donderdag 29 november 2018

Eieren koken met Rick de Leeuw

— De Laatste Vuurtorenwachter en Rick de Leeuw (rechts). —   

De tijd van frikandellen, Bicki Burgers, bitterballen en Mexicano’s ligt voorgoed achter me. Slaatjes nemen de plaats van junkfood in en vitamines vervangen de verzadigde vetten. En als ik me eens goed wil laten gaan voeg ik er een hardgekookt ei aan toe.
U geeuwt en zegt: Wat een saai leven leidt die Laatste Vuurtorenwachter toch! Maar daarin vergist u zich deerlijk.
Gisteren haal ik zes eieren uit het doosje en er ontplooit zich een waar avontuur. Een van de eieren blijkt poreus te zijn. Als ik er met mijn duim over ga craqueleert de schaal. Ik ruik aan het ei, het is reukloos.
Intussen kookt het water. Voorzichtig voeg ik er de eieren aan toe, het gecraqueleerde als laatste. Vijf eieren blijven op de bodem liggen, het gehavende ei stijgt meteen naar de oppervlakte. Daardoor betrouw ik dat ei niet langer en ik beslis het weg te gooien. Terwijl het kokende water acht minuten lang zijn gang gaat, verlaat ik de keuken om het verdachte ei buiten aan de compost toe te vertrouwen.
Terugkerend van de composthoop passeer ik mijn laptop die me — ping! — meedeelt dat er een bericht binnenvalt. Luc Blomme:Ik hoorde daarnet op de radio een liedje van Peter van Laet van Mama’s Jasje: ‘De jacht is mooier dan de vangst.’ Heb ik nu een hint gegeven voor een volgend stuk proza?
Wel zeker, denk ik, maar Peter van Laet, Mama’s Jasje … Niets daarvan is me bekend. Ik googel De jacht is mooier dan de vangst en kom vreemd genoeg niet bij dat jasje terecht en evenmin bij die meneer Van Laet, maar, hier, bij een gelijknamige song van Rick de Leeuw en zijn wilde Tröckener Kecks.
Ik lees de eerste zinnen: De avond valt over de stad / Na een lange, hete dag / De wind brengt wat verkoeling / Maar er kookt iets in zijn bloed.
Die laatste zin laat me er gelukkig weer aan denken dat de eieren nog aan ’t koken zijn.

Flor Vandekerckhove

dinsdag 27 november 2018

The best of


 — In de Gentse Bar Mirwaar signeert Delphine Lecompte mijn exemplaar van haar nieuwe boek. —

Woensdag 21 november. Ik ben getuige van een unieke boekpresentatie. Uniek, want het betreft Nederlandstalige gedichten verzameld onder een Engelse titel! (°) Dat mag inderdaad du jamais vu zijn maar, zo voeg ik er meteen aan toe, toch onvoldoende om me uit mijn zetel weg te halen. 
Dat ik hier nu toch ben komt doordat de dichteres me destijds een gelukkig moment bezorgd heeft. Ik spreek dan over de voltooid verleden tijd waarin ik als uitgever van Het Visserijblad door het leven ga. Via de onvolprezen Peter Holvoet-Hanssen schenkt Lecompte ons twee gedichten die nauw bij de bekommernissen van dat armlastige blad aansluiten. (°°)
Over die bekommernissen ga ‘k niet meer uitweiden, want gedane zaken nemen geen keer, maar ze werden toen wel met verve ter hand genomen door merkwaardige figuren als Jo Clauwaert — In Peters universum de flitsmatroos —, door de geridderde Noordzeevisser Marnix Verleene — Peter zei geriederde — en die keer dus ook door Delphine Lecompte.
Het ene gedicht heet Een scheep in een fles en het andere De onderwaterlasser stort zijn hart uit. Die onderwaterlasser wil ik al lang eens vragen of hij nog contact heeft met de spookmatroos uit dat gedicht, die de last torst eeuwig jong te blijven, een verschrikkelijke gedachte, vind ik.
Daarom monster ik die avond met aandacht het talrijk opgekomen publiek. Ik ontwaar lankmoedige dichters die de lof van Delphine zingen, ik zie hoe een sponzenverkoper Mauro Pawlowski te woord staat en ik vang een glimp op van de oude kruisboogschutter. Ook hoor ik hoe Delphines veel belaagde moeder de liefdesbetuiging van haar dochter kordaat afbreekt: Stop maar, dat volstaat wel!
De onderwaterlasser valt helaas nergens te bekennen, maar terwijl ik me na afloop een weg door het heerlijk autoluwe Gent baan, gebeurt wel dit:
Tijdens de schemering verschijnt de spookmatroos  
Ik wenk hem
Hij gebaart met zijn overgebleven vingerkoten
Dat hij andere katjes te geselen heeft
En verdwijnt dan gezwind in zijn eeuwig glanzende muiterijklamotten.
Wat valt er na zo'n verdwijning in muiterijklamotten eigenlijk nog te zeggen? Ongetwijfeld dit: je moet The Best Of Delphine Lecompte lezen, want Delphine Lecompte is the best there is!
Flor Vandekerckhove

