dinsdag 29 juli 2014

De truc met de emoes

Het geslacht was al vele generaties gespecialiseerd in de import van emoes. Eerst waren dat Tasmaanse, maar nadat deze uitgestorven waren, schakelde de familie over op de dromalius navaehollandiae, een soort die omzeggens in heel Australië voorkomt, behalve dan in het zuidwesten ervan. Ook die soort bleef het huis verkopen als waren het de laatste exemplaren, wat de verkoopwaarde danig aanzwengelde.
Die handel verliep volgens een vast stramien dat vandaag ongeloofwaardig oogt, maar dat wel degelijk op een lange familietraditie kon bogen. De geïmporteerde emoes werden persoonlijk door een familielid in Australië uitgezocht, zo luidde althans de reputatie. In werkelijkheid was er van enige selectie geen sprake, maar die reputatie zorgde er wel voor dat de reisduur door niemand in vraag gesteld werd. En die reis kon lang duren, zeer lang.
De zogenaamd schaarse, langdurig uitgezochte emoes werden alhier duur verkocht, zeer duur, maar toch kon dat geenszins de overdadige familiale welstand verklaren, daarvoor was de totale omzet van die handel te klein. Dat komt dan weer doordat er telkens maar een koppel emoes meegebracht werd. Dat had ook wel met het creëren van schaarste te maken en dus met het opdrijven van de verkoopprijs, maar er was meer.
De familie had haar ontzagwekkende fortuin vergaard met zwendel, ze had dat uitgebreid met nog meer zwendel en ze bestendigde het doorheen de generaties met almaar nieuwe zwendeltechnieken en -praktijken. Meestal ging dat goed, soms liep het mis. Het familielid dat naar Australië gestuurd werd, was dan ook altijd een die alhier teveel in het oog begon te lopen. Zodra dat het geval was, werd de betrokkene naar Engeland gestuurd, van waaruit een Australiëreis voorbereid werd. Daar, aan de andere kant van de wereld, bleef dat familielid vervolgens zogezegd naar zeldzame emoes zoeken tot de kust veilig was en hij (of zij) met een koppel zogenaamd streng geselecteerde exemplaren terug kon keren. Dat kan allemaal vergezocht lijken, maar we spreken over een tijd waarin Interpol nog niet bestond en men de zwendelaars niet tot in Australië ging opsporen, integendeel, men stuurde er juist zwendelaars naartoe om er hier van af te zijn. We spreken ook over een tijd waarin mensen gemakkelijk spoorloos verloren konden geraken en ongestraft terugkeren nadat alle zwendelsporen alhier uitgewist waren. Het is wel degelijk op die manier dat heel die familie van oplichters vele generaties lang uit het oog van pers, politie en rechtbank had weten te blijven; door de truc met de emoes!
Hoe ik dat alles weet? Wel, deze morgen keek ik door het raam van mijn appartement naar het dierenveld aan de overkant van de straat. Ik zag de ezel en ‘t konijn, en ik dacht er een antiloop bij, beren wit en bruin, de krokodil en de giraf, een leeuw, kameel, apen en een das. Daarna zwermden mijn gedachten uit naar de ooievaar, de tijger en de adelaar, de kangoeroe, de olifant, de pelikaan, de zwanen en de haan. Maar wat ik daar niet moest bij bedenken waren de twee emoes die er al zo lang lopen. Ik dacht: hoe zijn die merkwaardige beesten eigenlijk tot hier geraakt? Zou ik daar een verhaal over kunnen schrijven? Ik dacht van wel.
Flor Vandekerckhove


zaterdag 26 juli 2014

Het paard van nonkel Miel

Alles wat niet verbrand kon worden, kwam in de grond terecht. Zo ging dat in een tijd waarin de mensen dachten dat iets niet meer bestond als je ’t aan het oog had weten te onttrekken. Weg is weg! Ecologisch mocht dat een zwaktebod zijn, van mij maakte het wel een schatjager. Ik moest maar een beetje graven en ik haalde iets boven. Ik herinner me een kurkentrekker, iets in leer, beenderen, een carburator, veel flessendoppen, haken, bouten, een echt wel bangelijk grote tand, een stuk ketting, scherven… Het pronkstuk had ik met een eetlepel uit de grond gepeuterd: een ronde, metalen holle bol met daarin een kogel. Wanneer je de bol schudde, botste de kogel tegen de metalen wand, wat het mooie, warme, bekende geluid van de paardenbel produceerde.
Trots had ik die vondst meteen aan mijn vader getoond die het me bevestigde. Ja, dat is een paardenbel en ja dat is ongetwijfeld de bel van het paard van nonkel Miel. Een historische vondst als het ware, want het paard van nonkel Miel was iets van lang geleden.
In die tijd overheersten de paarden het straatleven niet meer, maar ze waren er nog wel. De vuilnis werd met paard en kar opgehaald, de Fiorines reden per paard af en aan, Bobbejaan Schoepen deed dat jaarlijks ook een keer en boer Jerome Lagast deed het vrijwel dagelijks. Maar nonkel Miel, de peetoom van mijn vader, had al lang geen paard meer. Wat ervan restte was misschien wel die bangelijk grote tand, de paardenbel en de verhalen die over dat paard verteld werden.
Nonkel Miel dronk graag een pint. Zo werd dronkenschap in mijn familie destijds omschreven. Miel had dat gemeen met alle mannen uit mijn familie: ze dronken allemaal graag een pint. Van die mannen wist je wel wanneer ze thuis vertrokken, maar nooit wanneer ze daar zouden weerkeren. Zo vertrok regelmatig ook nonkel Miel, met paard en kar, naar dorpen als Westkerke, Zerkegem en Ichtegem om er kippen en konijnen aan te kopen die hij thuis in Bredene zou slachten om ze aan toeristen te slijten. Maar doordat hij graag een pint dronk, viel hij regelmatig op zijn kar in slaap. Over de manier waarop hij vervolgens thuis geraakte bestaan twee versies.
In de eerste versie wachtte zijn echtgenote, tante Eugenie, de dingen enige tijd af, misschien al zingend, zoals Rina Ketty: Le vent m'apporte / Des bruits lointains / Devant ma porte / J'écoute en vain / Hélas, plus rien / Plus rien ne vient. Waarna ze willens nillens de tocht naar pakweg Zerkegem aanvatte. Per fiets! Op haar oude velo reed en reed en reed ze tot wanneer ze ergens te lande, misschien wel nabij de veldkapel, paard en kar van haar echtgenoot ontwaarde. De fiets gooide ze met een forse armzwaai bij de vracht, alsmede bij de uitgetelde nonkel Miel. Vervolgens nam ze de teugels ter hand, zoals ze dat wellicht ook wel in ’t dagelijkse leven deed, en leidde heel dat merkwaardige zootje kordaat huiswaarts. In de tweede versie moest tante Eugenie die fietstocht niet aanvatten, want dat paard had de teugels niet nodig om huiswaarts te keren. Dat beest deed dat spontaan & vrijwillig, terwijl nonkel Miel op de kar zijn roes uitsliep.
De tweede versie oogt, vind ik, mooier dan de eerste, want die tweede toont ons een wereld waarin de dingen eenvoudig zijn, een wereld die vrij is van moordend verkeer, wegen waarop je met de ogen dicht kunt rijden, beesten waarop je blindelings kunt vertrouwen… De eerste versie oogt minder romantisch, maar ligt ongetwijfeld dichter bij de waarheid, want zo eenvoudig was de wereld in die tijd nu ook weer niet. En wat is Louise Brooks hieronder eigenlijk met dat halssnoer aan 't uitrichten?
Flor Vandekerckhove 


