woensdag 30 januari 2019

Rond het vuurtorenvuur

Verhalen vertel je thuis, in de kroeg, aan een tafel, in een kring, op plekken waar het ene woord het andere voortbrengt. Of aan het kinderbed vlak voor het slapengaan. Of rond het vuur, wanneer de kinderen al slapen. Bij uitbreiding deel je ze met al wie ervan genieten kan. Normaliter denkt niemand eraan om daar geld voor te vragen. Een verhaal is iets wat je schenkt.
Pervers wordt het als zo’n verhaal ‘geen markt’ heeft. Na de openingsalinea lijkt dit wel onzin. Helaas is dat de situatie waarin een schrijver — producent van verhalen — zich vandaag bevindt: verhalen moeten 'verkopen', 'marktwaarde hebben', ‘opbrengen’.
Ach, zeg je, de markteconomie bepaalt ons hele hebben & houden, en dus ook onze verhalen, daar valt niet aan te tornen. Maar je zal het ook met me eens zijn als ik zeg dat je het toch wel kunt proberen. 
Dat is wat De Laatste Vuurtorenwachter in De Weggeefwinkel doet. Daar liggen de gratis boekjes te krijg die uitgeverij De Lachende Visch al sinds 1991 produceert. Daar werd nu een nieuw boek aan toegevoegd: 99 extreem korte verhalen voor beginners en gevorderden. Het zijn verhalen die ik vertel terwijl we samen rond een imaginair vuurtorenvuur zitten. 
De Vlaamse dichteres Delphine Lecompte levert het voorwoord. Ze denkt er niet aan om me daar geld voor te vragen. Nu schenk ik je dat boekje cadeau en denk ik er evenmin aan om je daar geld voor te vragen. Laat je e-maildres kennen aan florvandekerckhove@telenet.be en het gratis boekje wordt je per kerende toegestuurd.
Flor Vandekerckhove



dinsdag 29 januari 2019

Schrijversverdriet, telkens in honderd woorden gevat (2)


Drabble — Een verhaal van honderd woorden, weerspiegelt uiteraard de werkelijkheid niet. Van een hoef die de smid uit een stuk ijzer maakt, zeg je daarna ook niet dat die hoef een spiegel van dat ijzer is. Al schrijvend heb je de werkelijkheid in een mal van honderd woorden gegoten en er al doende iets van gemaakt wat er eerst niet was. Daarom is een drabble ook zo interessant, het resultaat is altijd anders dan wat er eerst te zien was. Je hebt iets geschapen wat er nog niet was. (Godver, da’s wel scherp gezien, ik maak er misschien een drabble van.)

Absurdisme‘Ik verbaas me over het menselijk uithoudingsvermogen. Nu is het al 12 januari 1938. Onze situatie is nog veel slechter geworden, maar we slepen ons nog steeds voort. God, stuur ons zo snel mogelijk de dood.’ Het citaat komt uit het dagboek van de Russische absurdistische auteur Daniil Charms. Officieel heet het dat hij in 1942 in gevangenschap gestorven is. Hij heeft geen graf. Wikipedia leert me dat er een lied bestaat waarin men zingt dat Charms nog altijd door het land dwaalt om sigaretten te kopen, de winkels op zijn weg steeds gesloten vindt en dus verder moet trekken.

Forel’s Morgens vertrekt de forelvisser ter visvangst. Als aas heeft hij een sneetje brood mee: ‘Maar toen ik dichterbij kwam, merkte ik dat er iets niet klopte. De beek gedroeg zich niet normaal. Er was iets raars mee. Er was iets mis met de manier waarop zij zich bewoog.’ Wanneer hij nadert ziet hij dit: ‘De waterval was gewoon een witte houten trap die omhoogliep naar een huis tussen de bomen.’ Wat een ontgoocheling: ‘Het draaide erop uit dat ik mijn eigen forel werd en de snee brood zelf opat.’ Het personage heet, net als de boektitel, Forelvissen in Amerika.

