donderdag 31 augustus 2017

De dag waarop Roberta Sparrow stierf

— Het doodsprentje van
Roberta Sparrow. —
’t Zijn de hondsdagen en er zit onweer in de lucht. Wanneer ik mijn fiets op gang trek steekt er een verschroeiend hete wind op die niets goeds voorspelt. Ik neem me voor om het bezoek kort te houden, zodat ik weer thuis ben als de hel losbarst.
In het woonzorgcentrum Jacky Maes, dat ik waarschijnlijk altijd Wackerbout zal blijven noemen, ga ik op bezoek bij Georgette, een achternicht van mijn vader en dus een achter-achternicht van mij.
We zitten in het salon op de tweede verdieping, Georgette in haar rolstoel en ik in een gerieflijk zeteltje. Ik word omgeven door wel twintig vrouwen. We kijken uit over de Duinenstraat, de bushalte, het plantsoen, de Keerweg en vooral over de luchten die dermate duister worden dat het erop lijkt dat Constant Permeke ze vlak voor onze neus aan ’t schilderen is. En we spreken over het weer: ’t is wel een weer hé, en: dat het geen weer is… Het soort gesprekken dat ik destijds met mijn vader placht te voeren, waardoor ik er erg goed in ben geworden: En dat het geen weer meer is als vroeger.
EEN SCHICHT! EEN KNAL! En een nauwelijks waarneembaar tijdverschil daartussen. De wereld staat een nanoseconde stil. De vrouwen schrikken en ik schrik met hen mee. Iemand slaat een kruis, iemand slaakt een vloek. Een nooit eerder gezien onweer raast over ons heen.
In de geesten van zij die rond mij zitten doemen beelden op uit lang vervlogen dagen, waarbij ze zichzelf weer rond het vuur zien zitten; jonge meisjes die naar grootmoeders verhalen luisteren, over doodskisten, kruisen en bloederige zwaarden, die bij nacht & ontij aan het firmament verschijnen, tekens dat het einde nabij is; een dreigement dat tachtig jaar later in hun hoofd herhaald wordt, en deze keer voor echt.
Heel het salon baadt in het duister. Heeft een bliksemschicht de elektriciteitscabine geraakt? En weer is ‘t gedonder niet van de lucht en weer splijten bliksems het gewelf open. Het venster wordt een waterval waar wij achter zitten en die ons van de wereld isoleert.
Her en der staan vrouwen op die schuifelend hun kamer opzoeken. Georgette vraagt me om haar kar te duwen. De bewoners gaan elk hun eigen gang, verzonken in persoonlijke gedachten die tegelijk deze van al de anderen zijn.
Nadat ik Georgette teruggereden heb en op haar vraag de deur heb dichtgetrokken, zie ik dat het salon op één vrouw na leeg is. Ze wenkt me. Wanneer ik naast haar sta fluistert ze me in het oor: ‘Elk levend wezen op deze aarde sterft alleen.’ Waarna ook zij zich in haar kamer terugtrekt.
In het rusthuis, dat ik nu woonzorgcentrum moet noemen, sterven die nacht drie bewoners. Wanneer ik de daaropvolgende week Georgette weer opzoek zie ik de doodsprentjes. Een ervan staat op naam van Roberta Sparrow. Op de foto herken ik de vrouw die me een week eerder gewenkt heeft.

Flor Vandekerckhove


— Donnie Darco. Regie en script Richard Kelly. USA 2002. 113 min. Patience Cleveland speelt het personage van Roberta Sparrow. —

woensdag 30 augustus 2017

Werken aan Ongemak

ONGEMAK
Humberto Costantini, mijn vertaling uit het Engels.

Ik ga niet zeggen dat ik in de beste der werelden toefde
maar ik had ten minste een archief
met al zijn manen perfect gesorteerd,
de sleutelbloem viervoudig gevouwen in de middelste schuif
met hier en daar een absurditeit die
aan de kant van het bureau bleef liggen.

Ik ga niet beweren dat ik in de beste der werelden vertoefd heb
maar er waren toch drie of vier vrienden die van mijn wijn genoten,
en drie of vier vrijsters van mijn bed,
en mijn uitgever geloofde echt in mijn roman,
en om kwart voor zes
kwamen de timide geesten stilletjes weer met me kouten.

Ik ga niet zeggen dat ik in de beste der werelden toefde
maar mijn toekomst strekte minstens een week ver
waarin je honderdtwintig geschreven lijnen kon verwachten,
minstens een onbetekenende dronkenschap
en daarenboven vijf minuten gymnastiek per dag.

