woensdag 31 augustus 2016

Leren schrijven met Clarice Lispector

Tussen 1967 en 1973 schrijft ze wekelijks een kroniek in de Jornal do Brasil. Die columns zijn inmiddels gebundeld en vertaald als De ontdekking van de wereld. Clarice Lispector (1920-1977) wordt op de flap van dat boek een van de grootste twintigste-eeuwse auteurs van het Latijns-Amerikaanse continent genoemd.
Het duurt een tijdje vooraleer ze in dat columngenre haar draai vindt (‘Is een column een verslag? Is het een gesprek? Is het de weergave van een gemoedstoestand? Ik weet het niet, want voordat ik begon te schrijven voor de Jornal do Brasil had ik alleen maar romans en verhalen geschreven.’) en je voelt dat wanneer je dat boek leest. Of misschien moet ik zeggen: ik voel dat, want ik schrijf nu zelf al een aantal jaren zo’n column in een weekblad en ik heb dat ook zelf ervaren: het duurt enige tijd vooraleer je daar je stijl, toon & ritme in vindt; zo'n column is een genre dat veel mogelijke genres in zich draagt.
Lispector is een rasschrijver: ‘En ik ben geboren om te schrijven. Het woord is mijn heerschappij over de wereld. Sinds mijn kinderjaren heb ik verscheidene sterke roepingen gehad. Een daarvan was schrijven. Waarom weet ik niet, maar die roeping ben ik gevolgd. Misschien omdat ik voor de andere roepingen een langere leertijd zou nodig hebben, terwijl bij het schrijven de leertijd bestaat uit het eigen leven dat in en om je heen geleid wordt. (…) Ik heb vanaf mijn zevende geoefend om ooit de taal in mijn macht te krijgen. En toch is het telkens ik de pen oppak alsof het de eerste keer is. Elk boek van mij is een moeizaam en gelukkig debuut. Dat vermogen om mezelf volledig te vernieuwen naarmate de tijd verstrijkt, is wat ik leven en schrijven noem.’
Schrijven, het doet iets met een mens, zoveel is zeker. Maar wat? Clarice Lispector formuleert een antwoord. Ze heeft het daarin over het schrijven van columns, maar ik kan mezelf er niet in herkennen. Misschien komt dat doordat Lispector in haar stukjes op zoek gaat naar de niet te vatten zielenroerselen van de innerlijke mens, materie die mij maar matig interesseert. Misschien is het iets typisch Latijns-Amerikaans of Braziliaans, of zelfs typisch voor Rio, want ook dit is iets wat ikzelf nog niet heb mogen ervaren: ‘(…) columns schrijven heeft iets mysterieus wat ik niet begrijp: columnisten, tenminste hier in Rio, zijn heel geliefd. En op zaterdag dit soort columns schrijven heeft me nog meer liefde gebracht. Ik voel me zo dicht bij mijn lezers. En zo gelukkig dat ik kan schrijven voor een krant, want ik heb zoveel ontzag voor kranten.’ Een bladzijde verder schrijft ze: ‘[V]oor een krant schrijven is een geweldige ervaring die ik nu opnieuw beleef, en journalist, wat ik ooit was en nu weer ben, is een geweldig beroep. Contact met een ander hebben via het geschreven woord is heerlijk. (…) En schrijven maakt een god van een mens.’
Vandaar wellicht dat Willem Kloos kan dichten: ‘Ik ben een God in ’t diepst van mij gedachten/ En zit in ’t binnenste van mijn ziel ten troon.’
Voor de rest blijft het leven een pijnlijke zaak, dat geldt zowel voor Kloos als voor het jonge opgroeiende meisje waaraan de schrijfster op latere leeftijd terugdenkt. En kijk, die zin alleen al maakt haar boek voor mij lezenswaard: ‘En ik, die niet gewend was aan wallen onder de ogen, voelde hoe er wallen kwamen te zitten onder mijn verschrikte ogen.’
Flor Vandekerckhove

dinsdag 30 augustus 2016

Brief aan mijn Nederlandse lezers

— Herman Pieter de Boer (1928-2014) —
Ook omdat ik er hier en daar al over geklaagd heb, weet u dat wij, hier in ‘t zuiden, niet goed wegraken met uw Nederlands, een taal die we nochtans met elkaar gemeen hebben. Dat valt me weer op terwijl ik de beschikbare werken van uw landgenoot Herman Pieter de Boer aan ’t lezen ben. Wij kennen die taal echt niet!
Goeie schrijver is die Herman Pieter, maar In elk verhaal staat minstens een woord dat ik niet ken. ‘Ze besprenkelde het hele huis en ook de deel met odeur en rozenwater tot er geen asempje boerenlucht meer te ruiken was.’ Asempje en odeur zijn me vreemd, maar ik kan ze wel plaatsen. De deel heb ik moeten opzoeken, dat is de dorsvloer.
Soms is er meer aan de hand. Ik zie dat de auteur Herman Pieter de Boer heet, een naam die, zoals gebruikelijk in Nederland, dacht ik, met kleine d geschreven wordt. Maar zelf schrijft hij wel: ‘De dialoog ben ik vergeten, ik weet alleen nog dat hij Herman zei inplaats van meneer De Boer.’ Ik wil het niet over dat inplaats hebben, maar waarom schrijft hij De Boer daar met een kapitaal? Hij doet dat wel meer: ‘Een borreltje, meneer De Boer?’ en ‘Ik ben kapitein De Boer.’ Kunt u me dat uitleggen? Waarom is het Herman Pieter de Boer, maar kapitein De Boer en meneer De Boer?
Weet u wat de Boer — De Boer? — schrijft wanneer hij stapelgek van iets is, van het gezang van Eddy Christiani bijvoorbeeld? Hij zegt: ‘ik was er stapelgek mee.’ Zijn jullie stapel met iets, waar wij dat van iets zijn?
Elk verhaal heeft zoiets. Herman Pieter gaat de plekken van zijn jeugd opzoeken en ziet dat de dingen veranderd zijn. Zijn conclusie: ‘Niet je ware.’ Dat staat daar zomaar. Niet je ware!
In het landschap staat een ‘Mariabeeld in een stenen huiske.’ Dat zouden wij nooit durven schrijven en er staan er hier nochtans zoveel. Elders ontwaart hij zowaar een ‘koek-en-zopie’. Geen idee!
Wanneer Herman Pieter in België is, neemt men daar van hem afscheid met ‘Houdoe!’ Iets wat mij nog nooit overkomen is. In een kamp gaat alles ‘op zijn janboerenfluitjes’. In een kerk is een ‘kruisgang’ geschilderd.
Iemand heeft uiteindelijk ‘toch nog tuk’. En ooit heeft auteur De Boer (auteur de Boer?) geslapen in een opklapbed met watergruwelkleurige gordijnen. Wist je overigens dat de jongens in zijn school ‘een drollenvanger’ droegen?

