dinsdag 30 juni 2015

Over het recycleren van verhalen

— Zo zien de sirenen van de gebroeders Coen eruit. — 

Wie deze blog volgt, weet — en ja, het klinkt een beetje pedant — dat ik niet voor één gat te vangen ben. Een van die gaten heet ‘verhalenproject 2015-16’, waarmee ik Vlaamse folkloristische, versteende vissersverhalen weer tot leven wil wekken. Ik ga daar op geheel eigen wijze mee aan de haal, geef er een ferme draai aan, vervorm ze tot iets wat ze oorspronkelijk geenszins geweest zijn en hopla, daar is wederom iets nieuws ontstaan. Misschien vindt u dat een verwerpelijke praktijk, maar weet dat ik me gesterkt voel door de schrijver Neil Gaiman die op overtuigende wijze beweert dat verhalen die niet veranderen uiteindelijk sterven. Dat is exact wat er met die vissersverhalen gebeurd is: ze zijn dood. Hoe ze er na hun verrijzenis uitzien, kunt u aanschouwen door in de rechterkolom van deze blog op het label verhalenproject 2015-16’ te klikken, want daar worden ze verzameld. 
Intussen probeer ik schrijvers te ontdekken die iets soortgelijks ondernomen hebben. Ik heb daartoe een mailtje gestuurd naar enkele auteurs die ik ken, zeggende: Jij draait ongetwijfeld al een eind mee in het literaire circuit en ik vraag me af of je anderen kent die in Vlaanderen (of elders) iets soortgelijks doen: geen folkloristen dus, maar schrijvers die vanuit de folklore vertrekken om tot hedendaagse verhalen te komen; mensen waarvan ik iets kan leren.’ Neen, ik heb geen antwoord mogen ontvangen. Maar wanneer we de zaak opentrekken naar het brede veld van de literatuur, is ’t gemakkelijk om soortgelijke recyclage te traceren. Nobelprijswinnaar J.M. Coetzee heeft Robinson Crusoe van Daniël Defoe herschreven. Bij Coetzee heet het boek Foe. Blijkt dat de Robinsonfiguur een heel andere mens is en alsof dat nog niet genoeg zou zijn: Vrijdag is een vrouw! Ook de Franse schrijver Michel Tournier is met dat boek aan de haal gegaan. Meer over deze (en vele andere) aanpassingen van Robinson Crusoe vindt u hier.
Nog gemakkelijker wordt het wanneer we er andere kunstuitingen bij sleuren. Zo heb ik onlangs een pornofilm bekeken die op geheel eigen wijze Mozarts opera Così fan tutte bewerkt tot All Ladies Do It en nu ben ik The Voyeur aan ’t begluren, een soortgelijke film, gebaseerd op een roman van Alberto Moravia. Of de film beter is dan het boek vertel ik u later nog wel, want porno is een ander gat waarvoor ik niet te vangen ben. U moet in de rechterkolom van deze blog maar eens op het label seks klikken; ohlala! Géén porno is de film O Brother Where Art Thou van de gebroeders Coen. Ik heb hier al iets over deze supermooie prent geschreven, maar nu wil ik benadrukken hoe nauw die verweven is met de Odyssea van Homeros.
De film opent met de zin: O muse! Sing in me, and through me tell the story / Of that man skilled in all the ways of contending... / A wanderer, harried for years on end..., De Oddysea begint met de woorden: ‘Wil mij vertellen, o muze, van de zwerver, de vindingrijke die maar rond bleef dolen…’ Het lied dat doorheen heel de film te horen is heet Man of Constant Sorrow, een verwijzing naar Odysseus: want de betekenis van die naam luidt: de man die voortdurend in pijn en zorgen leeft.  De namen van twee hoofdrolspelers laten geen plaats voor twijfel. George Clooney speelt de rol van Everett die voluit Ulysses Everett T. McGill heet. (Ulysses is de Latijnse naam voor Odysseus.) De echtgenote waarnaar hij op weg is wordt gespeeld door Holly Hunter die in de film Penny heet, een verkorting van Penelope, Odysseus echtgenote. Wanneer Everett uiteindelijk thuiskomt blijkt dat Penny, zoals de historische Penelope, met iemand anders getrouwd is. John Goodman heet in de film Big Dan Teague en hij is blind op een oog, een verwijzing naar de eenogige cycloop in het boek van Homeros. In het restaurant waar Everett Big Dan ontmoet zien we op de achtergrond een beeld van Homeros staan. Onderweg worden de drie voortvluchtige boeven opgehouden door drie meisjes die niet toevallig in een rivier baden: de sirenen uit de Odyssee. In de film vervullen de Baptists de rol van de Lotuseters uit Homeros’ werk. In het boek gaat Odysseus de blinde profeet Teiresias consulteren; in de film is er een blinde man die de drie vertelt dat ze de schat niet zullen vinden. De uitdager van gouverneur Pappy heet Homer, naar Homeros. Het drietal wordt voor een optreden betaald door een blinde mens, een verwijzing naar Homeros waarvan gezegd wordt dat hij blind was.
En alzo wordt eens te meer de stelling van Neil Gaiman bevestigd: verhalen leven en ze brengen nieuwe verhalen voort. Wel, wat de grote filmmakers Joel & Ethan Coen met het absolute meesterwerk van Homeros gedaan hebben, wil ik in deze blog ook doen, maar dan met de kleine, folkloristische verhalen van de Oostendse vissers. Vindt u dat maar een matige ambitie? Misschien hebt u gelijk, ja, maar een mens moet, zo heb ik gaandeweg geleerd, zijn plaats kennen. Mijn plaats bevindt zich in de kleine stukjes van deze blog. En ik verhoop van u hetzelfde.
Flor Vandekerckhove

maandag 29 juni 2015

De duivel op ‘t kruispunt


Still uit de film O Brother Where Art Thou: de drie voortvluchtigen ontmoeten Tommy Johnson
die op dat kruispunt zijn ziel aan de duivel verkocht heeft. —

