vrijdag 30 september 2016

Het geheim van Geewee (slot)

Jubelt & juicht! Eindelijk zijn we aan het einde gekomen van de reproductie van een strip die in 1993 als Het geheim van Geewee in Het Visserijblad gepubliceerd werd.
Het is een ontluisterende ontknoping. Het hoofd van meester Knaken is door de aanwezigheid van een bende vrouwen dusdanig op hol gebracht dat het beginnen stijgen is. In de daaraan vastgemaakte mand zit de bemanning die op die manier de zoektocht naar Geewee aanvat.
Niets vat de strip beter samen dan het laatste prentje waarvan ik de tekst hier overneem: ‘Heeft het luchtschip ooit het geheim van Geewee ontwaard? Is het Knakenhoofd van een kale reis teruggekeerd? (…) We zullen het nooit weten, want de lezers waren dit verhaal terecht meer dan beu.’ Een conclusie die, constateer ik met enige trots, tot vandaag overeind blijft staan.

Ten slotte wil ik de lezers eraan herinneren dat deze vuurtoren nu voor enige dagen de deuren sluit. De Laatste Vuurtorenwachter trekt zich een wijle terug in een bergdorp alwaar hij zijn licht laat schijnen de godsdiensttwisten die daar destijds gewoed hebben. Mocht er tijd resten, dan zal hij zich ook buigen over de vraag of de gebeurtenissen van Mei 68 in dat dorp voelbaar geweest zijn. Van zodra hij in de bergen een hotspot — niet te verwarren met hutsepot — ontdekt, zal hij niet nalaten u hierover te berichten, alsmede over de blaren die hij op zijn voeten overhoudt aan het overdadig hossen in de bossen.

Flor Vandekerckhove


donderdag 29 september 2016

Het geheim van Geewee (VIII en IX)


Gisteren dacht ik nog dat ik er vandaag komaf mee had kunnen maken, maar ik vergiste me nog niet danig. Het slot — deel X — zal pas voor morgen zijn.
In de aflevering die ik heden hierboven plaats komt een lange brief voor waarin Vlieges echtgenote, Frieda, haar keiharde kritiek op de strip uit. Die kritiek komt erop neer dat ze in de strip nog geen enkele prent gezien heeft waarop een vrouw voorkomt.
En kijk, haar woorden zijn nog niet koud of daar verschijnt een afbeelding waarop een hele bende vrouwen zich door de lezers laat aanschouwen.
Die vrouwen staan daar niet zomaar, want we volgen in de strip een wet van de literatuur die zegt dat als een vogel in aflevering VIII op het dak zit, die daar in aflevering IX moet afvallen. Waarna u de blik naar onderstaande — en voorlaatste! Ik kan het niet genoeg beklemtonen — aflevering richt.
De aanwezigheid van dat vrouwvolk brengt het hoofd van meester Knaken op hol. De hersenen beginnen te verhitten, waardoor ze uitzetten, zelfs lichter worden dan lucht en zodoende de zwaartekracht overwinnen.
Doordat het hoofd vastgemaakt is aan de mand begint het luchtschip te stijgen. De bemanning springt aan boord en vat de zoektocht aan.
Zal dat drietal Geewee vinden? Dat zult u alleen maar weten wanneer u ook het laatste deel van deze strip consumeert, dat morgen via het wereldwijde web tot u zal komen.

Flor Vandekerckhove


— vervolgt —

woensdag 28 september 2016

Naar de overkant kijken

One More Time With feeling van regisseur Andrew Dominik is een meesterwerk en het album Skeleton Tree van Nick Cave is dat ook. De documentaire en het album cirkelen omheen het verwerkingsproces dat Nick Cave en zijn gezellin Susie doormaken na de dood van hun vijftienjarige zoon Arthur. In Brighton is de jongen op 14 juli 2015 van de klif in zee gestort. Kort daarna sterft hij in het ziekenhuis.
Over de twee nauw met elkaar verbonden kunstwerken is inmiddels zoveel geschreven dat het moeilijk is er iets aan toe te voegen. Dat is des te moeilijker omdat we het allemaal met elkaar eens zijn: de documentaire is subliem, het album groots. En beide zijn ontroerend.
Op 8 september werd de film in Oostende vertoond. Vanaf onze plaats op de achterste rij hadden we ze zien binnensijpelen. Volle zaal. Ik denk dat ze er allemaal waren. Vanuit de hoogte keken we neer op oude rockers, jonge rockers, mannen van de nacht, honky tonk women, fanatieke concertgangers, protagonisten van de popcultuur… Velen monster ik al sinds de tijd dat wijlen de Regie voor Maritiem Transport hen naar Engeland bracht, waar ze langspeelplaten gingen inkopen. Degenen die we zien zijn zij die het overleefd hebben. Hebben ze hun wilde haren verloren? Feit is dat er veel hoofdhuid te zien is rond de kruinen waar ik op kijk.
De cinema waar we One More Time With feeling gaan bekijken ligt op loopafstand van de zee. Wanneer we, na afloop, naar de wagen stappen zeggen we niet veel, mijn vriendin en ik, we hebben een beetje tijd nodig om de indrukwekkende beelden te laten bezinken. We luisteren naar het beuken van de golven en proeven het zout dat ons vanuit zee komt toegewaaid.
De auto staat op de zeedijk. We wachten een beetje voor we de motor starten. In stilte kijken we naar de nachtelijke zee. We richten onze blik naar de overkant, naar het onzichtbare Brighton, en we verbeelden ons dat Nick en Susie vanuit Brighton naar ons terugkijken.
Flor Vandekerckhove