Tijd om samen te vatten: ‘Nadat ik de deel van mijn huiske schoongeveegd had, schilderde ik een kruisgang in de gang. Op de tafel plaatste ik een koek-en-zompie. Daarna besprenkelde ik me met odeur zodat er geen asempje van mijn adem meer te ruiken was. Ik had nog maar mijn drollenvanger aangetrokken — of opgezet, daar wil ik vanaf zijn — of het volk begon al binnen & buiten te stromen. Alom klonk ‘Houdoe! Houdoe!’ De dag verliep op zijn janboerenfluitjes tot wanneer mijn buurvrouw zag dat ik geen gordijnen had. Uiteindelijk had ze nog tuk, want ze zei dat ze er nog enkele liggen had, maar ze zei uiteraard niet dat ze watergruwelkleurig waren. Geeft niet, antwoordde ik, toen ik die kleur zag, daar ben ik stapelgek mee. Tegelijk merkte ik op dat ze niet leken op deze die ik in mijn jeugd gekend had. Niet je ware.’

Flor Vandekerckhove

maandag 29 augustus 2016

In ’t land van de buschkanters

We zien wel waar de weg ons brengt, zeg ik altijd, maar meestal leidt die weg naar nergens. Daarom hebben mannen zoals ik een gezellin nodig die hun het juiste pad wijst, en niet alleen in figuurlijke zin. 
De laatste keer dat we het op mijn manier gedaan hebben, is het als volgt gegaan. Op mijn schoot ligt een boek, een facsimile, Bakelandt of de rooversbende van ’t Vrijbusch. Dat bos moet gemakkelijk te vinden zijn, zeg ik, want de beschrijving in het boek is nauwkeurig.
Dat wordt onze wandeling. We vertrekken ‘langs de nieuwe kalsijde, die van Rousselare naar Dixmude loopt.’ We passeren Staden en stappen een half uur verder. Daar moeten we halt houden.
We richten daar de blik naar links en zien… niets. Ha neen, want eerst moeten we onze verbeelding inschakelen. Dan pas zien we wat pastoor Victor Huys in dat boek beschrijft: ‘Zoo ver als uwe oogen dragen kosten en hebt gij niets anders gezien als toppen van sparren, die tenden uit naar de wolken schijnen te gaan, omdat zij langs eenen heuvel nederkomen en stille afzinken tot tegen u. Aan de kalsijde en is dat woud maar eenige minuten breed; maar men ziet het wijds en zijds uitlopen en altijd verbreeden, zoodanig dat het, bij plaatsen, misschien nog wel een ure kan zijn in de langde, en van twee tot drie in de breedte.’
Het Vrijbos bestaat nog wel, maar niet zoals Huys het in 1860 beschrijft. In 1573 is dat bos 6533 ha groot, in 1826 nog 1930 ha. Vandaag rest daar, in Houthulst, maar 352 ha meer van.
Op de plek waar we staan valt er geen boom te zien. Waar eertijds de bossen schijnbaar voor eeuwig zongen, wisselen verkavelingen en lintbebouwing elkaar af. Daar woont nu de Vlaamse middenklasse.
Huys heeft het over een ander volk: ‘Hier en daar nochtans, op bloote plekken, waar maar kleen hout en geen lange boomen en stonden, waren er huttekens gemaakt, en somtijds redelijk vele bij malkander. Dat was meest op de hoeken van den busch, en tegen de plaatsen waar bezemgoed groeide; want dit maakte het bestaan der inwoners van die streke. Zij sneden het hout, vervrochten het in bezems, en gingen dan te landewaarts op, met hunnen vracht, hunnen kost bedelende en zorgvuldiglijk het geld bewarende dat van hunnen arbeid voortkwam. Dat doen zij hedendaags nog.’
Die lieden zijn sterk op zichzelf gericht: ‘Om hun vriend te zijn, was ’t noodig van aan eene familie van buschkanters toe te behooren, en de jongelingen en zouden voor niets ter wereld naar den vreemde een vrouw gaan zoeken hebben: ’t moest al uit den busch komen. Men zou gezeid hebben dat er, voor hun, niets anders en bestond als het woud, dat zij als hun eigendom aanzagen.’
Maar van dat woud en zijn bewoners valt, zoals gezegd, niets meer te bespeuren. De tocht is daardoor ietwat mislukt en vanaf nu zal mijn vriendin de wandelingen voorbereiden, de weg uitstippelen, bezienswaardigheden opsporen, afstand en tijd berekenen. Ik buig het hoofd.
Hoe kon ik denken dat daar nog iets van de volksaard van de buschkanters zou resten? Dat had ik nochtans gehoopt, want ik had het in Huys’ boek aangestipt: ‘De reizigers lieten zij gerust door hunnen bezittingen trekken, niet zonder ze van den hoofde tot den voeten te bezien, en zonder uit te komen geloopen, uit hunne huttekens, om ze met hun oogen te achtervolgen.’
Maar goed. Intussen was de avond alweer aan 't vallen. We vatten de terugweg aan en deden dat langs lange rijen woningen. We werden voorbijgestoken door een ambulance met sirene. Overal, maar echt overal, snelden mensen naar hun deurgat om de ambulance na te kijken. En daarna staarden ze naar ons, vreemden, die als ’t ware in het kielzog van die ambulance over hun kalsijde trokken. Ze bekeken ons van kop tot teen. Zwijgend monsterden ze ons, grondig en achterdochtig. In mijn nek voelde ik dat hun blik ons volgde tot we het al lang gerooide Vrijbos weer verlaten hadden.
Tegen die tijd was het donker geworden. 'In de verte hoorde men de honden bassen op de hofsteden, de stappen der peerden deunden op den grond in den stilte van den nacht, hier en daar ruttelde een blaadje tussen de boomen en viel op den grond: anders en hoorde men niet.'
Flor Vandekerckhove


