maandag 30 mei 2016

Speelplezier

— Na afloop vallen Martin Heylen en Serge Feys elkaar in de armen. (Foto Jo Clauwaert). —

In het Oostendse cultureel centrum De Grote Post ging op 26, 27 en 28 mei Tussen Haven & Storm door, een avondvullende show, met tekst en muziek, een imposante ode aan de zee en de vissers.
Ik mocht eraan deelnemen. Het werd voor mij een beklijvende ervaring. Nog voor de voorstellingen afgelopen waren, uitte ik tegenover de organisatoren Serge Feys en Martin Heylen mijn dankbaarheid. Vlak voor ik voor de derde keer naar de zaal trok, schreef ik hun dit berichtje:
‘Straks trek ik een propere broek aan, want vanavond gaan we weer optreden. Het wordt de laatste voorstelling. We naderen de haven, ik hoor de klokken al, het volk jubelt. Die zin is niet van mij, hij komt uit O Captain! My Captain! van Walt Whitman: The port is near, the bells I hear, the people all exulting.’
‘We hebben dat gedicht allemaal leren kennen doordat we destijds de film Dead Poets Society gezien hebben. Ik denk niet dat iemand de filmzaal toen ongeïnspireerd verlaten heeft. Ik heb er meermaals aan zitten denken terwijl ik in de coulissen van De Grote Post mijn beurt aan ’t afwachten was, want nu al staat vast: ik ga dit gebouw niet ongeïnspireerd verlaten.’
‘Martin en Serge, Ik ben geen kostschoolstudent en jullie gelijken gelukkig niet op Robin Williams (alhoewel Martin er enige trekken van heeft), maar toch. Jullie hebben deze mens van 67 iets geleerd, al weet ik nog niet goed wat. Ik probeer het woord te ontwijken, maar het lelijk klinkende initiëren dringt zich op. Het voelt aan alsof jullie me ergens in geïnitieerd hebben. Die Grote Post, Martin en Serge, dat is de Dead Poets Society van deze morzel grond aan het Noordzeestrand.’
Ja, bevangen door gevoelens van verhevenheid schreef ik waarlijk deze poëtische woorden.
Serge Feys antwoordde meteen, hij deed het kort & bondig: ‘Schoon!’ Martin Heylen liet me gisteren zijn antwoord kennen: ‘Ik vind dat een mooi compliment, waarvoor dank. Overigens heb ik ervan genoten om je de afgelopen dagen te zien evolueren van een gestrenge mens die zichzelf als kortaf en knorrig typeert, naar een stille genieter in de coulissen die telkens weer enthousiast een zeemeermin (ik herhaal: een zeemeermin) het podium opduwt, af en toe met een receptiebel van achter de schermen de zaal aan het lachen brengt en zelfs de hele groep aansteekt om, na het laatste applaus, a capella nog eens 'Op de Vismarkt' te zingen. Mocht je er ooit uit geraken wat je geleerd hebt, verwoord het en laat maar weten, ik ben benieuwd. Ik denk dat speelplezier en elkaar beter maken in de buurt komt.’

Flor Vandekerckhove

— Flor Vandekerckhove leest zijn verhaal 'Camiel De Visscher en Celine Mermaid'. De zeemeermin denkt er het hare van. (Foto Jo Clauwaert) —