(°) Delphine Lecompte. The Best Of Delphine Lecompte. 2018. Uitg. De bezige bij. 126 pp. 19,99 €. 
(°°) Gepubliceerd in Uit de bibliotheek van Neptunus, een rubriek van Peter Holvoet-Hanssen. In Het Visserijblad van 7 juni 2013, p. 14. — Het fragment onderaan komt uit Delphines gedicht ‘Een scheep in een fles’.

zondag 25 november 2018

Van het ene rusthuis naar het andere


Op de foto, in wijzerzin, startend bovenaan links, alles onder voorbehoud: 
Alice Vandekerckhove, Hélène Devriendt, Josée Boncket, het kindje is 
Jenny Vandekerckhove, het vijfde personage is Elsa Devriendt.
 Ik zoek nog een jaartal.
Van mijn almaar toenemende lichamelijk verval heb ik u eerder al op de hoogte gebracht. Daar hebt u, schuddebuikend van het lachen, vernomen hoe mijn joggingschoenen nu in ‘t kot kobbenetten staan te vergaren.
In plaats daarvan ga ik wandelen, zoals het oude mensen betaamt. Ik heb verschillende parcours: naar de bib in Oostende via de overzet (6,5 kilometer); terugkeren via ’t bosje: 7,2 km.; naar ’t hotel van mijn vriendin in De Haan: 5,3; tot Zwarte Kiezel (8,560), molen Hubert (10,910), tramstation Blankenberge: 17 km.
Bij voorkeur wandel ik met een doel, bijvoorbeeld: rust- en verzorgingstehuis Jacky Maes. Daarvoor maak ik een lange omweg. Op ‘t einde van die tocht bezoek ik mensen die nog ouder zijn dan ik; mijn wekelijkse goede daad. Op die omweg passeer ik telkens Westerhauwe, een ander rusthuis, want mijn gemeente heeft er verschillende. (Bredene: zijn duinen, zijn naaktstrand, zijn rusthuizen.) Daar resideert tante Alice. 
In dat Westerhauwe heb ik tante Alice nooit bezocht, eerst omdat zij tal van kinderen heeft die dat al doen, later omdat men zegt dat ze me toch niet meer zal herkennen, en in beide gevallen omdat ik niet zo’n familiemens ben. Maar nu ik daar regelmatig passeer begint er iets te knagen, in toenemende mate nog wel. ’t Gelijkt op op een hongertje, in combine met een beetje stress, gelardeerd met een vleugje lichte kater. Nooit eerder meegemaakt, toch niet tijdens ‘t wandelen. Opeens valt mijn frank: Godver, zeg ik, ’t zal mijn geweten zijn! 
Overmand door wroeging heb ik nu ook tante Alice in mijn wandeldoelen opgenomen. Ik moet nog uitrekenen hoeveel kilometer dat over en weer bedraagt.
En kijk, een halve dag later kan ik u dit al meedelen. Het is met schroom dat ik haar kamer betreed, want ik zie mijn familie eigenlijk alleenlijk nog op begrafenissen (als men niet vergeet me uit te nodigen, want ook dat gebeurt). En in tegenstelling tot wat je uit al het voorgaande zou vermoeden, hebben we daar een goed gesprek gehad, tante Alice en ik. Over vroeger uiteraard. Over pension ’t West; over Jenny C. in dat andere rusthuis; over nonkel Miel en tant’ Uche; over Fernand B. die ik van zijn zoon niet meer mag bezoeken; over Georgette Vandekerckhove waarvan Alice nog weet dat die als kind in Oudenburg woonde; over moeder Zoë en hoe streng die was, iets wat we ons beiden goed herinneren. Over hoe Alice als kind op ’t strand een ezel begeleidt die met toeristenkindjes rondrijdt en hoe dat naadloos overgaat op de strandcabines die zij daar vele tientallen jaren later verhuurt. Tante Alice mag dan veel vergeten zijn, maar dat laatste wist ze nog goed. Wel was het al uit mijn eigen geheugen ontsnapt.