Victor Huys. Bakelandt of de rooversbende van ’t Vrijbusch. Kortemark-Handzame, uitg. Famila et Patria. 1985.

zaterdag 27 augustus 2016

Een halve eeuw Noordland

— Op de drie foto's staan centraal (van links naar rechts) Bert Tas, Pierre de Maeyer, Ronny David. —

Er is een uitnodiging in mijn bus gevallen, een invitatie voor een reünie. Want de Scouts en Gidsen Noordland Bredene bestaan vijftig jaar. Dat wordt stevig gevierd. Op 10 september beginnen ze daar al aan om 10 uur ’s morgens en dat houdt pas op in de vroege uurtjes van de daaropvolgende dag: nostalgisch bijpraten, foodtrucks, biertent, kampvuur, plaatjes draaien…
Ik word uitgenodigd omdat ik in die groep een vaandrig van het eerste uur geweest ben. Dat heeft niet lang geduurd, maar toch iets langer dan de korte periode dat de eerste hopman van die scouts, Danny Crabeels, er present tekende. Pierre de Maeyer volgde hem op. Bert Tas en Ronny David waren, net als ik, diens secondanten.
Die scouts, dat was eigenlijk niets voor mij. Ik was te onhandig om knopen te leggen, te dromerig om sporen te vinden en te dwars om in de pas te lopen. Ik ben er ook met slaande deuren weggegaan. Dat ging zo.
Ik was zeventien. Met mijn jongverkenners stapte ik naar huis. Onderweg stond mijn maat te liften. Hij droeg een jasje in konijnenbont, want het waren de hippiejaren. Die maat van me stond, ook daarom, niet erg hoog in maatschappelijk aanzien. Toch wilde ik dat mijn jongverkenners hem de groet brachten. Ze weigerden. Sommigen lieten ook luidop blijken waarom: hij was het niet waard door hen begroet te worden: langharig werkschuw tuig was hij, een vuile hippie…
Wat als een grapje begonnen was werd een principekwestie. Principieel moesten die jongens uiteraard de scoutsgroet niet brengen, want mijn maat stond buiten die groepering. Ik had hun dat niet mogen vragen. De minachting die ze uitten was er voor mij dan weer te veel aan. In de houding van die jongens ontwaarde ik de laatdunkendheid van hun ouders. Ik vond dat ik — ook principieel — moest kiezen. Ik koos tegen die ouders en voor mijn maat en ik schreef een vlammende ontslagbrief. (Misschien wordt die op 10 september wel tentoongesteld in het pop-up Noordlandmuseum dat daar ook ingericht wordt.)
Die maat van me loopt hier nog altijd rond, als een versleten versie van de jongen die hij destijds was. Ik zie hem soms passeren, en een mooie aanblik biedt dat niet, zo moet ik toegeven. Maar zou ik vandaag weer dezelfde keuze maken? Godver ja! Ongetwijfeld! Zeker & vast!
Ik ga niet naar die reünie, maar niet daarom, zand erover. Ik ga daar niet naartoe omdat ik ’t liefst van al thuisblijf, maar daarover heb ik het in deze blog al eerder gehad.
Misschien komen er wel anderen van het eerste uur. Maar Weest Paraat! Een halve eeuw richt wat aan met een mens. Nevenstaande foto’s kunnen helpen bij het spoorzoeken.

Flor Vandekerckhove

donderdag 25 augustus 2016

In memoriam Kamiel Loontiens (1923-2016)


In Berchem overleed op 22 augustus Camille — Kamiel — Loontiens. Hij werd 93. De weduwnaar van Lea Denys werd in Oostende geboren op 26 november 1923 en bracht zijn jeugd in Bredene door. Hij was een generatiegenoot van mijn vader, een makker ook, en een oom van Bredenaar Roland Van Loo, en Roland is, zo weten de ouderen, de zoon van wijlen Wardje de vismarchang. Het was trouwens Roland die me van Kamiels overlijden op de hoogte bracht.
In de blog heb ik al verschillende stukjes geplaatst waarin Kamiel Loontiens voorkomt. Dat is het geval in V-teken, waar hij op de foto’s het nummer 4 draagt, en in Rolhockey waar hij op de foto staat met onder anderen Jef Brys en Georges Devriendt.
Op 6 december 2014 staat er op de het regionale bladzijde — Berchem & omgeving — van Het Laatste Nieuws een stuk over Kamiel, die daarin ‘het gezicht achter Antwerpse postkaarten’ genoemd wordt: ‘In eender welke souvenirwinkel waar je vandaag binnenstapt, pronken zijn kiekjes van ’t stad nog steeds in de typische rekjes met postkaarten.’
Als 12-jarige, nadat hij voor zijn plechtige communie een boxcamera had gekregen, leert het artikel ons, raakte de jonge Bredenaar al gefascineerd door fotografie. De beelden ontwikkelen, gebeurde in een geïmproviseerde donkere kamer in zijn ouderlijke huis.
— Kamiel Loontiens, hier in 2014, was ook in het rusthuis nog bezig 
met fotografie. (Foto Laenen-HLN) —
In de jaren 50 komt hij in Antwerpen op een boekhoudkantoor terecht. Hij verlaat dat bureau om assistent te worden van een… kerkfotograaf. Die vat post aan de poort als de mis gedaan is. ‘Die man verdiende daar zoveel geld mee, dat ik voor mezelf ben begonnen’, zegt Kamiel. Hij schuimt kermissen, processies en stoeten af in het hele land. Loontiens’ zaak wordt zo succesvol dat hij op een gegeven moment tien fotografen in dienst heeft. ‘Soms maakten we 10.000 foto's op één weekend.’
Vanaf de jaren 60 gaat het bergaf met de kermisfotografie. Mensen beginnen meer en meer zelf foto's te nemen. Een kameraad die werkt bij een postkaartenuitgeverij komt op het idee om voor hen beelden te maken.
De mooiste foto die van de fotograaf zelf gemaakt werd staat misschien wel boven dit stuk. Kamiel Loontiens fotografeert Bredene. Hij bevindt zich bovenop een gebouw, in de dakgoot, wellicht van hotel Helvetia, op de hoek van de Duinen- en de Kapelstraat. Links in beeld zien we de tramlijn en daarachter ligt de nog niet ontdubbelde Koninklijke Baan. Op de achtergrond staan de al lang verdwenen schoolgebouwen van de Astrid.
Flor Vandekerckhove