donderdag 26 mei 2016

Goed nieuws

Men zegt dat de krant zelden goed nieuws brengt. Dat is ook wel waar, maar op 25 mei is het toch anders. Met genoegen lees ik op die dag een hoopgevend titeltje: Meer atheïsten dan christenen in Engeland.
Da’s goed nieuws, denk ik, op de eerste gezicht toch. In 2014 identificeert 48,5 procent van de bevolking van Engeland en Wales zich als atheïst. Voorwaar een forse stijging, want in 2011 is dat maar 25%. De gelovigheid gaat met forse schreden achteruit. Per nieuwe volger verliest de katholieke kerk tien gelovigen, de anglicaanse zelfs twaalf.
48,5 procent! Het lijkt me ook wel verdacht veel te zijn. Is dat onderzoek uitgevoerd door de goddeloze Richard Dawkins en zijn bende? Toch niet. De data werden onderzocht door Stephen Bullivant van de Catholic University van Twickenham. Onderzoeker Stephen is overigens van mening dat de kerken die gegevens ernstig moeten nemen omdat ze blootleggen welke groepen meer ‘geestelijke aandacht’ nodig hebben. (Hoe langer hoe minder blijkbaar.)
Toch is dat stukje alleen maar op het eerste gezicht goed nieuws. De titel dekt immers een andere waarheid af. Impliciet kun je hem anders lezen: 51,5 percent van de Britten beschouwt zich als gelovig. Bovendien kan de titel zelf in vraag gesteld worden. Niet elke ongelovige noemt zich atheïst. De meesten zeggen wellicht van zichzelf dat ze agnost zijn. Dat zijn mensen die een slag om de arm houden (en waarvan ik zelf zeg dat ze te laf zijn om kleur te bekennen).
Ten slotte nog dit. Er scheelt iets met de atheïsten, althans met de meeste die ik ken. Hoe komt het toch, zo vraag ik me af, dat mensen die het allerhoogste gezag uitdrukkelijk ontkennen, al het daaronder liggende gezag van staat & kapitaal zo gemakkelijk blijven aanvaarden?
God bestaat niet, het is dan ook geen prestatie om de Grote Baas weg te denken. Maar de economische en de politieke macht die onder Zijn paraplu schuilt bestaat wel degelijk. De Grote Baas tarten is gemakkelijk. Wie de kleine baasjes in vraag stelt heeft meer moed nodig. Heeft zo’n atheïst ter zake meer moed dan de gelovige? Niet per se, neen.
Flor Vandekerckhove

dinsdag 24 mei 2016

De kaap ronden

— Masaccio, Adam en Eva
verdreven uit het paradijs. —
Ik schrijf dit stukje omdat mijn maat Jo Clauwaert binnenkort zestig wordt. Hij rondt de kaap. Kijk, zo gaat het eraan toe eens je de kaap gerond heb. Laat het me vertellen, ik ben een ervaringsdeskundige, ik heb die kaap al lang gerond, ik neig al naar de zeventig.
*
Als ik het nu niet doe, wanneer dan wel? Ik moet er nu aan beginnen. Ik moet de verhalen fijn stellen die ik over enkele dagen in ’t publiek zal voordragen.
Maar doe ik dat ook? Neen, ik doe het niet. Ik doe iets anders. Ik schrijf een stukje waarop niemand zit te wachten, iets wat ik gemakkelijk kan uitstellen tot daar meer tijd voor is. Dat komt doordat ik de kaap gerond heb. Elke dag ontwaak ik met de glimlach, terwijl ik ietwat plechtig deze woorden uitspreek: deze dag hoort mij volledig toe, heden moet ik niets! (Tenzij die verhalen fijn stellen.)
*
Ik ben twintig en loop langs de steenweg naar het instituut waar ik de lessen volg. In het gebouw word ik bij de directeur geroepen. ‘Man man man,’ zegt die, ‘zeg me eens wat er scheelt.’ Ik weet niet waar hij heen wil.
‘Ik heb je zien lopen langs de steenweg’, zegt hij, ‘en je zag er zestig uit.’
Dat heeft de directeur goed gezien. Zo voel ik me ook, zestig. Ik begrijp niet wat daar mis mee is. Want zestig voel ik me al heel mijn leven, ook al toen ik vijftien was.
‘Kop op!’ zegt de directeur en met gebogen hoofd verlaat ik zijn bureau.
Ja, ik voelde me toen zestig en ik voelde me ook nog zestig toen ik dertig werd, veertig en vijftig. En toen ik eindelijk echt zestig werd viel alles in zijn plooi. Eens die kaap gerond moest ik almaar minder, en uiteindelijk — zo rond mijn vijfenzestigste — had ik het helemaal onder de knie, en moest ik niets meer. (Tenzij die verhalen fijn stellen.)
Wat heb ik die directeur toen geantwoord? Dat weet ik uiteraard niet meer. Maar laat het, omwille van het verhaal, dit zijn: ‘Halverwege de weg naar het ware leven gingen we gehuld in een zwarte melancholie, die doorklonk in zoveel spottende en trieste woorden, in het café van de verloren jeugd.’ Een citaat van Guy Debord. De directeur wist niet wie dat was. En ik wist dat in die tijd evenmin.
*
Nu ben ik de kaap al lang voorbij, maar ik voel me nog altijd zestig en vervolg mijn weg sindsdien met opgeheven hoofd. Niets moet nog. Of ’t zou het fijn stellen van die verhalen moeten zijn. Maar eerst haal ik de was nog binnen, en daarna ga ik, denk ik, wandelen.
Flor Vandekerckhove