Het geheim van Geewee (VI & VII)


De Directeur heeft in vorige aflevering een bemanning aangemonsterd. Kapitein Zuipschuit, dekzwabber Honderdtuizendfloot en scheepsjongen Melkmuil zullen er na kerst werk van maken. Doel: de vermiste Geewee opsporen.
In bovenstaande aflevering zoekt de Directeur de nodige fondsen. Het geld vindt hij achter de oren van Vliege.
Rest de vraag welk type vaartuig in aanmerking komt om dergelijke zoektocht tot een goed einde te brengen.
In onderstaande aflevering zijn de kerstdagen achter de rug. De kerstboom is in de vuilnisbak terechtgekomen. Het hoofd van meester Knaken ligt nu doelloos op de grond. Kapitein Zuipschuit moet een type vaartuig kiezen en spreekt zich uit voor de bouw van een luchtschip.
Dat wordt uiteindelijk een luchtballon met een merkwaardige krachtbron, met name het hoofd van meester Knaken. Het principe is als volgt samen te vatten: als het hoofd bij gelijk blijvende inhoud in omvang toeneemt zal het de zwaartekracht overwinnen, waardoor het luchtschip zal stijgen.
Nu moet alleen nog een middel gevonden worden om het Knakenhoofd te laten ontbranden. Dat zal geschieden in een volgende aflevering. We gaan die morgen plaatsen.
Aan de weinige lezers die de moed opgebracht hebben om deze strip tot hier te volgen, kan ik nog meedelen dat het verhaal nu echt wel naar zijn einde loopt. Als de wind een beetje meezit dan plaatsen we hier morgen de finale, waarna zowel gij als ik ervan af zijn.
Flor Vandekerckhove

— Vervolgt. —

dinsdag 27 september 2016

Navolger

— Ik ben een navolger van A.L.Snijders (foto). Ik ben nu aan 't sparen om
me ook zo'n tractor — een Snijdersmobiel — aan te schaffen. — 
Harelbeke heeft een vrijzinnig centrum dat De Geus heet. Dat herbergt een gelijknamige kunstkring en die geeft Art 04 uit, waarin ‘beeldend werk een even belangrijke plaats inneemt als het geschreven woord.’ (*)
Naast veel anderen lever ook ik daar regelmatig enige geschreven woorden af. Dat is ook nu weer het geval.
Het redactioneel trekt mijn aandacht: ‘De navolgers van A.L.Snijders worden steeds talrijker. Eerst was er Flor Vandekerckhove, met zijn zeer korte verhalen. Lev Wehmutt kijkt nu ook die kant uit, zij het met iets minder korte stukjes. In dit nummer brengen wij voor het eerst één van de flitsverhalen die Monika Macken schreef bij foto’s van haar zoon, Fred Lo Cascio. (Meteen heeft Monica een nieuwe naam voor de zeer korte verhalen. Dat zal Flor plezieren).’
Of flitsverhalen een nieuwe naam is kun je zelf nagaan, want hier heb ik vroeger al de vele benamingen van het genre opgelijst.
Ik vermoed dat het hard zoeken is naar schrijvers die zich graag navolger horen noemen, maar zelf heb ik geen bezwaar. In de pikorde van het schrijversgild sta ik helemaal onderaan. In de wielrennerij zou ik een kermiscoureur zijn, in de bouw een klusser, in de politiek een trotskist… Een mens moet zijn plaats kennen en daar moet hij er het beste van proberen maken.
De zeldzame keren dat mijn stukjes het niveau van A.L.Snijders halen behoren tot de gelukkigste momenten van mijn schrijversbestaan. En wat ik van de meester ook leer is dat je gul moet zijn met je teksten. Regelmatig laat hij gratis een verhaal in mijn mailbox vallen, net zoals ik dat ook bij jou kan doen. Je kunt je daarvoor inschrijven in het vakje dat rechts van deze tekst staat.
Twee weken geleden heeft Snijders me het verhaal Nachtportier gestuurd. De vrouw van een fietsenmaker trekt jaarlijks naar een hotel waarvan ze de nachtportier goed heeft leren kennen.
Deze week stuurt hij me Supermarkt. Daarin licht hij een tip van zijn vakmanschap op. Nachtportier is, zegt hij, ‘zoals altijd deels verzonnen deels waarheid. Het fietsenechtpaar is verzonnen, de nachtportier niet, hij behoort tot de werkelijkheid.’
De twee verhalen tellen samen maar 400 woorden. Ik heb er al 370 nodig om nog maar tot hier te fietsen. In der Beschränkung zeigt sich erst der Meister.
Flor Vandekerckhove