vrijdag 25 juli 2014

Alice Munro ontdekken, dat is lezen en schrijven

— Alice Munro —
In mijn kindertijd was ’t een geijkte uitdrukking: Goed maar niet bekend. Wanneer iemand van ons een kunstje wist uit te halen, zegden we het tot elkaar: ‘HZij is goed, maar niet bekend.’  (*) Die kindermond uitte alzo lachenderwijs ook een waarheid die volwassenen al eens vergeten: kwaliteit en roem gaan niet noodzakelijk samen. In markttermen: wat intrinsiek waardevol is, is daarom nog geen verkoopsucces. En omgekeerd: het is niet omdat iets niet goed verkoopt dat ’t slecht zou zijn.
Goed maar niet bekend, is ook wat ik denk wanneer ik me op het lezen van de verhalen van Alice Munro begin voor te bereiden. Zeker, de Canadese is een Nobelprijswinnaar en zo iemand kun je bezwaarlijk onbekend noemen, maar het is in haar geval toch een bekendheid in de luwte. Ik denk niet dat al veel lezers van mijn blog de korte verhalen van Alice Munro gesmaakt hebben. Die relatieve onbekendheid heeft verschillende oorzaken. De Amerikaanse topauteur Jonathan Franzen heeft er een essay aan gewijd. (**) En dat essay over Munro is voor mij als 't ware eten en drinken, veel van wat hij daarin beweert is interessant voor mijn eigen lees- en schrijfpraktijk.
Korte verhalen worden in de wereld van de literatuur stiefmoederlijk behandeld. Ze zijn moeilijker te bespreken dan bijvoorbeeld romans, daardoor worden ze minder belicht en wat niet belicht wordt, blijft onbekend. ‘And yet,’ zegt Franzen, ‘despite the short story’s Cinderella status, or maybe because of it, a high percentage of the most exciting fiction written in the last twenty-five years (…) has been short fiction.’ Naast Munro vermeldt hij Lydia Davis, David Means, George Saunders, Amy Hempel en Raymond Carver. Goed in het schrijven van korte verhalen, zegt Franzen, zijn ook John Updike, Joy Williams, David Foster Wallace, Lorrie Moore, Joyce Carol Oates, Denis Johnson, Ann Beattie, William T. Vollman, Tobias Wolff, Annie Proulx, Michael Chabon, Tom Drury, Andre Dubus. Er valt nog veel te lezen vooraleer ik het tijdelijke met het eeuwige wissel, ik ga me niet vervelen.
En dan voor wat mijn schrijfpraktijk betreft. Alle schrijvers van fictie worstelen met eenzelfde probleem, zegt Franzen, op den duur heb je niets nieuws meer te vertellen. Iemand als Munro probeert dat zelfs niet. Het zou me te lang duren om dit te vertalen, maar dus dit is wat Franzen daarover lettelijk zegt: ‘Here ’s the story that Munro keeps telling: A bright, sexually avid girl grows up in rural Ontario without much money, her mother is sickly or dead, het father is a schoolteacher, whose second wife is problematic, and the girl, as soon as she can, escapes from the hinterland by way of a scholarship or some decisive self-interested act. She marries young, moves to British Columbia, raises kids, and is far from blameless in the breakup of her marriage. She may have success as an actress or a writer or a TV personality; she has romantic adventures. When inevitably, she returns to Ontario, she finds the landscape of her youth unsettlingly altered. Although she was the one who abandoned the place, it’s a great blow to her narcissism that she isn’t warmly welcomed back — that the world of her youth, with its old-fashioned manners and mores, now sits in judgment on the modern choices she has made. Simply by trying to survive as a whole and independent person, she has incurred painful losses and dislocations; she had caused harm.’ En verder: ‘Look what she can do with nothing but her own small story; the more she returns to it, the more she finds.
Ook Margaret Atwood heeft uitgebreid over Munro geschreven. (***) Ook zij benadrukt dat Munro altijd weer naar die plek in Canada verwijst waar haar protagonisten geboren en getogen zijn, van (willen) vluchten en uiteindelijk naar weerkeren. Atwood beschrijft die plek, south-western Ontario, en neen, dat is niet bepaald te vergelijken met Antwerpen. Het is meer iets zoals West-Vlaanderen, maar dan zoals Antwerpenaars dat zich hier voorstellen (en zoals het ook veelal is): provinciaal, landelijk, gelovig, hoekig, achterlijk, grof, conservatief, boers…
Mij maant dit alles aan om op de ingeslagen weg voort te gaan, niet omdat ik schrijf als Munro — ik moet haar verhalen trouwens nog beginnen lezen — en evenmin omdat ik dat zou willen, schrijven als Munro. Maar ik heb geen zin om verhalen te bedenken die zich bijvoorbeeld in New York afspelen, in het milieu waar de filmmaker Woody Allan zich zo goed voelt; ik zou dat trouwens ook niet kunnen. Ik schrijf over het stukje kust waar ik gewoond heb en nu weer woon, over wie/wat daar verdwenen is en over wie/wat er blijft, over de zeden en gewoonten van die mensen en over hun verhalen. Ik wil dat doen in een genre dat me blijkbaar zeer goed ligt: het zeer korte verhaal; ik wil dat doen in verhalen die telkens weer naar dezelfde plek terugkeren. En ik denk ook dat het klopt wat Franzen daarover zegt: hoe meer je ernaar weerkeert, hoe meer je vindt, hoe universeler het wordt en hoe beter je schrijft.
Flor Vandekerckhove




(*) We zegden eigenlijk ‘goed maar niet gekend’, maar we bedoelden ‘bekend’. Alleen in ’t West-Vlaams zijn dat synoniemen.
(**) Jonathan Franzen.  What Makes You So Sure You’re Not The Evil One Yourself (on Alice Munro), opgenomen in de bundel Farther Away
(***) Alice Munro. Alice Munro’s Best Selected Stories. Introduced by Margareth Atwood. Mc Clelland & Steward.

woensdag 23 juli 2014

Vroeger, toen we oud waren

Van links naar rechts: Erik Poppe, Hugo Pauwels, Flor Vandekerckhove, Ivan Schamp.
