Wat heb ik nu weer meegemaakt? In mijn ijver om oude vissersverhalen weer tot leven te wekken, kom ik op een site terecht die het over de onwereldse krachten van de framassons heeft. Na enig denkwerk begrijp ik dat het over vrijmetselaars gaat — in ’t Frans franc-maçons — burgers waarvan de folklore beweert dat ze, net als Faust, een pact met de duivel gesloten hebben. De Vlaamse Volksverhalenbank telt daarover 295 vertellingen. En ook in de visserij zouden ze actief zijn. Zegt een getuige: Het ging de framassons op alle vlak voor de wind. De schippers, de kapiteins, en zeker ook de reders die vrijmetselaar waren, hadden op alle vlak een streepje voor. De reders verdienden veel geld en de schippers en kapiteins hadden altijd geluk en vingen veel vis.’  Reders, kapiteins, schippers… redenen genoeg om op onderzoek te trekken. Maar waar moet ik beginnen? Gelukkig leert de site me ook dat je zelf framasson kunt worden door op een kruispunt te gaan staan. Daar moet je wachten tot wanneer het onweert. Dan verschijnt er ‘een heer’ die in werkelijkheid de duivel is. Je maakt ter plekke een contract op dat je met je eigen bloed tekent en klaar is kees. Dat kan ik doen, dat heet participatieve journalistiek.
Die nacht slaap ik bijzonder onrustig, ik woel & woel en de lakens zijn doorweekt van ’t zweet. Tegen het ochtendgloren schiet ik wakker in het duivelse besef dat ik die geschiedenis van dat kruispunt al langer ken. Ik begeef me op ’t internet en kom terecht bij O Brother where art thou van de gebroeders Coen; een prachtige film waarin de Odyssea van Homeros als ’t ware overgedaan wordt door drie ontsnapte boeven. Op hun vlucht passeren ze te midden de velden een kruispunt waar een zwarte medemens staat te liften. Hij stelt zich voor als Tommy Johnson. De drie vragen hem hoe hij op dat godvergeten kruispunt terechtgekomen is en Tommy zegt: ‘I had to be at that crossroads las’ midnight to sell mah soul to the devil.’ En wat heeft de duivel hem in ruil gegeven? ‘He taught me to play this guitar real good.’
Breek nu mijn klomp! Zowel in de Amerikaanse film als in de Oostendse vertelling ontmoet je de duivel op een kruispunt. Er moet iets van aan zijn, het moet een grond van waarheid hebben. Des te meer omdat Tommy Johnson echt bestaan heeft en diens ontmoeting met de duivel voor ’t eerst verteld wordt door zijn broer LaDell, waardoor het in de biografie van die Johnson terechtgekomen is. En je weet hoe ’t gaat: verhalen leven, ze brengen andere verhalen voort. Van Tommy Johnson springt het over op diens naamgenoot Robert Johnson, geen familie, maar net als Tommy een bluesmuzikant. Ook hij zou op een kruispunt zijn ziel aan de duivel verkocht hebben.
Maar daarmee heb ik de framassons in de visserij nog niet ontdekt. Ik neem me voor om me bij het eerstvolgende onweer naar de Oostendse wijk Petit Paris te begeven, alwaar ik me een wijle zal ophouden op het kruispunt van de Torhoutse- en de Nieuwpoortsesteenweg. Waarna ik u verslag zal uitbrengen van wat aldaar met mij geschiedt. Kortelings op dit scherm!
Flor Vandekerckhove


Waarom schreeuwt de paus?

— Francis Bacon, Screaming Pope (1953) —

De Ierse schilder Francis Bacon (1909-1992) heeft me iets geleerd wat ik altijd met me zal blijven meedragen. Hij heeft me geleerd dat je ook vandaag nog altijd met gewone, oude materialen, zoals verf en doek, interessante kunst kunt maken en dat je dat in deze postmoderne tijden nog altijd kunt doen in een ‘oude’ stijl, in zijn geval het expressionisme. Bovendien heeft hij me geleerd hoe je dat moet doen, dat het even simpel is als het maken van een sausje en dat je het ook in het schrijven kunt toepassen. Uit het voorgaande begrijp je al dat ik van plan ben om bijzonder kort door de bocht te gaan, maar ik zie niet in hoe ik ’t anders in zo’n kort stukje uitgelegd kan krijgen.
Men neme een meesterwerk en men roert het flink door elkaar. In dit geval is dat het portret van paus Innocentius X (1650) van Velázquez. Bacon heeft dat meesterwerk wel vijftien keer ‘nageschilderd’. Maar naschilderen is uiteraard geen kunst, net zomin als eieren alreeds mayonaise zijn. Dat wordt het wel wanneer je erin slaagt het bestaande te overstijgen. Dat doet men door er, net als in een sausje, iets aan toe te voegen, door bijvoorbeeld een ander beeld in de pausfiguur te klutsen. Dat ander beeld komt in dit geval niet uit de schilderkunst, maar uit Eisensteins film Pantserkruiser Potemkin (1925), een van de grote kunstuitingen van de Russische revolutie. Het betreft een still uit de befaamde trappenscène waarbij de soldaten van de tsaar betogers neerschieten. We zien hoe een kinderoppas getroffen wordt en het uitschreeuwt. Ook die schreeuw heeft Bacon veel keer nageschilderd. En dan heeft hij de paus en de schreeuw dooreen geklutst. Wanneer je dat met kennis van zaken doet, krijg je een werk dat The Screaming Pope heet en dat waarlijk revolutionair is.
Wat we nu zien is een paus — symbool van macht — die aan zijn troon gekluisterd zit en daarom zijn machteloosheid uitschreeuwt. Als beeld van de moderne mens die overal een mening over heeft, alles kan kopen, overal op reis kan gaan, elfendertig televisiestations in huis kan halen, zich een middenklasser waant… en toch machteloos blijft toekijken hoe de bank met zijn voeten speelt, kan dat tellen. Bacon toont ons hoe vervreemd we zijn. We denken dat we alles kunnen, maar stellen ons de vraag niet waarom we dan niet in staat zijn om de dingen te veranderen. Dat maakt van zijn Screaming Pope nog geen reactionair kunstwerk. Bacon kijkt in de afgrond die voor ons ligt, net zoals Franz Kafka en Samuel Beckett het hem voorgedaan hebben. De Screaming Pope is een verwittiging.
Flor Vandekerckhove

zondag 28 juni 2015

George Orwell, een kinderliefde, een jeugdzonde

— Jacintha Buddincom. —
Eric Blair was 11 toen hij voor ’t eerst kennismaakte met de kinderen van de buren. Hij en zijn zusje werden goeie maatjes met Jacintha, Prosper en Guinever Buddicom. Eric had vooral oog voor Jacintha die hij later, toen hij bekend geworden was als George Orwell, portretteerde als Julia in zijn beroemde roman 1984. In dat boek laat hij haar sterven in de armen van de antiheld Winston Smith. Ik heb alleen maar de Engelse versie en daarin lees ik: ‘A rocket bomb must have dropped quite near at hand. Suddenly he became aware of Julia’s face a few centimeters from his own, deathly white, as white as chalk. Even her lips were white. She was dead! He clasped her against him and found that he was kissing a live warm face.’
Dat was iets wat hij als puistige puber ook graag deed, het warme gezicht van Jacintha kussen. En toen hij in 1921 vijftien geworden was wilde hij nog iets meer. Daar was Jacintha, nochtans al zeventien, helemaal niet klaar voor. Eric bracht zijn mannelijke kracht in stelling, Jacintha schreeuwde, stampte en sprintte met een verscheurd jurkje en een gekneusde heup naar huis. Ze wilde niets meer van Eric weten. In haar memoires Eric & Us verzwijgt ze die episode wel. Ze laat uitschijnen dat er sprake is van een langzame verwijdering. Maar wanneer er, na haar dood in 1994, een nieuwe editie verschijnt, wordt daar een postscriptum aan toegevoegd waarin haar nicht de waarheid aan ’t licht brengt.
Eric probeert achteraf nog wel om de breuk te herstellen, maar Jacintha houdt de boot af. Vervolgens leven ze elk hun leven. Jacintha weet niet dat George Orwell haar ouwe maatje Eric Blair is. Orwell van zijn kant weet niet dat Jacintha bevalt van een buitenechtelijk kind en door de vader ervan in de steek gelaten wordt. In Orwell: A Life in Letters staat een brief die Jacintha in 1972 schreef. Hoe anders had hun leven kunnen zijn, ware er niet gebeurd wat helaas wel degelijk gebeurde: ‘Wat zo’n dichte en vervullende verhouding geweest was had hij kapotgemaakt in zijn poging om ons heel de weg te laten gaan wanneer ik daar in de verste verte niet klaar voor was. Het heeft me letterlijk jaren gekost om te realiseren dat we allemaal gebrekkige wezens zijn, maar dat Eric minder gebrekkig was dan iedereen die ik voor de rest ontmoet had. Wanneer de tijd kwam dat ik klaar was om de volgende stap te zetten dan was het met de verkeerde man en het resultaat achtervolgt me tot op de dag van vandaag… Herinneringen aan vreugde en plezier die Eric en ik met elkaar deelden, omdat we elkaars geest zo totaal kenden, zorgden ervoor dat ik nooit zou trouwen tenzij die ‘eenheid’ weer zou gevonden worden.’
Het is al 1949 wanneer Jacintha Buddicom te weten komt dat Orwell haar jeugdvriendje Eric is. Hij verblijft in een sanatorium waar hij voor tbc verzorgd wordt. Ze schrijft hem. Hij wil haar weerzien. Het komt er niet van, want Orwell is haast op 't einde van zijn leven gekomen. Een wijle later is hij op sterven na dood. Hij overlijdt in 1950.
Flor Vandekerckhove