Flor Vandekerckhove

donderdag 22 november 2018

Knausgård ontmoet Anna Karenina in het schildersatelier


'Ik zat in mijn atelier naar een schilderij 
te kijken en rookte een sigaret, toen ineens, 
misschien door de rook, 
de afbeelding begon te bewegen. 
En vanuit het schilderij hoorde ik 
een wind blazen.' (David Lynch)

Elke bouwvakker weet het: de onderbouw bepaalt de bovenbouw. Dat is zo evident dat je ’t mag veralgemenen: de economie (onderbouw) bepaalt het geestelijk leven (bovenbouw); wat je doet (onder) bepaalt wat je denkt (boven); persvrijheid (boven) is het voorrecht van degenen die een pers (onder) hebben.
Kunst & literatuur steunen evengoed op zo’n onderbouw en ze worden er dan ook door bepaald. Maar ook dit is waar: kunst voortbrengen is nog iets anders dan een gebouw neerzetten. Terwijl de schrijver als ‘t ware zijn huis aan ’t metselen is gebeurt er iets wat in de bouw paniek zou veroorzaken: ‘De personages maken zich los van hun schepper, voeren hun eigen leven, tot de uiterste consequenties van hun aangeboren aard en de dialectiek van hun levensontwikkeling, van hun wereldbeschouwelijke strijd, verloopt in een heel andere richting dan de publicist zich ten doel stelde. De dichterlijke juiste vraagstelling wint het van de politieke bedoeling, van de sociale reactie van de schrijver.’ (°) Het citaat komt van een criticus die het over de personages van Dostojevski heeft.
Nu moet je je voorstellen dat een bouwvakker iets soortgelijks meemaakt en dat de stenen opeens een eigen leven gaan leiden. Paniek! — want het gebouw dreigt daardoor heel anders te worden dan wat er op ‘t plan staat. Wat in de bouw absoluut vermeden wordt is juist datgene waar kunst naar streeft.
In een boek (°°), waarin  Karl Ove Knausgard het oeuvre van Edvard Munch ontleedt, gaat hij in op wat die criticus de dichterlijke juiste vraagstelling noemt. [E]r moet altijd een sluier van ideeën opzij worden geschoven  (…) om de wereld te kunnen zien zoals hij werkelijk is. En om dat te doen moet je in het bezit zijn van een andere taal dan de hedendaagse, aangezien de hedendaagse taal deel uitmaakt van wat bedekt of beschaduwt. Om die reden is originaliteit een van de eigenschappen die het hoogst worden gewaardeerd in de kunst. (…).’ En verder: De drijfkracht van alle kunst is een vorm van expressie te vinden die waar is (…) waarheid is iets wat je intuïtief aanvoelt, en het is ook in die intuïtie dat het artistieke zich voltrekt.’ Om zover te komen moet de kunstenaar ‘schrapen, schilderen, schrapen, schilderen, weggooien, opnieuw beginnen, zoeken, aftasten, schilderen, schrapen, tot het werk ‘antwoordt’ (…) Misschien gebeurt dat nooit, misschien gebeurt dat na tien jaar, misschien gebeurt dat na tien dagen.'
Beter kan het verschil met een bouwwerf niet uitgelegd worden, vind ik. Een metselaar die metselt, schraapt, weer metselt, weggooit, opnieuw begint, weer schraapt en wacht tot het gebouw antwoordt, zou het op de werf niet lang uitzingen.
Dat creatieve, intuïtieve proces werd eerder ook al door de trotskist Alexandr Voronski beschreven, die in de Sovjet-Unie van de jaren twintig in debat moest gaan met hardliners die van mening waren dat creatie, intuïtie en inspiratie ‘bourgeoisbegrippen’ waren. Voronski: ‘Intuïtieve waarheden zijn authentiek en onbetwistbaar; ze vereisen geen logische verificatie en kunnen vaak niet met logische middelen worden geverifieerd, juist omdat ze (…) zich onmiddellijk en onverwachts onthullen in ons bewustzijn (…) '  (°°°)
Hoe je daar als kunstenaar toe komt verwoordt Knausgård met ‘schrapen, schilderen, schrapen, schilderen, weggooien, opnieuw beginnen, zoeken, aftasten, schilderen, schrapen, tot het werk ‘antwoordt’ (…)’ Dat spoort wonderwel met het voorbeeld dat Voronski geeft. Dat haalt hij uit Anna Karenina van Leo Tolstoj. De heldin ontmoet een schilder op het ogenblik dat het met een tekening maar niet wil lukken. Hij heeft het blad al aan zijn kinderen gegeven en als hij het terug in handen krijgt is het vervuild met kaarsvet: ”Dat is het, dat is het!" mompelde hij, greep een potlood en begon snel te tekenen. Een der kaarsvetvlekken gaf een nieuw aspect aan zijn schets. Terwijl hij zo tekende (…)  was de schets geen vaag, dood ding meer, maar werd zij levendig en bezield. (…)’
Flor Vandekerckhove

