donderdag 26 juli 2012

Tom


Eerst was er de afscheidsborrel geweest en daarna was hij samen met nog andere ontslagen collega’s de stad ingetrokken.  Het was een slemppartij geworden die tot de ochtend voortgeduurd had. De rest van de zondag had hij verslapen en nu begon hij aan zijn eerste dag als werkzoekende.
Op de hoek kocht hij de maandagkrant. De mevrouw van de krantenwinkel was verwonderd hem daar overdag te zien.  Hij legde het haar uit, van zijn ontslag dat afslanking genoemd werd, en zei dat ze hem nu wel vaker zou zien op momenten waarop normale mensen aan het werk zijn. Ah, had ze geantwoord, je zult wel gauw een nieuwe baan vinden. Niet opgeven. Tot later Tom. 
Aan dat laatste had hij niet veel aandacht besteed, want een regenzone trok van west naar oost over het land en hij haastte zich kop in kas naar het café om daar z’n krant te lezen.
Ook de barman was verwonderd hem op dat uur te zien. Of hij een snipperdag genomen had; of hij last had van de maandagziekte hahaha. Hij legde het de barman uit, van het ontslag dat reorganisatie genoemd werd, en dat hij hem voortaan wel vaker zou zien op tijdstippen waarop een mens aan de slag hoort te zijn.  Ah, had de barman geantwoord, elk nadeel heb z’n voordeel en het voordeel is, Tom, dat je nu rustig de tijd hebt om hier overdag eens binnen te wippen.
Hij vroeg zich af wat de barman bezielde om hem op die manier aan te spreken, dronk zijn koffie en kon er niet toe komen de krant te lezen. 
Op de terugweg wilde hij iets kopen voor de mevrouw van boven, waarmee hij een passionele maandagavondverhouding had.  De bakkersvrouw trok de wenkbrauwen op: Ha, dag Tom, heb je vrij vandaag? Zij dus ook. In haar ogen zocht hij een verklaring, vond die niet, antwoordde iets over een herstructurering en kocht een taart die de voorbije dagen niet verkocht geraakt was.
Na het middagmaal viel hij in slaap en hij kwam maar net op tijd wakker om zijn maandagavondafspraak met de bovenbuurvrouw na te komen.  Hij stak zijn hoofd onder de kraan en keek in de spiegel. Nog steeds voelde hij zich moe. Hij nam de taart uit de koelkast en sleepte zich moeizaam tot bij de bovenbuurvrouw die blij was hem te zien. Ah lieve Tom, zei ze, je ziet er versleten uit. Kom maar vlug binnen. 
Het werd hem opeens te veel. Hij stortte in. Jij ook, snikte hij, jij dus ook.  Waarom toch? Waarom noemt iedereen me Tom?
De bovenbuurvrouw was niet dwaas. Daardoor wist ze dat zijn ontreddering met het ontslag te maken had en dus antwoordde ze niets.  Ze nam de taart mee naar de keuken, sneed er twee stukken uit, riep iets over rode wijn en toen ze met de bordjes weer in de living kwam, lag haar onderbuurman plat op de sofa luid te snurken.
In zijn jaszak vond ze een mobieltje en daarin stond het nummer van zijn oude werkmakker Marc. Die had ze leren kennen toen haar minnaar hem op een maandagavond meegebracht had voor een triootje waaraan ze tot vandaag de beste herinneringen overhield. 
Ze belde.  Marc nam op. Ja, hij wist nog wie ze was. Neen, ze stoorde niet, zo loog hij, want zijn echtgenote zat naast hem naar de televisie te kijken. Ze maakte zich zorgen om Tom, zei ze.
Welke Tom? vroeg Marc.  Tom, antwoordde ze verwonderd, dè Tom, mìjn Tom, ònze Tom, en na een ongemakkelijk telefoonmoment waarin niets gezegd werd, voegde ze er fluisterend aan toe: Je weet wel, Tom van het triootje. 
Sorry, antwoordde Marc, ik moet ophangen. Wat hij meteen ook deed.  Ze bleef verweesd achter met een luid snurkende werkloze onderbuurman op de sofa. 
Ze denkt na over een manier om hem erbovenop te helpen. Hoe kan ze hem ervan overtuigen dat hij wel degelijk Tom heet? Ze haalt een portefeuille uit zijn binnenzak. Zoekt zijn identiteitskaart. Ze vindt niets waar zijn naam op staat.  Op de bank ligt een man die met zijn werk zijn identiteit kwijtgeraakt is.
Flor Vandekerckhove

woensdag 25 juli 2012

Hoe mijn moeder in Bredene terechtkwam

— 1. Het sanatorium Marin op de Driftweg te Bredene. 2. Ezel trekt wagen versierd met de letters SANA MARIN. Het meisje vooraan op de bok is mijn moeder. De foto is gedateerd 21.03.1936. Mijn moeder is op dat moment 13 jaar. De foto’s 3 en 4 zijn ongedateerd. Uit 3 blijkt dat de ezel als kinderpret op het strand ingezet werd. Het kindje vooraan is mijn moeder Henriette De Clercq. 4. Rechts van mijn moeder staat Aline (Adelaïde) Hofman, mijn grootmoeder. —