(*) Wie er in een mailtje om vraagt krijgt wellicht wel een proefexemplaar toegestuurd: pier.bossuyt@gmail.com


Het geheim van Geewee (V & Vbis)


In de vorige aflevering van deze strip uit 1993 heeft meester Knaken het hoofd verloren. Dat krijgt nu een ereplaats in de vuurtoren, waar de redactie van Het Visserijblad gehuisvest is. Zijn geest schijnt daar bovenop de kerstboom, als ster die de drie andere helden — wijzen? — naar Geewee moet leiden. Het hoofdeloze lichaam van Knaken wordt dan weer als vergadertafel gebruikt.
De Hoofdredacteur zegt vervolgens tegen de Directeur: ‘Als we Geewee niet gauw vinden, dan zal er weer niets in Het Visserijblad staan.’ Dat is maar al te waar, weet de Directeur. Omdat hij ook een reder ter zeevisserij is, zegt hij kordaat: ‘Ik zal een schip uitraiden.’
Vandaar dat Vliege ons in het slotprentje kan melden dat de Directeur zich naar het monsterkantoor begeeft, het kantoor waar matrozen zich laten aanmonsteren, maar dat in de strip ook een andere betekenis krijgt: een kantoor bevolkt met monsters.
We verplaatsen nu onze blik naar de aflevering die hieronder staat.
Daar zien we de monsters die de Directeur in het Monsterkantoor aangeschaft heeft. Het zijn er drie. De eerste is scheepsjongen Melkmuil. Hij is de zoon van Zwartbaard en hij moet de handen uit de mouwen leren steken, in plaats van in zijn broek. Matroos wordt Dekzwabber Honderdtuizentfloot. Hij is de broer van de bekende stripfiguur Tuizentfloot. De bemanning wordt aangevoerd door Kapitein Zuipschuit, broer van kapitein Haddock.
En morgen gaan we er weer mee verder.

Flor Vandekerckhove

— Vervolgt —

maandag 26 september 2016

Ananas als kaakslag

— Noël Warmoes (muziek) en Flor Vandekerckhove (woord) treden op voor de senioren van het Brussels Ouderenplatform. —
In rechtse kringen — een beetje overal dus — is politieke correctheid een verwijt. Journalisten, progressieve politici en linkse rakkers wordt verweten dat ze dingen onbenoemd laten. Rechts is de mening toegedaan dat je rücksichtslos moet zijn, dat je een kat een kat moet noemen, ook als je daardoor op zere tenen trapt. Gesteld dat die zere tenen zich elders bevinden uiteraard.
Daar moet ik aan denken terwijl ik na een optreden naar huis rijd. Dat optreden heeft plaatsgevonden in een concertzaal waar 125 Vlaams-Brusselses senioren bijeenzitten. Zij hebben zich daar verzameld om er te komen luisteren naar mijn nieuwe vissersverhalen en naar de zeemansliederen van accordeonist Noël Warmoes.
Normaliter treed ik op in visserskroegen, wijkcentra, fondsen die de namen van Masereel of Vermeylen torsen, vrijzinnige kringen, vakbondshuizen… Nooit word ik eens gevraagd door het Davidsfonds, het Verbond van Katholieke Werkgevers of het Brussels Ouderenplatform.
Laatstgenoemde heeft dat nu toch gedaan. Het is na dat optreden dat de term politieke correctheid zich in mijn gemoed nestelt.
Omdat ik daar niet voor eigen kerk preek, heb ik me goed voorbereid. Al te West-Vlaamse finesses heb ik doorgestreept en schunnigheden zijn tot een absoluut minimum beperkt.
Op het spreekgestoelte liggen merkwaardige rekwisieten: kelk, kruisbeeld, soutane… De tekenen liegen niet. Een pastoor is me voorgegaan en hij heeft op die plek de mis opgedragen. De schrik slaat me om het hart. Dat betert niet wanneer ik het publiek zie. Ik ontwaar goedgeklede senioren uit de hogere middenklasse, Brusselse Vlamingen die taal & cultuur minnen, burgers die langer leven dan arbeiders…
Maar kijk, het gaat wondergoed. Ze lachen waar er moet gelachen worden en roepen Oh! wanneer er kwajongensstreken ter sprake komen. Welgestemd vat ik het laatste verhaal aan. Dat is zo’n beetje mijn hit. Daarom ook sluit ik er altijd mee af.
Ik ga dat verhaal hier niet samenvatten. Wie het wil lezen vindt het hier. Wel dien je te weten dat het publiek op ’t einde luid ANANAS! roept.
Zo sluit ik ook nu weer af. 'En zo komt het, geacht publiek’, zeg ik uiteindelijk, ‘dat je in het visserskwartier ook vandaag nog de vraag hoort stellen… Je hoort het in portieken en achterkeukens, in zolderkamers en kelders, in eetkamers en in kamers voor reizigers, in feestzalen en vooral in eetgelegenheden… Je hoort de vraag stellen: meloenen of ananas? En vervolgens hoor je hoe het antwoord hoog boven de daken stijgt en zich verspreidt over de stad… Het antwoord dat ook wij nu luid laten weerklinken en dat luidt…’. Dat is het moment waarop de zaal het uitschreeuwt: ANANAS!
Maar niet nu, niet hier. De zaal blijft oorverdovend stil. Het enige wat volgt is een beleefd applausje. Ah, denk ik eerst, je kunt niet elke keer prijs hebben, ’t zal met hun leeftijd te maken hebben.
Wanneer ik naar huis rijd denk ik er al anders over. In dat verhaal eigen ik me oude leuzen van het Katholieke Vlaams-nationalisme toe. Walen buiten! wordt Hoeren naar buiten!; In Vlaanderen Vlaams! wordt In Spaanderen Spaans!; Suenens of Barabas?! wordt Meloenen of Ananas?!… De flamingante senioren uit Brussel hebben die toe-eigeningen als een kaakslag ervaren. Ik heb op zere tenen getrapt, ik ben niet politiek correct geweest.
Flor Vandekerckhove