maandag 23 mei 2016

Leren schrijven met Remco Campert

‘Ze was een werkster en had het vaak te kwaad. Boenen, dweilen en schrobben, van soggusvroeg tot savuslaat.’ Het zijn de openingszinnen van een verhaal van Remco Campert. Het heet Smartlap en is anderhalve bladzijde kort. Het staat in de bundel Vrienden, vriendinnen en de rest van de wereld.
Er is een theorie die zegt dat iets mooi is wanneer vorm en inhoud één zijn. Ik denk althans dat zo’n theorie bestaat, want op ’t internet vind ik er, googelend en al, niets van weer en zelf weet ik er ook niet meer over te vertellen. Wat ik wel weet is dit: Smartlap van Remco Campert is één in vorm & inhoud, en daardoor is het inderdaad een mooi verhaal.
‘[V]an soggusvroeg tot savuslaat’, dat is woordvervorming, en dus vorm, die in dit geval één is met de inhoud, want het is vormelijke smartlaptaal, zeer op zijn plaats in een verhaal met zo’n titel. Net zoals die andere smartlapjuweeltjes die Campert inzet: ‘Een joggie’ en ‘snags allenig over straat’.
Het mooie is dat die opvallende woordvervormingen je niet altijd meteen opvallen. Onopvallend opvallen… Voorwaar een mooie contradictie die bewerkstelligd wordt door het ritme dat Campert in die tekst legt, en dat, jawel, een smartlapritme is: ‘De vader vroeg verscheiden, o bitter lijden.’ Je blijft niet haperen aan de vorm, want die vorm glijdt door de inhoud, als een mes door de boter.
In dat verhaal wordt een werkster door ‘meneer’ bepoteld, maar gelukkig slaagt ze erin ‘ongeschonden’ te blijven. Bij Campert luidt dat: ‘Maar al was ze maar een werkster, ze had haar eer. Die bleef ongeschonden, meneer de koekepeer.’

Flor Vandekerckhove



zondag 22 mei 2016

ABBA

‘Staat er iets over ABBA in?’ Natuurlijk stond er iets over ABBA in, het was een encyclopedie.
Staat er ook een foto van hen in?’ Het tegendeel zou mij verwonderd hebben. Ik knikte.
‘Weet je wat ik vannacht gedroomd heb?’ zei hij vervolgens. ‘Ik heb gedroomd dat ik het met Agnetha deed.’
Ik maakte een fout. ‘Is dat de blonde of de brunette?’ vroeg ik.
‘Weet jij niet wie Agnetha is?’ De man begon aan het nut van de encyclopedie te twijfelen. Ik moest handelen. Ik haalde de letter A uit de koffer en opende het boekdeel op het lemma ABBA. Daar stonden ze gevieren: Agnetha, Björn, Benny en Frida. Ik zag dat Agnetha de blonde was. Het artikel was lang en er waren mooie plaatjes. Dat zat goed.
Ik vroeg: ‘Had ze in je droom ook zo’n pakje aan?’ Mannen onder elkaar hé.
‘Zwijg,’ zei die man, ‘mijn vrouw lag links en Agnetha rechts, en ik vingerde aan beide kanten.’ 
Omdat ik niet meteen wist wat ik daarop kon zeggen, keerde ik de bladzijde en kijk, daar stond een foto met alleen maar de twee vrouwen, Agnetha en Frida, de blonde en de brunette. De man en ik keken in stilte naar de vrouwen. In gedachten zag ik ze naast die man liggen. Frida links, Agnetha rechts. Het was een weerzinwekkend beeld, hopelijk bleef het niet aan me kleven.
Toen kwam de echtgenote thuis. Volgens mij geleek ze erg op die brunette van ABBA, heel erg. Een ogenblik leek het er godver op dat ikzelf in de droom van die man terechtgekomen was. Hier zaten we samen aan tafel, als waren we een soort Vlaamse ABBA, die man, zijn brunette, die blonde en ik, zij het dat Agnetha er alleen maar op foto bij was.
Ze zouden er nog eens over nadenken, zegden ze. Zo gaat het altijd als de vrouw er bij komt zitten. Vrouwen zijn te nuchter. En voor mij brak een lange dag aan, want ik moest een andere koper voor die encyclopedie zien te vinden.
Flor Vandekerckhove