(°) Geciteerd in Karel van het Reve. Sovjet-annexatie der klassieken. Bijdrage tot de geschiedenis der marxistische cultuurbeschouwing. (1954). Opgenomen in Verzameld werk, deel 1. A’dam. Uitgeverij G.A. van Oorschot. 2008. 
(°°) Karl Ove Knausgård. Zoveel verlangen op zo’n klein oppervlak. Een boek over de schilderijen van Edvard Munch. Vertaling: Sofie Maertens en Michiel Vanhee. A’dam 2018. Athenaeum — Polak & Van Gennep. 254 p.  
(°°°) Aleksandr K. Voronsky, Art as the Cognition of Life: Selected Writings, 1911–1936, trans. and ed. Frederick S. Choate (Mehring Books, 1998), 190 ps. Er bestaat een website met teksten van Voronski: http://sovlit.org/akv/index.html. Voronski over kunst’ staat ook op https://www.marxists.org/archive/voronsky/1920/art.htm.

dinsdag 20 november 2018

Verkiezingsnacht


In de aanloop naar de voorbije gemeenteraadsverkiezingen had ik het internet afgespeurd, op zoek naar een passend gedicht. Daar was ik toen op het intrigerende Ode aan de propagandisten gestoten, een typisch Amerikaans gedicht, ook over een typisch Amerikaanse situatie, dat ik vertaalde en in de blog postte.
Doordat er nadien, op 6 november, tussentijdse verkiezingen in de Verenigde Staten doorgingen, waren er na onze gemeenteraadsverkiezingen opeens veel meer ‘verkiezingsgedichten’ op ’t net te vinden. Er waren enkele mooie bij en vooral Election Night (1997) van Martha Hollander beviel me zeer, misschien wel omwille van de aan zee & strand ontleende beeldspraak.
Ik heb me bij het vertalen enkele vrijheden gepermitteerd, waarbij ik me afvraag of die wel gepast zijn, vooral dat ‘altegader’. Wat ik me ook afvraag is of ik dat gedicht wel goed begrijp. Stemgerechtigden genieten op Long Island eerst nog zo lang mogelijk van de ‘indian summer’. Op de valreep trekken ze naar het stemlokaal. Mocht u dat anders lezen, dan zou ik dat graag van u vernemen. Dat geldt ook in het geval dat u flagrante fouten in mijn vertaling opmerkt.