In die tijd werden we, vurig als we waren, voortgedreven over wegen waarvan we dachten dat we die zelf gekozen hadden. ‘We zien elkaar ooit wel weer aan de zeekant’, zegden we, trots omdat we — nog zo jong — al zo dicht bij de top stonden. We dachten dat we nu wel lang genoeg over de dingen nagedacht hadden, het werd tijd om er iets aan te doen en dus begonnen we te dromen van romantische daden van het genre waarin de drie musketiers zo beslagen waren. Meisjes toonden ons daarbij de weg, waardoor alles wat we zegden op een huwelijksbelofte leek. Een mens vraagt het zich af: hadden we in die tijd een goede reden om Goed en Slecht zo scherp van elkaar te onderscheiden? Wellicht wel ja, al zullen we ons die reden vandaag niet meer herinneren. Ah, we waren toen veel ouder dan we nu zijn, we zijn nu jonger dan in die tijd.
Akkoord, over bovenstaande tekst valt te discussiëren en in zo'n discussie kun je evengoed het omgekeerde verdedigen, bijvoorbeeld dat we nu echt wel ouder zijn dan in die tijd, maar weet dat wat daar staat niet uit mijn koker komt. Het is losjes gebaseerd op My Back Pages, een tekst van Bob Dylan, met daarin het steeds weerkomende: ‘Ah, but I was so much older then, / I’m younger than that now’.
De foto bovenaan dit stuk en dat lied van Dylan zijn op een of andere manier met elkaar verbonden; in mijn hoofd toch. Maar in mijn hoofd is, zoals Raymond het ook al zeide, alles zeer eenvoudig. Nu moet ik het daar eerst nog ordentelijk uit krijgen, zodat de lezer kan begrijpen wat al deze onzin te betekenen heeft. Dus stuur ik een bericht naar Hugo, Erik en Ivan met de bede mij te informeren betreffende de achtergronden van die foto: waar en wanneer is die gemaakt? In afwachting dat ik door een van hen uit mijn onwetendheid geholpen word, vertel ik u nog een en ander over dat lied.
Dat spel in mijn hoofd begon enkele dagen geleden. Op de TV zag ik toen een oude opname. My Back Pages werd daar gezongen n.a.v. een verjaardag van Dylan, in een overvolle zaal, type stadium. Ik zag en hoorde Dylan zelf, maar ook Eric Clapton, George Harrison, Tom Petti, Neil Young en Roger McGuinn. Vandaar ook dat die zaal zo overvol zat. Dat concert dateerde van 1992.
1992? Terwijl al die mannen daar op dat podium volle petrol aan ’t geven waren, werd ik nòg dieper in de tijd gesmeten. De versie die ze daar ten gehore brachten herkende ik als deze van The Byrds, die My Back Pages lang daarvoor al op single gezet hadden.
Ping! Mijn laptop deelt me mee dat ik een bericht ontvangen heb. Ivan meent zeker te weten dat de foto van 1966-’67 dateert en dat hij werd gemaakt in het Bredense etablissement Tijl, alwaar wij in die jaren onze jeugdclub ondergebracht hadden. Hij weet, zo zegt hij erbij, over die tijd nog veel meer te vertellen, maar dat heeft hier nu geen belang.
1966-67 dus. Ik raadpleeg Google en zie dat The Byrds de single op plaat gezet hebben in, jawel… 1967. De hit zit in dat jaar ongetwijfeld ook in de jubebox van de Tijl. Waardoor alles duidelijk wordt. Op het eigenste moment dat de fotograaf afdrukt steekt iemand vijf frank in de gleuf en terwijl de fotoflits ons oog verblindt horen we het De Vogels zingen: ‘Ah, but I was so much older then, / I’m younger than that now’.
Flor Vandekerckhove