Ik toefde niet, ‘k geef het toe, in de beste der werelden
maar over het algemeen waren de dingen redelijk klaar;
vuurvliegjes hingen niet, als nu, van het dak naar beneden
noch hielden de treinen mij wakker tot in de vroegte,
noch kwam september me zijn komst melden
de wind stak niet op om zich in mijn gelaat dood te lachen.

Ik wil niet beweren dat ik in de beste der werelden toefde
maar deze reuzegrote, bevende maan,
deze ongewoon gekastijde maan,
dit verschrikkelijke rode stoplicht van een maan,
deze maan gemaakt van slapeloosheid en kleine verzen…
‘t is om zot te worden Heer,
hoe barbaars. 

Humberto Costantini (1924-1987) was een Argentijnse dichter. Hij was ook een linkse activist. In 1976 werd zijn leven door het regime bedreigd en ging hij op de vlucht. Zijn Mexicaanse ballingschap duurde tot 1983. Daarna kon hij naar Buenos Aires terugkeren.
Zeker weten doe ik het niet, maar dit gedicht schrijft hij wellicht tijdens zijn ballingschap. Hij voelt zich ontheemd.
Het gedicht vind ik hier. Daar staat naast de Engelse vertaling ook het Spaanstalige origineel. Dat laatste kan nuttig zijn voor lezers die een poging ondernemen om mijn vertaling te verbeteren, wat ik aanmoedig, want ik publiceer dit als een work in progress.
Mijn onzekerheid begint al bij de titel. Het woord inconveniënt bestaat ook in het Nederlands, maar ik voel niet goed aan wat dat exact betekent. Eerst vind ik ook de synoniemen ontoereikend, maar dan valt mij een boektitel van de gitzwarte filosoof Emil Cioran te binnen: De l’inconvénient d’être né, wat in ’t Nederlands vertaal werd als: Geboren zijn is ongemak. Vandaar dat ik Costantini’s mooie gedicht toch Ongemak als titel meegeef.
Worstelen doe ik met ’s mans archief waarin ‘al zijn manen perfect gesorteerd’ zijn. In een eerdere versie vervang ik manen door dromen, gedachten die met het maanlicht komen; dromen die in teksten gevangen worden en in het archief van de dichter terechtkomen. De angstwekkende maan in de slotverzen wordt dan een kwade, nachtmerrieachtige droom, de kwalijke droom van de banneling. Manen wordt dromen.
Voor de zekerheid kijk ik nog even naar het Spaanse origineel, maar ook daar staat luna, maan. Zou die maan naar lunatiek verwijzen, een woord dat niet in ’t groene boekje staat en dat maanziekte betekent? Zegt de dichter op ’t einde niet dat hij zot wordt van die maan? Zou ik het gedicht Maanziek mogen noemen?
Bij nader inzien vind ik dat ik me dan toch wel heel veel vrijheid toemeet. Als de dichter dromen bedoelt of kopbrekens die hem tureluurs maken, waarom schrijft hij dan manen? Heeft het iets met een woordspeling te maken die ik, Spaansonkundig als ik ben, niet begrijp? Is het slang, iets wat de inwoners van Buenos Aires wel begrijpen, en West-Vlamingen niet?
Uiteindelijk beslis ik om ‘(…) een archief / met al zijn manen perfect gesorteerd’ te behouden. En de titel wordt niet Maanziek, maar blijft Ongemak.
Ik begrijp de zin niet goed die zegt: ‘nor did trains keep a wakeful vigil until dawn’. Onzeker blijf ik tot nu over ‘noch hielden de treinen een wakkere wake tot in de vroegte’. Wordt de dichter s nachts gestoord door voorbijrijdende treinen of ergert hij zich eraan dat de treinen in zijn barbaarse ballingoord ’s nachts niet rijden?
Help!
(Inmiddels heb ik al hulp gekregen, zie 'reacties'.)