Liefde — Emmanuel Carrère: ‘[I]k heb gedaan wat ik kon, met mijn talenten en mijn gebreken, ik heb heel erg mijn best gedaan, en dat is niet niks. Maar het belangrijkste, de liefde heb ik niet gekend. Ik ben bemind geweest, ja, maar ik heb niet weten te beminnen, of niet kunnen beminnen, dat komt op hetzelfde neer. Niemand heeft in het volste vertrouwen in mijn liefde kunnen rusten, en ik zal uiteindelijk ook in niemands liefde rusten. Dat is wat ik toen zou hebben gezegd (…) Maar daarna (…) heb ik jou gekozen, we hebben elkaar gekozen, en het is niet meer hetzelfde.’

 (°) Een drabble is altijd honderd woorden lang, niet 99, niet 101, exact honderd, titel niet inbegrepen. Een drabble is bijgevolg een extreem kort handpalmverhaal dat aan die strenge honderd woorden regel voldoet. (Flor Vandekerckhove)

zaterdag 26 januari 2019

Toon Hermans en De Lustige Velodroom van Blankenberge


Papa is weer niet thuis. Het chagrijn van mama zoekt een weg naar haar maag, ze boert. Dan gebeurt er iets wat anders nooit gebeurt. Een man vraagt of we zin hebben in een uitstap. Mama doet iets wat ze anders nooit doet, ze sluit voortijdig de winkel.
We nemen plaats in een Amerikaanse wagen. Ik zit tussen de vriendelijke man en mijn mama en ben blij dat ik thuis aan weer een weeë avond ontsnap. Mama en ik genieten van het onverwachte gebeuren, de man geniet van ons gezelschap. Mama houdt op met boeren.
In Blankenberge kijken we vanaf de dijk naar fietsers die op een plankenhouten velodroom rondjes rijden. Zo’n fietsen heb ik nooit eerder gezien, fietsen waarop je achteruit moet trappen om vooruit te rijden, met een stuurwiel waar je een stang verwacht, waaraan je rechts moet draaien om links te keren, met een groot en een klein wiel, zadels die omhoog en weer omlaag gaan… Ik ben te klein, zegt mijn mama tegen de vriendelijke man, om aan dat gekke fietsgebeuren te participeren, maar ze zegt dat ik er graag naar kijk. Dat is waar. De mensen rondom ons lachen. De man lacht, mijn mama lacht, ik lach, Het is een avond die ik nooit vergeten zal.
Dan word ik opeens heel moe, tijd om weer naar huis te rijden. De zachte vering van de Amerikaanse wagen wiegt me in slaap. Wakker word ik als de man me uit de auto tilt. Het is laat, het is donker. Mama brengt me naar bed. Papa is nog steeds niet thuis.
De vriendelijke man verdwijnt uit ons leven, maar enkele maanden later meen ik zijn stem op de radio te herkennen. Papa zegt dat het Toon Hermans is. Mama zwijgt.