zaterdag 21 mei 2016

Kind tussen de trotskisten

‘Terwijl we opgroeiden werd onze telefoon afgeluisterd.’ Die woorden staan op 19 mei bovenaan de filmbladzijde van de krant The Guardian. Het is een citaat van Kate Beckinsale.
Ik ken die actrice niet. Ik bekijk haar foto. ’t Zal met seks te maken hebben zeker… Vooringenomen als ik ben, vraag ik me af waarom iemand zo’n meisje anders wil afluisteren. Maar dan valt mijn oog op het onderschrift. ‘Op straat verkochten we onze trotskistische krant, Newsline.’
Ha, die Newsline ken ik. Dat was het krantje van de beruchte Gerry Healy, een mens waarover ik hier eerder al een stukje schreef.
Kate is de dochter van de jong gestorven acteur Richard Beckinsale. Wanneer ze tien is hertrouwt haar moeder met Roy Battersby, een televisieregisseur ‘en Kate komt in een huis terecht dat helemaal gevuld wordt met Betterby’s vier zonen en met acteurs, en vooral met politieke activisten van de Workers Revolutionary party, het kleine trotskistische groepje waarin haar stiefvader zo diep betrokken was dat hij op de zwarte lijst van de BBC terechtkwam.’ En verder: ‘Het huis wemelde van de vurige trotskisten, in een tijd waarin het haast onmogelijk scheen om té links te zijn.’ Ook die fameuze Healy was kind aan huis. WRP-members Vanessa en Corin Redgrave waren vrienden van de familie, net als de crème de la crème van de BBC, zoals regisseurs Kenith Trodd en Tony Garnett. Verder wemelde het thuis ook nog van de mijnwerkers, Palestijnse activisten en vakbondsafgevaardigden. Zegt Kate Beckinsale: ‘Als kinderen deden we dingen als het trotskistisch krantje Newsline op straat verkopen.’
Kijkt u daarvan op? Dat komt doordat u die tijd niet meegemaakt hebt. Ook ik was een vurig activist van zo’n klein trotskistisch groepje. Ook mijn dochtertje liep toentertijd, samen met het buurmeisje, al eens met ons weekblad Rood te venten; ze speelden dat na, zoals anderen winkeltje spelen. En als ik mijn ex mag geloven dan werd ook onze telefoon toen afgetapt. Dat waren tijden!
Die tijden zijn voorbij. Rood bestaat niet meer en Newsline evenmin. Ik zie op het internet dat Kate Beckinsale inmiddels bekendheid verworven heeft als heldin Selene in vijf, zes films die Underworld heten. Op youtube bekijk ik er enkele scènes van. Het lijkt me filmwerk te zijn dat maar een enkel doel heeft: geld opbrengen. Neen, in dat geval mag ik terecht zeggen: vroeger was het beter.
Flor Vandekerckhove


