donderdag 26 juli 2012

Tom


Eerst was er de afscheidsborrel geweest en daarna was hij samen met nog andere ontslagen collega’s de stad ingetrokken.  Het was een slemppartij geworden die tot de ochtend voortgeduurd had. De rest van de zondag had hij verslapen en nu begon hij aan zijn eerste dag als werkzoekende.
Op de hoek kocht hij de maandagkrant. De mevrouw van de krantenwinkel was verwonderd hem daar overdag te zien.  Hij legde het haar uit, van zijn ontslag dat afslanking genoemd werd, en zei dat ze hem nu wel vaker zou zien op momenten waarop normale mensen aan het werk zijn. Ah, had ze geantwoord, je zult wel gauw een nieuwe baan vinden. Niet opgeven. Tot later Tom. 
Aan dat laatste had hij niet veel aandacht besteed, want een regenzone trok van west naar oost over het land en hij haastte zich kop in kas naar het café om daar z’n krant te lezen.
Ook de barman was verwonderd hem op dat uur te zien. Of hij een snipperdag genomen had; of hij last had van de maandagziekte hahaha. Hij legde het de barman uit, van het ontslag dat reorganisatie genoemd werd, en dat hij hem voortaan wel vaker zou zien op tijdstippen waarop een mens aan de slag hoort te zijn.  Ah, had de barman geantwoord, elk nadeel heb z’n voordeel en het voordeel is, Tom, dat je nu rustig de tijd hebt om hier overdag eens binnen te wippen.
Hij vroeg zich af wat de barman bezielde om hem op die manier aan te spreken, dronk zijn koffie en kon er niet toe komen de krant te lezen. 
Op de terugweg wilde hij iets kopen voor de mevrouw van boven, waarmee hij een passionele maandagavondverhouding had.  De bakkersvrouw trok de wenkbrauwen op: Ha, dag Tom, heb je vrij vandaag? Zij dus ook. In haar ogen zocht hij een verklaring, vond die niet, antwoordde iets over een herstructurering en kocht een taart die de voorbije dagen niet verkocht geraakt was.
Na het middagmaal viel hij in slaap en hij kwam maar net op tijd wakker om zijn maandagavondafspraak met de bovenbuurvrouw na te komen.  Hij stak zijn hoofd onder de kraan en keek in de spiegel. Nog steeds voelde hij zich moe. Hij nam de taart uit de koelkast en sleepte zich moeizaam tot bij de bovenbuurvrouw die blij was hem te zien. Ah lieve Tom, zei ze, je ziet er versleten uit. Kom maar vlug binnen. 
Het werd hem opeens te veel. Hij stortte in. Jij ook, snikte hij, jij dus ook.  Waarom toch? Waarom noemt iedereen me Tom?
De bovenbuurvrouw was niet dwaas. Daardoor wist ze dat zijn ontreddering met het ontslag te maken had en dus antwoordde ze niets.  Ze nam de taart mee naar de keuken, sneed er twee stukken uit, riep iets over rode wijn en toen ze met de bordjes weer in de living kwam, lag haar onderbuurman plat op de sofa luid te snurken.
In zijn jaszak vond ze een mobieltje en daarin stond het nummer van zijn oude werkmakker Marc. Die had ze leren kennen toen haar minnaar hem op een maandagavond meegebracht had voor een triootje waaraan ze tot vandaag de beste herinneringen overhield. 
Ze belde.  Marc nam op. Ja, hij wist nog wie ze was. Neen, ze stoorde niet, zo loog hij, want zijn echtgenote zat naast hem naar de televisie te kijken. Ze maakte zich zorgen om Tom, zei ze.
Welke Tom? vroeg Marc.  Tom, antwoordde ze verwonderd, dè Tom, mìjn Tom, ònze Tom, en na een ongemakkelijk telefoonmoment waarin niets gezegd werd, voegde ze er fluisterend aan toe: Je weet wel, Tom van het triootje. 
Sorry, antwoordde Marc, ik moet ophangen. Wat hij meteen ook deed.  Ze bleef verweesd achter met een luid snurkende werkloze onderbuurman op de sofa. 
Ze denkt na over een manier om hem erbovenop te helpen. Hoe kan ze hem ervan overtuigen dat hij wel degelijk Tom heet? Ze haalt een portefeuille uit zijn binnenzak. Zoekt zijn identiteitskaart. Ze vindt niets waar zijn naam op staat.  Op de bank ligt een man die met zijn werk zijn identiteit kwijtgeraakt is.
Flor Vandekerckhove