Flor Vandekerckhove

dinsdag 29 augustus 2017

Leren bloggen met De Laatste Vuurtorenwachter (II)


— ‘I insisted that our Cause could not expect me to become a nun and that the movement should not be turned into a cloister. If it meant that, I did not want it.’ (Emma Goldman) —

Nadat ik u hier over de huiselijke infrastructuur van het bloggen verteld heb, wil ik u heden onderwijzen in het persoonlijke doel van de blogger. Want dat is wat bloggers en voetballers met elkaar gemeen hebben: een doel.
Dat bloggersdoel kan zo’n beetje van alles zijn, maar het doel van De Laatste Vuurtorenwachter is de maatschappelijke omwenteling.
Hoho! roept u uit, eraan toevoegend dat mij dat niet zal lukken.
Dat kan wel zijn, repliceer ik gezwind, maar ik kan het toch proberen.
Hoe denkt u dat veel te hoog gegrepen doel met zo'n klein blogje te bewerkstelligen? werpt u me daarna voor de voeten. Waarop ik woordelijk nazeg wat de grote A.L. Snijders mij voorzegt: De werkelijkheid is zo angstaanjagend groot en wij zijn zo onvoorstelbaar nietig dat er niets anders op zit dan schrijven, schrijven, schrijven, schrijven, schrijven.'
Waarna ik u twee voorbeelden uit mijn schrijverij aanreik, twee hefbomen ter omwenteling. Het ene betreft de schone kunsten en het andere gaat over politiek.
Mijn maatschappijvisie heb ik eerder al belicht in de G-spot van de politiek. U mag daarvan zeggen wat u wilt, maar u zult niet ontkennen dat wat ik daar schrijf én origineel is én aantrekkelijk.
Is het dan vermetel te hopen dat het iemand inspireert? Is het ondenkbaar dat iemand door deze spetterende blogpost de weg naar de G-spot inslaat? Naar deze van de seksualiteit of deze van de politiek? Of beide? Zou het niet kunnen zijn dat de omwentelingsgezinde rangen — o lio lio la! — erdoor aangroeien?
De kans is klein, zegt u.
Akkoord, antwoord ik, maar is ze onbestaande? Neen, neen, driewerf neen!
En nu de kunst. Kan kunst de wereld veranderen? De vraag is al miljoenen keren gesteld, en de antwoorden zijn legio. Maar de surrealisten en ik staan schouder aan schouder wanneer we zeggen: We kunnen het in elk geval proberen.
In Dit is geen… laat ik Georgette en René Magritte de nacht in een Vlaams kusthotel doorbrengen. Na een avondwandeling trekken ze hun kleren uit en naakt dansen deze vaandeldragers van het surrealisme elkaar de nacht in. Waarmee ze Emma Goldman vieren die zegt: Als ik niet kan dansen wil ik geen deel uitmaken van je revolutie.
Hebt u, na het lezen van dat stukje, niet iets soortgelijks beproefd? Heeft uw partner de rolstores niet laten zakken? Hebben jullie getweeën vervolgens niet, naakt dansend, de zoete voorsmaak van het omwentelen geproefd? Hoezo neen? Is het te laat dan? Waarom wacht u? Want dat is wat ook uw partner u vraagt: waarop wacht u eigenlijk?

Flor Vandekerckhove

zondag 27 augustus 2017

Omdat bijkomstigheden belangrijk zijn

— Flor Vandekerckhove. 1985. — Detail van een scheepsnummer 
(het oude Britse vissersvaartuig P.753 in de haven van Oostende). 
(Acryl op ongeprepareerde jute. 120 x 120 cm.) —
In DM Zomeruur, de weekendbijlage van De Morgen, brengt Rik Van Puymbroeck op 26 augustus verslag uit van zijn bezoek aan illustrator Judith Vanistendael. Zijn interview past in de reeks over Vlamingen die, al dan niet partieel, in Frankrijk wonen. 
Judith Vanistendael verblijft in Blond, waar de familie een huis bezit. Ze zegt: ‘Dit is maar een klein dorpje, maar als je je huis wilt verven moet je naar het gemeentehuis waar je een kleurenkaart krijgt. Uit een paar tinten mag je kiezen: pastel, afgebleekt bruin, een soort groen. Roze mag niet. En wit ook niet: dat is de kleur van Mortemart, een dorp verder.’
Het citaat smijt me terug in de tijd en meer bepaald tot in 1988, het jaar waarin ik voor het eerst een stukje onder de naam De Laatste Vuurtorenwachter publiceer. Dat stukje verschijnt in Het Visserijblad van 1 februari 1988. Ja, binnenkort is ’t alweer dertig jaar geleden dat ik me de vuurtoren heb toegeëigend.
In die tijd vestig ik me op de Oostendse Oosteroever, te midden de vissers, scheepsbouwers, lassers en vislossers. Ik woon er in het huis naast de vuurtoren. Radio- en televisiejournalisten denken lang dat ik dat ook ben, de laatste vuurtorenwachter, en ik heb menigeen ontgoocheld die van Brussel tot aan ’t strand kwam rijden om daar te constateren dat ik maar een schrijver ben.
Wat ik in die tijd ook doe is schilderen. Vandaar dat ik aandacht heb voor de kleuren die er overheersen: veel roest en als de verflaag nog zichtbaar is dan is die veelal groen; in Zeebrugge is dat blauw.
Ik weet niet hoe het komt dat de Oostendse visserij toen zo groen was. Ik weet dat rederijen hun eigen kleur hebben, maar grote rederijen zijn daar al lang nergens meer te zien. Komt het doordat schippers samen verf aankopen? Is er traditie in ‘t spel? Is ’t een zaak van ongeschreven regels? Is 't na-aperij? Gebruiken ze elkaars verfoverschotten? Is het toeval? Is het iets wat ik mezelf wijsmaak?
Wat ik wel weet is dat ik me in dat allereerste stukje erger aan sportvissers die oude vissersschepen opkopen en die vervolgens in om ’t even wat schilderen, geel, rood, zwart…
Later, wanneer de poorten van het Oostendse vismijngebouw vervangen worden, zie ik dat er voor blauw gekozen wordt, Zeebrugse kleuren. Ik ervaar het als een identiteit die verkwanseld wordt. Als ik er destijds al met deze of gene over gesproken heb, dan heeft, zo weet ik wel zeker, niemand mijn kleine bekommernis gedeeld.
Inmiddels weten we dat het de verre voorbode geweest is van iets wat later daadwerkelijk gebeurt: de Oostendse vismijn wordt opgekocht door de NV Zeebrugse Visveiling. In het Franse dorpje Blond zou het niet waar geweest zijn.