dinsdag 22 juli 2014

Een man, een betoging

— Oriana Fallaci (1929-2006) en Alexandros Panagoulis (1939-1976) —
Het omslag oogt vettig, de bladzijden vergeeld, de hoeken zijn geplooid. De geur is die van oud papier. Publicatiejaar 1980, titel: Een man. Ik heb het boek gisteren uit de kast gehaald om daarin iets op te zoeken: de beschrijving van een betoging, of juister gezegd, de beschrijving van een groep mensen in die betoging.
Alexandros (Alekos) Panagoulis, de man waarover Oriana Fallaci het in deze ‘roman vérité’ heeft, is niet alleen politicus en dichter, hij is ook een held. Panagoulis is een tegenstander van het kolonelsregime dat de Griekse democratie van 1967 tot ’74 uitschakelt, hij is iemand die niet terugdeinst om een bomaanslag op de superkolonel te plegen, hij wordt opgepakt en mishandeld. Hij is een individualist en een moeilijke mens. Hij is, samengevat, een apart geval. En hij is ook de minnaar van de Italiaanse journaliste Fallaci die later, na ’s mans dood, dit indrukwekkende boek over hem schrijft.
De kolonels moeten uiteindelijk wijken. Panagoulis komt met de hakken over de sloot in ’t parlement terecht. De nieuwe democratie wordt met een betoging gevierd, een herdenking ook van slachtoffers die onder de kogels van het regime gevallen zijn. Alle democratische partijen nemen eraan deel, ook de centrumpartij van Panagoulis, maar hij vormt toch liever een aparte groep, want er zijn al te veel democraten die (in ’t beste geval) niets tegen de kolonels ondernomen hebben of (in ’t slechtste geval) er zelfs mee gecollaboreerd hebben. Daar wil Panagoulis zich van distantiëren, meer zelfs, hij wil de stal uitmesten. ‘En als ik eraan denk dat in deze vertoning ook de knechten zullen meelopen die zwegen, die het in hun broek deden van angst, die het woord Verzet niet eens konden horen (…)’ 
Maar, zo probeert Fallaci ertegen in te brengen: ‘Met iemand zal je toch moeten meelopen, Alekos. Je kunt niet in je eentje marcheren of alleen met mij.’ 
Panagoulis is er echter van overtuigd dat hij gelijkgezinden zal vinden: ‘Ik zal marcheren met degenen die alleen zijn zoals ik. Die bestaan. Het zijn er weinig, maar ze bestaan. Ik zal ze vinden (…) En een paar zijn er al. Mijn vrienden, kijk!’ Het koppel bevindt zich voor ‘s mans kantoor en daar bevinden zich de medewerkers aan zijn verkiezingscampagne. ‘Het oudje met het hoedje en de brilleglazen van bijziende was er, er was een dwergmeisje van één meter veertig met een tas die groter was dan zijzelf, er waren een tiental jongens, evenveel meisjes en een kreupele.’
Vlug harken ze enig propagandamateriaal bijeen, waarbij de sjaal van het oudje als vlag zal dienen, ze trekken de straat op: ‘Voorop het oudje met het hoedje en het dwergmeisje met de grote tas: het oudje hief haar volgekrabbelde shawl die vastgemaakt was aan een stoelpoot op, het dwergmeisje hield een onleesbaar bord dat van de hemel wàt gemaakt was omhoog. Op de eerste rij jij en ik en de kreupele, en twee van de jongelui, de anderen erachter.’ 
Hoe zou je dit anders kunnen noemen dan een zootje ongeregeld? Zo marcheren ze verder tot wanneer Panagoulis tussen de toeschouwers twee van zijn folteraars opmerkt. Hij laat zijn groep halt houden, nodigt de twee uit om mee op te stappen. 
De mannen gaan wonderlijk genoeg op de uitnodiging in: ‘Je liet ons opschuiven en gaf hen een arm.’ Panagoulis doet dat echter niet omdat hij zo vergevensgezind is, hij uit op die manier zijn misprijzen tegenover al de democraten die zich alleen maar in gunstige politieke tijden laten zien. 
Zijn geste wordt door de menigte uiteraard anders geïnterpreteerd: Panagoulis lijkt de alles vergevende Christus wel, zoals hij daar loopt, met aan elke arm een dief. Het gerucht verspreidt zich razendsnel: Panagoulis heeft zijn beulen vergeven! ‘En het gerucht maakte diegenen wakker die onverschillig die goed georganiseerde optocht bijwoonden, tè goed georganiseerd om oprecht te lijken, diegenen die hem niet bijwoonden omdat het hun niets kon schelen of omdat ze zich buitengesloten voelden; zowel de enen als de anderen verdrongen zich om Jezus Christus die voortliep tussen de twee dieven te zien, en wanneer Jezus Christus verscheen, met zijn snor en zijn pijp en zijn uitdagende houding, applaudisseerden zij overtuigd, ontroerd, iemand schreeuwde je naam, iemand beantwoordde je uitnodiging komt-u-maar, komt-u-maar.’ Op den duur begint Panagoulis zelf in het misverstand te geloven: ‘En je stortte je halsoverkop in de rol die zij je, naar je dacht, toekenden. Je uitdrukking, je blik, je manier van lopen veranderde, je begon dank-u-wel te zeggen tegen wie zich aansloot, vaak met glanzende ogen, en toen, ja, toen sloten ze zich wel aan. Mannen en vrouwen, heel veel vrouwen met de kinderen aan de hand of op hun schouders; jongelui en ouderen, heel veel ouderen, aangemoedigd door het oudje met de hoed veronderstel ik; en jongens, aangelokt door het dwergmeisje met de grote tas veronderstel ik; en kreupelen,
aangetrokken door de kreupele op de eerste rij veronderstel ik. Na zowat honderd meter telde ik vijf kreupelen, drie met een stok en twee zonder, en het toppunt van kreupelheid was een dikke, misvormde jongen met kinderverlamming die, omdat hij het eilandje dat nu zo groot als een eiland was niet binnen durfde te treden ernaast bleef lopen, vastgeklampt aan twee aluminium krukken. Hoe hij het klaarspeelde ons te volgen zonder achter te blijven, is een mysterie. Maar hij slaagde erin, voortschuifelend, hijgend, zijn arme, slappe benen, zijn arme verwrongen lichaam voortslepend, zodat je op een bepaald moment opnieuw de stoet stopzette, hem tegemoet ging om hem te omhelzen en binnen de groep te halen, hem in het midden van de eerste rij te plaatsen, die zich weer in beweging zette op het ritme van zijn wankele, onzekere stap. En hierna was het niet meer nodig dat je komt-u-maar, komt-u-maar zei: er kwamen zoveel mensen dat wij op het Syntagmaplein bijna een duizendtal waren. Van dertig waren we bijna een duizendtal geworden.
Zelf ben ik een oude activist en ja, ik heb nogal wat betogingen op mijn stappenteller staan, maar de mooiste manifestatie ooit heb ik niet persoonlijk mogen meemaken, die greep in Athene plaats, in 1974, toen de haveloze bende van Panagoulis zich in die stoet aan ’t vormen was. Dat is althans wat Oriana Fallaci me wil laten geloven; dat is waar ze ook bijzonder goed in geslaagd is. Godver, dàt mens kan schrijven, da's pas een schrijver, ik denk dat ik dat boek maar eens helemaal moet herlezen.
Flor Vandekerckhove

Oriana Fallaci. Een man. 1980. Uitg. Bert Bakker, A'dam. 523 ps.