woensdag 25 juli 2012

Henriëtte & de missing link


Het sanatorium Marin op de Driftweg te Bredene
In 2006, kort voor mijn moeder stierf, kwam ik tot de verontrustende conclusie dat ik nauwelijks iets over haar verleden afwist, haar afkomst, kindertijd, jeugdjaren… En hoe had ze Marcel leren kennen, de man die haar echtgenoot werd en kort daarna mijn vader?
Aan die vader, al in 1989 overleden, kon ik het niet meer vragen, maar tussen moeders papieren vond ik documenten die me haar verleden konden verhelderen. Ik vulde ze aan met de verwarde herinneringen die ze me er nog bij kon vertellen. Het werd een wedloop tegen de tijd, want dr. Alzheimer luisterde in toenemende mate met ons mee.
Henriette werd, zo leerde mij haar trouwboekje, op 5 maart 1923 in Gent geboren als dochter van Josephus De Clercq en Adelaïde Adolphina Joanna Hofman.
Zelf heb ik die Joseph nooit gekend. Moeder beweerde dat het een mooie man was, maar het is vooral duidelijk dat Adelaïde (Aline) er geen goeie partij aan gedaan had, want in de Gentse wijk Ekkergem groeide de kleine Henriette op in wat al vlug een éénoudergezin werd. Vader Joseph — Tjeef — ging er al gauw weer vandoor om zich fulltime te weiden aan het consumeren van sterke drank en lichte meisjes. Zo godsvruchtig als strijkster Aline was, zo wild was nachtwaker Joseph.
De jaren dertig waren crisisjaren en het armlastige gezin moest buiten de stad gaan wonen om aan eten te geraken. Op zoek naar een onderkomen kwamen Aline en haar dochter in Oedelem terecht waar Aline huishoudster kon worden. Nadat de eigenares van dat huis overleden was, moest er weer werk gezocht worden en die zoektocht leidde de twee in 1934 naar Bredene waar dr. Blanckhoff het sanatorium Marin uitgebouwd had. Aline werd er strijkster en haar dochter begon in Bredene school te lopen.
In 1920 had de ‘Association Nationale Belge contre la Tuberculose’ het voormalige hotel Glibert langsheen de Driftweg aangekocht. Al heel vlug breidde het sanatorium uit en langs de zuidzijde werden terrassen gebouwd. Bedlegerige patiënten werden er in hun bed naartoe gerold en kregen er een zonnekuur.
Mijn moeder is elf wanneer ze te Bredene toekomt. Henriëtte speelt met de autochtone jeugd en met de kinderen die in het sanatorium verblijven. In de bescherming van dat instituut geraken Aline en haar kind zonder veel kleerscheuren doorheen de crisisjaren. Zo groeit Henriette op tot een jonge vrouw van zeventien die in de werkzaamheden van het sanatorium ingezet wordt.
Haar eerste vriendje is wellicht Henri Bogaert, waarvan ik voor het eerst hoor wanneer ze de tachtig al voorbij is. Dat deze Henri indruk op haar gemaakt heeft is een feit, want op het einde van haar leven verwart ze de mens voortdurend met haar overleden echtgenoot Marcel.
Op 1 mei 1940 verwerft ze het stamboekje van de ambulanciers van het Rode Kruis. De opleiding loopt van 2 juni tot 11 juli 1940 in het ‘Hopital Croix Rouge à Clermskerke’ en dokter Blanckhoff merkt in de marge op dat Henriette De Clercq een ‘bon élément’ is.
Het uitbreken van WO II betekent het einde van het sanatorium. Patiënten en personeel vertrekken om aan het oorlogsgeweld te ontsnappen. In de kortste keren wordt het gebouw leeggeplunderd en na de oorlog blijft er nog slechts een ruïne over. Tegen het begin van de jaren vijftig is alles opgeruimd en worden de gronden verkaveld.