Peter Davison over de verhouding van Orwell en Jacintha Buddicom

zaterdag 27 juni 2015

Finnegans Wake, het boek als schilderij

— James Joyce, houtskooltekening van Frank Budgen. —
In deze blog heb ik het eerder al over Finnegans Wake van James Joyce gehad, een boek dat mij zeer boeit, al weet ik nog altijd niet goed waarom. Ik ben het twintig jaar geleden beginnen lezen en veel verder dan de eerste paragraaf ben ik nog niet geraakt. Het is een ervaring die ik deel met ongeveer iedereen die dat boek in de kast heeft staan. Lezen wij het verkeerd? Dat kan, want kijk eens wat ik hier nu verneem.
In 1918 bevindt de Engelse schilder Frank Budgen zich in Zurich op een feestje waar James Joyce ook is. Het wordt het een inspirerende ontmoeting. Later schrijft Budgen over Joyces werk: ‘Het is als een impressionistisch schilderij. De schaduwen zitten vol kleur; het geheel is opgebouwd uit nuances en niet door brede vlakken; de dingen worden zichtbaar als ondergedompeld in een lichtgevend fluïdum; kleuren leveren de vormgeving en het totale effect wordt bereikt door ontelbare kleine toetsen.’ Budgen levert ons hiermee een totaal andere manier om het werk van Joyce tot ons te nemen. De blik van Budgen ontheft ons van de karwei om de diepere betekenis van elk woord te doorgronden, want ja, Finnegans Wake is een boek met veel lagen, soms wel zes per woord. Wie geraakt daar wijs uit? Misschien moeten we gewoon genieten van de beelden die de soms ronduit onbegrijpelijke woorden oproepen: lezen wordt dan kijken, literatuur wordt schilderkunst.
Er valt, vind ik, iets voor te zeggen. In Joyces verhaal De zusters luidt de tweede paragraaf als volgt: ‘Als hij dood was, dacht ik, zou ik de weerschijn van kaarsen op het donkere gordijn zien, want ik wist dat er bij het hoofd van een lijk twee kaarsen geplaatst moeten worden.’ Mooi tableautje inderdaad, maar een impressionistisch schilderij is dat uiteraard nog niet. Dat wordt het wel in Ulysses: ‘Mr Denis J. Maginni, dansleraar, & c., met hoge hoed, leigrauwe geklede jas met zijden revers, witte stropdas, nauwe lavendelkleurige broek; kanariegele handschoenen en spitse lakschoenen, die daar in een waardige houding zich voortbewoog, (…)’ Daar herken je toch wel de impressionistische toetsen. Er zijn maar weinig personages in dat boek die een grote dramatische rol spelen en als dusdanig in 'brede vlakken' uitgetekend worden, maar ze tonen allemaal samen — als stippen op een impressionistisch schilderij — het beeld van Bloomsday, Dublin op donderdag 16 juni 1904, de dag dat Joyce zijn geliefde Nora ontmoet.
Finnegans Wake is iets soortgelijks, maar dan helemaal anders. Als Ulysses een monologue intérieur is, dan is de Wake een droom. Waar Ulysses het verhaal van een dag is, dan is de Wake het verhaal van een nacht. En inderdaad, Finnegans Wake is opgebouwd uit haast oneindig veel nuances. Je kunt dat boek, zo leert Budgen ons, niet als ‘taal’ lezen, er bestaat echt geen gewone manier om dat te doen, je moet het lezen… als een schilderij. Ik doe de proef en lees de eerste woorden: ‘rivierein, langs de Eva en Adam, van zwier van strand naar bocht van baai (…)’ En eentje van op ’t einde: ‘Mijn grote blauwe slaapkamer, de lucht zo kalm, nauwelijks een wolkje. In vrede en stilte.’ Toetsen op een schilderij, inderdaad.
Nu vraag ik me toch wel af wie deze Frank Budgen is die me dat zo goed uitlegt. Een schilder inderdaad, maar hij is meer dan dat. Hij is ook de secretaris-generaal van de Socialist Labour Party geweest en de eerste die Het Communistisch Manifest in ’t Engels vertaald heeft. Wel wel. Overigens: wie ’t Engels beheerst kan op ‘t internet veel werk van James Joyce gratis & voor niets lezen (of bekijken). Ik heb een en ander opgezocht en er een lijstje van gemaakt. Chamber Music (1907) Project Gutenberg; Dubliners (1914) Project Gutenberg; A Portrait of the Artist as a Young Man (1916) Project Gutenberg; Ulysses (1922) Project Gutenberg en natuurlijk ook Finnegans Wake (1939) op Trent University. Een druk op het kleurtje en je bent vertrokken. Alhoewel.
Flor Vandekerckhove