zondag 25 september 2016

Het geheim van Geewee (III & IV)


Ik begrijp dat er lezers zijn die afgehaakt hebben, want ik zie inmiddels ook wel in dat ik deze strip beter had laten liggen waar hij lag. Maar ik moet er nu tot het bittere einde mee doorgaan. Gedenk ook dat ik dat oud materiaal hier plaats omdat ik een reisje naar de bergen aan ’t voorbereiden ben, waardoor ik even geen tijd heb om nieuwe bijdragen te schrijven.
In de vorige aflevering heeft Vliege de queeste gelanceerd. Daardoor begint hij aan participatieve journalistiek te doen en kan hij ons niet langer objectief doorheen het verhaal gidsen.
Ik zie dat de kwaliteit van de scans er niet op verbeterd is. De tekst is nu erg erg moeilijk te lezen. Erg is dat erg erg niet, want die tekst bevat toch maar baarlijke onzin. Voor de rest vertel ik u telkens wat u op de tekeningen ziet. 
In bovenstaande aflevering is dat wat volgt. De Hoofdredacteur biedt aan de situatie het heu hoofd door een nieuwe verteller aan te duiden. Hij belt daarvoor Oom Wim die voor de collega’s van Robbedoes werkt, en vraagt hem de rol op zich te nemen. Oom Wim stemt toe.
Pijprokend vertelt oom Wim ons vervolgens hoe al de hoofddrolspelers zich verenigen. Onder de vuurtorenlamp zien we de Hoofdredacteur, Vliege, de Directeur (die geld achter Vlieges oren vindt) en meester Knaken die een portret van Geewee begint te monsteren.
De weinige lezers die inmiddels nog niet afgehaakt hebben zien dat ik nu twee afleveringen ineens gepubliceerd heb, een bovenaan deze tekst en een andere eronder. Zodoende kan dat stripverhaal enkele dagen eerder beëindigd worden, en dan zijn we ervan af, zowel gij als ik. Meteen daarna begeef ik me naar de Pyreneeën, waarna ge enige weken niets meer van me zult vernemen. Niets dan voordelen dus, maar eerst moeten we dit nog enkele dagen volhouden!
In de onderste aflevering zien we dat Vliege geenszins gediend is met de aanwezigheid van Oom Wim, hij geeft hem een flinke DOEF met niet minder dan twee uitroeptekens erachter. In die onderste aflevering is verder alleenlijk nog te zien dat meester Knaken bij al zijn overpeinzingen letterlijk het hoofd verliest, wat voor de betrokkene uiteraard al erg genoeg is.

Flor Vandekerckhove

— Vervolgt —

Het geheim van Geewee (II)

In de eerste afleveringen leerden we al drie personages kennen: de Directeur, meester Knaken en de gids & vliegende reporter Vliege. Thans probeert die laatste het verhaal een beetje op gang te trekken.
Hij stapt met zijn recorder naar de directeur. Deze wil hij de queeste die ons hier bezighoudt voorleggen — het geheim van Geewee ­— maar de antwoorden van de directeur zijn ferm naast de kwestie.
Vervolgens werpt de strip zijn licht op de vuurtoren waarin het redactielokaal van Het Visserijblad gehuisvest is. De Hoofdredacteur doet een dutje. De wekker haalt hem uit zijn slaap. Hij ontwaakt en roept terstond de hamvraag van dit verhaal: ‘Waar is Geewee?’
’t Is een vraag waarop niet meteen een antwoord volgt, want dan zou het stripverhaal meteen afgelopen zijn. Bovendien herinner ik u eraan dat dit verhaal zich improviserend gevormd heeft. De auteur — Marc Speen, vat je hem?!!! — weet zelf geeneens het antwoord op die vraag, hij kan het u derhalve nu ook nog niet geven.
Andere vragen die u zich stelt daarentegen zijn meteen en strontgemakkelijk te beantwoorden. De vraag wie Knaken, Vliege en de Directeur zijn vindt u namelijk hier al duidelijk beantwoord. Antwoorden betreffende het intellectueel niveau van Knaken en de Directeur zoekt u dan weer daar.
Zonder dank.