De jaren dertig zijn crisisjaren en het eenoudergezin van mijn grootmoeder Aline Hofman verlaat Gent om aan eten te geraken. Zo komen Aline en haar dochter Henriette in 1934 in Bredene terecht, waar dr. Blanckhoff het sanatorium Marin uitbouwt. In 1920 heeft de ‘Association Nationale Belge contre la Tuberculose’ het voormalige hotel Glibert langsheen de Driftweg aangekocht. Al heel vlug breidt het sanatorium uit. Aline wordt er strijkster en haar dochter begint in Bredene school te lopen, ze is elf. In de bescherming van dat instituut geraken Aline en haar kind zonder veel kleerscheuren doorheen de crisisjaren. Zo groeit Henriette op tot een jonge vrouw van zeventien die in de werkzaamheden van het sanatorium ingezet wordt.
Het uitbreken van WO II betekent het einde van het sanatorium. Patiënten en personeel vertrekken om aan het oorlogsgeweld te ontsnappen. Vanuit het sanatorium trekt het hele gezelschap met de tram naar De Panne, waar Aline en Henriëtte voorlopig in een hotel ondergebracht worden. Daar krijgen ze de raad om naar hun plaats van herkomst terug te keren. Aline en Henriëtte trekken met hebben en houden naar Gent (ze doen het met de vrachtwagen van de familie Vandekerckhove, wat betekent dat ze mijn toekomstige vader dan al kent). Binnen de kortste keren wordt het gebouw van het sanatorium leeggeplunderd en na de oorlog blijft er slechts een ruïne over. Tegen het begin van de jaren vijftig is alles opgeruimd en worden de gronden verkaveld. 
Vlak voor de vlucht heeft Henriëtte een aantal persoonlijke bezittingen ten huize Bogaert achtergelaten en dat ze na de oorlog fietst ze met een groep vriendinnen naar Bredene, waar ze enkele dagen bij de Bogaerts verblijft. De Gentse meiden zetten in Bredene de bloemetjes buiten, waarschijnlijk naar aanleiding van de plaatselijke kermis of tijdens het zomerseizoen, en Henriette gaat er dansen, in gezelschap van de autochtone meisjes. Het kinderrijke gezin Vandekerckhove woont in de Duinenstraat, waar vader Edmond en moeder Zoë een groentewinkel uitbaten. Een van Henriettes vriendinnen is Alice, de zuster van Marcel, en waarschijnlijk hebben Marcel en Henriëtte elkaar via zuster Alice beter leren kennen, misschien wel in alle betekenissen van het woord. Feit is dat ze uiteindelijk, op 11 september 1948, in Gent getrouwd is met de Bredenaar Marcel Vandekerckhove. Het is ‘van moeten’, nauwelijks vijf maanden later word ik geboren.
Flor Vandekerckhove

P.S. Dit stukje, in 2012 gepost, werd in 2020 volledig herwerkt.

Mijn eerste keer op youtube

woensdag 18 juli 2012

De oude molen



In die tijd was Bredene Duinen onze wereld, en héél onze wereld. Ten noorden werd die wereld afgebakend door de zee, ten zuiden door de polders, in het oosten fungeerde de Visserskapel als merkteken en ten westen was er de oude molen. Het waren grenzen die wij, spelende kinderen, zelden overschreden. Heel soms deden we het toch en fietsten we het ongewisse tegemoet. We lieten ons dan overweldigen door exotische plekken als de Spuikom waarin Haelewyck zijn oesters kweekte, of door Bredene Dorp waar de landman over de dingen heerste. Een enkele keer trokken we de wijk achter de Visserskapel in, waar we een maat hadden wonen. Ten westen trokken we zelden verder dan de oude molen. En ’t over die oude molen dat ik het even wil hebben.