maandag 21 juli 2014

Van de ene drank naar de andere

Paul Verlaine drinkt absint in het café François I (1892) —
De eerste auteursbiografie die ik ooit las beschreef 't leven van de Franse dichter Paul Verlaine. Het boek maakte grote indruk op me. Het werd, zo dacht ik nog te weten, geschreven door ene Michel Van Aerde, een naam die ik een halve eeuw lang had kunnen onthouden omdat er destijds een wielrenner was die ook zo heette.
Maar het geheugen is, zoals bekend, een slechte raadgever. Ik probeer het boek op het internet te traceren en die zoektocht leidt me niet naar Michel, maar naar Rogier van Aerde, die op Amazone.com zo’n boek te koop heeft staan: The Tormented, a Biographical Novel of Paul Verlaine. Dat zal het geweest zijn: geen biografie, maar een roman; niet geschreven door Michel, maar door Rogier. Vervolgens zie ik dat die Rogier een Nederlander is die het boek in 1956 gepubliceerd heeft als De arme bruiloftsgast. Levensroman van Paul-Marie Verlaine, dichter, minnaar, bohemien.
Ik was een puber toen ik dat boek las en voelde me daardoor erg verwant met Paul Verlaine die, zo fantaseerde ik, perfect mijn eigen gemoedstoestand verwoord had: Il pleure dans mon coeur / Comme il pleut sur la ville; / Quelle est cette langueur / Qui pénètre mon coeur. Ja, dat was het helemaal, 'k zal dat gedicht leren kennen hebben tijdens een periode waarin 't veel regende. Geïntrigeerd was ik ook door ’s mans drinkgewoonten. Verlaine was een absintdrinker, genieter van een drank waarvoor Gustave Flaubert ons verwittigde: ‘Absint: ultrasterk vergif. Eén glas en u bent dood. Journalisten drinken ervan als ze hun artikelen schrijven. Heeft meer soldaten gedood dan de bedoeïenen’. Die reputatie zorgde ervoor dat absint verboden werd, waardoor die drank des te meer tot mijn verbeelding ging spreken. Kijk maar, zei ik, Vincent van Gogh was een gebruiker, Ernest Hemingway eveneens, net zoals Charles Baudelaire, Arthur Rimbaud, Guy de Maupassant, Éduard Manet en Oscar Wilde. Dat waren sterke argumenten, vond ik. Er waren er nog, maar dat wist ik toen gelukkig nog niet. Die leerde ik pas later kennen via Meindert Burger die er in 2005 een boek over publiceerde: De gifgroene muze. Absinth in de literatuur.
Je kunt ongetwijfeld een even mooie bloemlezing maken onder de titel Whisky in de literatuur of Wijn in de literatuur, want er is meer onder de alcoholische zon dan alleen absint. In The Thirsty Muse: Alcohol and the American Writer (1989) presenteert Tom Dardis een indrukwekkend lijstje van bekende Amerikaanse schrijvers die ook alcoholici waren: Sinclair Lewis, Eugene O’Neill, William Faulkner, Ernest Hemingway, John Steinbeck, Edward Arlington Robinson, Jack London, Edna St. Vincent Millay, F. Scott Fitzgerald, Hart Crane, Conrad Aiken, Thomas Wolfe, Dashiell Hammett, Dorothy Parker, Ring Lardner, Djuna Barnes, John O’Hara, James Gould Cozzens, Tennessee Williams, John Berryman, Carson McCullers, James Jones, John Cheever, Jean Stafford, Truman Capote, Raymond Carver, Robert Lowell en James Agee. Zo’n lijstjes kunnen moeiteloos aangevuld worden met namen van meer hedendaagse auteurs (bijvoorbeeld Charles Bukowski die u in zijn gewone doen kunt zien op ’t filmpje dat ik hieronder geplaatst heb. Ik verwittig u, de video is ontnuchterend) of met niet-Amerikaanse schrijvers (herinner u de tragische neergang van J.M.H. Berckmans…). Maar Hardi heeft het in zijn boek op vier Amerikaanse Nobelprijswinnaars gemunt. Hij volgt nauwlettend Faulkner, Fitzgerald, Hemingway en O’Neill op hun wankele weg die vooral langs de bar passeert. Iets soortgelijks doet Olivia Laing in het zopas in ’t Nederlands vertaalde Het uittapje naar Echo Spring.(*) Zij maakt een reis door Amerika langs de plekken waar bekende schrijvers hun mateloze dorst gelest hebben: Fitzgerald, Hemingway, Williams, Cheever, Berryman, Carver.
Al die schrijvers, al die drank, een mens zou er nog de verkeerde conclusies uit trekken: wie schrijft die drinkt! Maar dat is uiteraard onzin. Je kunt evengoed lange lijsten aanleggen van schrijvers die liever nuchter door ’t leven gaan. Auteurs drinken niet méér of niet anders dan wegenbouwers, bankbedienden en pastoors, ze schrijven er wel meer over, waardoor de literatuur een alcoholisch spoor achterlaat dat op den duur mythische proporties aanneemt, zelfs als dat beschrevene de vernietigende kracht van alcohol aantoont, zoals dat het geval is in Onder de vulkaan (1949) van Malcolm Lowry en in Het Verloren weekend (1944) van Charles Jackson, twee meesterwerken van en over zuipschuiten.
Flor Vandekerckhove

(*) Olivia Laing. Het uittapje naar Echo Spring. Waarom schrijvers drinken. 2014. A'dam. De bezige bij. 334 ps. € 24,80.




zondag 20 juli 2014

Marie Claire

Gisteren fietste ze voorbij het huis terwijl ik door het raam naar de straat beneden mij aan ’t kijken was. Eerst had ik haar niet herkend, maar toen ze me toezwaaide wist ik het natuurlijk wel, dat was Marie Claire. U voelt me al van verre aankomen, dit wordt weer een nostalgisch stukje over oude mensen en van dingen die voorbijgaan.
In die voorbije tijd woonde Marie Claire samen met haar ouders boven de krantenwinkel van Paula. Ik woonde enkele meter verder, in ’t huis van mijn ouders, gemeenzaam de kiekenwinkel genaamd. In die tijd hebben wij, Marie Claire en ik, een mooi moment beleefd. ’t Was zomer, ’t was droog & heet en ’t was vooral erg druk vanwege de toeristen die de zee, net als nu, in grote getale kwamen opzoeken om er te verpozen.
Dat verpozen ging altijd al met veel luidruchtigheid gepaard, met luidsprekers, versterkers, opdringerige animatie, wild in ‘t rond schallende zomerhits, lawaaierige aankondigingen van barnumachtige evenementen… Dat was vroeger niet anders dan nu. Ik kijk daar nu wel afstandelijker naar, maar in die tijd was ik een enthousiaste deelnemer. In die tijd keek ik zelfs verlangend uit naar de publicatie van de activiteitenkalender die ik nu ongelezen bij ’t oud papier gooi. Op die kalender stipte ik de datum van het Volksbal aan, een openluchtevenement mét orkest, één in juli en één in augustus, ongetwijfeld geanimeerd door Nonkel Jérome, een medemens die tijdens de zomer van het podium niet weg te branden was. Zo’n Volksbal werd gedanst op het basketpleintje vóór de kiosk en iedereen nam eraan deel.
Openlucht, veel sociale controle, start van het bal: 20 uur. Einde: 22 uur stipt! Daar laat zelfs de meest wantrouwende vader zijn dochter op los, want ja, ze moet toch ergens leren dansen. Ook de prille, autochtone teenager Marie Claire was van de partij, alsmede ikzelf. Hoe het er bij haar later aan toegegaan is, weet ik niet, maar zelf heb ik nooit meer zo hard gedanst als toen. Je had maar twee uur de tijd, je moest die wel compleet benutten. We hadden er ook de leeftijd voor, Marie Claire zag er in haar eerste patte d’éléphant niet meer uit als een klein meisje, wat me eerder niet opgevallen was, en nu dus wel. En er was natuurlijk ook de hit van Chubby Checker die met de twist een dans gelanceerd had waarin we al onze jeugdige, overmatig aanwezige energie op een propere, ongevaarlijke en simpele manier konden kanaliseren.
Ah meneer, hoe hebben we daar gedanst, Marie Claire en ik. We hebben daar getwist van acht tot tien. En toen we na afloop alweer op weg naar huis waren — haastig, wegens tien uur — en achter ons hoorden dat er nog een bisnummer kwam, hebben we elkaar aangekeken in een verstandhouding die maar zelden tussen mensen voorkomt en, zonder ook maar een woord te wisselen, zijn we hand in hand teruggelopen naar dat plein om ook die laatste dans nog mee te pikken. En weet je wat? We waren toch nog op tijd thuis, want Let’s twist again duurt nauwelijks langer dan twee minuten.
Later heb ik Marie Claire nog een keer gesproken. We waren de vijftig al voorbij en we frequenteerden blijkbaar dezelfde tandarts. Natuurlijk herinnerde ze het zich nog, zo’n mooi moment vergeet een mens niet. En ook de tandarts, die erbij was komen zitten, vond ’t best een mooi verhaal. Waarna hij tot de dagorde overging.
Flor Vandekerckhove