donderdag 25 juni 2015

Barbara

De scheepvaartpolitie kwam vragen of ik iemand gezien had; een jonge vrouw. Het havengebied was in die tijd nieuw voor me, ik was me nog aan 't installeren, en neen, ik had niemand gezien. Die avond ging ik voor ’t eerst een glas drinken in café Middenclub en daar vernam ik dat die gezochte vrouw iemand uit Ghyvelde was, een buurdorp van het Franse Bray-Dunes. Men zocht haar in verband met een verdrinking. Veel meer wilde men er in dat café niet over vertellen.
Hoe laat kwam ik die avond thuis? Erg laat kan ’t niet geweest zijn, want de Middenclub sluit vroeg de deuren. Maar ’t was wel pikkedonker en ’t was vooral erg koud. Ik was al bijna bij de deur toen ik haar op de stoep zag zitten. Ze was doorweekt en rilde van de kou. Omdat ik niet over haar heen kon stappen en omdat ze naar me opkeek als een geslagen hond, liet ik haar binnen. ’t Is niet dat ze me, doorweekt als ze was, aan een jonkvrouw liet denken, maar de ridder in mij kwam toch pijlsnel naar boven. Ik formuleerde enkele algemeenheden, maar zij kon alleen klappertanden. Ik pookte het vuur op, haalde handdoeken uit de kast en liet het bad vollopen. Ze keek me dankbaar aan toen ik haar in de badkamer achterliet. Een halfuur later had de kachel zijn warmte in heel het huis verspreid.
Toen ze uit het bad kwam was ik warme melk in twee kommen aan ’t gieten. Ze had een metamorfose ondergaan. Ze droeg mijn badmantel en om haar ravenzwarte haar had ze een handdoek gewikkeld. Ze heette Barbara, maar ik mocht Babbe zeggen. Ja, ze kwam uit Frankrijk, maar ze sprak wel Vlaams. Ja, ze werd door de politie gezocht, maar ze was onschuldig. De warme melk deed zijn werk. Babbe kreeg een kleurtje, zakte onderuit, werd heel rustig en, terwijl ze lieflijk naar me bleef lachen, viel ze langzaam in slaap. Ik legde een deken over haar, draaide het licht uit en ging naar bed.
Ik schrok wakker toen ze boven op me zat. Naakt. Ze legde haar vinger op mijn mond, bewoog haar kont ritmisch heen en weer en zegde: ‘Hoe dieper hoe meer.’ Ik besefte dat mijn pik diep in haar zat en dat hij overmatig groot was — Hoe dieper hoe meer. Haar kutje was strak en buitensporig nat en terwijl ze bleef bewegen zei ze heel de tijd: ‘Hoe dieper hoe meer; hoe dieper hoe meer.’ Ik begreep niet goed wat ze daarmee bedoelde, maar de situatie was dan ook te complex om er eens goed over na te denken. Ik gaf me compleet over aan ’t gebeuren. En terwijl ze ’t nog een keer uitschreeuwde — HOE DIEPER HOE MEER! — kwamen we samen klaar. Waarna we tegelijk in slaap vielen.
Toen ik wakker werd was ze verdwenen. Dat was maar goed ook, want die dag zou mijn echtgenote mij daar komen vervoegen. Ik ververste de lakens en zette het raam wijd open, want in de kamer hing een merkwaardige geur, een melange van geil & zeewier, die ik ook van mij af probeerde te schrobben. 
In de Middenclub las ik de krant die verslag uitbracht van de zoektocht naar Barbara Rohère, alias Babbe Roere. Ze werd verdacht van meerdere moorden op garnalenkruiers die ze almaar verder in zee gelokt had onder de belofte dat ze daar méér garnaal zouden vangen. (Hoe dieper hoe meer!) Toen ik het stuk gelezen had daalde een onverklaarbare vermoeidheid over me neer. ‘Geeft niet, jongen’, zei de waardin, ‘welkom in de club. We hebben het allemaal meegemaakt. Je hebt de eeuwige kruwer ontmoet.’ Ik keek om me heen en zag overal grijnzende smoelen. Blijkbaar wist iedereen wat er in mijn slaapkamer gebeurd was. ‘Ja maar,’ zei ik, ‘die eeuwige kruier… dat was een meisje’. Daar moesten ze allemaal om lachen. ‘Soms een kraai, soms een man, soms een oude vrouw, soms een meisje’ zei de waardin, ‘maar altijd leiden ze je naar de dieperik, met de woorden hoe dieper hoe meer!’ Ik besefte nu wel dat het meisje een val had opgezet en dat ik er met open ogen ingelopen was; een val waaruit ik niet gered kon worden. Ze had me dieper en dieper geleid en ik was haar gevolgd. Vertwijfeld keek ik naar buiten en door het raam keek ik recht in de ogen van mijn echtgenote. Haar blik zegde me dat het over was, ons huwelijk.
Flor Vandekerckhove


[Deze vertelling past in een verhalenproject dat ik opgestart ben en waarbij ik versteende vissersverhalen weer tot leven probeer te wekken. Wie op verhalenproject klikt, wordt in de blog naar verschillende voorbeelden geleid.
Bovenstaand verhaal is gebaseerd op een folkloristische vertelling over ‘de eeuwige kruwer’, een geest, gedoemd om ten eeuwigen dage met een steek- of treknet op garnaal te vissen. Onder de lokroep Hoe dieper hoe meer verleidt hij andere garnalenvissers die zich daardoor te ver in zee wagen en zodoende aan hun einde komen. Het verhaal is erg bekend aan de Westkust en in ’t noorden van Frankrijk. In de Garnaalstoet van Oostduinkerke loopt een reus mee die op de figuur van Babbe Roere gebaseerd is. In haar hand draagt ze een kraai, want dat is een van haar verschijningsvormen.
Kruwer is wellicht het dialect voor kruier. Heel zeker weet ik dit niet, want het Oostends woordenboek van Roland Desnerck (ed.1988) vermeldt kruwer wel, maar geeft er geen Nederlands synoniem voor. Wie evenwel kruier op Google intikt komt volop bij echte kruwers terecht.] Roland Desnerck reageerde inmiddels op dit stuk: 'In mijn uitgave Oostends Woordenboek (2006) staat er:  kruuwer, strandgarnaalvisser. Maar "strandvisser" zou al genoeg zijn want bij pêrdekruuwer lees je "strandvisser te paard", ook pêrdekarter. In mijn "Grenzeloos Oostends" (2014) vind je heel wat uitleg over de kruuwers of "strandvissers", nl. de etymologie:  uit "kruien" en ouder "cruden". Zo wordt duidelijk dat kortewaagn volksetymologisch uit kordewagen komt en dat uit crudewagen. Niet te geloven, maar "kortewaagn" en "kruiwagen" hebben dus dezelfde oorsprong. Meer details, ook over het kruuwn zelf op blzn 177 (kortewaagn) en 185 (kruuwn) van bovengenoemd boek.']

dinsdag 23 juni 2015

Kunst en porno (over porno 5)




Sommige kunstwerken vind ik er erg geslaagd… om een verkeerde reden. Dat is onder meer het geval voor de monumentale Rock Strangers van Arne Quinze die op de Oostendse Zeedijk staan. In een stukje, dat je hier vindt, schrijf ik daar een beetje hoogdravend over: Weerzinwekkend inderdaad, net zoals de Rock Strangers van Arne Quinze, op de Zeedijk in Oostende, weerzinwekkend zijn. Ook zij staan op de rand van land en water, waar ze getuigen van de impasse waarin deze maatschappij terechtgekomen is. Voor de burgers die er vlak achter wonen zijn het daardoor echt wel hinderlijke beelden. Van zodra die burgers uit het raam kijken, zien ze daar die opdringerige Rock Strangers staan die hen genadeloos wijzen op een genetisch gebrek in het kapitalisme — hún kapitalisme! — dat niet in staat is de tegenstelling van natuur en cultuur in een synthese te overstijgen. Groots kunstwerk, dat zou wellicht ook Virginia Woolf gezegd hebben, en weerzinwekkend in zijn concreetheid.’ Ik denk niet dat Arne Quinze dat op ‘t oog had toen hij die beelden daar liet plaatsen. En het Oostendse stadsbestuur nog minder!
Iets soortgelijks ervaar ik met de ‘reclameposter’ Made in heaven (1989) van kunstenaar Jeff Koons. Het beeld maakt deel uit van een reeks, waarbij het ene nog explicieter is dan het andere. Wat we zien is een koppel tijdens het vrijen. De afgebeelde man is Koons zelve, de vrouw is diens toenmalige echtgenote Ilona Staller, ook bekend als pornoactrice Cicciolina. Op de website van Tate Britain lees ik dat Koons daarmee de grenzen tussen kunst en pornografie wil opblazen en dat hij dat doet om de geldende artistieke smaak te bevragen. Zelf vind ik dat werk bijzonder geslaagd om een andere reden. Een reclameposter wordt immers geproduceerd om de verkoop aan te zwengelen. Wat dit kunstwerk-reclamebord ons zegt is dat zowel kunst (in de figuur van Jeff Koons) als porno (in de figuur van Ilona Staller) onvermijdelijk op de markt terechtkomen. Wat dat koppel produceert moet meedraaien in de winstmachine wil het enige maatschappelijke betekenis hebben. Wat Made in Heaven ons toont is dat het kapitalisme alles tot handelswaar herleidt. Dat geldt voor porno, dat geldt voor kunst en dat geldt voor voedsel, sport, kleren… voor alles.
Misschien vindt u Made in Heaven een pervers beeld. Ik vind dat eigenlijk ook, maar weer om de verkeerde reden. Ik situeer die perversie niet in het getoonde, maar in het maatschappelijk systeem dat het tot handelswaar reduceert. 
En wat Made in Heaven me vooral leert is dat porno op zichzelf niet pervers is. Het ensceneren, uitbeelden, produceren en bekijken van expliciete seks is een bezigheid waaraan een mens genoegen kan beleven. Daar is niets mis mee, 't is trouwens maar seks en, als 't goed gedaan is, mag er zelfs wat afgelachen worden. Pervers wordt het pas doordat het in de maalstroom van het kapitalisme terechtkomt. Dat is wat Made in Heaven — een reclamebord — mij toont. Made in Heaven is, net als de Rock Strangers van Arne Quinze, een groots kunstwerk en beide zijn ze weerzinwekkend in hun concreetheid.
Flor Vandekerckhove