woensdag 24 augustus 2016

Een romantische ziel

In 1988 neem ik een besluit dat mijn leven zal veranderen. Op de scheepswerf trek ik voor het laatst de laspost uit de stekker. Ik verhuis vanuit het binnenland naar de kust om daar de publicatie van een tijdschrift op mij te nemen. Dat tijdschrift is Het Visserijblad, het weekblad van de Vlaamse vissersgemeenschap. (*) 
De Vlaamse beroepsvisserij is in 1988 zo klein geworden dat er nauwelijks nog een afzetmarkt voor dat tijdschrift bestaat. Omdat het duidelijk is dat de sector ook in de daaropvolgende jaren verder gedownsized wordt, geeft de toenmalige uitgever er de brui aan. Ik krijg de titel cadeau.
Met enkele oude schoolkameraden richt ik een vereniging op die het magazine verder zal uitgeven. In de praktijk komt het erop neer dat het mijn ding wordt. Ik kom aan het hoofd te staan van een blad waarvoor er geen markt meer is. Vervolgens laat ik het nog een kwarteeuw voortbestaan. Het is een mooie tijd geweest, waarin ik de genoegens van een autonoom leven ontdekt heb.
Ik kan je dat soort leven alleen maar aanbevelen. Wie de sprong wil wagen dient evenwel een en ander te weten: bezint eer ge begint!
Financieel heb ik het alleen maar volgehouden door me te verdiepen in wat sociale spitstechnologie heet, zo genoemd naar analogie met zijn tegenhanger, de fiscale spitstechnologie. Die laatste is het terrein van de rijken, de eerste is voor de working poor, de have nots.
Wie wil overleven moet weten te gluren in de kieren van de sociale bescherming. Je mag geen scrupules hebben en je moet van die sociale bescherming oneigenlijk gebruik willen maken; oneigenlijk, in de ogen van de middenklassen toch, klassen waar je sowieso afstand van moet nemen. Je wordt een déclassé die zich koorddansend ophoudt op de rode, smalle margelijn van een onbeschreven blad: links gaapt de marge, rechts de goegemeente.
Ik heb het ook alleen maar kunnen doen doordat anderen een bijdrage wilden leveren zonder dat ze ervoor betaald werden. We deelden immers de romantische idee dat we iets waardevols aan het doen waren: het redden van een tijdschrift. De economie van de markt werd vervangen door die van de gift.
Wie doet nu zoiets? Wel, het helpt als je een romantische ziel hebt/bent. Zo’n romantische ziel ziet dingen die er niet zijn. In Oostende ziet hij bijvoorbeeld een krantenstad. Tal van titels, levende en dode, passeren zijn geestesoog: De Zeewacht, Het Visserijblad, Het Nieuwsblad van de Kust, Het Pennoen, Tijdingen, De stoeten Oostendenoare, De Kinkhoorn, Le Courrier du Littoral, Duinengalm, De kustbode, Het kustblad, Voor allen… Al die titels gaan een woordenstrijd met elkaar aan, een strijd van ideeën, visies, mens- en maatschappijopvattingen. Het debat dat ze op ’t scherp van de pen voeren is gemeenschapvormend en dus belangrijk.
Elke titel die verdwijnt is een verarming. De romanticus vindt dat hij daar iets tegen moet ondernemen. Hij stelt zijn kennis, kunde en verbeelding in dienst van de verloren zaak en tart de wetmatigheden van de tijdschriftenmarkt. Dat is wat we gedaan hebben, en dat hebben we een kwarteeuw lang volgehouden.
Er valt veel af te dingen op de romantiek. Je kunt er bijvoorbeeld geen soep mee koken en je kunt er evenmin paté van draaien, maar voor mij is ze toch waardevol gebleken en misschien is ze dat ook voor jou.
Flor Vandekerckhove

P.S.: De klimaatactivisten van Climaxi geven nu een eenmalig extra nummer van Het Visserijblad uit. Wie daar een exemplaar van in de bus wil krijgen, mailt naam & adres naar filip@climaxi.org.

(*) De al bij al indrukwekkende geschiedenis van dat blad heb ik hier al uitgebreid beschreven.