Flor Vandekerckhove

— Vervolgt —

zaterdag 24 september 2016

Het geheim van Geewee (I)

Zo! Tot hiertoe verloopt het experiment naar wens. Ik probeer nu het hele stripverhaal, aflevering per aflevering, in de blog te krijgen. Als ik er dagelijks twee produceer duurt het zes dagen voor u het einde ervan beleeft. Gesteld dat u onderweg niet afhaakt of course. Die kans bestaat, hij mag zelfs groot genoemd worden.
Misschien hebt u moeite om de commentaarteksten te lezen die in de vakjes staan waar het personage Vliege als gids van het verhaal te zien valt. (Vliege is deze die briefjes van 1000 frank achter zijn oor heeft zitten.) Dat weet ik nu evenwel nog niet, dat zal ik ook maar zien eens het hier gepubliceerd werd. (De ene scan zal al beter zijn dan de andere.) Daarom vat ik alvast voor u samen wat in deze aflevering te lezen valt.
De korte, dikke Directeur van Het Visserijblad, een reder ter zeevisserij,  is naar een vergadering van de Rederscentrale geweest, een organisatie die in de strip steevast Raiderscentrale genoemd wordt, waarmee ik die patroonsorganisatie een beetje wilde ridiculiseren. Hij gaat op bezoek bij zijn lange vriend meester Knaken die op de Oostendse Slipwaykaai — in het verhaal Slipjeskaai — woont. Daar haalt hij een grapje uit met zijn gastheer, een grol die hij van Kama & Herzeele afgekeken heeft.
De tekst in het onderste vakje van deze aflevering laat uitschijnen dat dit een eeuwigdurende strip wordt. Uiteindelijk zal het verhaal na 11 afleveringen afgerond zijn. Dat weet ik nu, maar dat wist ik toen nog niet, want ik bedacht de strip keer per keer.
Let op het titelkadertje! Dat vermeldt dat het gebeuren zich ‘in en rond Het Visserijblad’ afspeelt. In het openingsstuk, dat ik hier eerder al in de blog plaatste, stond nog dat het verhaal ‘in de redactielokalen’ van dat blad plaatsvond. Dat kan een verwaarloosbaar detail lijken, maar sinds we getuige mochten zijn van de hommeles in de Vlaams-nationalistische N-VA weten we dat dergelijke kleine verschuivingen belangrijke koerswendingen verbergen. Hou dus ook de titelkadertjes van volgende afleveringen goed in ’t oog, want de volgende keer staat daar al: ‘Een stripverhaal dat zich ín de tekstverwerker‘ van Het Visserijblad afspeelt.
Flor Vandekerckhove

— Vervolgt —

Het geheim van Geewee

In 1988 verhuis ik naar Oostende om er de publicatie van Het Visserijblad (HVB) op me te nemen, het tijdschrift van de Vlaamse vissersgemeenschap. Al gauw schaf ik me een computer aan waarmee ik de paginaopmaak zelf in handen kan nemen.
In die computer zit een tekenprogramma. Daarmee begin ik in 1993 te experimenteren en de vruchten ervan — een stripverhaal — komen meteen in Het Visserijblad terecht. Het script improviseer ik maand na maand. Bij aanvang weet ik geenszins waar het met dat verhaal naartoe gaat. Dat het baarlijke onzin betreft is wel meteen duidelijk.
In de strip speel ikzelf (hieronder de man met de hond) een rol en verder worden de hoofdrollen (in het verhaal steevast ‘hoofddrollen’ genoemd) gespeeld door meester Knaken en de Directeur, figuren respectievelijk gebaseerd op meester Crabeels en reder Willy Versluys, die in die tijd met directiecomité van het blad vormen. Er komen twee Oostendse journalisten in voor. Enerzijds is dat Vliege, gebaseerd op Marc Loy en anderzijds Geewee, de titelfiguur, waarin oudgedienden wijlen Guido Walters herkennen.
Vandaag start ik met een nieuw experiment. Ik scan de oorspronkelijke strip en kijk of ik dat verhaal zodoende aflevering per aflevering in de blog kan plaatsen. Op die manier zou ik dit stripverhaal — het enige waarvan ik tekst en tekeningen gemaakt heb — voor de eeuwigheid kunnen bewaren. Deze eerste post moet me duidelijk maken of de alzo overgebrachte pagina’s in de blog leesbaar zijn. 
Indien dat het geval is dan publiceer ik elke dag een vervolgbladzijde, of misschien wel twee. Dat zou me goed uitkomen, want binnenkort vertrek ik een wijle naar de bergen, en ik moet dat een beetje voorbereiden, waardoor ik momenteel weinig tijd heb om u te overstelpen met nieuw materiaal. Mocht het experiment evenwel, om vormtechnische redenen, geen genoegdoening opleveren, dan zal het bij die ene aflevering blijven die u hier vandaag te zien krijgt.
Alleen wanneer de scans naar onleesbaarheid neigen, zal ik eventueel veranderingen aanbrengen. Ik probeer alle afleveringen dus in de oorspronkelijke staat te behouden, en ik behoud ook de zgn. progressieve spelling die we toentertijd hanteerden en die nu bijzonder storend is. 
Flor Vandekerckhove
— Vervolgt —