Flor Vandekerckhove

vrijdag 25 januari 2019

Lucien Goldmann gokt op het socialisme

- Lucien Goldmann (1913-1970) —
Een tijdje geleden probeerde ik in een polemiekje (°) mijn opponent ervan te overtuigen dat ons denken, oordelen en handelen minder een individuele kwestie is dan wel een sociaal proces. Dat ik dat zo kordaat stelde kwam doordat ik eindelijk tijd gevonden had om een beetje in het werk van de onafhankelijke marxist Lucien Goldmann rond te dwalen, een briljant criticus van het individualisme. Ik kwam daar nogal van onder de indruk. Vandaar ook dat ik iets meer over die Goldmann wil vertellen.
Michaël Löwy legt ons goed uit waaruit de individualismekritiek van Goldmann bestaat. (°°) Goldmann ziet een verband tussen enerzijds de ontwikkeling van de markteconomie, waarin het individu als autonome bron van beslissingen en daden verschijnt, en anderzijds het tot stand komen van een wereldvisie die in datzelfde individu de primaire bron van kennis en actie ziet. Het Franse verlichtingsdenken van de achttiende eeuw is daar het meest frappante voorbeeld van; met name het bekende Je pense, donc je suis, met nadruk op het individuele ‘Je’.
Goldmann erkent uiteraard de vele progressieve en emancipatorische verworvenheden van de Verlichting, maar er gaat, zegt hij, tegelijk ook iets verloren. De markt schaft alle supra-individualiteit af: God uiteraard, wat de atheïst Goldmann een goede zaak vindt, maar ook de gemeenschap, ook de klassen. Voor het individualistische denker is de gemeenschap niets anders dan de som van de individuen. Waarbij we onvermijdelijk aan de inmiddels ook al historische woorden van Margaret Thatcher denken: And, you know, there's no such thing as society. There are individual men and women and there are families.’
Het marxisme is een kind van de Verlichting, maar het heeft er ook baat bij, meent Goldmann, iets van oudere denkvormen mee te nemen. Hij onderzoekt onder meer het ideeëngoed van Blaise Pascal, een ‘tragische’, in God gelovende denker die aan de Verlichting voorafgaat. Tragisch, ook omdat Pascal zijn leven inricht alsof er een God bestaat, zonder echt te weten of dat wel degelijk het geval is. Met andere woorden: Pascal gokt. (°°°)
Volgens Goldmann doen socialisten er goed aan dat facet in hun denken mee te nemen. Waarmee hij zich pal tegenover degenen plaatst die de onontkoombaarheid van het socialisme proclameren. Net zoals Pascal dat doet, stelt Goldmann, kunnen socialisten alleen maar gokken: een andere wereld is mogelijk, maar niets garandeert helaas de realisatie ervan. Waarmee hij benadrukt dat het socialistische engagement een risico inhoudt, dat er naast de hoop ook altijd een gevaar van mislukking bestaat. We kunnen alleen maar proberen.
Flor Vandekerckhove

(°) ‘Wat Pierre Bayard, Etienne Vermeersch, Alessandro Baricco en een pizzakoerier te maken hebben met een film die ik niet gezien heb’ staat hier.
(°°) Michaël Löwy. Lucien Goldmann: le pari socialiste d'un marxiste pascalien. Op ‘Le blog de Michael Lowy’ (6 nov. 2012) van Mediapart, en dat staat daar
(°°°) Lucien Goldmann. Le dieu caché. Etude sur la vision tragique dans les Pensées de Pascal et dans le théâtre de Racine. Ed. Gallimar. Bibliothèque des idées. 1959. Van dat boek staat een twintigtal bladzijden op het internet. Je kunt die hier downloaden. — Voor de liefhebbers: Een ander werk van Lucien Goldmann staat helemaal op ’t net. Cultural Creation in Modern Society, met interessante nawoorden, goed voor 177 pp leesvoer. 1977. Dat staat daar.

dinsdag 22 januari 2019

Konijn met pruimen


Moet mijn boek een voorwoord hebben? ’t Is iets wat ik onderweg naar de Colruyt overweeg. Vanuit de vrieskou komt de naam Eric Idle me toegewaaid, want mijn boek bestaat uit drabbles, genre dat zijn oorsprong in Monty Python’s Big Red Book vindt dat Eric geredigeerd heeft. Zou hij dat voorwoord … Er kleven evenwel nadelen aan de Brit. Ik moet mijn verhalen dan vertalen, want hij kent Nederlands noch Creools. Bovendien is de kans reëel dat hij geld vraagt. 
Terwijl ik mijn fiets in het rek van de Colruyt schuif denk ik aan Delphine Lecompte. Zou zij dat voorwoord … Ik schuif de gedachte voor me uit en concentreer me eerst op uien, boter, gedroogde pruimen, pruimenconfituur, bloem, bruin bier, mosterd, laurierblaadjes, kruiden, diepvrieskroketten. En nog iets, maar wat?
Op de terugweg filosofeer ik verder over dat voorwoord. Ach, gij oude zot, zeg ik aan 't rondpunt tegen mezelf, de naam van Eric Idle komt niet toevallig bovendrijven: Idle, ijdel, ijdelheid. ’t Is eigenwaan die me aan Delphine laat denken, besef ik in de laatste bocht, want ik heb vernomen dat ze zondagmiddag te gast is in Touché. Ik wil haar alleen maar in mijn boek foefelen om me belangrijker te maken dan ik ben. Wat een pretentie!
Thuis geef ik de boodschappen af en zet de fiets weg. Vanuit de keuken roept mijn vrouw: ‘Ge zijt godverdomme de konijnenbouten vergeten!’