vrijdag 20 mei 2016

Rolhockey


Over het bouwwerk op de achtergrond heb ik het hier eerder al gehad. Het werd in 1939 gebouwd, in pakketbootstijl, en de foto, die eveneens van 1939 dateert, toont ons dat nieuwe gebouw in al zijn jeugdige pracht & praal. De nadruk van het beeld ligt evenwel op de rolschaatspiste en het is over die piste dat tal van vragen in mij opborrelen.
Eerst iets anders. Links van de schaatsbaan liggen de duinen. Ik meen te zien dat die een veel groter plat hebben dan nu het geval is. Moest je in die tijd een langere weg doorheen het Duinengat afleggen om op het strand te komen? [Hoe groot dat platte duin destijds was, is hier overigens nog beter te zien.] Werd een deel van dat platte duin later ingepalmd door de ontdubbeling van de Koninklijke Baan? Of is het een natuurfenomeen? Zijn de hoge duinen gaandeweg opgeschoven en heeft zand het platte duin opgehoogd? Is 't alleen maar gezichtsbedrog? Bestaan er metingen die ons iets leren over de hoogte van de duinen doorheen de jaren? Kent u iemand die zo’n dingen weet?
Nu de schaatspiste. Onderstaande foto’s leren me dat die piste niet het exclusieve terrein van de toeristen was, de toenmalige jeugd van Bredene liet de site niet links liggen.
Roland Van Loo heeft me erop gewezen dat daar ook rolhockey gespeeld werd. Zelf herinner ik me dat er in de stallen van mijn grootouders een hockeystick stond, een relict van dat hockeyverleden, dat kan haast niet anders. Ook in mijn familie moet iemand die sport beoefend hebben. Op de foto bovenaan zien we trouwens hoe het einde van de piste langs beide zijden door een net afgeschermd wordt. Die netten moeten beletten dat de hockeybal buiten het terrein terechtkomt.
En nu de vragen. Beoefenden Bredenaars die sport destijds in teamverband? Had die club desgevallend een naam? Bestond er een competitie? Werden daar rolhockeytoernooien georganiseerd? Beschikt iemand over een foto van zo’n Bredense hockeyspeler?
Er bestaat een Nederlands spreekwoord dat zegt: met vragen komt men in Rome. Maar of ik met mijn vragen ergens kom, blijft voorlopig zeer de vraag.
Flor Vandekerckhove
—  De jongens zijn van l. nr. r.: Jef Brys, onbekend, Kamiel Loontiens en Georges Devriendt. De meisjes zijn van l. nr r., staand: Hélène Devriendt, Simone Vyncke, Alice Vandekerckhove. Zittend: Elza Devriendt en Josée Boucket (Boncket?) die tijdens een bombardement om het leven zou komen. De foto’s dateren van 1941-42. 
— Alice en Marcel Vandekerckhove, broer en zuster. —