donderdag 22 september 2016

‘De reuzen bleven maar lopen en lopen.’

— Marcel Vandekerckhove (°1922 - †1989) staat links op de
foto. Op de achterkant heeft hij geschreven: 'Een aandenken
aan mijn verblijf in Duitschland. Een bezoek aan de dierentuin
van Dresden op 10 October 1943.' —
Tussen de familiefoto’s vind ik mijn vaders lidkaart van het Nationaal Verbond van Weggevoerden en Werkweigeraars. Dat is een vereniging van Belgen die tijdens de Tweede Wereldoorlog door de bezetter verplicht worden om in Duitsland te gaan werken. Mijn vader is niet het soort mens dat werk pleegt te weigeren, hij wordt dus een weggevoerde.
Hoe lang hij tijdens die oorlog in Duitsland vertoefd heeft weet ik niet. Hij werkt er in een fabriek, maar ik weet niet wat daar gemaakt wordt. Wel vind ik een idyllische foto van jongeren die zich in openlucht ontspannen, sommigen in ontbloot bovenlijf. Ik herken mijn vader. Op de achterkant staat Brand-Erbisdorf Duitschland 1943. In dat jaar is hij 21.
Ik zoek het op. Brand-Erbisdorf is een kleine gemeente die nu 11.087 inwoners telt. In dat dorp heeft mijn vader een deel van de oorlog doorgebracht.
Ik heb de indruk dat hij het daar goed heeft gehad. Tante Alice, mijn vaders oudste zuster, vertelde haar dochter Nadine dat hij van thuis uit voedselpakketten en sigaretten toegestuurd kreeg. Hij rookte niet, maar sigaretten waren in oorlogstijd een interessant ruilmiddel. Toevallig was er in Bredene Dorp ook een Duitse soldaat uit dat Brand-Erbisdorf gehuisvest, een buurjongen van het gezin waar mijn vader verbleef. Die soldaat werd een beetje bemoederd door de Vandekerckhoves, die hem, herinnert Alice zich, regelmatig een bord pap te eten gaven. Van de weeromstuit werd in Brand-Erbisdorf goed voor die jongeman uit Bredene gezorgd. Een mooie anekdote is dat, vind ik, die getuigt van solidariteit tussen eenvoudige mensen die tot vijandige naties behoren.
Uit zijn verhalen herinner ik me dat mijn vader op het einde van die oorlog uit dat dorp wegvlucht. Dat doet hij per fiets, wanneer de Russen al aan ’t naderen zijn. Op zijn overjas heeft hij een Belgische vlag laten stikken. Die vlag moet de Russische voorhoede duidelijk maken dat hij geen Duitser is, maar een geallieerde. Ik meen me ook iets te herinneren over de ontmoeting met zo’n Rus. Die eist de fiets op. In die herinnering heeft mijn vader dat belet door op zijn Belgische vlag te wijzen. Is dat iets wat ik als kind gefantaseerd heb?
Ik weet evenmin waar hij met die fiets naartoe trekt. Moet ik ervan uitgaan dat hij naar huis fietst? Het internet leert me dat de afstand 864 kilometer bedraagt. Dat je in oorlogstijd per fiets half Europa kunt doorkruisen lijkt me kras te zijn. Is hij naar Freiberg gefietst, de meest nabijgelegen stad, om daar de trein te nemen? Rijden er op ’t einde van de oorlog nog passagierstreinen door Duitsland? En waar rijden die heen? Berlijn? Köln? Oostende eindstation?
Mijn vader heeft in die oorlog de stad Dresden bezocht. Daarvan getuigt de foto die ik hierboven plaats en die in de zoo van Dresden gemaakt werd. Ik herinner me zijn verhaal dat hij, tijdens zijn vlucht, die stad aan de horizon ziet branden. Dat moet inderdaad het geval geweest zijn, want Ik zie dat Brand-Erbisdorf in vogelvlucht op 35 kilometer van Dresden ligt.
De Amerikanen en Britten hebben die stad in de nacht van 13 op 14 februari 1945 gebombardeerd. Waardoor ik ook een vermoedelijke datum op het vluchtmoment van mijn vader kan kleven.
Het bombardement op Dresden is een van de meest vernietigende en zinloze aanvallen van de oorlog geweest. Sommige historici spreken over een oorlogsmisdaad. In die nacht sterven er in de stad minstens 25.000 mensen. Ook omdat er veel Duitsers van het ineengestorte Oostfront naar de stad gevlucht zijn is dat getal onzeker. Ik vind zelfs het merkwaardige cijfer van 140.000 (!) dodelijke slachtoffers.
De Joodse auteur Victor Klemperer heeft die oorlog, en ook de brand van Dresden, overleefd. Hij vertelt erover in Tot het bittere einde, zijn verzamelde oorlogsdagboeken.
Ook de Amerikaanse schrijver Kurt Vonnegut heeft de brand van Dresden ter plekke meegemaakt. Hij is er krijgsgevangene. Hij beschrijft zijn ervaring in Slachthuis vijf of de kinderkruistocht.  Hij laat de antiheld van het boek, Billy Pilgrim, het bombardement beleven: ‘De nacht dat Dresden werd verwoest zat hij beneden in de vleeskelder. Boven klonken geluiden, die op voetstappen van een reus leken. Dat waren reeksen hoogst ontplofbare bommen. De reuzen bleven maar lopen en lopen. De vleeskelder was een zeer veilige schuilplaats. Er gebeurde daar beneden helemaal niets, alleen regende het af en toe kalkvlokken. Er was daar beneden niemand behalve de Amerikanen en vier van hun bewakers en een paar uitgebeende karkassen. De andere bewakers hadden zich voor het begin van de luchtaanval allemaal naar de gemakken van hun eigen woningen in Dresden begeven. Zij en hun gezinnen kwamen allemaal om.’  Vonnegut spreekt in het boek over 130.000 doden. In dat boek zegt hij ook: ‘Het was toen in Amerika nog geen bekend bombardement. Weinig Amerikanen wisten bijvoorbeeld hoeveel erger het geweest was dan Hiroshima.’
Flor Vandekerckhove