Flor Vandekerckhove

maandag 21 januari 2019

Intellectuele bekommernissen



Beeldcultuur — Als er iets was wat intellectuelen toen met elkaar gemeen hadden dan was het hun afkeer van de beeldcultuur. Zij waren van de letteren. Volgens Ernest Mandel leidde beeldcultuur ‘onherroepelijk tot de verwording van de bekwaamheid tot denken.’ Hij meende dat, want hij zei verder ook nog: ‘Toen ik in de Sunday Times las dat er in Londen reeds meer winkels van video-cassettes zijn dan boekhandels, beschouwde ik dat als het slechtste nieuws van na de Tweede Wereldoorlog.’ U leest dat goed: slechtste nieuws van na de Tweede Wereldoorlog. Nou nou. En winkels van video-cassettes! Het waren waarlijk barbaarse tijden.

Hegel — Hegel zei: ‘Wesen ist was gewesen ist’. Naar verluidt was Sartre bijzonder geboeid door deze zin. Als ik me, net als Sartre, dat citaat mag toe-eigenen zou ik het vertalen als: je bent wat je geweest bent. Maar of ’t waar is? In het Franse dorp, waar ik een vakantiehuisje heb, woont de oude Toulze die nooit van Hegel gehoord heeft en evenmin van Sartre. Maar hij spreekt die twee wel tegen. Als ik van de berg kom en zijn huis passeer, onderhouden we elkaar enige tijd over de ouderdom. Hij zegt: ‘Je kunt niet tegelijk zijn en geweest zijn.’

Uitleg — Er zijn objectieve en subjectieve redenen. ik kan er een sociale, politieke en economische uitleg aan knopen en er zitten ook psychologische kantjes aan. Het heeft met mijn politieke verleden te maken, met de globalisering en dus met de toekomst van de wereld. Het heeft met toeval van doen, misschien ook met een persoonlijke crisis, evengoed als met diep doorleefde maatschappelijke inzichten. Om al die oorzaken en aanleidingen te inventariseren, om er een hiërarchie in aan te brengen, ze voor mezelf te verklaren, ze vervolgens uitgelegd te krijgen en ze mooi neer te schrijven heb ik veel meer woorden nodig.

Stijl — Het is de stijl waar het om gaat. De stijl legt onvermoede dingen bloot. Georges Perec legt zichzelf een stijl op via contraintes, anagrammen en palindromen — ja, ook ik heb de betekenis ervan moeten opzoeken — omdat die zelfopgelegde beperkingen ‘een soort directe toegang tot het onbewuste zijn, veel sterker dan welk automatisch schrijven ook, veel sterker dan wanneer je uitgaat van de woordbetekenis. Het feit dat je woorden produceert via die zeef, via dat filter. Wat daar doorheen komt…’ Of dat ook geldt voor een drabble zoals deze, zegt Perec niet. Ik weet niet of hij Monty Python gekend heeft.

Copywriter — Er waren veel vergaderingen. Nooit begreep ik waarover men daar sprak, maar ik begreep wel dat ik dat niet moest laten blijken en daarom stelde ik nooit vragen. Ik begreep wel dat het onderwerpen waren die alleen maar verteerd konden worden door de drank die daar overvloedig aanwezig was. Je kon er jezelf een koffie inschenken of cola, whisky of pils. Iedereen dronk whisky. Het was een dynamisch bedrijf. Na mij kwam er nog een marketing manager, een public-relationsman, een beheerder van het wagenpark, een promotiechef, een inkoopdirecteur, een webmaster, een IT-specialist. Er dreigde een tekort aan whisky te ontstaan.

Flor Vandekerckhove

zaterdag 19 januari 2019

De Laatste Vuurtorenwachter kent internationale doorbraak!

