over te vertellen. Ik zag wel nog dat ze fijne lingerie aangetrokken had en ik zag ook nog hoe de man die naast haar lag de lakens vlug tot ver boven zijn hoofd trok, waardoor zijn voeten bloot kwamen te liggen.
Flor Vandekerckhove

woensdag 11 november 2015

Nooit meer oorlog

11 november, de ideale dag om samen een anti-oorlogslied aan te heffen. Dit jaar kiezen we voor een song van de Schot Ian Campbell. Daarin laat hij een oude man aan het woord die het allemaal meegemaakt heeft. Zijn vader trekt ten strijde tegen de Boeren in Zuid-Afrika, zelf gaat hij de Grote Oorlog in. Zijn kinderen dienen de Britse kroon in WO II en uiteindelijk moet hij het nog meemaken dat zijn kleinzoon naar Vietnam trekt. Tussendoor is er het dagelijkse gevecht om brood op de plank te krijgen, ook een soort oorlog.
The Dubliners zetten de song op plaat in 1979. Daar bestaat een filmpje van dat ik onderaan dit stuk plaats. Zelf heb ik een poging gedaan om de tekst van Campbell in ’t Nederlands te vertalen. Om het ritme van de song enigszins te behouden heb ik me laten gaan in een extreem vrije vertaling. Die is zo vrij dat ik niet anders kan dan het origineel erbij te plaatsen. Ik heb geprobeerd de twee naast elkaar te zetten en ben daar alleen in geslaagd door ze tezamen als een tekening te importeren. Erg leesbaar is dat niet, maar 't betert wanneer je het kader aanstipt en vergroot. Je kunt de twee versies dan vergelijken en het hoofd schudden omwille van de vrijpostigheden die ik me gepermitteerd heb. Uiteraard is 't mogelijk dat je niet akkoord gaat met de manier waarop ik die song vertaald heb en je mag mij altijd suggesties overmaken om die te verbeteren. Maar 't best van al is dat je gewoon luistert naar de versie van The Dubliners. Het is een belevenis om de doorleefde stem van Ronny Drew nog eens te horen, en daarover zijn we het ongetwijfeld allemaal eens.




Nog één keer Het Visserijblad

In Oostende heb ik een kwarteeuw lang Het Visserijblad uitgegeven, een tijdschrift dat al sinds 1933 in de vissersgemeenschap gepubliceerd wordt. Met mijn pensionering is daar in 2013 een einde aan gekomen. Sindsdien blijft de titel beschikbaar voor onverlaten die de draad willen opnemen waar ik hem laten liggen heb.
Er is maar weinig kans dat dit ook daadwerkelijk gebeurt, want de Vlaamse vissersgemeenschap is inmiddels zo klein geworden dat ze zo’n maandblad niet meer kan dragen. Daar tegenover staat dat tal van medewerkers het tijdschrift hard missen. Dat komt doordat het met veel passie gemaakt werd door een ‘affiniteitgroep’; mensen die hun energie vrijelijk in een gezamenlijk project staken, waarin ze hun creatieve en/of maatschappelijke inzichten volop konden ventileren. Voor hen was het blad een lichtgevend baken in een desolaat landschap, kaalgevreten door het marktdenken.
Die affiniteitgroep bestond uit drie categorieën. Ten eerste had je deze van het eerste uur: mensen die zich in en rond de visserij ophouden en die het blad al van in hun prille jeugd kennen. Zij kregen later de steun van een groep creatievelingen die zich door de visserij geïnspireerd voelden. Nog later werd de ploeg versterkt door de activisten van Climaxi. Het resultaat was uniek. Ik denk niet dat er ergens in de wereld een gelijkaardig tijdschrift bestaan heeft.
Het is Climaxi die het initiatief nam om het blad nu nog een keer uit te geven. Dat komt doordat deze klimaatactivisten zich voorbereiden op de grote betogingen die op 29 november en 12 december in Parijs doorgaan. Ze willen de daar verzamelde wereldleiders aanmanen om de oprukkende klimaatveranderingen ernstig te nemen. In de voorbereiding van die acties had Climaxi sowieso een brochure gepland. Dus ja, waarom ook niet… De klimaatactivisten vonden het een goeie gelegenheid om de affiniteitgroep van Het Visserijblad te reanimeren. Ze zijn daar ook wonderlijk in geslaagd.
Werkten aan dit unieke nummer van Het Visserijblad mee: Felix Alen, Jo Clauwaert, Filip De Bodt, Philippe Godfroid, Peter Holvoet-Hanssen, Sarah Hutse, Antoine Légat, Marc Loy, Chris Meyers, Eddy Serie, Flor Vandekerckhove, Famke Vekeman, Marnix Verleene en Jennifer Vrielinck. Dit bijzondere nummer wordt gratis verspreid. Wie eertijds een abonnement op Het Visserijblad had krijgt het zeker in de bus. Anderen die het willen lezen kunnen het ook gratis toegestuurd krijgen, maar dan moeten ze wel naam & adres laten kennen aan filip@climaxi.org. Ha ja, hoe zouden die mensen dat anders naar jou kunnen opsturen?
Flor Vandekerckhove

‪Fish and Run2