dinsdag 23 augustus 2016

Een sportkar van MG

Mijn vriendin heeft er sterk de nadruk op gelegd. Dat het een grote doos moet zijn. Dat ik moet oppassen, dat ze gaan proberen me een kleine mee te geven.
Voor me staat een jongeman van het atletische type. Op de rug van zijn sweater staat reclame voor de Kringloopwinkel. Hij vraagt hoeveel zijn schuld is. De apothekersassistentie zegt 49 euro en verbetert dat meteen in 49 cent.
Daar moeten ze beiden om lachen, de Kringloopwinkelman en de apothekersassistente. Zijn lichaam heeft haar in de war gebracht, dat zie ik wel, en ik zie ook dat ze dat niet wil laten blijken, waardoor het des te meer opvalt. Het spel van de seksen quoi. De jongen heeft vervolgens erg veel tijd nodig om het piepkleine bedrag bijeen te scharten. Hij doet het cent per cent.
Ik ben een ouder wordende man en ken mijn plaats. Ik verbijt mijn ergernis en wacht tot die twee het spel gespeeld hebben. Dat vraagt tijd.
Mijn blik glijdt van de Kringloopwinkelrug over de toonbank naar de apothekersassistente die haar taak in een openstaand, wapperend schort uitvoert. Ik vind dat niet erg professioneel, zo’n openstaand apothekersschort, net zomin als ik dat geflirt met die jongen professioneel vind, maar ik ken, zoals gezegd, mijn plaats en denk: ah, ’t is warm voor iedereen. Onder dat schort draagt ze hotpants. Reclame voor de Kringloopwinkel, een apothekersassistente in hotpants, de distributiesector is niet meer wat hij geweest is.
De jongen tast in zijn broekzak naar drie cent om er op de toonbank 49 van te maken. Om de tijd te verdoen bedenk ik een sportkar bij de apothekersassistente, een sportkar van het Britse merk MG, een T-model.
Die auto’s worden al lang niet meer gemaakt, maar in mijn kindertijd zijn dat gegeerde modellen. Aan het stuur zitten jonge meiden van het type apothekersassistente. Of ze zitten op de passagiersstoel, naast een erg atletisch gebouwde chauffeur.
Het is mijn beurt. Ik leg er de nadruk op dat het een grote doos moet zijn. Dat mijn vriendin daar de nadruk op gelegd heeft. De apothekersassistentie gunt me nauwelijks een blik (onder haar schort). De transactie is in een twee drie geregeld.
Ik kom thuis. Zie je wel, zegt mijn vriendin, dat ze je een kleine doos meegegeven hebben. Ik ben verstomd. Mij leek dat toch een grote doos te zijn. Niet dus. Ik wil die gaan omwisselen, maar daarvoor is het nu te laat, de apotheek is gesloten.
In mijn gedachten passeert de apothekersassistente in haar MG voorbij mijn deur. Haar schort wappert in de wind. Ze is op weg naar haar huis dat boven op een klif staat. Achter het stuur zit de jongen van de Kringloopwinkel. In mijn hoofd is het niet altijd gemakkelijk om een ouder wordende man te zijn. Bijna laat ik de MG-T van die klif storten, ik kan me nog net inhouden.

Flor Vandekerckhove

maandag 22 augustus 2016

Afscheid van de schilderkunst

— 1989. Flor Vandekerckhove (links) neemt afscheid van de schilderkunst. Hugo Brutin leidt het werk in. André Baert van de inrichtende galerie is in gedachten verzonken. —

In die tijd hield ik veel ijzers in het vuur. Geïnspireerd door Leonardo da Vinci wilde ik een homo universalis worden. Ik begon aan sport te doen en in F.C. Avondgenoegen nam ik enthousiast de positie van slingerback in. Ik werd journalist en gaf twee tijdschriften uit. Ik begon verhalen te schrijven, te schilderen en te beeldhouwen. Alles tegelijk!
Aan de basis van al die dadendrang lag een opvatting die zei dat creativiteit geen ambacht nodig had, een misvatting uiteraard. Daarover heb ik hier eerder al geschreven. Wat eveneens meespeelde was dat ik ontslag genomen had uit een politiek partijtje, waardoor ik een zee van vrije tijd over mij heen kreeg. Ook over dat engagement heb ik al geschreven, met name in een stukje dat, vreemd genoeg, Alles is seks heet.
Die veelzijdige dadendrang is destijds nogal opgevallen. Ik zie dat aan de krantenknipsels die mijn moeder zaliger over haar zoon bewaard heeft (en die ik pas na haar dood ontdek). In die doos zit een paginalang artikel uit De Morgen van 11 juni 1996, dat Het foert-gevoel heet. Daarin word ik in één adem vernoemd met de Britse koning Edward XIII en toenmalig CVP-voorzitter Johan Van Hecke. Beiden zouden, zegt het artikel, een mooie carrière opgegeven hebben om alleen nog maar hun eigen ding te doen. Het derde voorbeeld dat de journalisten aanhalen ben ik: ‘Voor Flor Vandekerckhove (47) heeft het dichtslaan van deuren allang geen geheimen meer.’
Michel Follet is dat ook opgevallen. Hij wordt op 12 maart 1992 geïnterviewd in Humo. ‘Ik heb ooit iets willen maken over mensen die hun leven bewust een andere wending laten nemen: ik ken iemand van een jaar of veertig die in een reclamebureau werkte en werkelijk zákken geld verdiende; van de ene dag op de andere heeft hij zijn carrière opgegeven en is hij teruggegaan naar zijn geboortestreek, de kust. Daar geeft hij nu een blaadje over de visserij uit en voor de rest leeft hij van het bestaansminimum. Inmiddels heeft hij ook een roman geschreven. Zulke mensen interesseren mij.’ Op die woorden valt veel af te dingen — zeker op die zákken geld — maar hij heeft het wel over mij. En in essentie heeft Follet ook wel gelijk. Ik ga in die tijd, tegen alle burgerlijke normen in, helemaal mijn eigen gang: schrijvend, voetballend, publicerend, schilderend, beeldhouwend. Geen van die bezigheden wordt voorafgegaan door enige scholing.
— deze 'tarotstukjes' vind je verzameld onder het
label 'Tarot', rechts in de blog. —
In de Dictionnaire des Peintres belges krijg ik een lemma: ‘Peintre et écrivain. Autodidacte. Après s’être d’abord consacré à des vues de mer, il évolue vers une forme d’art minimal ou l’écriture joue un rôle important.’
Die laatste zin verraadt een probleem. Gaandeweg ondervind ik dat mijn homo-universalis-ambitie te hoog gegrepen is. Enig talent brengt me wel tot op een zekere hoogte waar ik… vast kom te zitten. Wil ik dat niveau overstijgen dan moet ik het metier leren beheersen. Oefenen, oefenen, oefenen… Ik Moet Keuzes Maken!
Dat wordt me al duidelijk in 1989. In dat jaar heb ik een solotentoonstelling. Het Nieuwsblad van 18 april 1989 heeft het erover: ‘Sleutelwerk in de expositie is Afscheid van de schilderkunst. Na een vruchteloze zoektocht naar een eigen expressie in de schilderkunst, schreef Vandekerckhove het verhaal van zijn afscheid neer op doek.’
Het is inderdaad mijn laatste solo-expositie geworden. Met Annie Vanhee vorm ik nog wel enige jaren het exposerende kunstenaarskoppel PIAS (Paint It Again Sam), maar mijn bijdrage in PIAS wordt almaar kleiner, tot hij uiteindelijk helemaal uitdooft. En ik berg ook mijn voetbalschoenen op. 
In der Beschränkung zeigt sich erst der Meister. Sindsdien probeer ik alleen nog korte stukken te schrijven, stukjes zoals dit, waarin werkelijkheid en verbeelding een spel met elkaar spelen. Als 't goed gedaan is dan is 't hard zoeken naar de grens tussen die twee. Soms slaag ik daar in, soms ook niet.
Flor Vandekerckhove