Flor Vandekerckhove


zondag 18 november 2018

Mijn hoofdstad is Parijs

— András Pándi —
Flaminganten zullen het niet graag horen, maar ik zeg het toch: mijn hoofdstad is Parijs. Mijn Frans mag pover zijn, ik voel me daar thuis; meer dan in Brussel en veel meer dan in Antwerpen.
De slechte reputatie van Parijzenaars is onverdiend. Winkeliers, straatwerkers, winkelende Parisiennes, kelners, flikken, daklozen en bourgeois, zelfs de pickpockets … In Parijs laat iedereen me voelen dat ik welgekomen ben, wegens thuis.
Ik kom binnen in boekwinkel La Brèche en de verkoopster zegt meteen: 'Da’s lang geleden dat we je gezien hebben.' Ze heeft gelijk, want ik ben daar een kwarteeuw lang niet geweest. Ja, zullen de kenners — ze zijn zeldzaam, maar ze bestaan — tegenwerpen, La Brèche is een trotskistisch nest en misschien hebt gij die verkoopster in uw tijd wel tot u genomen … Maar dan nog … Wat een verwelkoming! Bij Corman in Oostende lijk ’t meer op een gunst als ze me daar een boek willen verkopen. 
Parijs duur? Neen hoor. Ik ben al enige tijd op zoek naar een gabardine. Dat ik die nog niet gekocht heb komt doordat ik er — daar — alleen vind voor de niet zo ronde som van 1.195 euro. Wel, in Parijs kan ik een gabardine kopen voor achtentwintig euro, tweedehands weliswaar en wellicht gestolen, maar wel een mooie gabardine. Dat ik het niet doe komt alleen doordat mijn vriendin beweert dat ik in zo'n kledingstuk 'een groot András Pándy gehalte' krijg.
Hebben de Parijse kelners een slechte reputatie? Niet bij mij. Ik stop aan bistro Le Weekend. Daar ben ik twee jaar geleden iets gaan eten. Ik herken de barman en hij herkent mij. ‘k Weet wel dat het maar een indruk is, maar dan toch een die kan tellen. Het lijkt op een leuk weerzien.
Dit jaar is L’Avenue mijn uitverkoren bistro. Ik wil een salade pyrénéenne bestellen, maar vrees dat ik ’t niet zal kunnen uitspreken. Eerst oefen ik een beetje: py-ré-né-enne, py-ré-né-enne, py-ré-né-enne. En als de kelner komt bestel ik gezwind — dat denk ik toch — mijn salade. De man lacht me goedmoedig toe. 'Geeft niet,' zegt hij, 'zelfs de Fransen hebben ’t moeilijk om dat pyrénéenne uit te spreken.' Is dat niet lief?!

Flor Vandekerckhove

vrijdag 16 november 2018

Everyday in Paris


Nog maar pas had ik de Nord verlaten toen een jonge arabier me ervan verwittigde dat iemand een product op mijn rug gespoten had. Welk product? vroeg ik. Een soort schuim, zei hij. Wacht, zei hij ook, ik kuis het af, en terwijl hij zijn smerige zakdoek uithaalde vroeg hij me of ik een telefoon wilde kopen. Echt een sympathieke jongen. Geen probleem, zei hij nog toen ik antwoordde dat ik al een telefoon had. Waarna de anonimiteit hem weer in zich opnam. 
Honderd meter verder werd ik gepasseerd door een oud vrouwtje dat me vroeg of ik daar woonde. Neen, zei ik en ik vroeg haar op mijn beurt of zij daar woonde en zij zei, neen hoor, ik zou hier nooit willen wonen. Wel wilde ze me een telefoon verkopen, met als argument dat hij al gedeblokkeerd was, waarna ook zij voor altijd uit mijn leven verdween.
Weer een beetje verder liep ik langs een winkel waar gestolen waar te koop was voor tien en twintig euro. De uitbater vroeg me in ’t passeren of ik van de Auvergne was. Neen, Belg, zei ik. Ha, zei hij, Gent, Brussel. Hij had een IPhone te koop voor maar achtentwintig euro. Echt geen geld voor zo’n mooie telefoon, maar omdat ik dacht dat je in zo’n winkel altijd moet afbieden zei ik: vijfentwintig. Dat vond hij dan weer te weinig. Ik wilde niet toegeven en hij evenmin. Voor vijfentwintig kon hij me wel een fles Chanel N° 5 aanbieden, maar daar had ik geen behoefte aan en aan die telefoon trouwens evenmin. Hij gaf me een hand, zei tot volgend jaar en hop, ik weer weg.
Toen ik voor het hotel stond, werd ik weer aangesproken, deze keer door een Italiaan die vroeg of ik een toerist was en of ik geen telefoon van hem wilde kopen. Is hij al gedeblokkeerd? vroeg ik, enigszins vermoeid door het stappen en ook wel door de enorme omvang van de zwarte telefoonmarkt. Toen hij zag dat ik tegelijk het hotel binnenstapte nam hij het antwoord op mijn vraag met zich mee in de groep mensen die onder de brug de nacht aan ’t voorbereiden was.
De hotelreceptionist legde me uit dat het allemaal trucs waren om nietsvermoedende toeristen te bestelen. En op de kamer constateerde ik waarlijk dat de fles spuitwater, die ik helemaal uit de Colruyt van Bredene naar Parijs had meegebracht, uit mijn rugzak ontvreemd was, anderhalve liter bruisend natuurlijk mineraal water van het merk Everyday, foetsie!