P.S.: bovenstaand stukje is het vijfde in een reeks die over porno gaat. Wie eerdere stukken wil bekijken kan dat doen door in de labels (die onderaan rechts van dit stukje staan) op het woord ‘seks’ te klikken.

Een verliefde kleuter

1. Kleuteronderwijzeres Elvire Casier (nieuwe info leert ons dat dit niet klopt, zie onderstaande reacties); 2. Rudy Hoorens (telg van uitbaters hotel Helvetia); 3.Nadine Vansieleghem (klopt wellicht niet, want de foto zou van voor haar geboorte dateren, zie onderstaande reacties.); 4. Mireille Vanblaere; 5. ?; 6. Rita Poppe; 7. Magda Jonckheere. Op de foto staat wellicht ook Bernard Depoorter maar we weten niet waar, Mireille Vanblaere vermoedt dat hij achter het nummer 9 staat. 10. zou, volgens Luc Blomme, Guido Segaert zijn: 'Zijn pa had een beenhouwerij in de Prins Karellaan, t.o. de kerk.' Achter 11 Lucien Tas; 12. Fernand Tas; Op 14 Norbert Portier, zoon van de melkboer. Op 16: Marc Blomme, op 17: Luc Blomme; 18. Verleen (Verleene?); 20 Devos; 21. Norbert Vermeersch. Van het meisje achter nummer 22 weet Mireille dat ze Lea heet en nummer 23, zou ikzelf zijn, wat evenwel betwijfeld wordt door Bert Tas en nu ook door mij, want Luc Blomme weet dat die foto van voor mijn geboorte dateert, zie onderstaande reactie.) Mochten er lezers zijn die nog namen kunnen toevoegen, dan zou ik hen zeer dankbaar zijn.

Veel herinneringen die ik in deze blog ophaal voeren me weer naar het Bredene van mijn kindertijd. Soms ontmoet ik onderweg iemand die daarin een wijle met me meegaat. Dat is ook wat Mireille Vanblaere doet wanneer ze me bovenstaande foto opstuurt. Ze schrijft: ‘Flor, ik heb hier nog een klein fotootje gevonden maar ’t is niet zo duidelijk. ik probeer de namen te geven, vanaf de bovenste rij, van links naar rechts: Rudy Vanhoren - dat kleine meisje weet ik niet - Mireille Vanblaere - volgende weet ik niet - Rita Poppe - Magda Jonkheere - Bernard Depoorter (?) Marc en Luc Blomme, links onder: Tas - het kleine donkerharige meisje Lea - en zou jij dat niet zijn, uiterst rechts met dat donker pulletje aan? Er zat daar zeker nog een Tas.’ Intussen hebben enkele betrokkenen de virtuele koppen bij elkaar gestoken en staan we alweer een stap verder (zie onderschrift).
Alhoewel ik inderdaad zelf op die foto sta — het jongetje achter nummer 23 — heb ik geen enkele herinnering aan dat fotomoment. Maar wie ikzelf ogenblikkelijk herkend heb is kleuteronderwijzeres Elvire Casier die bovenaan de mooi opgestelde piramide uittorent. Geen twijfel mogelijk! Dat ik haar meteen herken heeft een oorzaak. Als kleuter was ik een beetje verliefd op haar. Ik heb daar al eerder over verteld in een stuk dat Toekomstplannen heet en waarin ik mijn kinderverliefdheden oplijst: ‘Verliefd was ik daarvoor al op juffrouw Elvire Casier geweest, de kleuterleidster met overdadig veel krulhaar. Daar kon ik echter niet mee trouwen, want er waren ook andere jongens ‘op haar’. Allemaal eigenlijk. Bovendien was juffrouw Elvire al gauw weer weg. ’t Zal een interim geweest zijn. Voor de rest werd dat onderwijs bevolkt door nonnen waarbij ik me geen zwart krulhaar wilde voorstellen.’ Ook in mijn half verzonnen autobiografie Gauw! vermeld ik die kleuterjuf, maar dan zijdelings: ‘Maar laten we terugkeren naar 1949. Lang kan ik in de materniteit niet blijven, want mijn ouders zijn kleine zelfstandigen en het moet vooruit gaan. Ik neem afscheid van de verpleegster die Elvire Casier heet, een jonge vrouw, zwart haar, overdadig veel krullen, grote mond, fijne lippen. Ze ruikt lekker — Sunlight! Ze ziet er exact uit als mijn eerste kleuterjuffrouw en ze heeft merkwaardig genoeg ook dezelfde naam. Ik ben verliefd op haar, maar ik ben kansloos, want kijk, de kamer is alweer bezet door een andere moeder die alweer een nieuwe mens ter wereld gebracht heeft. Ik begrijp voor ‘t eerst dat er in ’t leven nooit een weg terug is, vanaf nu gaat het alleen maar voorwaarts. Het is een schokkende ervaring, waarmee ik nog moet leren leven.’ Maar wat ik eigenlijk zeggen wil: bekijk die foto nog eens en geef toe dat mijn beschrijving, meer dan zestig jaar na dato, erg accuraat is. Zo zie je nog maar eens hoe waar het is, wat men daarover zegt: je vergeet je eerste niet. [Dat mag waar zijn, je verwart die eerste blijkbaar ook soms met iemand anders, zo leer ik uit onderstaande reacties.]