Na het verblijf in het sanatorium trekt het hele gezelschap met de tram naar De Panne, waar Aline en Henriëtte voorlopig in een hotel ondergebracht worden. Daar krijgen ze de raad om naar hun plaats van herkomst terug te keren. Aline en Henriëtte trekken met hebben en houden naar Gent (ze doen het met de vrachtwagen van de familie Vandekerckhove, wat betekent dat ze Marcel toen al kende).
Over de oorlogsjaren van Aline en Henriette is mij verder weinig bekend. Ik probeerde die gegevens wel nog uit het wrakke geheugen van moeder te vissen, maar het ging van kwaad naar erger. Feit is dat persoonlijk contact tussen de kust en het binnenland tijdens die oorlog verbroken werd. De kust was door de Duitse bezetter uitgeroepen tot ‘Sperrgebiet’. Alleen wie een speciale pas had kon uit het binnenland naar de kust komen en omgekeerd. Dat ze tijdens die oorlog Marcel nog gezien heeft is ook weinig waarschijnlijk omdat hij in de loop ervan door de bezetter ‘opgeëist’ werd en verplicht werd in Duitsland te gaan werken.
Aline en haar dochter werden in Gent opgevangen door een tante Romanie, maar daar konden de twee niet lang blijven. Hebben ze vervolgens de oorlog in Gent doorgebracht? Dat zou best kunnen, want op 25 juni 1946 behaalde ‘Mej. De Clerck Henriëtte’ het bewijs dat ze in de Gentse Volkshogeschool van bestuurder A. Mussche met voldoening de ‘overgangsproef Fransch II’ afgelegd had. Ze was toen 23.
Hoe Henriëtte vervolgens, na de oorlog, weer naar Bredene afgezakt kwam, is onzeker. Wel weten we dat ze vlak voor de vlucht voor het oorlogsgeweld een aantal persoonlijke bezittingen ten huize Bogaert achtergelaten had en dat ze na de oorlog met een groep vriendinnen naar Bredene gefietst is, waar ze enkele dagen bij dat gezin verbleven heeft of… althans soep gekregen heeft (alleen dat laatste herinnerde ze zich goed). De Gentse meiden hebben in Bredene de bloemetjes buitengezet, waarschijnlijk naar aanleiding van de plaatselijke kermis of tijdens het zomerseizoen, en Henriette gaat er dansen, in gezelschap van de autochtone meisjes.
Het kindrijke gezin Vandekerckhove woonde in de Duinenstraat waar vader Edmond en moeder Zoë een groentewinkel uitbaatten. Een van Henriettes vriendinnen was Alice, de zuster van Marcel, en waarschijnlijk hebben Marcel en Henriëtte elkaar tijdens zo’n danspartij, via zuster Alice, beter leren kennen, misschien wel in alle betekenissen van het woord.
Wie haar in Gent vervolgens is komen ‘halen’ was haar niet meer duidelijk. Soms zei ze dat het mijn vader was, maar dan blijkt ze Marcel en Henri Bogaert weer met elkaar te verwarren. Dit is meteen de ‘missing link’ uit haar persoonlijke geschiedenis. Zelf vermoed ik dat het wel degelijk Marcel was die, nadat hij had vernomen dat Henriëtte zwanger was (een gevolg van de danspartij?), haar ten huwelijk is komen vragen.
Feit is dat ze uiteindelijk, op 11 september 1948, in Gent getrouwd is met de Bredenaar Marcel Vandekerckhove. Het was ‘van moeten’, want nauwelijks vijf maanden later werd ik geboren.
Flor Vandekerckhove 