— 1943. Een groep jongeren ontspant zich in Brand-Erbisdorf. Ik heb er mijn vader op aangekruist. —

woensdag 21 september 2016

Op zoek naar de hippodroom van Bredene


Schrijf eens een stuk over iets waarvan je helemaal niets weet. Da’s pas een uitdaging, ik neem de handschoen op.
Gisteren ben ik er nog eens langsgefietst. Het fototoestel dat ik bij heb blijft in de tas zitten. Ik vind niets van datgene waarnaar ik op zoek ben. Ik zie een wirwar van straatjes, kampeerplaatsen, landhuisjes, vakantiewoningen en een afgesloten woonpark. Enkel een straatnaam verwijst naar de tijd waarin daar, ergens in de buurt, paardenrennen georganiseerd worden: de Hippodroomlaan. Bij nader inzien zijn er in de omgeving nog enkele namen die daaraan herinneren: Koerslaan, Derbylaan, Draversstraat.
Tot voor enkele jaren was er op de hoek van de Kapelstraat en de Koerslaan een café dat Hippodroom heette. Velen denken dat het daardoor komt dat de omliggende wijk eveneens zo genoemd wordt, maar ze dwalen. Bredene heeft in die buurt wel degelijk een hippodroom gehad. Alleen slaag ik er niet in om de juiste coördinaten te traceren.
Heb ik daar in mijn kindertijd nog sporen van gezien? Speelt het geheugen me parten wanneer ik me meen paardenstallen te herinneren? Herinner ik me die gewezen paardenstallen rond een plein, waarvan er enkele tot woning verbouwd waren? En maakten die deel uit van het hippodroomcomplex? 
Van de hippodroom zelf weet ik, zoals uit de openingszin al blijkt, niets af. In welke jaren moet ik het bestaan van die Bredense paardenrenbaan situeren?
De website van de Oostendse heemkring De Plate vermeldt een programmaboekje dat Guide officiel des fêtes d’Ostende heet en dat in 1924 gepubliceerd wordt. Daarin verwijst een tekst ook naar de hippodroom van Bredene. Ik weet daarmee nog altijd niet wanneer die renbaan gebouwd en afgebroken werd, maar ik weet toch al dat hij in 1924 in gebruik was.
Op de site Bredene vroeger en nu van Glenn Vermoortel staat een afdruk van een opengeslagen brochure. Is dat die Guide officiel van De Plate? Ik twijfel, de tekst is in het Engels. De getoonde bladzijden vermelden geen jaartal.
In die tekst worden de Oostendse Wellingtonrenbaan en de hippodroom van Bredene aan elkaar gelinkt. ‘The Wellington Race Course situated in the hearth of the Town is probably the most beautiful course in Europe. During the high season, from the beginning of July to the end of August, Ostend offers the unique advantage of racing every day, either at the Wellington or Breedene courses.’ Wat me laat vermoeden dat de twee renbanen door dezelfde onderneming uitgebaat werden. Is het omwille van het rendement dat er beslist werd een van de twee te stil te leggen? Ik weet het niet, ik weet het niet.
Flor Vandekerckhove

P.S.: Roland Vanmassenhove, die me al meer bijgestaan heeft in het vastleggen van feitelijkheden die anders gissingen zouden blijven, liet me inmiddels weten dat de hippodroom gebouwd werd in 1920 en in de Tweede Wereldoorlog door de Duitse bezetter gesloopt. Hij haalt die informatie uit een jubileumboek dat uitgegeven werd n.a.v. het 900-jarige bestaan van Bredene.