Ik heb er lang op moeten wachten, maar nu is het gebeurd. Eindelijk wordt mijn oeuvre voor het Nederlandsonkundige deel der mensheid ontsluierd. Eindelijk internationale roem! Eindelijk dit, eindelijk dat!
Het gaat meer bepaald om Het bal der mannen, openingsverhaal van ’t Kan wreed waaien op de kaaien, mijn succesrijke bundel met drabbles, dat in het Haïtaans Creools vertaald is.
Mocht u een dezer bij mij aanbellen en ik doe niet open, weet dan dat ik wellicht aan ’t toeren ben in de Bahama’s, Cuba, de Dominicaanse Republiek, Frans-Guyana, Guadeloupe of Puorto Rico, allemaal landen waar het Haïtiaans Creools gebezigd wordt.
Men zegge het voort, men zegge het voort!

En nu het vertaalde verhaal.

Boul la nan mesye yo - Boul la te pase dènye an 1955, nan SHIPYARD la nan Panesi, nan Nieuwe Werfkaai a nan Ostend. Ane annapre a, pechè yo te refize envite shipbuilders yo pou yo danse. Travayè yo eseye ale ak li pou kont li, men efò sa a echwe seryezman. Sa a pote nan yon fen fèt la ki pi remakab nan kominote lapèch Ostend a, boul la nan moun, ki soti nan fwa lè lachas se toujou mèt bagay sa yo, tan an nan ki Eau pa gen ankò gaspiye dwa li kòm premye pitit pou yon asyèt soup, lantiy soup toujou! 
Flor Vandekerckhove (Google tradiksyon.)


donderdag 17 januari 2019

Een meisje op de bank

Terwijl ik van de tram stap, op weg naar de bib, zie ik haar op de bank zitten, mijn bank, de bank waarop ik tijdens de terugweg altijd zit om een beetje in een pas ontleend boek te grasduinen. Wanneer ik uit de bib terugkeer, zit ze daar nog. Ze is, schat ik, achttien. Ze is, zie ik, veel te dik. Ze heeft, merk ik, geruïneerde tanden. Ze houdt een blik vast. Geen cola. Terwijl ik dichterbij kom probeer ik in te schatten waar ik zelf kan zitten. Niet vlak naast haar, waar nochtans mijn vaste plek is. Misschien aan het andere uiteinde, maar bij ’t naderen zie ik daar twee blikken liggen die ze al soldaat gemaakt heeft.
Ik kies voor de tweede bank. Hij staat een beetje verder, vanwaar ’t iets moeilijker is om de tram te zien afkomen. Ik haal het boek uit mijn tas, maar mijn aandacht blijft bij het meisje. Vanuit mijn ooghoek zie ik dat ze naar me kijkt. Moet ik medelijden uiten? Moet ik haar vermanend aanspreken? Vaderlijk streng, broederlijk begrijpend? Geld geven? Moet ik een dienst bellen die haar komt weghalen? Negeren? Daar komt de tram.
Op die tram denk ik nog een beetje aan dat meisje, maar niet lang. Ik blader in het boek dat ik uit de bib weggeplukt heb en lees daarin een gedicht. (°) Tegen de tijd dat ik thuiskom heb ik het vertaald.
Flor Vandekerckhove

Ik hoor dat in New York
Op de hoek van 26th Street en Broadway
Elke avond tijdens de wintermaanden een man staat
En daar bedden verkrijgt voor de daklozen
Door een beroep te doen op voorbijgangers.

Het zal de wereld niet veranderen
Het zal de relaties tussen mensen niet verbeteren
Het zal het tijdperk van uitbuiting niet inkorten
Maar enkele mensen hebben een bed voor de nacht
Voor een nacht wordt de wind van hen weggehouden
De voor hen bedoelde sneeuw valt op de rijbaan.

Leg het boek niet neer terwijl je dit leest, man.

Enkele mensen hebben een bed voor de nacht
Voor een nacht wordt de wind van hen weggehouden
De voor hen bedoelde sneeuw valt op de rijbaan
Maar het zal de wereld niet veranderen
Het zal de relaties tussen mensen niet verbeteren
Het zal het tijdperk van uitbuiting niet inkorten.