zondag 21 augustus 2016

Herinneringen aan Walter Debrock


Kort voor ik in 1988 probeer het teloorgegane tijdschrift Het Visserijblad nieuw leven in te blazen hoor ik Walter Debrock (1911-1996) op de radio. Hij heeft het over de geschiedenis van de Oostendse kapers.
Maritieme geschiedenis blijkt ‘s mans hobby te zijn. Kan ik die mens vragen om aan het blad mee te werken? Ik twijfel, Walter Debrock maakt niet bepaald deel uit van het jongensclubje dat ik bijeenbreng om dat blad weer uit te geven.
In het beroepsleven is hij leraar-prefect geweest, directeur van het middelbaar & het normaalonderwijs, administrateur-generaal van de Diensten voor Nederlandse cultuur, docent aan de VUB en voorzitter van de Raad van Beheer van dezelfde universiteit. Hij is, met andere woorden, niet het soort mens dat ik — yo de mannen! — spontaan op de rug sla.
Ik doe het toch, hem opbellen bedoel ik. In Brussel krijg ik een meer dan bereidwillig man aan de lijn. Ik vraag hem om ons een stukje over die kapers te leveren.
Dat stukje groeit uit tot een lange reeks, waarin elke Oostendse kaper een eigen aflevering krijgt. De reeks loopt vele maanden lang. Het Visserijblad speelt erdoor in een hogere divisie, het legt ons geen windeieren.
In die tijd publiceer ik ook mijn eerste literaire werken. Ik overtuig mijn uitgever om ook de ‘verzamelde kapers’ uit te geven. Dat gaat uiteindelijk niet door omdat die mens zijn onderneming onverwachts stopzet.
Ook omdat ik daar zelf nog een boek in de pijplijn heb zitten, richt ik naast Het Visserijblad een eigen uitgeverijtje op, De Lachende Visch. Die geeft in 1994 ook De Oostendse kapers van Walter Debrock uit.
Die boekvoorstelling herinner ik me als de dag van gisteren. Ik heb alles minutieus voorbereid. Er is een geslaagde voorverkoop geweest. Le tout Ostende is uitgenodigd.
In Oostende is er in die tijd een bankfiliaal dat zijn bovenverdieping openstelt voor culturele manifestaties. Ik reserveer de zaal. Jawel, voor vrijdag de dertiende, we lachen er nog om.
Dezelfde dag bezet een nieuwe filiaalhouder het kantoor. Hij moet zijn weg nog zoeken, zegt hij. Hij overhandigt me de sleutel en vertrekt op weekend. Die avond probeer ik de deur te openen. Tevergeefs, de sleutel past niet in het slot.
Debrock is intussen aangekomen. Hij ergert zich aan zoveel amateurisme. Ik kan hem geen ongelijk geven, maar ik kan er evenmin iets aan doen. Ik probeer de filiaalhouder te bellen. Zonder resultaat. Intussen komen al gasten aan. Ik bel naar de vorige filiaalhouder, ik bel naar andere bankfilialen, naar… Niemand neemt op, ’t is vrijdagavond. Zie me daar staan op de hoek van de grootste Oostendse winkelstraat, met mijn kartonnen dozen en een bende chic volk om me heen.
Ik moet iets bedenken. Om de hoek, op het Wapenplein, bevindt zich het Cultuurpaleis van Oostende. Dat heeft een open binnenplein. Dat is een openbare, maar toch afgescheiden plek, het is mooi weer, onweerachtig warm zelfs… Een boekvoorstelling in open lucht, het is weer eens iets anders.
Ik laat iemand achter bij dat bankfiliaal, die laatkomers naar het plein stuurt. Dat vult zich helemaal met genodigden. Vlak voor de plechtigheid van start gaat begint het out of the blue te regenen, niet zomaar een beetje, echt een hevige stortbui. Ik ben aan het einde van mijn improvisatiemogelijkheden.
Onder de genodigden bevindt zich Marc Victor die aan de Stad werkt. Hij heeft sleutels van dat Cultuurpaleis op zak, omdat hij daar bij calamiteiten binnen moet kunnen. Hij ziet het drama, laat zijn ambtelijke voorzichtigheid varen en opent de deur van de receptiezaal. Ik ben er hem tot vandaag dankbaar voor. 120 natgeregende genodigden stormen naar binnen. 
Flor Vandekerckhove


Op de foto bovenaan kan ik (links) er alweer om lachen. Walter Debrock (†), rechts, heeft het er moeilijker mee. Maar de gebroeders Piet (†) en Mathieu De Vestele zijn in hun nopjes; de broers zijn dan ook nazaten van een Oostends kapersgeslacht.