zaterdag 19 juli 2014

Andres Serrano: épater les bourgeois

Vandaag maakt de affiche deel uit van de collecties van het gerenommeerde  Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis, maar in 1997 kondigde hij een tentoonstelling aan van de Amerikaanse conceptkunstenaar en fotograaf Andres Serrano. Ik herinner me de commotie rond die tentoonstelling, dat moet dus nogal iets geweest zijn. Velen voelden zich gechoqueerd, er was zelfs een bommelding (bom-melding hé, niet bommel-ding).
Mij heeft die affiche destijds niet gechoqueerd, maar wel een schok bezorgd. Ik vind dit, eerlijk gezegd, ook vandaag nog altijd een bijzonder sterk beeld. Dat heeft ongetwijfeld een duistere reden. Leo’s fantasy — zo heet die foto — confronteert me met mijn eigen seksuele fantasieën die ik hier & nu uiteraard niet aan uw neus zal hangen.
Wel wil ik u meedelen dat het schokeffect bij mij zijn werk gedaan heeft. Serrano heeft me laten nadenken over het verschil tussen porno en kunst en hij heeft me de weg gewezen naar tal van andere artiesten die eveneens deel uitmaken van een stroming die shock art heet. (Ik voorvoel uw vraag: het verschil tussen deze foto en porno zit in voorgaande zin: porno laat je, in tegenstelling tot kunst, nergens over nadenken en wijst je nergens heen.)
Shock art wil per definitie choqueren. Bedoeling is het uitlokken van controverse, want zo’n controverse levert niet alleen bommeldingen op (en, wat ook veel voorkomt, betogingen van kwaaie katholieken) maar ook inzicht. Het leert ons nadenken over onderwerpen waarover eerder niet nagedacht werd. Nadenken, je kunt er alleen maar beter van worden, vind ik.
Shock art! Baudelaire is er een meester in, van hem stamt de veelzeggende uitdrukking Épater les bourgeois. Zijn dichtbundel Les fleurs du mal levert hem een veroordeling op. Zes gedichten ervan worden gecensureerd en wat ik straf vind is dit: ik ben al geboren wanneer die censuur in Frankrijk wordt opgeheven; zo erg lang geleden is dat dus ook weer niet. Inmiddels heeft men daar een beetje over nagedacht en zegt men van die bundel dat ‘t een meesterwerk is. 
Marcel Duchamps choqueert de goegemeente ongetwijfeld ook wanneer hij in 1917 zijn Fontain presenteert, een urinoir dat inmiddels het invloedrijkste moderne kunstwerk ooit genoemd wordt.
Andres Serrano treedt in het voetspoor van zo’n kunstenaars. En wat mij betreft mag hij tot de linkerzijde van die strekking gerekend worden. Daar moest ik aan denken toen ik onlangs in Brussel geconfronteerd werd met de grote toename van daklozen en bedelaars. Ik herinnerde me op dat moment een recent werk van Serrano dat Sign of the Times heet, een video waarin hij alleen maar bordjes toont die bedelaars gebruiken om voorbijgangers tot een gift te bewegen. Ook die video heeft de nodige controverse veroorzaakt — het internet draagt er de sporen van — maar Serrano, die eerder al fotoreeksen van daklozen maakte, wil dat de New Yorkers eindelijk ophouden die daklozen te negeren. (*) En bij uitbreiding: dat wij eindelijk ophouden de daklozen in Brussel te negeren.
Flor Vandekerckhove

vrijdag 18 juli 2014

Gered door de bel

Geloofwaardigheid, daar gaat het om. De lezer moet erin geloven, en deze keer zag het er niet naar uit dat ik daarin geslaagd was. Ik had het verhaal afgewerkt en was nu naar het onbevredigende resultaat aan ’t kijken. Dat verhaal ging over een man die onverhoeds een vrouw ontmoet, er meteen verliefd op wordt, halsoverkop met haar gaat samenwonen en in een regelrechte hel terechtkomt. En neen, dat verhaal was niet goed en ik probeerde uit te vissen hoe dat kwam. Aan de verhaallijn kon het niet liggen, want daarin zouden veel lezers ongetwijfeld hun eigen situatie herkennen. Of ze zouden iemand kennen die het meegemaakt had.
Het was een zeer kort verhaal, maar dat had me niet belet om er stilistische hoogstandjes in te verwerken. Naarmate de ruzies toenamen, nam ook de lengte van de gebruikte scheldwoorden toe; de korte perioden waarin het goed ging, vonden hun neerslag in korte zinnen. De steeds weerkerende ruzies zagen zich weerspiegeld in woordelijke herhalingen, steeds opnieuw, steeds opnieuw. Neen, aan de stijl kon het evenmin liggen. En de setting kon niet anders dan geloofwaardig zijn, want ik had het verhaal in Bredene gesitueerd, een gemeente die ik sinds mijn kindertijd ken, die ik goed weet te beschrijven en waar zo'n dingen gebeuren. De geschiedenis speelde zich af in de jaren tachtig, negentig, een tijd die ik al meermaals met succes beschreven had. Plaats, tijd, stijl, plot… dat zat allemaal goed. En toch voorvoelde ik dat het voor de lezer onaannemelijk zou zijn.
Het was… Ik herlas het verhaal en las er weer opnieuw. Er was iets met die vrouw. Die vrouw… Ze overtuigde niet, toch niet in dat verhaal. Alleen begreep ik niet waarom. Ze was aantrekkelijk, ze was zelfs uitermate sexy, en het was absoluut niet moeilijk om je voor te stellen dat je daar plotsklaps verliefd op werd. Ze was geen domme teenager, want ze was in 1939 geboren, en dus iemand die van wanten wist — ervaring zat — iemand die wist hoe ze een man aan de haak moest slaan. Dat zat allemaal wel goed, en toch… De lezer zou nooit geloven dat de ik-figuur met die vrouw lief en (vooral) leed gedeeld had. Ik herlas de passages waarin die twee met elkaar vrijden en moest toegeven dat het alleen maar op de lachspieren werkte — de ik-figuur en die vrouw? Neen! —  ik herlas de stukken waarin de vrouw in razernij haar nagels in ’s mans rug kerfde en ik zag alleen maar lezers die het verhaal aan de kant zouden leggen, wegens al te onwaarschijnlijk.
’t Is niet omdat je de vinger op de wonde legt dat die ook geheeld is. Ik zag wel dat die vrouw voor dat verhaal niet deugde, maar ik wist eerlijk gezegd niet hoe ik er een andere van kon maken. Ik piekerde me suf, liet er mijn middagdutje voor, maar geraakte er niet uit. Ja, zo dacht ik, soms lukt het en soms lukt ’t niet.
Uit die overpeinzingen werd ik weggerukt doordat de deurbel overging. Normaliter negeer ik die wanneer ik een verhaal aan ’t schrijven ben, maar nu was ik er blij om. Ik klapte de computer dicht, liep de trap af en stond oog in oog met een oudere vrouw waarop ik als bij toverslag verliefd werd. ‘Hi’, zei ze in een Engels met een vet Amerikaans accent, ‘I’m Tina Turner, may I come in?’ Ik wilde zeggen: ‘Zeer zeker mevrouw Turner,’ maar ik kreeg het niet gestameld. Ik hield de deur open, liet haar binnenkomen en wist meteen hoe ik mijn verhaal aannemelijk kon maken. Ik moest die naam zien kwijt te raken. Want Tina Turner? Aan mijn deur in Bredene?
Flor Vandekerckhove