Flor Vandekerckhove

vrijdag 25 augustus 2017

Paul Le Blanc weet hoe je een debat moet aanzwengelen

— Paul Le Blanc (°1947), een professor met een megafoon. —    

In 2015 publiceert de Amerikaanse historicus Paul Le Blanc een nieuwe biografie van Leon Trotski. (°) Twee zaken vallen op. Hij focust vooral op de periode van 1929 tot 1940, de jaren van ballingschap. Wat Le Blanc ook zegt is dat enkele klassiekers van het trotskisme niet origineel zijn. Dat geldt zowel voor de theorie van de permanente revolutie (1906) als voor het Overgangsprogramma (1938).
Le Blanc — zelf een trotskist, actief in de International Socialist Organization — heeft intussen weerwerk gekregen. Tijdens zo’n discussies ga ik meestal eens plassen, maar wie daar een keer in wil neuzen (en voldoende Engels kent) kan ik enkele hoogtepunten aanprijzen. Beginnen kun je met de sympathieke boekbespreking van Alan Wald, ook een trotskist en voor de rest een specialist van de roman noir. Waarna je je kunt verdiepen in het antwoord dat Le Blanc op Wald formuleert. Dan weet je meteen ook hoe twee trotskisten op leeftijd met elkaar discussiëren.
Wie liever geen trotskisten leest, omdat hzij daar allergisch voor is bijvoorbeeld, kan terecht bij John Marot, een professor die je niet gauw met de megafoon ter hand zult kunnen fotograferen. Hij meent dat Le Blanc bewust een periode uit het leven van Trotski verdonkeremaant, en da’s uitgerekend de tijd waarin Trotski de opgang van Stalin had kunnen beletten, aldus de professor in Assessing Trotsky. Wie er daarna nóg niet genoeg van heeft — wat merkwaardig zou zijn, maar goed — kan zich vermeien in het minstens even interessante antwoord van Louis Proyect, een Amerikaan die in 1978 de trotskistische partij verlaat, maar daar zijn overtuiging niet achterlaat: Assessing John Marot. Alles samengevat: Paul Le Blanc weet hoe hij een debat moet aanzwengelen.
Dat doet hij ook in een interview dat hier te lezen valt. Ik knip er twee stukjes uit. Het eerste betreft een vraag die socialisten af en toe moeten stellen, in de eerste plaats aan zichzelf: wat is socialisme? Beperkter is de doelgroep aan wie je de tweede vraag kunt stellen: kan een mens zich vandaag nog wel een leninist noemen?
Volgens Paul Le Blanc zijn ‘marxisme, leninisme, socialisme en communisme bedrieglijke woorden. Ze hebben verschillende betekenissen voor verschillende mensen, het is bijgevolg belangrijk om te definiëren wat je onder deze woorden verstaat.’
Wat verstaat Le Blanc daar dan onder? ‘Zoals je weet heb ik socialisme voornamelijk gedefinieerd als economische democratie. Dat veronderstelt het bestaan van politieke democratie; het is het uitdiepen van democratie in het economische veld. (…)’ 
Oké. Moeten we dan het socialisme omhelzen en het communisme verwerpen? ‘Ik neig ertoe om de woorden [communisme en socialisme] op dezelfde manier te gebruiken als Marx deed, als synoniemen.’
Het probleem is, zegt hij, ‘dat “communisme” (…) geassocieerd wordt met enkele van de ergste dictaturen in de menselijke geschiedenis. Dus, wanneer iemand me vraagt of ik een communist ben dan zeg ik “het hangt ervan wat je daarmee bedoelt” (…)’
Beschroomd is Le Blanc niet om zich een leninist te noemen: ‘We moeten het marxisme op een kritische en creatieve manier toepassen in onze huidige omgeving, ons democratisch organiseren om de spontane strijd die ontstaat te respecteren, te waarderen en om die verder vooruit te helpen, en uit zo’n dynamiek kan er een revolutie groeien, en uit zo’n revolutie kan socialisme ontstaan. Dat is de fundamentele oriëntatie van het leninisme zoals ik dat begrijp.’
Vind je die antwoorden te simpel? Laat me je dan het hele boek van Paul Le Blanc aanbevelen.
Flor Vandekerckhove