woensdag 18 juli 2012

De oude molen


Lang voor het internet ons leven zou bepalen bedacht Marshall McLuhan de term global village.  De ontwikkeling van de communicatie zou de mensen zo dicht tot elkaar brengen dat de aarde als een dorp zou worden, een vertrouwde plek waarin iedereen elkaar kent.
In de jaren vijftig van vorige eeuw waren we bijlange zo ver nog niet. Toen was Bredene Duinen, de wijk waarin ik leefde, onze hele wereld. Ten noorden werd die afgebakend door de zee, ten zuiden door de polders, in het oosten fungeerde de Visserskapel als merkteken en ten westen was er de oude molen. Het waren grenzen die wij, spelende kinderen, zelden overschreden.
Ik herinner me dat grotere kinderen jaarlijks op ‘de platte duin’ een voetbalmatch speelden waarvan wij, kleintjes, de toeschouwers waren. Die van de Duinen tegen die van ’t Dorp. De eersten kenden we allemaal, dat waren onze grote jongens; die van ‘t Dorp kenden we niet, die leefden van ons afscheiden, ver in de polders, waar de Duinenstraat overging in de Sluizenstraat.
Heel soms overschreden we al fietsend de grenzen. We lieten ons dan overweldigen door exotische plekken als de Spuikom waarin Haelewyck zijn oesters kweekte, of door het Dorp waar de landman over de dingen heerste. Een enkele keer trokken we de merkwaardige wijk achter de Visserskapel in, waar we een maat hadden wonen…
Ten westen trokken we zelden verder dan de oude molen. In die tijd had het houten bouwsel al geen wieken meer, maar de toren herinner ik me wel degelijk.
Niet zolang geleden vond ik een postkaart waarop die molen afgebeeld staat. Op de achterkant staat de naam van de uitgever: ‘Edit.: O. Poppe-Matthys, 242, rue des Dunes, Breedene s/Mer.’ Op de foto is het bouwwerk nog in goede doen, maar ook daar heet hij al De Oude Molen.
Dat is wat ik tot gisteren over deze molen afwist. Maar intussen is de wereld wel degelijk een dorp geworden, zoals Marshall McLuhan zei. Dus ga ik op het net op zoek naar iemand die me meer over de molen kan vertellen. Dertig seconden later vind ik een plek waar zo'n beetje alles over verdwenen molens verzameld wordt. (*) Er volgt enig over en weer geschrijf tussen mezelf en de beheerder van de site. Een minuut later weet ik meer over de oude molen dan ik het voor mogelijk gehouden had.
Die blijkt één van de vele te zijn die het molenaarsgeslacht Hubert aan de kust uitgebaat heeft. In Bredene hadden die Huberts er drie, w.o. deze die ons interesseert en waarin molenaar Henri Hubert de plak zwaaide.  De site leert ons verder dat de houten staakmolen in 1919, in wat toen blijkbaar Kiezelweg heette, gebouwd werd om koren te malen. In de jaren dertig werd hij niet meer gebruikt. In 1947 werd het wiekenkruis afgerukt door een storm. Op 2 november 1959 werd de vermolmde molenromp omgetrokken.