Flor Vandekerckhove

zondag 11 november 2018

Keukenfilosofische mijmeringen tussen Parijs en Orleans

Tussen Parijs en Orleans tanken we op een indrukwekkend groot terrein — une aire — waar ze niet alleen diesel verkopen, maar ook souvenirs, boeken, kranten, koffie, brood, zoetigheid & vettigheid van het type dat er veel te smakelijk uitziet; waar je in een restaurant kort of lang kunt eten; waar je kunt plassen en je wassen, tukje doen of gewoon verpozen. Dat laatste is wat ik daar nu doe, in een gerieflijk zeteltje, terwijl mijn geliefde de laatste restjes van haar werk telefonisch van zich afschudt.
Wie iets wil weten over de macht van de olielobby, moet in zo’n aire een beetje speculeren over de omzet die daar gedraaid wordt. Wie wil weten waarom we te dik zijn, moet het assortiment in zo’n shop eens wikken & wegen.
Wat gaan archeologen denken als ze over tienduizend jaar zo’n aire opgraven? Waren ‘t religieuze artefacten, gebouwd ter ere van koning auto? En wat bezielde die mensen om daar zo massaal naartoe te trekken? Ze gaan daar veel olieresten aantreffen en zich afvragen of daar olie geofferd werd om de kapitaalgoden gunstig te stemmen. U merkt het: keukenfilosofische mijmeringen dienen zich aan.
Ik fixeer een jonge vrouw en probeer haar beweegredenen te achterhalen. Ze is alleen. Ze woont niet in de buurt, want buurtbewoners mijden uiteraard de tolwegen. Haar kledij leert me dat ze geen straathoer is, evenmin een rondreizende verkoopster, en ze is ook niet op weg naar een feestje. Ze neemt er de tijd voor, eet iets met teveel suiker uit de shop. Telefoon. Ze vertrekt.
Ik ben al iemand anders aan ’t observeren als ik haar weer opmerk, nu met kind. Ze gaan samen de toiletruimte binnen. Daarna verlaten ze de aire.
Ik fantaseer het gebeuren bij elkaar. Vader woont in Parijs en moeder in Orleans. Hij heeft het kind enkele dagen bij zich gehad en nu gaat het weer naar moeder. Afspreken doen de ouders halverwege. Daar is een fly-over die hen bij elkaar brengt. Na de overhandiging rijden ze elk naar een andere afrit en vandaar gaat het voor beiden, in tegenovergestelde richting, weer naar huis, misschien wel via de routes nationales, want nu de kleine afgeleverd werd luistert de tijd niet nauw meer.

Flor Vandekerckhove

vrijdag 9 november 2018

Bella ciao van Tom Waits

— Tom Waits © Anton Corbijn. —
Ik blader in 1-2-3-4, een fotoboek van Anton Corbijn, catalogus van een gelijknamige tentoonstelling in Antwerpen en eerder ook in Den Haag. (°) De titel spreek je uit als one-two-three-four, de hardop geroepen inzet van een rocksong in vierkwartsmaat, want Corbijn is de uitverkoren portretfotograaf van indrukwekkend veel rockers. In het boek: ruim vierhonderd foto’s van de groten van het genre, waarvan er al merkwaardig veel tot de geschiedenis toegetreden zijn.
De eerste aanblik toont een mannenwereld. Veel van die mannen lijken hard hun best te doen om er bijzonder macho uit te zien. Lachen lijkt verboden, het aantal zonnebrillen is groot. Wie langer kijkt ziet ook wel veel vrouwen die hun mannetje staan en mannen die graag het vrouwelijke in zich naar boven brengen.
Mijn oog blijft veelal haken aan beelden van singer-songwriter Tom Waits die er telkens zodanig gehavend uitziet dat hij heel het decor in haveloosheid met zich mee lijkt te slepen: schroot, wankele huizen, afgebladderde gevels, tractor van het autokerkhof, zetel recht van 't stort …
Dat Tom Waits me telkens opvalt is niet toevallig, want ik wil al enige tijd iets schrijven over diens nieuwste song. Het lied staat op Songs of Resistance 1942-2018 (°°), album van rockgitarist Marc Ribot. Daarop brengt Waits een eigen versie van Bella ciao, een folk ballade die Italiaanse antifascisten in de Tweede Wereldoorlog zongen. En nadien ook wij, ja wij ook, tijdens tal van betogingen en andere vurige bijeenkomsten, een echte linkse klassieker. Volgens Ribot hebben Italiaanse vrienden hem gezegd dat Waits het lied laat klinken alsof het uit de mond van een oude ‘partigiano’ komt. Dat zou best kunnen, want de foto’s van Corbijn tonen me dat Tom Waits er ook wel uitziet als een oude partizaan.
Jem Cohen maakte een video van Waits’ Bella ciao. Ik plaats het filmpje hieronder. Je zult zien dat de maker zijn best doet om de actualiteit van het lied te benadrukken.
Flor Vandekerckhove