(°) Bertolt Brecht: A bed for the night (1931)

dinsdag 15 januari 2019

De schrijver als sjamaan

— Alan Moore (links) en Jeroen Olyslaegers. Zoek de zeven verschillen. —   

Op Net Gemist, een plek op ’t internet waar je afgelopen programma’s van de Vlaamse televisie bekijkt, verblijf ik een wijl bij Alleen Elvis blijft bestaan. In een fragment toont Jeroen Olyslaegers ons daar iets over Alan Moore, een van zijn inspiratiebronnen. Ik zoek die documentaire op en word in The Mindscape of Alan Moore van mijn sokken geblazen door wat die mens me vertelt. (°) 
Alan Moore is stripauteur en schrijver van fantasy, genres dat me vooral vervelen. Daar tegenover staat dat ik niet voor het eerst gegrepen word door wat zo’n fantasy-auteur me over de stiel vertelt. Ik heb dat eerder al ervaren bij Ursula Le Guin, Neil Gaiman, J.G. Ballard en vooral bij de trotskist China Miéville.
En nu de anarchist Alan Moore (°1953). Wanneer hij veertig wordt roept hij zichzelf uit tot magiër. Dit is wat hij er hier over zegt: ‘Het lijkt me in mijn werk wel veel energie te hebben gegeven. Ik publiceer nu waarschijnlijk meer boeken dan ik ooit gedaan heb, meer zelfs dan toen ik nog jong en monter was. Ik produceer behoorlijk veel pagina's. Veel daarvan betreffen nieuwe inzichten in mijn eigen creatieve processen, die ik aan magie te danken heb. Want wanneer ik over magie spreek, heb ik het in zekere zin alleen over het creatieve proces. Magie is voor mij iets uit niets, een konijn uit een hoed of een comic die uit mij tevoorschijn komt terwijl ik in een leunstoel zit met een volledig lege geest.’
In The Mindscape of Alan Moore hoor ik hem dit zeggen: ‘Magie, in z’n vroegste vorm, wordt vaak omschreven als ‘de kunst’. Ik meen dat dit volkomen letterlijk is, en dat kunst — of het nu literatuur is, muziek, beeldhouwen of wat dan ook — de wetenschap is van het manipuleren van symbolen, woorden of beelden, om bewustzijnsveranderingen mee te veroorzaken. En ik geloof dat dit de reden is waarom een kunstenaar of schrijver in de huidige wereld het best te vergelijken is met een sjamaan.’

Flor Vandekerckhove

(°) VRT. Canvas. Net gemist. Alleen Elvis blijft bestaan. Met Jeroen Olyslaegers. 15 december 2018. Ik heb geen idee hoe lang na datum je daar de getoonde reportages kunt bekijken. Maar ik heb hem wel hier gevonden: The mindscape of Alan Moore op https://www.vrt.be/vrtnu/a-z/the-mindscape-of-alan-more/2005/the-mindscape-of-alan-more-s2005/.