zaterdag 20 augustus 2016

Dokter Zjivago, een uitgave van de CIA

De Rus Boris Pasternak zet in 1954 een punt achter de laatste zin van zijn roman Dokter Zjivago, een liefdesverhaal dat zich afspeelt tijdens de Russische revolutie en de daaropvolgende burgeroorlog. Het boek heeft een lange bevalling gekend, want Pasternak begint er al in 1932 aan te werken. Die start haalt evenwel het einde niet: gaandeweg begint de schrijver anders over de dingen te denken.
In 1932 is hij nog optimistisch: het komt wel goed met de Russische revolutie. Van dat optimisme blijft tijdens Stalins grote terreur niets over. Pasternak smijt zijn manuscript in de stoof. Het zijn jaren waarin je als schrijver beter niet te veel opvalt.
In 1946 neemt hij de Zjivagodraad weer op en in 1954 is hij ermee klaar. In 1956 geeft hij het resultaat aan enkele Russische uitgeverijen. Die denken er niet aan om het te publiceren.
Lang geleden ben ik de film gaan bekijken. Ik herinner me niets waaraan de Russen zich geërgerd kunnen hebben, of 't zou aan de sentimentaliteit moeten zijn, want in de zaal  werden merkwaardig veel neuzen gesnoten. Ik heb het boek nu uit de bib gehaald en ben er kriskras in op zoek gegaan naar passages waar de Russische sensors een rode streep door getrokken hebben.
Wat denk je van deze? ‘De eigenmachtige revolutionairen zijn niet afschrikwekkend in hun gedaante van misdadigers, maar in hun gedaante van stuurloze mechanismen, van de ontspoorde locomotieven die zij zijn.’ Neen, dat zullen ze daar niet graag gelezen hebben. Dokter Zjivago zegt het tegen zijn Lara op bladzijde 319. En wanneer die Lara opmerkt dat Zjivago wel erg bitter geworden is als hij over de revolutie spreekt, dat hij veranderd is, antwoordt hij: ‘Dat komt, Larissa Fjodorovna, omdat er aan alles een grens is. Er had al lang iets bereikt moeten zijn. Maar het is nu gebleken dat de chaos van veranderingen voor de bezielers van de revolutie het enige is wat telt, en dat zij niet geïnteresseerd zijn in iets wat niet de afmetingen van de aardbol heeft. Het scheppen van werelden en overgangsperioden vormt voor hen een doel op zichzelf. Iets anders hebben zij nooit geleerd, zij kunnen zelfs niets anders. En weet u waarom ze zich zo aftobden met hun eeuwige voorbereidingen? Omdat het hun ontbreekt aan duidelijke capaciteiten, omdat zij talentloos zijn.’  Holala!
En op bladzijde 489 staat dit: ‘Revoluties worden gemaakt door mannen van de daad, door eenzijdige fanatici, door de genieën van de zelfbeperking. In een paar uren of dagen werpen zij de oude orde omver. Omwentelingen duren weken, vele zelfs jaren, maar daarna onderwerpt men zich weer tientallen jaren of eeuwenlang als aan iets heiligs aan de geest van bekrompenheid, die tot de omwenteling heeft geleid.’
De grote verhaallijn van het boek stopt in 1929 en suggereert daarmee dat de bekrompen tijden in dat jaar van start gaan. Neen, dat boek zal in de Sovjet-Unie geen kans krijgen.
Er worden typoscripten uit het land gesmokkeld. In 1957 is er een Italiaanse vertaling. In 1958 verschijnt het boek ook in ’t Engels, Frans en Duits. De eerste Nederlandse druk dateert van 1959.
De meningen over de literaire waarde zijn verdeeld, lees ik. Maar het maatschappelijk belang valt niet te ontkennen. Daarover zijn ook de KGB en de CIA het eens. De eerste doet er alles aan om het boek buiten Rusland te houden, de tweede zet alles in het werk om het daar binnen te krijgen.
Dat laatste is niet simpel, al is het maar omdat er nog geen Russische uitgave bestaat. De CIA beslist om een Russische piraateditie uit te geven. In 1958 is die klaar. In Brussel wordt het boek, tijdens de Wereldtentoonstelling — vooral in het paviljoen van Vaticaanstad! — in zoveel mogelijk Russische boodschappentassen gestoken. In hetzelfde jaar wint de schrijver de Nobelprijs. Pasternak vreest dat hij het land uitgezet zal worden en weigert de prijs in ontvangst te nemen.
Voor het eerst sinds 1929 slaagt een Russische auteur erin om, geboycot door zijn eigen regering, een boek buiten de Sovjet-Unie uitgegeven te krijgen. Boris Pasternak heeft daarmee een gat gemaakt in de voorheen ondoordringbare muur van de Russische censuur. Na hem zullen velen in dat gat duiken: Alexander Solzjenitsyn, Andrej Sinjavski, Joeli Daniël, Joseph Brodsky…
In 1959 sterft Boris Pasternak aan longkanker. Nabestaanden vechten om de rechten. In 1965 komt de kaskraker in de zalen. Omar Sharif speelt Zjivago, Julie Christie is Lara. Om me heen worden de zakdoekjes bovengehaald.
Een exemplaar van de piraateditie van het boek wordt nu tentoongesteld in het museum (!) dat de CIA in zijn hoofdkwartier heeft. Er staat een bordje bij: ‘Copy of the original Russian-language edition of Doctor Zhivago, covertly published by the CIA (…)’.
Flor Vandekerckhove

° Boris Pasternak. Dokter Zjivago. Vertaald uit het Russisch door Niko Scheepmaker. 2009. Utrecht, uitg. Signatuur. 600 ps.
° Peter Finn and Petra Couvée. The Zhivago Affair: The Kremlin, the CIA and the Battle Over a Forbidden Book. 2014. Uitg. Pantheon, 352 ps.