(°) Paul Le Blanc. Leon Trotsky (Critical Lives). 2015. Reaction Books, London. 224 pp.

donderdag 24 augustus 2017

Aldi

Vroeger ging ik daar haast dagelijks heen, maar dat is lang geleden, heel lang zelfs. Mijn koopgewoonte heeft zich van Aldi naar Colruyt verplaatst. Hoe dat in zijn werk gegaan is weet ik niet goed. Als ik er al over nagedacht heb dan vind ik daar in mijn geheugen geen sporen meer van.
Nu wil mijn vriendin zich de kookpotten aanschaffen die in de Aldifolder veel ruimte krijgen. Tijd om die daar te halen heeft ze niet en dus doe ik dat in haar plaats. Voor één keer zet ik daar mijn fiets weer in het rek.
De winkel is, zie ik meteen, compleet gerenoveerd. Er is meer licht en de gangen zijn breder. Alles oogt minder Aldi dan voorheen. Niet alles staat nog op dezelfde plaats. De suikerloze harde wafeltjes vind ik niet meer in het assortiment, dat is spijtig.
Er is ook veel herkenning. De gerant bijvoorbeeld is nog steeds dezelfde man, maar nu iets grijzer. Ik herken enkele kassiersters, iets dikker nu en de huid wat slapper, maar nog heel herkenbaar.
In Aldi kun je doorheen een raam naar slager Renmans kijken. Daar valt mijn oog op de bediening. Ik herken de forse meiden die daar nog altijd met grote slagersmessen in de weer zijn. Dat die vrouwen daar nog werken vind ik straf, want het werk bij de slager is hard, het vlees koud, het cliënteel ongedurig, de bediening intens, de vloer glibberig, de drukte groot, de waardering laag…
Buiten bind ik de kookpotten vast aan het bagagerek van mijn fiets en als alles goed vastzit keer ik op mijn passen terug om nog eens goed naar de vrouwen van slager Renmans te kijken.