zondag 13 januari 2019

De toekomstige lotgevallen van Siegfried in Gent

Heel Gent rijdt met belgerinkel naar de winkel. Voetgangers overspoelen straten & pleinen. Gewemel alom! Een slogan klinkt almaar luider over de stad: Sieg-fried bui-ten! Sieg-fried bui-ten!
Niemand krijgt dit nog onder controle, echt niemand. ’t Is nochtans geprobeerd, maar de coup is mislukt. Op de Blaarmeersen hebben de Vlaams-nationalisten de Slag der gulden wielvelgen verloren. De knippen hebben stand gehouden. Aan de Brugse Poort worden de buitgemaakte wielvelgen thans verdeeld onder Bulgaren die met zo’n dingen wel raad weten, aldus twittert Theo Francken.
Met hun vaandels onder de arm ontvlieden Siegfrieds laatste bondgenoten de stad. Zijn chauffeur heeft het stuurwiel aan een parkeermeter gehangen. Zelf heeft Siegfried zich listig in een sociale woning verscholen, de plek waar je hem ’t minst zou zoeken. Wat doet hij daarbinnen? Hij verbergt zich tussen de andere schimmels die in Gentse sociale woningen welig tieren.
Een stoet gele hesjes nadert. Siegfried zit met de poepers: Sieg-fried bui-ten! Sieg-fried bui-ten! Haastig bedenkt hij een list. Uit het kot haalt hij een klein velootse en uit de kast een bleiw majootse, hij verkleedt zich in een tsjeef die koomiskes doet. (°) Terwijl de stoet voorbijtrekt, treedt hij, zoals geëist, naar buiten en scandeert een sloganvariante: Ik-ben bui-ten, ik-ben bui-ten! In verwarring gebracht door deze vreemde verschijning maken de gele hesjes een cirkel rond Siegfried. De stemming is wat ze is.
Onverwachts komt Mieke, schepen van trouwpartijen, aangefietst. Ze is niet alleen een tsjeef, maar ook een gutmensch. ‘Voorwaar ik zeg u,’ roept ze kordaat, ‘laat deze man gaan of ’t zal over heel Gent kikvorsen regenen.’ Waarmee ze een Bijbelvers uit Exodus in stelling brengt, iets wat in haar tijd wel meer gedaan werd. Ferme madam als ge ’t mij vraagt, maar of haar plaag daadwerkelijk over Gent zal nederdalen, moet de toekomst zelf maar uitmaken.
Flor Vandekerckhove



(°) Tsjeef (katholiek), koomiskes (boodschappen), velootse (fietsje), bleiw (blauw) en majootse (shirt) zijn Gentse woorden. Freek Neirynck zei me hoe ik ze moest schrijven.

vrijdag 11 januari 2019

Nicolas Calas: surrealist en trotskist

— Surrealisten in ballingschap. 1945, in de New Yorkse woning van kunsthandelaar Pierre Matisse. Van links naar rechts: André Breton, Esteban Frances, Suzanne Césaire, Jackie Matisse, Denis de Rougement, Elisa Breton, Sonia Sekula, Elena Calas, Yves Tanguy, Nicolas Calas (centraal in beeld, geknield), Marcel Duchamp, Patricia Matta, Roberto Matta, Teeny Matisse en Aimé Césaire. —   


In 1938 reist de Franse surrealist André Breton naar Mexico, waar hij de verbannen Russische revolutionair Leon Trotski opzoekt. Dat bezoekt werpt vruchten af, een Manifest voor een onafhankelijke revolutionaire kunst dat Trotski en Breton samen opstellen. De tekst moet de basis leggen waarop een Internationale Federatie voor Onafhankelijke en Revolutionaire Kunst (FIARI) gebouwd wordt. Er ontstaan afdelingen in Parijs, Londen, New York en Mexico.
Surrealisme en trotskisme zijn twee verschillende dingen. Toch zijn er die beide in een persoon verenigen. Over de dichter Benjamin Péret heb ik het hier al gehad. Ook de Grieks-Amerikaanse dichter en kunstcriticus Nicolas Calas (1907-1988) is tegelijk surrealist en trotskist geweest.
In Parijs werkt Nicolas Calas samen met de Amerikaan Sherry Mangan om daar de Parijse sectie van de FIARI te organiseren. Mangan is auteur, dichter en journalist, hij laat niet na om een boek van zijn surrealistische kameraad Nicolas Calas in Amerika bekend te maken. In Partisan Review bespreekt Mangan dat boek niet kritiekloos, maar hij sluit zijn bespreking wel onomwonden af met ‘Dit boek is ongetwijfeld het meest stimulerende dat Frankrijk dit jaar geproduceerd heeft.’ (°)
In de surrealistische theorie is Calas vooral bekend voor zijn essay ‘Naar een derde surrealistisch manifest’. Daarin ontwikkelt hij de idee dat het surrealisme zal mislukken als de revolutie uitblijft. Calas blijft het surrealisme levenslang trouw, maar met de koude oorlog komt wel de politieke ontgoocheling. Die overwint hij in de jaren zestig. Enthousiast begroet hij de studentenrevoltes en dat geldt eveneens voor het artistieke verschijnsel pop art. Ook politiek blijft hij actief, zo schrijft hij voor de Griekse krant Antistassi, een in Londen uitgegeven verzetskrant tegen de Griekse militaire junta.
Hieronder vertaal ik een gedicht van Calas. In Four O’Clock verenigt hij surrealisme en trotskisme. Het gedicht wordt door de Amerikaan Alan Wald als volgt geduid. ‘In deze passage kunnen de Himalaya's staan voor de Naropa University (een Tibetaans boeddhistische unief in Boulder, Colorado, waar Calas uitgenodigd gast was door Allen Ginsberg); "Aardse omwentelingen" voor sociale revolutie; "De fusie van terreur en schoonheid" voor het surrealisme; "Mount Athos" voor de nalatenschap van religieuze rijkdommen; "Aurora" voor de Romeinse godin van de dageraad; en "Four O'Clock" voor de Vierde Internationale. Men voelt dat Calas trouw blijft aan Surrealisme en Revolutie (…) dat hij nog steeds in de verwachting leeft van een authentieke sociale transformatie.’
Flor Vandekerckhove