(°) Anton Corbijn. 1-2-3-4. Uitgeverij Hannibal. 2015. Wie zich dat boek wil aanschaffen dient prijzen te vergelijken, want de ene vraagt er dubbel zoveel voor als de andere. 
(°°) Marc Ribot. Songs of Resistance 1942-2018. © 2018 Noice Inc., under exclusive license to Anti. UPC/EAN Code: 45778760466. Meer info hier.



woensdag 7 november 2018

Kustvissers tegen elektrische visserij

— Nieuw in het kustvissersprotest is de aanwezigheid van een Frans spandoek, een deugddoend signaal van internationale solidariteit. —   

Op zaterdag 4 november vertonen verschillende televisiezenders beelden van een actie van Vlaamse kustvissers. Het bericht herinnert me aan de tijd waarin ikzelf als journalist actief was. Ik herken schipper Marnix Verleene die op zijn typische manier dingen zegt die misschien wel niet helemaal juist zijn, maar heel zeker evenmin helemaal onjuist, en ik herken de rode vanen van de klimaatactivisten, aangevoerd door de onvermoeibare Filip De Bodt die de vissers al vele jaren terzijde staat.
Hun wrevel betreft de pulskor, een succesvolle maar verboden visserij door middel van elektrische pulsstoten. In Nederland passen 84 vaartuigen die verboden techniek wel toe, zogezegd ter wille van de wetenschap. Dat doen die Nederlanders ook hier, vlak voor de deur. Ter vergelijking: de Belgische vissersvloot telt minder dan 70 schepen, de Vlaamse kustvissersvloot minder dan tien.
Het is niet de eerste keer dat kustvissers tegen die elektrische visserij protesteren. Dat hebben ze ook al in maart 2014 gedaan. De actie past zelfs in een merkwaardig lange traditie van vissersprotest tegen overbevissing. Het eerste pamflet dateert van 1860 — ja, ik bedoel 1860, niet 1960!
In de Vlaamse visserijgeschiedenis keert dat protest sindsdien regelmatig weer. De eerste titel die ikzelf in Het Visserijblad boven zo’n actie zet dateert van 1989 en luidt: Boze vissers: kustwateren moeten beschermd worden.
De feiten bewijzen het: de actie tegen het gebruik van pulskorren maakt deel uit van een voortdurend vissersprotest tegen overbevissing. Terecht vraagt u zich af waarom het probleem in 158 jaar niet opgelost werd. Dat heb ik me als journalist ook afgevraagd. En ik denk dat ik daar het antwoord op ken. Je moet maar eens kijken naar De kustvisserij en het recht van de sterkste. Kort samengevat: it’s capitalism stupid!