Flor Vandekerckhove

woensdag 23 augustus 2017

De vrouw die zichzelf niet was

Ik zit in de lange gang van het rusthuis dat ik niet oudemannenhuis mag noemen en zelfs niet langer Wackerbout; het heet daar nu WZC Jacky Maes. Naast me zit een vrouw die, zo wordt me gezegd, iets te vertellen heeft.
Op de dag, inmiddels ook alweer lang geleden, dat ze met haar man het zilveren huwelijksjubileum viert, haalt ze het fotoalbum uit de kast. ‘We keken naar onze trouwfoto’s. En opeens trok het kleur uit zijn aangezicht weg. Ik had het meteen gezien.’  Ze dacht eerst aan een hartaanval. ‘Hij werd wit als krijt, hij die anders zo’n mooi roos kleurtje had.’
Vervolgens gaat het van kwaad naar erger. ‘Ik haalde een glas water en toen ik terugkwam zag ik de razernij in zijn ogen. Hij schreeuwde, en dat had hij nog nooit gedaan. 'Jij bent niet met mij getrouwd', riep hij. 'Jij bent haar niet!' Het album had hij op de grond gesmeten en ik durfde het niet op te rapen, want hij was echt door het dolle heen; hij die anders de kalmte zelf was. Hoe meer ik hem probeerde te kalmeren hoe razender hij werd. Op den duur begon hij me te slaan. Ik vluchtte naar de badkamer, sloot mezelf op en belde om hulp, want hij bleef maar tekeergaan.’
Alles wat ze zegt schrijf ik op, want godver, hier zit toch wel een goed verhaal in.
Ze hebben hem moeten meenemen meneer en sindsdien heb ik hem nooit meer weergezien.’
Ik vraag: ‘Hoezo, nooit meer weergezien?’
Hij is onderweg ontsnapt meneer. Hij is uit de rijdende ambulance gesprongen en hij is in de duinen weggevlucht. Sindsdien ontbreekt van hem elk spoor.’
Heeft ze dat fotoalbum nog? Mag ik het inkijken? Er komt geen antwoord meer. Nadat ze een hele tijd in de verte gestaard heeft, staat ze op om naar haar kamer terug te keren. Meer tegen zichzelf dan tegen mij zegt ze: ‘Toen ik het fotoalbum ’s anderendaags wilde opbergen, zag ik het zelf ook. De vrouw op mijn trouwfoto’s, de vrouw die op mijn eigen trouwfoto’s naast mijn man staat, de bruid van deze bruidegom… Dat ben ik niet, dat is iemand anders. Ze draagt mijn kleren, ze lijkt op mij, maar dat ben ik niet. Mijn man is met een vrouw getrouwd die ik niet ben en ook niet ken.’

Flor Vandekerckhove

dinsdag 22 augustus 2017

Over het nut van kopiëren

Ooit bezocht ik een bevriende kunstenaar die zijn bete broods verdiende door ’s avonds les te geven. In het atelier had hij postkaarten verdeeld, reproducties van schilderijen. De leerlingen moesten zo’n postkaart naschilderen. Hijzelf liep minzaam murmelend rond: Goed, goed zo. En als ’t niet goed was, zei hij: ’t Zal wel goed komen.
Mij leek dat wel een gemakkelijke manier om je geld te verdienen, maar dat je op die manier iemand kon leren schilderen, daar had ik grote twijfels bij. Ik vergeleek het met iemand die pakweg Het verdriet van België overpent om te leren hoe je een roman maakt.
Daar moest ik weer aan denken toen ik de memoires van Bob Dylan aan ’t lezen was. (°) Dylan begint klein. Hij zingt andermans teksten. Hij bestudeert intensief hoe anderen dat gedaan hebben. Hij noteert woordelijk teksten van bijvoorbeeld Woody Guthrie. En onderzoekt waardoor ze zo krachtig zijn. Misschien is dat wel, dacht ik, het equivalent van de schildersles van mijn vriend.
En dit is wat ikzelf ook al ondervonden heb. Wanneer ik een ietwat lange tekst van iemand anders overschrijf, bijvoorbeeld om die te citeren, valt het me op dat je dan significante details opmerkt die je anders over ’t hoofd ziet. Bijgevolg: misschien is ’t niet eens zo gek om eens een verhaal van een groot auteur woordelijk over te schrijven. (Ook dan neem je wellicht beter iets wat korter is dan Het verdriet…)
Dat had ik onlangs weer, met het citaat van Karel van het Reve dat ik wilde aanwenden om er mijn Verdraagzame Jehova’s getuige mee te larderen: Het zijn geen politieke of levensbeschouwelijke grenzen, maar moeilijk definieerbare zaken als gevoel voor proporties, smaak, fatsoen, redelijkheid, een zekere persoonlijke halsstarrigheid ook, die de beschaving van de barbarij scheiden.’
Terwijl ik die zinnen overschrijf valt me die ‘halsstarrigheid’ op als iets wat schuurt met ‘proporties, smaak, fatsoen, redelijkheid.’ Wat bedoelt Karel? Moet je halsstarrig zijn om over fatsoen te beschikken? Of bedoelt hij het omgekeerde: dat halsstarrigheid je daarbij in de weg staat? Bedoelt hij dat je op een dunne koord danst waar halsstarrigheid aan de ene kant in evenwicht moet zijn met gevoel voor proporties, smaak, fatsoen en redelijkheid aan de andere? Heeft Karel hier slecht geformuleerd of juist erg goed?
Ik heb het citaat gevonden bij Philippe Clerick, een oud-maoïst die nu erg zijn best doet om de bende van De Wever gelijk te geven — en die de bekende gelijkhebberigheid van de maoïsten van links naar rechts heeft meegenomen. Ik besluit het hem te vragen, want Clerick is naast een betweterige rechtse blogger ook, zo heb ik toch de indruk, een goede leraar Nederlands.
Dit is wat hij me over dat citaat schrijft: ‘Ik geloof wel dat ik aanvoel wat de meester (mijn meester) hier bedoelt. Een mens mag zich niet laten meeslepen door zijn politieke of levensbeschouwelijke ideologie. Hij moet die altijd opnieuw aftoetsen aan gevoel voor proporties, smaak, fatsoen en redelijkheid. (…). Maar nu: die halsstarrigheid. Redelijkheid, smaak, fatsoen e.d. hebben we allemaal wel in zekere mate, maar die worden niet alleen bedreigd door ideologie, maar ook door het idée reçue, door wat iedereen zegt, door de conventie. De halsstarrigheid is nodig om op je eigen gevoel voor proportie, je eigen smaak etc. terug te kunnen vallen. Als iedereen dat doet, zal dat wellicht leiden tot soepeler relaties tussen de mensen. Het is niet een verschil in persoonlijke smaak dat leidt tot fanatisme en ruzie, wel de ideologische verblinding enerzijds en het conformistische groepsdenken anderzijds. Kortom, ik volg je eerste interpretatie: dat halsstarrigheid helpt, misschien niet om smaak en fatsoen te hebben, maar om die eigenschappen te bewaren.’
Flor Vandekerckhove