Flor Vandekerckhove
PS: Andere Bredense klasfoto’s vind je hier, daar en ginder.

maandag 22 juni 2015

Versteende verhalen uit de dood opwekken

— De Laatste Vuurtorenwachter leest het verhaal Ananas voor. De luisteraars geloven hun oren niet. (Foto Jo Clauwaert) —
De Vlaamse Volksverhalenbank telt 174 getuigenissen van Oostendenaars die het bestaan van spookachtige gebeurtenissen staven: vuur-, lucht-, water- en plaaggeesten à volonté! Minstens de helft van die verhalen hebben met de visserij te maken. Verwonderlijk is dat niet, want tot in 't midden van de vorige eeuw is Oostende een echte vissersstad geweest.
Intussen zijn de tijden veranderd. De wereld is onttoverd en de visserij is nog maar een schim van wat ze ooit geweest is. De verhalen verstenen. Dat is een probleem, want versteende verhalen kunnen niet groeien. Hoezo groeien? Dit is wat de Britse schrijver Neil Gaiman daarover zegt: ‘Groeien verhalen? Wel zeker — iedereen die ooit gehoord heeft hoe een mop van de ene mens naar de andere gebracht wordt, weet dat ze kunnen groeien, dat ze kunnen veranderen. Kunnen verhalen zich voortplanten? Wel ja. Niet spontaan uiteraard — zij hebben mensen als vectoren nodig. Wij zijn de media waarin ze veranderen, wij zijn hun petrischaaltjes… Verhalen groeien, soms krimpen ze. En ze reproduceren — ze inspireren andere verhalen. En uiteraard, wanneer ze niet veranderen dan sterven ze.’ Dat laatste is het lot dat de vissersverhalen in de Vlaamse Volksverhalenbank beschoren is. Tenzij… Tenzij we ze eruit halen uiteraard.
Ik neem de handschoen op, ook omdat ik gevraagd word voor een evenement dat Tussen haven en storm heet. Op de aankondiging zie ik mijn naam staan tussen die van kleppers als Johan Verminnen, Patrick Riguelle, Maaike Cafmeyer en Martin Heylen. De status van Bekende Vlaming wenkt! De site stelt me voor als iemand die ‘goed verhalen kan ophalen’. Men verwacht dat ik ‘in een rijk historisch archief’ duik en boven water kom ‘met de meest markante herinneringen en vertellingen.’ Ohlala, ‘t lijkt wel om iemand anders te gaan. Maar bij nader inzien is het een uitgelezen kans om versteende verhalen weer te laten kiemen. Of dat kan? Volgens Neil Gaiman wel. Zelf weet ik dat nog zo zeker niet, maar ik kan ‘t uittesten tijdens een ander evenement, de Museumnocturne, op 15 augustus. Dan word ik verondersteld in het Oostendse stadsmuseum vissersverhalen te vertellen. Dat komt dus goed uit.
Tot zover de theorie. Heb ik ook al iets tastbaars? Godver ja. In de blog zitten er enkele die erg geschikt zijn. Kijk maar eens naar (1) De kludde van Oostende, gebaseerd op een folkloristische figuur die volgens de Volksverhalenbank vanuit Aalst in Oostende terechtgekomen is. Ik heb daarvoor mijn toren verlaten en dit is de magie die mij in de Stad aan Zee te beurt gevallen is; (2) Mogen we de gebeurtenissen van 1968 inmiddels tot de folklore rekenen? Ongetwijfeld. Dat geldt zeker voor de scholierenbetoging die toen in Oostende doorging, waarbij de pupillen van IBIS een grote rol speelden en waarbij de vraag Suenens of Barabas danig verbasterd werd tot Meloenen of Ananas; (3) En wie kent vandaag Marie Delanghe nog? Wie weet nog dat mevrouw Delanghe in de drukkerij van Het Visserijblad gewerkt heeft? De vraag stellen is ze beantwoorden en dat doe ik hier; (4) In Lege jerrycans verwerk ik het verhaal van een vrolijke vissersweduwe en da’s een stuk gebaseerd op feiten die tot mijn familiegeschiedenis behoren; (5) Ook de spookschepen Osschaert en Concordia worden hier weer tot leven gewekt — ’t blijkt om zwarte vis te gaan; (6) Op de memoires van een bekende visleurder is ten slotte het verhaal gebaseerd dat luistert naar de wervende titel Hoe vorter de vis, hoe groter de versterving. En voor de rest is ’t zoals we dat in 1968 ook al zegden: we gaan door met de strijd.

Flor Vandekerckhove

zondag 21 juni 2015

Leren schrijven met Kurt Vonnegut

We kennen Kurt Vonnegut van Slachthuis Vijf of de kinderkruistocht, een antioorlogsroman uit de jaren zestig. Daarin staat een evenement uit 1945 centraal waarbij 140.000 mensen het leven laten, het bombardement op Dresden. Het boek wordt in de sixties gelezen als een protest tegen de Amerikaanse oorlog in Vietnam.
Zelf ken ik Vonnegut ook van A Man without a Country, een soort memoires. Het derde hoofdstuk van dat boekje is erg amusant. Het is de transcriptie van een lezing die Vonnegut over ’t schrijven geeft. Daarin pint hij de vorm van een kort verhaal vast in een grafiek. Ik heb een filmpje gevonden met een stukje van die lezing. Ik plaats het hieronder, je moet straks maar eens kijken, ’t is erg geestig. De y-as laat Vonnegut helemaal onderaan bij I (Ill fortune ofte brute pech) aanvangen en die stijgt tot het bovenste punt G (good fortune, het opperste geluk). De x-as start in ’t midden van die verticale lijn en loopt van B (begin) naar E (einde). Zo schrijf je een succesvol kort verhaal, zegt Vonnegut: ‘Laat me u een marketingtip geven. Mensen die het zich kunnen permitteren om boeken & tijdschriften te kopen en naar de cinema te gaan horen niet graag vertellen over zieken en armen. U doet er goed aan om het verhaal hier ergens te beginnen.’ Hij duidt een punt aan dat zich op de y-as boven het gemiddelde bevindt. 'De mensen houden daarvan en er staat geen copyright op die formule.' Hij noemt dat een Man valt in gat verhaal. Het gaat over een bovengemiddeld gelukkige mens die in moeilijkheden komt en er vervolgens ook uit geraakt: man valt in gat en geraakt er weer uit. Vonnegut tekent een golfbeweging. Eerst gaat die neerwaarts tot ver onder nul; wanneer het dieptepunt bereikt is gaat het weer omhoog om te eindigen op een niveau dat iets hoger ligt dan het vertrekpunt. ‘Dat is’, zegt Vonnegut, ‘bemoedigend voor de lezers’. Jongen ontmoet meisje is ook zo’n verhaal, en neen, dat hoeft niet per se over een jongen te gaan die een meisje ontmoet.
Wie zich van de marketing niets aantrekt, kan het uiteraard anders doen. Vonnegut zet De gedaanteverwisseling van Franz Kafka (een verhaal waarover ik hier al geschreven heb) om in een curve. Die begint niet boven het nulpunt, maar ergens helemaal onderaan. De jongeman functioneert beneden de middelmaat en leeft te midden van onaangename verwanten. Op een dag blijkt hij in een insect veranderd te zijn. Vonnegut trekt een neerwaartse golf die tot in ’t oneindige doorloopt. Geestig is ook dat hij in zijn grafieken Assepoester en Hamlet met elkaar vergelijkt: hetzelfde verhaal, zegt Vonnegut, maar Assepoester is een meisje en Hamlet is een jongen. De eerste heeft een stiefmoeder, de tweede een stiefvader. Toch is er een verschil: de curve van Assepoester eindigt in een oneindig opgaande lijn van geluk, terwijl het bij Hamlet onduidelijk is. Vaart Hamlet na zijn dood ter helle of stijgt hij ten hemel? Dat vertelt Shakespeare ons niet. Flauw verhaal dus. Waarom herkennen we Hamlet dan als zijnde een meesterwerk? Dat komt, zegt Vonnegut, omdat Shakespeare iets doet wat zeldzaam is: hij vertelt ons de waarheid. En de waarheid is dat we zo weinig van ’t leven afweten dat het niet uit te maken valt of een gebeurtenis goed is dan wel slecht.
Flor Vandekerckhove


zaterdag 20 juni 2015

Ananas!