In mijn kindertijd heeft het houten bouwsel al geen wieken meer, maar de toren herinner ik me wel degelijk. Voor me ligt een postkaart waarop hij — met wieken — afgebeeld staat. Op de achterkant staat de naam van de uitgever: ‘Edit.: O. Poppe-Matthys, 242, rue des Dunes, Breedene s/Mer.’ Op de foto is het bouwwerk nog in goede doen, maar ook daar heet hij al De Oude Molen.
Dat is wat ik uit mezelf over deze molen weet, maar op ’t net vind ik hier een plek waar men alles over verdwenen molens verzamelt. Er volgt enig over en weer geschrijf en een minuut later weet ik meer over de oude molen dan ik voor mogelijk gehouden had.
Die blijkt één van de vele te zijn die het molenaarsgeslacht Hubert aan de kust uitgebaat heeft. In Bredene hadden die Huberts er drie, w.o. deze die ons interesseert en waarin Henri Hubert de wieken liet zwaaien. De site leert ons dat de houten staakmolen in 1919, in wat toen blijkbaar Kiezelweg heette, gebouwd werd om koren te malen. In de jaren dertig werd hij niet meer gebruikt. In 1947 werd het wiekenkruis afgerukt door een storm. Op 2 november 1959 werd de vermolmde molenromp omgetrokken.
Flor Vandekerckhove
— Gauw! is een boek waarin ik mijn kindertijd beschrijf, of althans hoe ik die ervaren heb. Het is een e-boek (PDF, 102 blz.) en het is gratis voor wie erom vraagt. Doe het via liefkemores@telenet.be. (Er is geen papieren versie.) —

zondag 8 juli 2012

Roeselare, kamelen, ondernemers & kunstenaars

Fotograaf Jasper Rigole ging op zoek
naar de Soubry-kameel
Wie geen zin heeft om zich in het oeuvre van Bart De Wever te verdiepen en desalniettemin de Vlaamse identiteit wil doorgronden, moet zich naar Roeselare begeven. Ik ken die stad. Daar is een school die Klein Seminarie heet, er wordt een fameus bier gebrouwen en tijdens de jaarlijks terugkerende batjes kun je er over de koppen lopen. In de week wordt er gewrocht en op zondag, na de mis, wordt er gefeest. En dan mag het ook iets kosten. Nimmer werd die stad zonder de katholieken bestuurd en immer waart de blauwvoet er in 't rond. Ja, we bevinden ons in de buik van onze geliefde natie.
Een rechtstreekse treinverbinding met Gent is er niet, maar er is wel een kanaal dat de stad met de Leie (en dus toch weer met Gent) verbindt. Dat de trein niet naar Gent spoort, komt door de Roeselaarse pastoors. Die wilden vermijden dat de jeugd naar een heidense universiteit trok. Dat het kanaal er wèl is, komt door de plaatselijke ondernemers die jaarlijks 3,7 miljoen ton goederen over dat water laten transporteren. Voilà de Vlaamse identiteit in geconcentreerde vorm! Of zoals Raymond het zingt: ‘Waar men de heer nog kan loven / Waar de mensen belangrijk zijn / En de pensen omvangrijk zijn.’
Zelf werd ik gefotografeerd op
de Photohall-kameel…
Dat het kanaal daar 150 jaar geleden gegraven werd, moet gevierd worden met een kunstroute, aldus curator Christa Vyvey die uiteraard ook voorzitster is van de plaatselijke CD&V. Zij is erin geslaagd een keur van kunstenaars te mobiliseren die het kanaal nu ook artistiek op de kaart zet. (*) Want zoals ik het al zei: als er te vieren valt, mag het iets kosten.
Ik zou ter zake onwetend gebleven zijn ware er Chris Wuytack niet geweest die me wist mee te delen dat Jasper Rigole op zoek was naar ‘foto’s van de befaamde Soubry-kameel’. Rigole had die nodig om zijn filmische installatie ‘Kemel’ te produceren die op de kunstroute in het kanaalbedrijf Soubry te zien is. Hierbij past enige uitleg die ik u nu verschaf. 
Halverwege vorige eeuw toerde een ondernemende medemens door West-Vlaanderen met een kameel aan zijn zij. Gelukkig was Michel Vandenbosch nog niet geboren. Wie in die tijd kleuterschool liep, werd op de rug van het beest gezet en gefotografeerd. Soms werd die kameel gesponsord door macaroni Soubry, soms door ‘chocolat’ Jacques, soms door strandfotograaf Photo Hall en soms door niemand.
… en ook op de kameel zonder
commerciële eigenschappen
Dat laatste weet ik door mijn schoenendozen. Daarin vind ik verschillende beelden van kamelen met mezelf op, maar van Soubry is in die dozen geen sprake. Spijtig, want ik had graag mijn steentje bijgedragen tot Jaspers project.
Hopelijk kan ik via deze column toch nog iets betekenen voor de ondernemers van Roeselare, waarvan curator Christa Vyvey beweert dat ze ‘ondernemen tot kunst hebben verheven’. Een boude uitspraak is dat als je 't mij vraagt, een bewering die ons voldoende voer bezorgt om er een wijle over te mediteren nabij de veldkapel.
Flor Vandekerckhove