vrijdag 19 augustus 2016

Heremiet

’s Avonds, wanneer ik mijn fiets in de stalling gezet heb en ik me in de armen van mijn geliefde vlei, vraagt ze me al eens of ik die dag iemand gesproken heb. Het is een vraag waar ik dan een wijle over nadenk. Is de koerier gepasseerd? Ben ik zelf om boodschappen gereden? Heeft de buurman iets over het weer gezegd? (Dat is het zowat.) Neen, antwoord ik vervolgens naar waarheid, neen, ik heb met niemand gesproken.
Daarna moet ik weer een wijle peinzen, want ja, ik vind dat zelf wel eigenaardig, zo’n mens ais ik. Ik heb daar toch vragen bij, zoals deze: heb ik daar dan geen nood aan? Mis ik dat niet?
Eigenlijk niet, neen, en ik heb Sartre aan mijn kant, waar die zegt: als je je eenzaam voelt als je alleen bent, bevind je je in slecht gezelschap.
Ik probeer me het meest aangename gesprek met een derde te herinneren. En ik kom uit bij… een vogel. Over dat gesprek heb ik hier al iets geschreven. Ik ben een seculiere versie van Sint Franciscus van Assisi.
Ik woon alleen en verlaat mijn huis alleen wanneer dat echt nodig is. Om te joggen bijvoorbeeld, of wanneer ik iemand moet omleggen, of omdat ik ergens een verhaal moet voorlezen. Na afloop keer ik onmiddellijk weer naar huis. Na het joggen en na het mollen van een mens is dat evident, want dan sta ik helemaal in schuim & zweet. Na een optreden is dat al minder evident, want daar hangen sociale verplichtingen aan vast. Die ontvlied ik, ik ben erom bekend. Men zegt me dat ik op een sociale versie van Houdini lijk, de ontsnappingskunstenaar.
Een keer heb ik present getekend op de Boekenbeurs van Antwerpen. Een lezer — een lezeres nog wel! — heeft me daar een boek laten signeren. Ze zei: ‘Ooo, maar u bestaat ook echt!’ Waarna ik de signeertafel verlaten heb om de trein naar huis te nemen.
Nu word ik voor die beurs niet meer gevraagd. Ik schrijf thans in het ijle. De Laatste Vuurtorenwachter is mijn orgaan, het internet mijn medium, Google mijn uitgever, u bent mijn lezer. Via het wereldwijde web dringen mijn verhalen als vanzelf door tot in de diepste poriën van het Dietse volk, echt overal, tot hier zelfs, in de KVAMC.
Ik ga bij niemand op bezoek en ik ga naar geen enkel evenement, zelfs niet als dat ingericht wordt door de KVAMC. Ik ben een heremiet.
Heb ik dan geen vrienden? Jawel, maar ik zoek hen niet op. Ben ik een misantroop? Geenszins. Ik hou van de mensheid in het algemeen en van mensen in ’t bijzonder. Alleen vind ik dat geen reden om ernaar op zoek te gaan. Behalve als ik iemand koud moet maken natuurlijk.
Blaise Pascal zegt dat alle ellende op de wereld veroorzaakt wordt doordat mensen niet gewoon thuis kunnen blijven. Mij zal hij het niet kunnen aanwrijven.
Flor Vandekerckhove

donderdag 18 augustus 2016

Het pistool


Een vliegtuigmotor maakt ons wakker, niet zozeer door zijn geluid dan wel door het onderbreken ervan. De motor hapert, valt stil en wordt weer opgestart. En nog eens. Daarna niets meer. We slapen verder.
Boven onze hoofden heeft zich een drama afgespeeld, maar dat komen we pas ’s anderendaags te weten. Niet heel ver buiten de bebouwing is een vliegtuigje neergestort. Ik meen me te herinneren dat de piloot het overleeft, maar zeker weten doe ik dat niet meer, want ’t is lang geleden. Wel weet ik nog dat de wrakstukken op de heide liggen.
Koen, die daar dichtbij woont, weet waar ze liggen, die stukken. Op school spreken we af: we gaan de zaak onderzoeken. Koenraad Levecke zal ons leiden, hij kent daar de weg.
In mijn herinnering is het zomers warm. We zijn een nomadenstam, de stam van de korte beentjes, die het onbekende tegemoet gaat. Het is een lange tocht oostwaarts. Wellicht trekken we eerst een eind langs het strand dat een woestijn verbeeldt. Ter hoogte van de Visserskapel steken we de duinen over en vervolgens de Koninklijke Baan. Nu bevinden we ons in het grote onbekende. Koen wacht ons daar op. Met hem hebben we een wachtwoord afgesproken, zodat we elkaar meteen herkennen in dit onbekende gebied. Over onverharde wegen leidt hij ons de heide in, — d’heie!
Een perimeter! Het gebied waar het vliegtuig neergestort is werd afgesloten. Verboden te betreden. Voor ons valt er niets te zien, niet op die afstand. In de verte zien we iets wat een wrakstuk kan zijn. Of iets anders. Het vliegtuig zou in zijn val een boom geraakt hebben. Het enige wat we zien is een lage struik. Teleurstelling.
De zon staat in het zenit. In het gras ligt iets te glinsteren. Een stuk wit metaal. ik neem het op, het is, godver… Een wapen. Geen plastic spul, echt metaal! En zwaar. Een zwaar pistool. Dat kan alleen maar het wapen van de piloot uit het neergestorte vliegtuig zijn. Hoe kan het anders op de heide terechtkomen? Het is ons meteen duidelijk dat de vliegenier een missie had. Keuze te over: spionage, smokkel, nog meer misdaad, een geheime militaire taak… Het enige wat we met zekerheid weten is dat het pistool uit het neergestorte vliegtuigje gevallen is. Of gesmeten, dat kan ook.
De makkers staan rond me. Ik weiger hun het pistool te geven, zo ’n trofee geef ik niet uit handen. Is het wapen geladen? We weten het niet. We kijken nog eens in het rond. Niemand in de buurt. Ik richt de loop naar de grond, mijn makkers steken de vingers in de oren. Ik haal de trekker over. Niets. Het pistool is ongeladen.
De terugweg kan niet rap genoeg afgelegd worden. Het pistool weegt zwaar, zowel in mijn broekzak als op mijn gemoed. Enerzijds wil ik met mijn vondst pronken, anderzijds bestaat de kans dat het pistool me dan meteen afgenomen wordt. Toon ik het aan mijn ouders of verberg ik het op een geheime plek?
Trots wint het van vrees. Thuis zit mijn vader in zijn fauteuil. Hij leest de krant. Ik besluit hem mijn trofee te tonen: kijk eens wat ik gevonden heb. Mijn vader neemt het zware wapen in zijn handen, klikt het open, ziet de nis waar het rolletje met klappertjes ingebracht moet worden, plooit het pistool weer dicht en leest verder in zijn krant. Mijn vader is een spelbreker.

Flor Vandekerckhove