(°) Bob Dylan. Kronieken. Amsterdam Nijgh & Van Ditmar. 311 pp.

maandag 21 augustus 2017

Mark Cromphout: een technisch onderlegde jongen uit ‘t college


— Tegen die tijd was ik al uit dat Oostendse college weg. Toen deze schoolfoto genomen werd liep ik wellicht welgezind & fluitend door de Gentse straten. Maar deze jongens maakten in 1968-69 hun laatste jaar rond in de afdeling die Wetenschappelijke A genoemd werd: (1) ?; (2) Roger Van Colen; (3) Daniël Vandievel; [[(4) Arsène Carron; (5) Roger (Plong) Ramon]]; (6) Roger Kerckenaere; (7) Johan Sinnesael; (8) José Boeve; (9) Dirk Janssens; (10) Freddy Dekerf; (11) René Jungbluth; (12) Herman Tilleman (broer van Danny T.); (13) Marc Dubois; (14) Pierre Moyson; (15) Mark Cromphout; (16) Daniël Hinderyckx; (17) Daniël Cobbaert; (18) ?; (19) Luc Vandepitte; (20) Carlos Dura; (21) ?; (22) ?; (23) Michaël Decloedt; (24) Rik Dehaemers; (25) Robert Moreels; (26) Walter Proot; (27) Roger Allaert; (28) Freddy De Vos; (29) ?; (30) Ludo Sallaerts; (31) ?; (32) Ronny Goethals. —