Er zijn overigens nog reacties. U vindt ze hieronder als u op 'reacties' klikt.



dinsdag 20 september 2016

Een verhaaltje voor het slapengaan (II)

Een garnaalkruier verdrinkt bij het beoefenen van zijn hobby. Dat gebeurt wel meer, want de zee geeft en de zee neemt. Alleen ‘s mans kruinet wordt weergevonden, de drenkeling blijft vermist. Voor de nabestaanden is dat extra pijnlijk, want zolang er sprake is van vermissing blijft het geld van de levensverzekering achterwege.
Telkens het hoogwater is, en vooral bij springtij, trekt de vrouw naar het strand om te kijken of haar man niet aanspoelt. Telkens moet ze teleurgesteld naar huis terugkeren.
Op een dag gebeurt het. Op het strand spoelt een lieslaars aan. In die laars zit een halfvergaan mannenbeen. De echtgenote van de vermiste garnaalkruier wordt erbij gehaald. Zij herkent het been als zijnde dat van haar man. Ze zegt: ‘Ik zou zijn been uit duizend andere herkennen, ik mag doodvallen als dat zijn been niet is’. De mensen denken er het hunne van, maar de verzekering wordt uitbetaald. Het bedrag wordt door diezelfde mensen groot genoemd, zeer groot.
Net zoals dat hier gisteren het geval was, bestaan er, ook voor wat betreft het vervolg van dit verhaal, twee versies.
In de ene versie opent de weduwe met het verzekeringsgeld een viswinkel. Die bestaat vandaag nog steeds en wordt inmiddels al door haar kleindochter uitgebaat. Dat is de stichtende versie.
In de andere versie vertrekt de weduwe met het geld naar Argentinië, waar haar man, vermomd met snor en bril, haar opwacht. Die versie is minder stichtend, maar het koppel leeft daar wel nog lang en gelukkig. En rijkelijk.
Vindt u dat dit verhaal minder horror bevat dan dat over die bromfietser, het verhaal dat ik gisteren gepost heb? Dan hebt u zich nog niet de vraag gesteld van wie het been was dat in die aangespoelde lieslaars stak. U moet daar straks eens over nadenken. Maar eerst naar bed!

Flor Vandekerckhove


maandag 19 september 2016

Een verhaaltje voor het slapengaan (I)

Op de steenweg rijdt een vrachtwagen geladen met stalen platen. Het is erg druk. De chauffeur maakt bruuske manoeuvres, wijkt uit, remt en zet weer aan. Door al dat geweld is de bevestiging van de vracht losgeraakt. Bovenaan ligt nu een ongebonden stalen plaat.
De chauffeur drukt het gaspedaal in, de vrachtwagen schiet vooruit. De losgeraakte plaat volgt een wet van de fysica die zegt dat een voorwerp in rust die rust ook wil behouden. De plaat wil ter plekke blijven liggen terwijl de wagen er met de rest van de vracht vandoor wil gaan. Ja, de dingen hebben elk hun eigen wil. Een fractie van een seconde bevindt die ene stalen plaat zich daardoor in de lucht, terwijl de vrachtwagen er met de rest van(onder)door gegaan is.
In het leven is er, dat weet u ook wel, meer in 't spel dan alleen maar fysica. Ook de wetteloosheid van het noodlot eist zijn deel. Krek op datzelfde, ultrakorte moment passeert daar een achterliggende bromfietser. Die mens is na de dagtaak op weg naar huis.
Vervolgens zijn er twee versies.
De bromfietser snijdt op zijn weg de aldaar in de lucht hangende stalen plaat en wordt erdoor onthoofd. De rijdende bromfiets is eveneens afhankelijk van de natuurkundewetten, meer bepaald van deze die zegt dat een voorwerp in beweging zijn beweging probeert te behouden. De bromfiets zet zijn beweging bijgevolg wetmatig voort en passeert de vrachtwagen die inmiddels alweer stilstaat. Met afgrijnzen ziet de vrachtwagenchauffeur hoe hij voorbijgestoken wordt door een ferm bloedende bromfietser zonder hoofd.
In de andere versie wordt de bromfietser gered door zijn helm. Hij komt thuis en vertelt zijn echtgenote wat hem overkomen is. Intussen maakt hij het riempje onder zijn kin los en de echtgenote ziet tot haar verbijstering dat ‘s mans schedel in de helm achterblijft.
Zo. De keuze tussen de twee versies laat ik aan u over. Morgen vertel ik er nog een. En nu naar bed!
Flor Vandekerckhove