zondag 8 juli 2012

Roeselare, kamelen, ondernemers & kunstenaars

Fotograaf Jasper Rigole ging op zoek
naar de Soubry-kameel
[Column] — Wie geen zin heeft om zich in het oeuvre van Bart De Wever te verdiepen en desalniettemin de Vlaamse identiteit wil doorgronden, moet zich naar Roeselare begeven. 
Ik ken die stad. Daar is een school die Klein Seminarie heet, er wordt een fameus bier gebrouwen en tijdens de jaarlijks terugkerende batjes kun je er over de koppen lopen. In de week wordt er gewrocht en op zondag, na de mis, wordt er gefeest. En dan mag het ook iets kosten. 
Nimmer werd die stad zonder de katholieken bestuurd en immer waart de blauwvoet er in 't rond. Ja, we bevinden ons in de buik van onze geliefde natie.
Een rechtstreekse treinverbinding met Gent is er niet, maar er is wel een kanaal dat de stad met de Leie (en dus toch weer met Gent) verbindt. Dat de trein niet naar Gent spoort, komt door de Roeselaarse pastoors. Die wilden zodoende vermijden dat de jeugd naar een heidense universiteit trok. Dat het kanaal er wèl is, komt door de plaatselijke ondernemers die jaarlijks 3,7 miljoen ton goederen over dat water laten transporteren. Voilà de Vlaamse identiteit in geconcentreerde vorm! Of zoals Raymond het zingt: ‘Waar men de heer nog kan loven / Waar de mensen belangrijk zijn / En de pensen omvangrijk zijn.’
Zelf werd ik gefotografeerd op
de Photohall-kameel…
Dat het kanaal daar 150 jaar geleden gegraven werd, moet gevierd worden met een kunstroute, aldus curator Christa Vyvey die uiteraard ook voorzitster is van de plaatselijke CD&V. Zij is erin geslaagd een keur van kunstenaars te mobiliseren die het kanaal nu ook artistiek op de kaart zet. (*) Want zoals ik het al zei: als er te vieren valt, mag het iets kosten.
Ik zou ter zake onwetend gebleven zijn ware er Chris Wuytack niet geweest die me wist mee te delen dat Jasper Rigole op zoek was naar ‘foto’s van de befaamde Soubry-kameel’. Rigole had die nodig om zijn filmische installatie ‘Kemel’ te produceren die op de kunstroute in het kanaalbedrijf Soubry te zien is.
Hierbij past enige uitleg die ik u vervolgens wel wil verschaffen. 
Halverwege vorige eeuw toerde een ondernemende medemens door West-Vlaanderen met een kameel aan zijn zij. Gelukkig was Michel Vandenbosch toen nog niet geboren. Wie in die tijd kleuterschool liep, werd op de rug van het beest gezet en gefotografeerd. Soms werd die kameel gesponsord door macaroni Soubry, soms door ‘chocolat’ Jacques, soms door strandfotograaf Photo Hall en soms door niemand.
… en ook op de kameel zonder
commerciële eigenschappen
Dat laatste weet ik doordat ik het in mijn schoenendozen geconstateerd heb. Daarin vind ik inderdaad verschillende beelden van kamelen met mezelf op, maar van Soubry is in die dozen geen sprake. Spijtig, want ik had graag mijn steentje bijgedragen tot dit project.
Hopelijk kan ik via deze column toch nog iets betekenen voor de ondernemers van Roeselare & omstreken, waarvan curator Christa Vyvey beweert dat ze ‘ondernemen tot kunst hebben verheven’. Een boude uitspraak is dat als je 't mij vraagt, een bewering die ons voldoende voer bezorgt om er een wijle over te mediteren nabij de veldkapel.  Allen daarheen! 
Flor Vandekerckhove