[Dit is een passage uit mijn roman Amandine (2012). We bevinden ons voor de poort van het aan de kust erg bekende instituut IBIS. Daar krijgen weeskinderen, en kinderen uit gezinnen die het moeilijk hebben met de opvoeding, een opleiding die hen naar een maritiem beroep leidt: visserij, marine, zeevaart… Het is 1968. De leerlingen wachten op het bezoek van Prins Albert. Een leerling, Kozzen, is er niet bij. Hij is de voorgaande avond uit IBIS ontsnapt. Voor dit verhaal heb ik de tekst enigszins aangepast en ook wel ingekort, maar het blijft natuurlijk wel een lange tekst. Ik verontschuldig me daarvoor. Anderzijds is het zo dat hij niet in de blog mocht ontbreken.]


Leerlingen van Ibis vormen de erehaag bij hoog bezoek aan Oostende. In dit geval gaat het om de sjah van Iran. De foto
dateert van 1960. Onderstaand verhaal speelt zich af in 1968 en het verwachte bezoek is dat van prins Albert.

De spanning stijgt. Wij, de leerlingen van IBIS staan perfect in het gelid, de jantjes van het eerste jaar vooraan en zo verder volgens leerjaar, leeftijd en lengte: zeemaats, lavers, scheepsjongens, lichtmatrozen, matrozen, cadetten en aspiranten; een opgaande rij van matrozenpotsen, via de laatstejaars tot uiteindelijk bij mij, de hekkensluiter, de oudste en langste leerling, degene die daar gezien zijn leeftijd eigenlijk niet meer thuishoort.
We bewegen niet. Uit onze ooghoeken speuren wij de linkerkant van de straat af, de richting van waaruit het prinselijk bezoek zal opdagen. Vlaggen wapperen in de wind. Veel kepies. Veel marineblauw. Veel strepen. Veel witte handschoenen. Veel wind ook die uit het zeegat waait. De fanfare van de zeemacht. Journalisten. De notabelen houden de blik op het straateinde gericht en dan weer op hun polshorloge. Ze ijsberen. De buren hebben de driekleur uitgehangen en ze zitten aan hun voordeur, welgemutst, een ijsje likkend, de gebeurtenissen af te wachten. Sommigen zwaaien met papieren Belgische vlaggetjes. Kozzen ontbreekt op het appel. Niemand weet waar hij is. Deze morgen had ik hem nog op de slaapzaal gezien, maar nu is hij weg. 
Is dat het loeien van sirenen? Is dat het geluid van de motoren? Is het de escorte?  Is de prins op komst? De spanning stijgt. Iedereen recht de rug. Het geluid groeit aan. Het lijkt wel op gejoel. En vreemd genoeg komt het met de zeebries aangewaaid van rechts, vanuit Oostende, daar waar we de prins en de zijnen van links, vanuit Brugge, verwachten. Er zit ritme in het geluid dat over de brug op ons aangewaaid komt, een cadans. De spanning stijgt in de overtreffende trap. Iemand roept: ‘Is het van rechts of is het van links?’ Hoofden gaan bruusk van links naar rechts en weer terug. Het volk begint te joelen. Van over de brug horen we een door een megafoon versterkte stem die ons door de wind toegewaaid komt. We horen hoe de megafoonstem een vraag uitschreeuwt: ‘…AANDEREN?’ En die stem wordt beantwoord door wel duizend andere: ‘VLAAMS!’ Nu klinkt de megafoon veel duidelijker: ‘IN VLAANDEREN?’ De massa antwoordt: ‘VLAAMS!’ Over de brug komt godver onverwachts een betoging op ons afgestapt die heel de straatbreedte bezet. Vooraan op de eerste rij lopen de oudste leerlingen van het college, arm in arm, en in het midden van die rij loopt, goed herkenbaar door zijn kaalgeknipte hoofd en zijn marine-uniform, breed lachend, onze Kozzen, terwijl hij de megafoonvraag (‘IN VLAANDEREN?’) luidkeels op zijn eigen wijze beantwoordt. ‘SPAANS!‘
Ook uit de vakschool is een flinke delegatie present en zelfs enkele meiden van het lyceum hebben de lokroep van de straat beantwoord. Allen hebben ze gehoor gegeven aan de agitatoren die van de Katholieke Universiteit Leuven een Vlaams bastion willen maken. De betoging overspoelt de straat. De buren halen vlug de stoelen binnen, terwijl de eerste eieren al de driekleur aan hun gevel treffen. In de verwarring begint de fanfare de eerste noten van de Brabançonne te spelen, waarop de betoging zich tegen de muzikanten keert die hun instrumenten achterlaten en het hazenpad kiezen.
Als een tsunami spoelt de massa de zorgvuldig opgestelde rijen weg waarmee we verondersteld werden prins Albert en zijn gevolg te verwelkomen. Witte matrozenpotsen doorklieven de lucht. De opvoeders openen de poort en manen ons aan vlug naar binnen te vluchten, maar daar is geen sprake van. Uit duizend kelen rond mij klinkt ‘WA-LEN-BUI-TEN-WA-LEN-BUI-TEN’, terwijl ik samen met mijn medeleerlingen opgenomen word in de massa. Aangevuld met tientallen leerlingen van IBIS die er een buitenkans in zien eens de stad in te gaan maakt de massa een omtrekkende beweging op het plein voor de school en stuwt de deinende stoet ons de brug over, richting stad.
Nog één keer kijk ik om naar IBIS waarin ik grootgebracht werd. Het plein ligt er chaotisch bij. Omgeduwde dranghekkens, witte kepies die achtergelaten werden en op de rode loper ligt een halflege frietzak met mayonaise. Ik zie gescheurde papieren vlaggetjes, een driekleur waarvan het eigeel over de gevel van de buren druipt. Aan de schoolpoort zie ik radeloze notabelen die verschrikt toekijken hoe de prinselijke escorte nu toch van links het plein op komt gereden. Daarna volgen wel tien zwarte, glimmende wagens. En dan ontneemt de voortschrijdende betoging mij het uitzicht op IBIS dat ik nooit meer zal weerzien.
De wezen worden gaandeweg tot helden van de betoging uitgeroepen. We worden enthousiast naar de kop gestuwd en na enige tijd wordt de eerste rij volledig gekleurd door onze blauwe marine-uniformen. Tactisch goed gezien van de organisatoren, want geen enkele politieagent zal het aandurven in te hakken op de wezen van IBIS, die al sinds mensenheugenis op de compassie van de hele Oostendse bevolking kunnen rekenen.
Ik loop naast Kozzen. We omarmen elkaar kameraadschappelijk.  We lachen de lach van de jeugd, terwijl de wind over ons kaalgeschoren hoofd waait. We zijn vrij! We horen de megafoonstem die de massa vraagt: ‘SUENENS OF BARABAS?’ Het antwoord is even kordaat als massaal: ‘BARABAS!’ Behalve bij Kozzen die luidkeels lachend ‘ANANAS!’ roept, een antwoord dat ik prompt overneem en met mij de hele eerste rij betogers van IBIS. En hoe meer we de stad naderen, hoe meer betogers onze versie van de slogans overnemen. Tegen de tijd dat we in Oostende de Tettenbrug oversteken, zijn onze ordewoorden deze van de hele betoging geworden. Langs de straatkant staan burgers verbaasd te kijken hoe een duizendkoppige menigte van jongeren, tieners en kleine kinderen, schreeuwend voorbij stormt, aangevoerd door blauw geüniformeerde wezen, sommige nog dik van het babyvet. IN VLAANDEREN? SPAANS! SUENENS OF BARABAS? ANANAS!