* http://www.kanaalroeselareleie.be/ondernemen-is-een-kunst.html

donderdag 5 juli 2012

Garage Achille

— Garage Achille. Voor de poort staat wijlen Jozef Rosseel, gemeenzaam Tsjeppen genoemd. —

In de Duinenstraat te Bredene, op het nummer 313, waar nu het flatgebouw De Dijk staat, werd eertijds de garage Achille uitgebaat. De garage werd genoemd naar Achille Goethals die er, nog vóór de Tweede Wereldoorlog, de eerste eigenaar van was. De mens ging aan zijn ondernemingsdrift failliet en het gebouw werd aangekocht door de familie Vanblaere. Henri Vanblaere (°1911) zou de garage verder uitbaten tot hij in 1942 door de Duitse bezetter naar het concentratiekamp Gros Rosen weggevoerd werd, waar hij als politieke gevangene op 11 december 1944 om het leven gebracht wordt. Zijn naam staat vermeld op een gedenksteen nabij de openbare bibliotheek van Bredene, er is ook een straat naar hem genoemd.
Henri Vanblaere laat een echtgenote na en twee dochters. Een ervan, Aline, sterft bitterjong en ook zijn echtgenote leeft niet lang. De andere dochter, Mireille, wordt verder opgevoed door de grootouders. Die zijn in onze straat de eersten die een televisie in huis hebben en wij, straatlopers, verdringen ons ’s avonds voor het raam om mee te kijken naar de bewegende beelden. Grootvader Vanblaere is beide benen afgezet, wellicht door suikerziekte. De mens jaagt ons daardoor een beetje schrik aan. Van zodra hij zijn kar in beweging zet om ons van voor zijn venster weg te jagen, stuiven wij uiteen.
In mijn kindertijd werd de garage uitgebaat door Robert Vansieleghem. Hij was getrouwd met Alice Vandekerckhove, de oudste zuster van mijn vader. De garage staat me nog levendig voor de geest: de smeerputten waar altijd water in stond en die avontuurlijk oogden, ook omdat we er op ouderlijk bevel ver van moesten wegblijven; de hydraulische brug die er later kwam, het traliehek waarachter de werkbank stond en het materiaal; het bureautje waar het naar rubber en olie rook. Ook zie ik nog de bruine, steile trap die naar het appartement leidde en uitkwam op een halletje. Rechts ervan was er een veranda-achtige ruimte met stenen vloer die als waskot dienst deed en ook als speelruimte, daar was ook een volière, want Robert kweekte zangvogels. Ik herinner me de living en zelfs de bruin geverniste lage kast met gebombeerde deuren en centraal de zware eettafel. Daar heb ik voor het eerst in mijn leven mosselen gegeten. Ik weet nog dat ik al de kleine, bruine stukjes eruit losgepeuterd had omdat ik dacht dat het oogjes waren. 
Ik kwam er veel spelen met mijn nicht en 's avonds liep ik in het donker naar huis, toen nog in de Golfstraat, waarbij ik de 'garre van Cornelis' moest passeren; een donker gat, waar ik voorbij sprintte omdat de dreigende leegte ervan me schrik aanjoeg. Ik schreef er eerder in de blog al een stukje over (http://florsnieuweblog.blogspot.be/2012/04/de-garre-van-cornelis.html).
Later, zo meen ik me te herinneren, werd de garage uitgebaat door ene Hermy, die er zijn naam aan gaf en nu is er niets meer dat aan die garage herinnert, behalve dit stukje in de blog van De Laatste Vuurtorenwachter.
Flor Vandekerckhove


In Gauw! vertel ik in 102 bladzijden het verhaal van mijn kindertijd in Bredene. Hoe heb ik die jaren 50 ervaren? Hoe wordt een kind in die tijd opgevoed? Het boek (e-boek, PDF of ePUB) is gratis en wordt meteen opgestuurd naar elkeen die erom vraagt. Mail naar liefkemores@telenet.be.