Flor Vandekerckhove

dinsdag 6 november 2018

In het kielzog van John Bauwens


Wanneer ik in 1988 weer aan de kust kom wonen word ik daar algauw geconfronteerd met enige plaatselijke particulariteiten. Een ervan betreft het bestaan van een oude, Franstalige Oostendse bourgeoisie, weliswaar naar de rand gedrongen, maar toch nog zichtbaar present. In de wereld van de pers bijvoorbeeld, waar de familie Lanoye tot in 1994 Le Courrier du Littoral uitgeeft, en in de visserij waar de familie De Vestele tot vandaag de scheepswerf Industrielle des Pêcheries (IDP) uitbaat. À propos: beide families hebben nog met elkaar gemeen dat ze van Oostendse kapers afstammen; ik bedoel maar: die mensen torsen het gewicht van de geschiedenis.
Gaandeweg leer ik er enkele telgen van kennen, Matthieu De Vestele, Jacques Lanoye en Charles Decrop (†), consul van Duitsland. Ook die laatste stamt trouwens af van een kaper, een van de Westkust. Met elk van hen breng ik menig aangename stonde door, want die mensen hebben altijd wel tijd voor een goed gesprek. En ze mogen van thuis uit Franstalig zijn, ze beheersen ook als geen ander het Oostendse dialect.
Maar het blijven natuurlijk wel bourgeois. Dat is wat ik bedenk terwijl ik een invitatie bemonster. Het betreft een filmvertoning over de Pêcheries à Vapeur, een historische Oostendse rederij. (°) De prent is geproduceerd door nakomelingen van John Bauwens, een van de grootste captains of industry die de stad gekend heeft, en ja, ook hij is telg van kapers. Het is een film die me erg interesseert, want ik heb vroeger al uitgebreid over die mens en zijn werken geschreven. Wie dat stuk wil lezen klikt hier.
Ik wil die film wel zien, maar ik denk niet dat ik ga kijken. Er is ten eerste de entreeprijs. Voor mij en mijn vriendin komt dat op 70 €. Dat is wel inclusief receptie, maar die wordt aangeboden door Rotary Oostende, een club die ik liever een beetje op afstand houd. De opbrengst gaat naar het Koninklijk Werk Ibis, mede gesticht door John Bauwens en een constante in het medelijden van de Oostendse bourgeoisie. De geüniformeerde jongens van Ibis zorgen in ruil al eens voor het decor, een praktijk waaraan ik veel aandacht besteed heb in mijn roman Amandine.
Maar goed, dat ik wat ik ervan denk. De kans dat u daar anders over denkt is reëel, zelfs groot. Wie er meer over wil weten, of wie een uitnodiging ambieert en die niet gekregen heeft, richt de steven naar siriusart88@gmail.com.
Flor Vandekerckhove


(°) In het kielzog van John Bauwens, Reder ter Visserij gaat op zaterdag 8 december om 19.00 uur door in de loodsen van IDP Shipyard, Vismijnlaan te Oostende. Toegangskaarten (incl. receptie): 35 € /pp. Vóór 20 november te betalen op rekening BE 41 3631 3564 1810 van Les Voiles du défi vzw. Met de uitdrukkelijke vermelding: benefietavond 8/12. [Info via siriusart88@gmail.com.]

zondag 4 november 2018

We worden oud

Ik denk dat ik ermee opgehouden ben. Of 't zou moeten zijn dat ik me nog kan herpakken. Dat laatste blijf ik wel hopen, want ik maak mezelf graag wijs dat ik het joggen weer opneem op de dag dat ik 70 word. Da’s in februari, wat me toelaat nog enkele maanden te trunten.
Hopelijk sneeuwt het op die dag niet, want alle redenen zijn goed om in mijn zetel te blijven zitten: ’t is te laat, te vroeg, te nat, te droog, te donker, te koud, te warm… Ik heb nog maar pas gegeten of ik moet nog eten… Ik heb een verkoudheid of er is er een op komst… Ik heb hier een pijntje of dreig er daar eentje te krijgen… De gevolgen zijn ernaar. Conditie vervliegt, spiermassa verdwijnt, gewicht explodeert, buikje wordt buik, diabetes loert om de hoek en daarachter verschuilen zich talrijke hart- en vaatziekten. (En wie dat alles overleeft krijgt alzheimer.)
Oud worden. Enkele jaren geleden werd hier in het park een fitnessparcours aangebracht. Goed initiatief, dacht ik, en ik maakte er meteen gebruik van. Starten deed ik aan de turnbar, een hoog horizontaal aangebrachte ladder waaraan je je hangend, sport na sport, van de ene naar de andere kant manoeuvreert. Ik koos voor dat toestel omdat ik daar in mijn jeugd goed in was. Sterke armspieren, kinderspel.
Ik klom tot boven, hing me aan de eerste sport en… bleef daar onbeweeglijk hangen. Ik had moeite om te begrijpen wat er aan de hand was. Er passeerde een wandelaar die zich duidelijk afvroeg wat ik daar zolang hing te doen. Ik probeerde de indruk te wekken dat ik dat regelmatig deed, een tijd lang aan de turnbar hangen, dat het een vorm van yoga was, een yoga die hij niet kende, hangyoga. Zodra hij uit het zicht was haalde ik alles uit de kast, wat resulteerde in enig gewiebel, maar de tweede sport bleef ook al wiebelend buiten mijn bereik. Intussen overviel mij een even diepzinnige als verschrikkelijke gedachte: ik ben zelf nog in leven, maar mijn armspieren zijn alreeds tot stof & as vergaan! 
Er passeerden weer wandelaars. Ik wachtte tot ze ver genoeg waren en liet me vallen. De daaropvolgende twee jaar had ik verrekt veel pijn aan de schouders.

Flor Vandekerckhove