Vele wezen uit IBIS trekken er voor het eerst in hun leven onbewaakt op uit, zeker de allerkleinsten. De vrijheid geeft hun vleugels en alhoewel ze improviseren lijkt het erop dat ze exact weten waar ze naartoe trekken. Ik heb er later veel aan teruggedacht, aan dat moment waarop zo’n massa een eigen intelligentie ontwikkelt. Het was immers niet de leiding van de betoging die het parcours bepaalde, evenmin was het Kozzen en het was zeker niet ikzelf. Het was de massa zelf die als water de weg zocht die haar voort kon stuwen naar het einddoel dat elk van ons onbekend was.
Wij, de wezen van IBIS, de paria’s van het onderwijs, beleven een uitzonderlijk moment. En we gedragen er ons naar. Vooral door onze aanwezigheid ontspoort de betoging. Her en der sneuvelt een ruit. De agitatoren uit Leuven verliezen de controle. Een groepje slaagt erin de megafoon te bemachtigen. De Leuvense studenten durven het ding niet terug te vragen, ook al omdat ze de toorn vrezen van de meiden van het lyceum die hun prille moederlijke gevoelens voor de wezen niet onder stoelen of banken steken. De wezen van hun kant laten zich deze moederlijke gevoelens welgevallen, want sommige meiden hebben al tieten.
Een van de allerjongsten, een jantje van zeven, neemt de ordewoorden van de betoging in eigen handen. Alleen is het zo dat hij de politieke aspiraties van de manifestatie niet begrijpt, daar is hij te jong voor en in IBIS leven we een bestaan dat afgesneden is van de maatschappelijke realiteit die de betoging tot bij de poort gebracht heeft. Door de megafoon galmen nieuwe ordewoorden over de stad, die in onze oren veel juister klinken. Als het antwoord ananas is dan moet de logische vraag iets zijn als: ‘Meloenen of ananas?’, een slogan die daarenboven het voordeel heeft dat ze echt wel beantwoordt aan de verzuchtingen van de leerlingen van IBIS, die hun dessertkeuze luid over de stad willen laten weerklinken.
Ook de andere slogans worden op die manier bijgewerkt, zodat ook daar enige logica in komt, althans voor wie in IBIS geïsoleerd heeft moeten leven. Weer klinkt het gepiep van de hoge, iele knapenstem over de stad: ‘In Spaanderen?’ Het antwoord van de massa scholieren wordt nu bijzonder logisch: ‘Spaans!’ Ja, zo klinkt het allemaal veel beter.
Van de Tettenbrug gaat het naar beneden, waar we met duizend scholieren de roze wijk van het Hazengras overspoelen. In het voorbijgaan roepen we de raamprostituees op om solidair te zijn en het werk neer te leggen. Uit de megafoon klinkt niet langer Walen buiten, maar wel: ‘HOE-REN-NAARBUI-TEN, HOE-REN-NAARBUI-TEN.’  De Leuvense flaminganten, herkenbaar aan de studentenpetten, vrezen terecht voor hun reputatie. Ze proberen de betoging weer in handen te krijgen en dus weg uit de hoerenbuurt, maar daar is het nu te laat voor. Deze vrijheid laat niemand van ons zich nog afpakken. Twee prostituees die vanachter hun raam tevoorschijn komen, worden door de leerlingen van IBIS op de schouders gehesen. Ook zij scanderen, vuist in de lucht, maar met een vreemd accent, onze slogans mee. De megafoostem wordt weerkaatst door de gevels van de bordelen. MELOENEN OF ANANAS? En de twee hoeren antwoorden samen met duizend scholieren wildenthousiast: ANANAS!
De betoging vloeit als water verder, in de richting van het station. Terwijl we dat naderen, zien we hoe de Rijkswacht te paard het Stationsplein bezet houdt. Overvalwagens. Rijkswachters met honden. Ohlalalala!  Enkele honderden meters scheiden ons van de colonne rijkswachters die ons als boosaardige, zwarte ridders staan op te wachten; wij wezen, wij die weerloos zijn. Enkele elfjarigen uit IBIS, die als wees niet weten wat het betekent de toorn van de vader op te roepen en dus evenmin weten dat je zo’n rijkswachter best niet teveel uitdaagt, doen het toch en tonen in een meesterlijke provocatie hun blote gat, terwijl ze een batterij scheldwoorden afvuren die de Leuvense studenten nooit eerder gehoord hebben. De paarden steigeren. De honden blaffen. De gendarmes snuiven. Vooraan, tien meter voor de betoging, zwaait een hoer, getooid met een matrozenpots van IBIS en met ontblote borst, als ware ze de maritieme Marianne, de leeuwenvlag, terwijl ze in haar al te korte rok het zwarte Rijkswachtleger luidkeels toeroept: ‘ANANAS!’
Kozzen neemt me mee naar achteren. ‘Dat komt nooit meer goed,’ zo zegt hij lachend, ‘wil jij nog terug naar IBIS?’ Neen, dat wil ik niet. ‘Ik wist het,’ antwoordt hij. Samen klimmen we over de omheining en lopen we de sporen op. Alle aandacht van het personeel is op de betoging gericht en vooral op de kont van de hoer die met het Vlaamse vaandel zwaait. Ongezien slagen we erin tot bij het perron te komen waar een trein vertrekkensklaar staat. We gaan aan boord. Een fluitsignaal. De trein vertrekt. We laten het raam zakken en roepen nog één keer zo luid we kunnen ‘MELOENEN OF ANANAS?’ Aan de andere kant van de spoorwegomheining wordt onze vraag door de betoging opgevangen. De leerlingen van IBIS kijken onze richting uit en zwaaien ons vervolgens wildenthousiast toe terwijl ze de omheining bestormen. Oorverdovend is hun antwoord: ‘ANANAS!’ Ze zijn trots op ons omdat we zijn kunnen ontsnappen, wat voor hen de belofte inhoudt dat ook zij ooit eens IBIS zullen inruilen voor het vrije leven. Ze zullen er hun donkerste dagen mee kleuren, terwijl in hun kaalgeknipte hoofden een eigen plan zal rijpen, hun eigen ontsnappingsplan.  Kozzen en ik zwaaien tot wanneer we hen niet meer kunnen zien. En dan laten we ons zakken op de bank. Mijn enige bezit bestaat uit het matrozenuniform dat ik draag.
Deze morgen stond ik nog in de rij, gedrild als een soldaat, gebrandmerkt als een nummer, meningloos en zonder stem de prins op te wachten en enkele uren later was ik een outlaw geworden. Nooit voorheen had ik me zo gelukkig gevoeld als tijdens dat moment dat ik haveloos het station van Oostende uitreed.
Flor Vandekerckhove 

[En op een podium vervolgt het aldus: 'En zo komt het, geacht publiek, dat je in het visserskwartier ook vandaag nog de vraag hoort stellen… Je hoort het in portieken en achterkeukens, in zolderkamers en kelders, in eetkamers en in kamers voor reizigers, in feestzalen en vooral in eetgelegenheden… Je hoort de vraag stellen… Meloenen of ananas? En vervolgens hoor je hoe het antwoord hoog boven de daken stijgt en zich verspreidt over de stad… Het antwoord dat ook wij nu luid laten weerklinken en dat luidt: ANANAS!']