maandag 14 juli 2014

KoR Van der Goten, kwam, zong en… ging weer weg

KoR Van der Goten (1931-1983)
Dat Frank Zappa aan mij voorbijgegaan is, kan mijn vriendin maar moeilijk begrijpen, want ‘je was toch jong in die tijd’. Ja, dat is waar, maar ik heb veel muziek aan mij voorbij laten gaan. Ik luisterde als teenager wel naar de piratenzender Veronica, maar herinner me vooral jingles. Kopen bij de Spar / Is sparen bij de koop. Mij bijgebleven is ook: Wanneer u rookt / Maar meer ook niet / zodat u’r echt / niet van geniet / Verander dan in allerijl / En kies iets naar uw eigen stijl. De sigaret die zich aldus aan ons presenteerde heette Sir Richard’s, een merk waarvan ik op ’t internet geen spoor meer aantref. Sir Richard’s is in rook opgegaan.
In 1962 keek ik naar op de televisie naar het programma Tienerklanken. Ik was dertien. En werd omvergeblazen door ene KoR Van der Goten die daar in alle eenvoud een lied zong dat Sprookeling heette. Deze KoR had voor mij de deur kunnen openen naar de wereld van het chanson (hijzelf schreef sjanson) en van daaruit naar de folk, de folkrock en zo verder tot ik uiteindelijk wel bij Zappa zou uitgekomen zijn. Waardoor ik heden tot mijn vriendin had kunnen zeggen: KoR heeft me de weg naar Zappa gewezen!
Maar Van der Goten was niet wat we een blijver noemen. Hij kwam een lied zingen en verdween vervolgens van het scherm. Later gebeurde dat nog eens. En nog later nog eens. Niet beklijvend genoeg om het muziekvuur in mij brandend te houden. 
Ik google zijn naam en vind dit: ‘een turbulente geest’, ‘zijn steeds verder oprukkende alcoholverslaving’, ‘moeilijk en ronduit arrogante man’ en ook: Met zijn demarches verloor Van der Goten heel wat krediet en het Vlaamse publiek haakte op den duur massaal af.’
Ja maar, zo hoor ik je tegenwerpen, die KoR was toch maar een epigoon van George Brassens. Waarom ben je dan niet via deze sympathieke Fransman de muziek ingerold? Daar kan ik dan weer tegen inbrengen dat Brassens wellicht maar zelden op Veronica te horen was en op radio Caroline al helemaal niet.
Flor Vandekerckhove




zondag 13 juli 2014

Louise Michel, anarchiste mèt standbeeld


Er zullen er niet veel zijn, maar zij heeft er toch een. Louise Michel is een anarchiste die in Levallois-Perret, vlak bij Parijs, een standbeeld gekregen heeft. Ook tijdens haar leven is zij al een monument.  Bij haar begrafenis wordt de kist gevolgd door honderdtwintigduizend mensen. Wie is deze populaire anarchiste? Ze is vooral iemand die moeilijk te catalogeren valt. En dat begint al bij de geboorte. Louise is immers de vrucht van een vrijpartij tussen een kasteelheer (of misschien wel diens zoon) en zijn jonge meid. Moeder Marianne Michel behoort tot de onderklasse, vader is upperclass. Louise en haar moeder worden, zoals je zou verwachten, de kasteeldeur niet uitgegooid. Integendeel, de rijkaard laat Louise en haar moeder op het kasteel wonen. Wat de kasteelvrouw daarover denkt is me niet bekend, maar goed. Louise groeit daar op. Dat maakt dat ze een opleiding krijgt waarvan ze anders verstoken was gebleven. Die opleiding rondt ze af als onderwijzeres.  Ze trekt naar Parijs waar ze haar tijd verdeelt tussen onderricht en regelrechte woelmakerij.  Vanaf 1869 wordt haar naam in politierapporten vermeld. Met het geweer in de hand staat ze ook vooraan op de barricaden van de Commune van Parijs in 1871.
Louise Michel (1830-1905) 
De repressie die op de nederlaag volgt verandert heel haar leven. Samen met andere communards wordt Louise op een schip gezet en naar Nieuw-Caledonië verbannen. Terwijl het schip afvaart zingen ze Le temps des Cerises, het lied dat onverbrekelijk met de Commune verbonden blijft en dat ongetwijfeld de meest atypische revolutionaire hymne uit de wereldgeschiedenis is. Je moet daar maar eens naar luisteren, ik heb het onder dit stukje geplaatst. 
In Nieuw-Caledonië zet ze haar revolutionaire en opvoedende werk verder. Ze onderwijst de Kanaken en juicht in 1879 de opstand toe van de autochtonen tegen de Franse bezetters.
Zodra ze van amnestie kan genieten keert ze naar Frankrijk terug. Tegelijk bekent Louise Michel zich uitdrukkelijk tot het anarchisme, dat ze tot haar dood trouw blijft. De laatste vijfentwintig jaren van haar leven wijdt ze trouwens helemaal aan de propaganda.  Ze blijkt een een begaafd spreker te zijn, een kwaliteit die haar ook naar Groot-Brittannië, Nederland en België brengt.  De politie volgt haar evenwel op de voet en ze blijft voortdurend de binnenkant van gevangenissen zien: 15 dagen in 1882; een veroordeling tot 6 jaar eenzame opsluiting in 1883, waaruit ze in 1886 verlost wordt; 1886: vier maanden; 1890 een maand opsluiting. Maar het is uiteraard niet voor die gevangenisstraffen dat er in Frankrijk een metrostation en een pleintje naar haar genoemd wordt. Louise is immers ook een letterkundige en een pedagoge. Zo wordt er in 1884 een sprookjesboek van haar gepubliceerd. Ze legt daarin de allerkleinsten uit waarom er armoede bestaat en hoe de staat de onrechtvaardigheid zelve is, of zoals Henriette Roland Holst het ook al zeide: de staat verknecht, de wet is logen. Deze vrouw die strijdt aan de zijde van bekende anarchisten als Emile Pouget, Sébastien Faure, Kropotkin, Malatesta, Cornelissen, Domela Nieuwenhuis en Paul Reclus heeft tot geen enkele organisatie behoord, wellicht ook niet tot de Internationale. Ze was gewoon zichzelf en werd ervoor bezongen door Paul Verlaine in een gedicht dat Ballade en l’honneur de Louise Michel heet en in Viro Major, een werk van Victor HugoStraffe madam!
Flor Vandekerckhove