* http://www.kanaalroeselareleie.be/ondernemen-is-een-kunst.html

donderdag 5 juli 2012

Garage Achille

Garage Achille. Voor de poort staat Jozef
Rosseel, gemeenzaam Tsjeppen genoemd.
In de Duinenstraat te Bredene, op het nummer 313, waar nu het flatgebouw De Dijk staat, werd eertijds de garage Achille uitgebaat. U hebt het al begrepen, dit is weer een stukje over de dingen die voorbijgaan… voorbijgegaan zijn.
De garage werd genoemd naar Achille Goethals die er, nog vóór de Tweede Wereldoorlog, de eerste eigenaar van was. De mens ging aan zijn ondernemingsdrift failliet en het gebouw werd aangekocht door de familie Vanblaere.
Henri Vanblaere (°1911) zou de garage verder uitbaten tot hij in 1942 door de Duitse bezetter naar het concentratiekamp Gros Rosen weggevoerd werd waar hij als politieke gevangene op 11 december 1944 om het leven gebracht zou worden. Op het internet komt zijn naam inderdaad voor op een lijst van Belgen die door de Duitsers geliquideerd werden (www.degefusilleerden.be). Zijn naam wordt eveneens vermeld op een gedenksteen die zich nabij de openbare bibliotheek van Bredene bevindt.
Henri Vanblaere liet een echtgenote na en twee dochters. Een ervan, Aline, stierf bitterjong en ook zijn echtgenote leefde niet lang. De andere dochter, Mireille, werd verder opgevoed door de grootouders.
Al wat ik hierboven over die garage schrijf, heb ik onlangs vernomen van mijn nicht Nadine. Maar ik herinner me zelf ook veel van de mensen die erbij betrokken waren. 
Als kind woonde Nadine boven de garage die na de oorlog uitgebaat werd door haar vader Robert Vansieleghem. Hij was getrouwd met Alice Vandekerckhove, zuster van mijn vader.
Ik herinner me Mireille Vanblaere die het imago meetorste een vrijgevochten wicht te zijn waarmee het, dixit mijn vader, slecht zou aflopen. Die zag zijn vooroordeel bevestigd op de dag dat ze zich in Bredene in een open sportwagen vertoonde, aan de zijde van een oudere, duidelijk welstellende Noord-Afrikaanse medemens, 'een algérien’.  Zelf begreep ik de logica van vaders redenering niet zo goed.
Eerder had Mireille inderdaad bij haar grootouders gewoond, schuin over ons huis in de Duinenstraat. Zij waren in die straat de eersten die een televisie in huis hadden en wij, straatlopers, verdrongen ons ’s avonds voor het raam om mee te kijken naar de bewegende beelden. Grootvader Vanblaere was beide benen afgezet, wellicht door suikerziekte. De mens jaagde ons daardoor een beetje schrik aan. Van zodra hij zijn kar in beweging zette om ons van voor zijn venster weg te jagen, stoven wij uiteen.
De garage was een plek waar de mannen uit de buurt zich ’s avonds, na de dagtaak, aan de poort verzamelden om er te palaberen: René Olders, Jef alias Tsjeppen en Camiel Rosseel, Georges Cornelis, Robert Vansieleghem, mijn vader… Voor mij waren dat mooie momenten.  Ik mocht er getuige zijn van een mannelijke camaraderie die me ook vandaag nog kan bekoren.  Ook de garage zelf staat me nog levendig voor de geest: de smeerputten waar altijd water in stond en die avontuurlijk oogden, ook omdat we er op ouderlijk bevel ver van moesten wegblijven; de hydraulische brug die er later kwam, het traliehek waarachter de werkbank stond en het materiaal; het bureautje waar het naar rubber en olie rook. Ook zie ik nog de bruine, steile trap die naar het appartement leidde en uitkwam op een halletje.  Rechts ervan was er een veranda-achtige ruimte met stenen vloer die als waskot dienst deed en ook als speelruimte, daar was ook een volière, want Robert kweekte zangvogels.  Ik herinner me de living en zelfs de bruin geverniste lage kast met gebombeerde deuren en centraal de zware eettafel.  Daar heb ik voor het eerst in mijn leven mosselen gegeten. Ik weet nog dat ik al de kleine, bruine stukjes eruit losgepeuterd had omdat ik dacht dat het oogjes waren. 
Ik kwam er veel spelen met mijn nicht en 's avonds liep ik in het donker naar huis, toen nog in de Golfstraat, waarbij ik de 'garre van Cornelis' moest passeren; een donker gat, waar ik voorbij sprintte omdat de dreigende leegte ervan me schrik aanjoeg. Ik schreef er eerder in de blog al een stukje over (http://florsnieuweblog.blogspot.be/2012/04/de-garre-van-cornelis.html).
Later, zo meen ik me te herinneren, werd de garage uitgebaat door ene Hermy, die er zijn naam aan gaf en nu is er niets meer dat aan die garage herinnert, behalve dit stukje in de blog van De Laatste Vuurtorenwachter.
Flor Vandekerckhove

Wie op een van onderstaande labels drukt, vindt elders in de blog nog dergelijke stukken.

maandag 2 juli 2012

Dit bericht geldt als enige kennisgeving


Zijn ooms, nichten, neven en tantes zag hij nooit meer, zijn zuster kwam hij nog eens op straat tegen en zijn moeder bezocht hij plichtmatig om het jaar. Dat had hij overigens vier keer op rij moeten overslaan, maar dat was buiten zijn wil gebeurd. Die jaren hadden hem overigens fel getekend.
Zijn moeder was oud. Lang kon het niet meer duren. Zijn zuster zou hem bellen wanneer het zover was. Hij zag ertegenop, familiezaken waren aan hem niet besteed. Wat moet een mens doen als zijn moeder sterft? Moet je de politie verwittigen? En welke gevolgen zou dat hebben als hij zich in dat politiebureau kenbaar maakte?  Moest hij een nieuw pak kopen? Zou de familie iets zeggen over de periode waarin hij weggeweest was? Zouden ze hem de rug toekeren? En wie zou het maal betalen? Het leek hem het beste om alles aan zijn zuster over te laten.
Hij bedacht strategieën. Kon hij het zich permitteren van de plechtigheid weg te blijven? Zou hij ziekte voorwenden? 
Drie weken later werd hij geklist, kort nadat hij een nachtwinkel beroofd had. Gewapend en bij nacht, dat verzwaarde de feiten, zei de rechter. Zijn advocaat had nog verzachtende omstandigheden gepleit omdat een nachtwinkel haast per definitie ’s nachts beroofd moet worden, maar daar had de rechter geen oren naar. Bij de huiszoeking had de politie ook een zwart pak gevonden dat eerder uit de C&A ontvreemd was.
Die feiten brachten hem weer naar de plek waar hij eerder al verbleven had. Het was daar ook dat hij in de krant de mededeling las dat zijn moeder gestorven was. Het bericht gold als enige kennisgeving. De begrafenis had, volgens de wens van de overledene, in alle intimiteit plaatsgegrepen.
Flor Vandekerckhove