Daarvoor doe ik het. De zin dringt zich op als ik dit briefje in mijn mailbox krijg. Daarvoor doe ik het slaat op blogposten waarin ik schoolfoto’s plaats. Ik doe het in de hoop dat iemand zijn naam googelt, via zo'n foto onverwachts in mijn blog terechtkomt en het ene vervolgens het andere voortbrengt.
Het briefje komt van Mark Cromphout. Hij staat als nummer 19 op de foto’s die ik hier van mijn jaren in het lager middelbaar publiceer.
We kennen elkaar niet goed. Wellicht komt dat doordat ik een externe leerling ben, terwijl Mark zijn nachten in het internaat doorbrengt; gescheiden werelden. Misschien komt het ook doordat Mark een jaar blijft hangen en in een andere groep terechtkomt.
Andere schoolmakkers herinnert Mark zich wel. Wilfried Laforce bijvoorbeeld, die ons in het lopen allemaal voorbijgestoken heeft. Of Chandler wiens tragische verhaal ik eerder al beschreven heb. Van René Jungbluth herinnert hij zich dat het een goede leerling wiskunde was. Vooral Ronny Goethals, hier onder het nummer 11, herinnert hij zich goed: ‘Hij was een goede makker, zeer sportief, kon gelijk welke turnoefening. Hij zwom, dook en deed aan parachutespringen; in Stene deed hij aan polsstokspringen. Ronny was een beetje de Wilfried Laforce van onze klas, maar dan minder in het lopen. Ronny is geboren in Congo (Matadi, denk ik). Het eerste jaar humaniora liep hij op het college, vervolgens trok hij weer twee jaar naar Congo om uiteindelijk de laatste 3 jaar in ‘t college af te maken. Zijn ouders waren toen nog in Congo denk ik. Zou voor ‘pol en soc’ gaan. Verder geen info meer.’ Het is trouwens op zoek naar Ronny’s coördinaten dat Mark in mijn blog terechtkomt.
— Mark Cromphout (°1950) —
Het noodlot heeft ervoor gezorgd dat hij nooit Ludo Van Kerschaever, hier nummer 37, zal vergeten: Ludo en ik waren van plan ons samen in te schrijven in Brussel (Sint Lukas, architectuur), maar hij is zo ver niet geraakt. Per autostop is hij naar Brussel vertrokken maar onderweg is de wagen in een verkeersongeval betrokken geraakt, met als gevolg dat Ludo verschillende maanden in de coma heeft gelegen en uiteindelijk, in 1968, overleden is.’
En hoe is het Mark Cromphout (°1950) vervolgens vergaan?
Na zijn studies aan Sint-Lucas Brussel (twee jaar architectuur, twee jaar werfleider bouw) komt hij eerst in ’t hoofdkwartier van Colruyt terecht waar hij onder meer Jan Decreton leert kennen. Daarna verkoopt hij producten die met industriële weegtechniek te maken hebben, producten die zijn broer in een eigen bedrijf ontwikkelt. Zijn beroepsloopbaan sluit hij af in hetzelfde Sint Lucas waar hij eerder gestudeerd heeft. Daar wordt hij diensthoofd voor het onderhoud van de gebouwen. Hij woont in Wetteren, is getrouwd, vader en grootvader, en nu ook gepensioneerd.
Intussen is ook dit gebeurd. Op een beurs in Tunis maakt Mark kennis met twee plaatselijke studenten elektronica. Zij worden uiteindelijk zijn partners in Cotech, een Tunesisch bedrijf waar Mark nog altijd bij betrokken is en dat daar inmiddels twaalf mensen tewerkstelt. Je moet hier maar eens kijken, je zult, net als ik, versteld staan.

Flor Vandekerckhove

zondag 20 augustus 2017

Verdraagzame Jehova’s getuige

In DM Zomeruur, een zaterdagse katern van de krant De Morgen, staat op 12 augustus een interview met Nadia Merregaert, een Vlaamse die beeldhouwt onder haar moeders naam, Naveau.
Nadia Naveau woont met haar echtgenoot in Saint-Bonnet-Tronçais en het interview maakt deel uit van een reeks waarin Rik Van Puymbroeck Vlamingen ondervraagt die (deels) in Frankrijk wonen. Ik volg de reeks omdat ik er al eens oude bekenden in tegenkom (Stefan Hertmans, Michiel Hendryckx), en ook omdat ik daar zelf een huisje heb, waarin ik zou wonen, ware het niet dat de liefde er inmiddels anders over beschikt heeft. Een mens kan niet alles hebben. Waaraan mijn vader placht toe te voegen 'een schoon wuuf en veel geld.' (Mijn vader kende Trump niet.)
Mijn oog blijft vasthaken aan wat Nadia Naveau over haar ouders vertelt.
Haar vader is professor microbiologie en virologie geweest aan de Universiteit van Antwerpen. Het gezin verhuist naar de Verenigde Staten en komt uiteindelijk naar Vlaanderen terug, naar Mol, waar vader gaat werken in het Studiecentrum voor Kernenergie.
De interviewer noteert nog iets. Nadia: ‘Mijn ouders zijn getuigen van Jehova en zo ben ik dus opgevoed. Streng, tot op een bepaalde leeftijd toch van de wereld afgesloten.’ Als kind is ze van deur tot deur gegaan met tijdschriften als De Wachttoren [niet te verwaren met De Laatste Vuurtorenwachter] en Ontwaakt!.’
Van dat geloof is ze inmiddels wel af: ‘En stilaan zijn de gesprekken gevolgd. Uiteraard. Ik ken veel families waar die gesprekken tot breuken hebben geleid, maar niet bij ons. Het gekke vind ik zelf dat mijn vader, professor microbiologie, heel overtuigd is. Ik heb hem daar al naar gevraagd en hij zegt dat hij die twee zaken gescheiden houdt. Wetenschap en geloof. Ze blijven overtuigd. Maar we zijn close gebleven.’
Waarmee het woord van Karel van het Reve ook in geloofskwesties bewaarheid wordt: Het zijn geen politieke of levensbeschouwelijke grenzen, maar moeilijk definieerbare zaken als gevoel voor proporties, smaak, fatsoen, redelijkheid, een zekere persoonlijke halsstarrigheid ook, die de beschaving van de barbarij scheiden.’

Flor Vandekerckhove