zaterdag 12 juli 2014

Cutie en de bokser

Neo-dada? Nooit van gehoord. Maar wanneer ik het opzoek zie ik er bekende namen achter staan: John Cage, Robert Rauschenberg, Yoko Ono, Joseph Beuys… Een van die neo-dadaïsten is Ushio Shinohara. Hij schildert geen schilderijen, hij bokst ze! Hem leer ik kennen in het wondermooie Cutie and the Boxer van de jonge filmmaker Zachary Heinzerling. De man heeft er vijf jaar aan gewerkt en het resultaat is fenomenaal mooi. Wie we in die film ook leren kennen is Noriko. Zij is ‘s mans echtgenote en ze is eveneens kunstenaar. Maar je weet hoe ’t meestal gaat bij echtelieden en ja, zo gaat het ook bij Noriko: ze leeft in de schaduw van de manspersoon die Ushio is. Of, juister gezegd, zo heeft ze veertig jaar geleefd. Want tijdens de documentaire zien we de dingen veranderen. Eerst slorpt de dominante Ushio alle aandacht op, maar naarmate de film vordert begint Noriko haar eigen plaats op te eisen, waar ze overigens met brille in slaagt.
Een koppel kunstenaars, moeilijk is het wellicht altijd. Zowel Alma Maria Schindler als haar echtgenoot Gustav Mahler waren componisten, maar Alma voelde zich wel miskend door Gustav die haar aspiraties op muzikaal terrein niet serieus nam. En bleef Lee Krasner qua bekendheid niet lang in de schaduw van haar echtgenoot Jack Pollock staan? Van Max Ernst heeft iedereen wel al gehoord, maar om Dorothea Tanning te kennen moet je al goed op de hoogte zijn, idem voor Wassily Kandinsky en Gabriële Münter. De foto’s van Man Ray zijn gereputeerd, maar dat veel van die foto’s door zijn muze Lee Miller gemaakt werden is dat al minder. De geschiedenis van Auguste Rodin en zijn rechterhand Camille Claudel is bekend. En waarom worden de installaties van Jeanne-Claude en Christo eigenlijk altijd naar die laatste genoemd?
de tachtigjarige Ushio bokst een nieuw schilderij.
Moeilijk is het tussen kunstenaars-echtelieden wellicht altijd, en bevredigend is het zelden voor beiden. Jonathan Franzen heeft het erover in zijn lezing On Autobiographical Fiction. Om zijn meesterwerk De correcties te kunnen schrijven moest hij eerst van zijn huwelijk afraken. Ze waren te jong getrouwd en zowel hijzelf als zijn echtgenote ambieerden een schrijverscarrière: Our plan was to work side by side all our lives. It didn’t seem necessary to have a fallback plan, because my wife was a gifted and sophisticated New Yorker who seemed bound to succeed, probably long before I did, and I knew that I could always take care of myself. And so we both proceeded to write novels, and we were both disappointed when my wife couldn’t sell hers. When I did sell mine, in the fall of 1987, I felt simultaneously excited and very, very guilty.De twee gaan uit elkaar, en maar goed ook, want dan kan elk een eigen weg gaan. Zo gaat dat vandaag, maar zo ging dat vroeger niet.
De oude Ushio en zijn eenentwintig jaar jongere Noriko blijven voor de rest van hun leven samen in een huwelijk waarin hij alles voor zichzelf opeist. Zij assisteert hem, terwijl hij het haar inwrijft dat ze maar een assistente is, ze bereidt met veel liefde het eten dat hij onachtzaam opschrokt, ze heeft zijn alcoholisme moeten verdragen, ze heeft zijn kind opgevoed dat inmiddels ook al alcoholist geworden is. In de wereld van Ushio is ze de assistente, moeder, klankbord, meid, manager en boekhouder. Maar kijk, terwijl Heinzerling zijn documentaire maakt zien we de zaken ten goede veranderen. Terwijl haar echtgenoot voortgaat met het uitwerken van zijn megalomane oeuvre, begint zij haar eigen werk te produceren, tekenwerk dat op haar huwelijksleven met Ushio gebaseerd is. Dat tekenwerk mondt uit in The Cuty Series, een artistiek verhaal waarin Cutie & Bullie figureren, het lieverdje en de bullebak, de overeenkomst is duidelijk.
Noriko aan het werk in de galerie waar Cutie & Bullie tentoongesteld worden.
Wanneer er weer eens een galeriehouder op bezoek komt, trekt ze haar stoute schoenen aan. Nadat hij het werk van haar echtgenoot bekeken heeft, troont ze hem mee naar haar tekeningen. De mens gaat overstag. Op ’t einde van de film zien we hoe de bokser-schilder staat te glunderen op zijn tentoonstelling in die galerie. Vervolgens neemt de camera ons mee naar een andere zaal van dezelfde galerie en daar zien we de even verbaasde als enthousiaste jetset van New York kennis maken met de Cuty Series van Noriko. Eindelijk herkenning!
Ushio is inmiddels de tachtig voorbij, maar blijft met een bewonderenswaardige energie zijn muurgrote schilderijen boksen. En zij? Ik heb het opgezocht. Zij tekent, etst en schildert nog altijd en ze exposeert regelmatig in New York en in Japan. Ze heeft in de kunstwereld haar eigen plaats veroverd. Hopelijk slagen die twee er inmiddels ook al in om hun huur te betalen, want dat was ten tijde van die documentaire een haast onoverkomelijk probleem. 
Flor Vandekerckhove