(°) Partisan Review is een Amerikaans cultureel tijdschrift waarover ik het wel meer heb. Het heeft zelfs een apart label in de alfabetische lijst van onderwerpen die u rechts in de blog aantreft. In de lente-editie van 1939 wordt het boek van Calas door Mangan (schuilnaam Sean Niall) in zijn rubriek ‘Brief uit Parijs’ besproken. U kunt dat nalezen als u hier klikt, want alle nummers van Partisan Review zijn op ’t internet in te kijken.


woensdag 9 januari 2019

Grace Paley, Raf Verbeke en ik

— Gino Russo (links) en Raf Verbeke. © Reporters Quinet. —   

Veel verhalen van Grace Paley zijn er eigenlijk twee. Het ene speelt zich in de persoonlijke sfeer af, het andere is iets wat in de wereld gebeurt. Toch schrijft ze niet over verschillende dingen, de twee vallen samen. Soms gebeurt het in een enkele zin: ‘Toen bespraken we hoe het SALT-verdrag de basis miste waarop het plafond moest rusten, lazen we een gedicht dat een van zijn dochters had geschreven, keken naar een televisieprogramma dat de ondergang van de Europese textielindustrie bekend maakte, en toen gingen we met elkaar naar bed.’ En elders: ‘(…) en toen werden de kinderen geboren, en daarna had ik op dinsdagavond altijd die vergaderingen, en toen begon de oorlog (…)’
Voor haar is dat gemakkelijk, want haar alter ego engageert zich ten volle in de wereld en doet thuis ook de was en de plas. Dat geldt nog meer voor mijn lievelingsschrijver Isaak Babel. Hij verhaalt over de tijd waarin hij als embedded journalist aan een veldtocht deelneemt. Als diens alter ego onderweg naast een onthoofd lijk wakker wordt ligt het persoonlijke verhaal wel heel dicht bij dat van de wereld.
Ook ik heb me in de wereld geëngageerd, maar die tijd ligt achter me. Waar ik nu, op de drempel van mijn zeventigste, over schrijf is dit: ik zit in de zetel en vertel over kleine dingen die zich daar, via de onontwarbare wegen van de creativiteit, ontvouwen. Dat levert stukjes op waaraan ik veel genoegen beleef, en u hopelijk ook, maar als ik de kwaliteit ervan wil verhogen moet ik aan mijn huiselijkheid toch een beetje wereld toevoegen.
Ik moet nog een beetje experimenteren om uit te vissen hoe ik dat op eigen wijze kan doen. Al enigszins geslaagd vind ik Alleen maar waargebeurde feiten, en misschien ook Keukenfilosofische mijmeringen tussen Parijs en Orleans. Maar hoe moet ik het bijvoorbeeld doen in het stukje dat ik hier nu nog aan ’t schrijven ben?
Terwijl ik daar over nadenk ga ik koffie zetten. Plots ontvouwt de wereld zich in een krant die op het aanrecht ligt. Mijn oog wordt aangetrokken door een foto van twee gele hesjes die hun medestanders toespreken. Ik kijk aandachtig naar het beeld en herken naast Gino Russo voorwaar mijn oude strijdmakker Raf Verbeke.

Flor Vandekerckhove