maandag 2 juli 2012

Dit bericht geldt als enige kennisgeving


Zijn ooms, nichten, neven en tantes zag hij nooit meer, zijn zuster kwam hij nog eens op straat tegen en zijn moeder bezocht hij plichtmatig om het jaar. Dat had hij overigens vier keer op rij moeten overslaan, buiten zijn wil weliswaar. Die jaren hadden hem overigens fel getekend.
Zijn moeder was oud. Lang kon het niet meer duren. Zijn zuster zou hem bellen wanneer het zover was. Hij zag ertegenop, familiezaken waren aan hem niet besteed. Wat moet een mens doen als zijn moeder sterft? Moet je de politie verwittigen? En welke gevolgen zou dat hebben als hij zich in dat politiebureau kenbaar maakte?  Moest hij een nieuw pak kopen? Zou de familie iets zeggen over de periode waarin hij weggeweest was? Zou de familie hem de rug toekeren? En wie zou het maal betalen? Het leek hem het beste om alles aan zijn zuster over te laten.
Hij bedacht strategieën. Kon hij het zich permitteren van de plechtigheid weg te blijven? Zou hij ziekte voorwenden? 
Drie weken later werd hij geklist, kort nadat hij een nachtwinkel beroofd had. Gewapend en bij nacht, dat verzwaarde de feiten, zei de rechter. Zijn advocaat had nog verzachtende omstandigheden gepleit omdat een nachtwinkel haast per definitie ’s nachts beroofd moet worden, maar daar had de rechter geen oren naar. Bij de huiszoeking had de politie ook een zwart pak gevonden dat eerder uit de C&A ontvreemd was.
Die feiten brachten hem weer naar de plek waar hij eerder al verbleven had. Het was ook daar dat hij in de krant de mededeling las dat zijn moeder gestorven was. Het bericht gold als enige kennisgeving. De begrafenis had, volgens de wens van de overledene, in alle intimiteit plaatsgegrepen.
Flor Vandekerckhove

zondag 1 juli 2012

Hoe de Ronde van Frankrijk eruit zag bij Alida

Bijeenkomst van de wielerclub de Duinensprinters in Café du Littoral (Duinenstraat, Bredene) van waardin Alida. De man op de eerste rij, helemaal links is mijn grootvader Edmond Vandekerckhove. Alida is de vrouw met het bolletjeschort. Maar wie zijn de anderen?

Het werk, dat nochtans altijd voorrang heeft, wordt neergelegd. Mijn vader en ik steken haastig de straat over, want daar bevindt zich café Littoral en daar flikkert het testbeeld al. In het achterzaaltje zitten enkele mannen te wachten. Mijn vader bestelt een pils van het merk White Star. Zelf krijg ik een glas gevuld met kleurstoffen die vandaag verboden zijn. De stoelen kraken, de mannen steken een sigaret op en ik mag meeroken, zij het alleen passief. Het testbeeld wordt nu en dan verstoord door schuine strepen. Waarop Alida van achter de tapkast komt en de TV een dreun geeft. Opeens krijgen we een straat te zien. Dwars over de straatbreedte een witte streep, daarboven hangt een spandoek Arrivée. Soms steekt iemand die straat over en daarmee moeten we het doen. Na enige mislukte pogingen horen we een stem die zegt dat we op de renners wachten. Ik heb een gele snor van de limonade. We wachten. Mijn vader zegt dat de Ronde van Frankrijk op maat van de Fransen gemaakt is, wat verklaart waarom de Belgen er niets van bakken. Dat blijkt uit het klassement dat de reporter ons nu voorleest en waarmee het wachten gedood moet worden. Opeens gaat de stem van de reporter in overdrive, passerende moto’s duiden erop dat de renners in aantocht zijn. Vervolgens zien we een zootje dat op de meet afstevent en een renner die zijn hand omhoog steekt. In het geharrewar valt de stem van de reporter weg, waardoor we moeten gissen wie er gewonnen heeft. 't Zal wel weer een Fransman geweest zijn.
Mijn vader en ik steken de straat weer over en vervolgen onze werkzaamheden, want in die tijd roept kinderarbeid bij niemand weerstand op en bij de Bredense middenstand nog 't minst van al. Enkele uren later fietst een jongen door de Duinenstraat die Tour de France roept en Uitslag van de rit. Hij verkoopt de speciale editie van Het Volk, krantje dat vlak na de arrivée met vliegtuigjes in Vlaamse beemden gedropt wordt, waarna loopjongens het tot bij de nieuwsgierige massa’s brengen. Mijn vader kijkt wie op Alida’s TV als eerste over de streep gereden is en ik zoek de muis op in de strip van Thomas Pips. Om acht uur ga ik naar bed met de even geruststellende als beangstigende gedachte dat morgen alles hetzelfde zal zijn.
Flor Vandekerckhove

Zo ging het destijds, 
maar hoe gaat het er vandaag 
aan toe bij de beenhouwer?