zondag 1 juli 2012

Hoe de Ronde van Frankrijk eruit zag bij Alida

Café Littoral bevond zich in de Duinenstraat 309 te Bredene.  Het café bestaat niet meer, maar was eertijds ook het lokaal van wielerclub de Duinesprinters. Jaarlijks werd een groepsfoto genomen. Vooraan met bolletjesschort staat Alida. De man links vooraan met pet en snor is mijn peter Edmond Vandekerckhove,
maar wie zijn de anderen?


























Het werk, dat nochtans altijd voorrang had, werd neergelegd. Mijn vader en ik staken haastig de straat over, want daar bevond zich de Littoral en in dat café flikkerde het testbeeld. In het achterzaaltje zaten al enkele mannen te wachten. Mijn vader bestelde een pils van het merk White Star.  Zelf kreeg ik een glas gevuld met kleurstoffen die vandaag verboden zijn, want we bevinden ons te midden de vorige eeuw, toen de voedselinspectie nog uitgevonden moest worden
De stoelen kraken, de mannen steken een sigaret op en ik mag meeroken, zij het alleen maar passief. We wachten en kijken naar het testbeeld. Dat wordt nu en dan verstoord door schuine strepen. Waarop waardin Alida van achter de tapkast komt om de TV een dreun te geven. Opeens krijgen we een straat te zien, een andere dan deze die ons gisteren getoond werd, maar veel verschil is er niet. Dwars over de straatbreedte is een witte streep geschilderd. Daarboven hangt een spandoek waarop Arrivée geschreven staat. Nu en dan zien we iemand die straat oversteken en daarmee moeten we het doen. Na enige geaborteerde pogingen krijgen we een stem te horen die zegt dat we op de renners wachten. Ik nip van mijn limonade en krijg er een gele snor van. We wachten. Mijn vader zegt dat de Ronde van Frankrijk op maat van de Fransen gemaakt is. Die uitspraak verklaart overtuigend waarom de Belgen er niets van bakken. Dat blijkt ook uit het klassement dat de reporter ons nu voorleest en waarmee het wachten gedood moet worden. Opeens gaat de stem van de reporter in overdrive, passerende moto’s duiden erop dat de renners in aantocht zijn. Vervolgens zien we een zootje dat op de meet afstevent en een renner die zijn hand omhoog steekt. In het geharrewar valt de stem van de reporter weg, waardoor we een beetje moeten gissen wie er gewonnen heeft. 't Zal wel weer een Fransman geweest zijn.
Mijn vader en ik steken de straat weer over en vervolgen onze werkzaamheden, want in die tijd roept kinderarbeid bij niemand weerstand op en bij de Bredense middenstand nog 't minst van al. Enkele uren later fietst een jongen door de Duinenstraat die Tour de France roept en Uitslag van de rit. Hij verkoopt de speciale editie van Het Volk, krantje dat vlak na de arrivée met vliegtuigjes in de Vlaamse beemden gedropt wordt, waarna loopjongens het tot bij de nieuwsgierige massa’s brengen. Mijn vader kijkt wie op Alida’s TV als eerste over de streep gereden is en ik zoek de muis op in de strip van Thomas Pips. Om acht uur ga ik naar bed met de even geruststellende als beangstigende gedachte dat morgen alles hetzelfde zal zijn.
Flor Vandekerckhove