donderdag 19 mei 2016

Klop

Enkele dagen geleden plaatste ik hier een stukje over auteurs van zeer korte verhalen. Daar kwam een reactie op van Philippe Clerick, een collega-blogger die het in Clericks Weblog doet.
Clerick leidde me naar twee, mij onbekende auteurs van dat genre. Over die ene, Herman Pieter de Boer, zal ik het later nog hebben, want van hem heb ik intussen Het eerbaar zeemansleven in huis gehaald, een boek dat ik nu aan ’t lezen ben. Eerst wil ik iets kwijt over de andere tip van Clerick.
De Amerikaan Fredric Brown schrijft in 1948 een extreem kort griezelverhaal dat Knock heet. In de Nederlandse vertaling van P.J. Verhoeff gaat dat als volgt: ‘De laatste man op aarde zat alleen in zijn kamer. Plotseling werd er op de deur geklopt.’
Als perfectie bestaat dan is dat er een voorbeeld van. En van perfectie moet je vooral afblijven. Terzelfder tijd daagt dat verhaal een mens echt uit om er iets aan toe te voegen, want ja, als die mens echt de laatste man op aarde is, wie klopt dan op zijn deur?
Toen ik het aan mijn vriendin vertelde, wist ze het meteen: ‘Ha ja, natuurlijk’, zei ze, ‘dat is de laatste vrouw die aanklopt.’ 
Ja, als we zo beginnen is de spanning er natuurlijk meteen af. Als ik het in de toekomst nog aan iemand vertel dan zal het in een andere versie zijn: ‘De laatste mens op aarde zat alleen in een kamer. Plotseling werd er op de deur geklopt.’  Zo wordt het nog perfecter, en 't was al zo perfect.
Mag ik dat wel doen Philippe, dat citaat zo corrigeren? Ik vraag het, omdat Clerick een leraar is die niet alleen verschrikkelijk veel weet, maar in zijn goeie (!) blog de neiging heeft slechte punten uit te delen aan derden — vooral linksen, zo heb ik de indruk — die de zaken niet zuiver formuleren. Ik moet een beetje oppassen.
— Fredric Brown (1906-1972) —
Ik kan aanvoeren dat Fredric Brown evenmin zuiver op de graat is, want al in 1904 bestaat een soortgelijke tekst van ene Aldrich: Imagine all human beings swept off the face of the earth, excepting one man. Imagine this man in some vast city, Tripoli or Paris. Imagine him on the third or fourth day of his solitude sitting in a house and hearing a ring at the door-bell!
Brown is overigens ook de eerste die aan de verleiding toegeeft om aan zijn perfecte Knock een stuk de breien. In de versie van Brown blijkt degene die op de deur klopt een buitenaards wezen te zijn, met alle gevolgen van dien.
Na Fredric Brown zijn de grapjassen ermee aan de slag gegaan. Laat me toe om ook mijn steentje bij te dragen: ‘De laatste mens op aarde zat alleen in een kamer. Plotseling werd er op de deur geklopt. Met een bang hart maakte hij open. Voor hem stonden er twee met een aktetas, Jehova’s getuigen. Aaaaaaahhh!’

Flor Vandekerckhove

woensdag 18 mei 2016

Je moest een fiets hebben (1)


Tien jongens op een rij. Acht ervan staan blijkbaar klaar om het tegen elkaar op te nemen. Twee ervan worden geruggensteund door een makker. Aan de rechterkant, ietwat afgescheiden, staat een meisje. Wellicht zal zij het startsein geven. Als ik de omgeving niet verkeerd inschat dan weten we dat de foto in Bredene gemaakt werd, in het duinengebied van de wijk hippodroom. We weten ook wie op de foto staat: van links naar rechts zijn dat Jan Van Geluwe, Serge Schaut, Marc Loy, Danny Kerkaert, Roger Rys (†), Lucien Geryl, Norbert Olders, Erik Poppe, Ivan Schamp, Roland Vanmassenhove en Annie Vanhee; allemaal makkers uit mijn tienerjaren.
Hoe ging dat toen eigenlijk? Werd zo’n fietswedstrijd inderhaast georganiseerd? Je zou dat haast denken, want geen van die jongens heeft enige sportkledij aangetrokken. Improvisatie? Dat zou een al te overhaaste conclusie zijn. Sportkledij was een luxe waarover geen van ons beschikte. Zeldzaam was de voetballende jongen die voetbalschoenen droeg en onze wieleruitrusting bestond hoogstens uit een koerspetje.
Wat we op de foto zien is wel degelijk een georganiseerd gebeuren. Er bestaat zelfs een krantenverslag van. Roland Vanmassenhove heeft het knipsel uit De Zeewacht bewaard. Helaas geen datum. Mogen we 1966-67 veronderstellen?
Het knipsel ‘Jeugdveldrit te Bredene’ leert ons dat de foto een ietwat leugenachtig beeld geeft. We zien acht renners aan de start, maar het artikel start als volgt: ‘Twintig zenuwachtige renners hadden zich aan de startlijn opgesteld voor de eerste grote veldrit van het patronaat.’ Meer dan de helft van de deelnemers bevindt zich buiten het beeld. [Over dat patronaat schreef ik hier eerder al een stukje.] 
Het krantenartikel, geschreven door ene P.E., leert ons dat het parcours niet zonder gevaren was: ‘Na een korte demarrage, nam Poppe als eerste de bocht, doch reed daarbij in de haagjes.’; ‘Door een spijtige wegvergissing verloor Schaut alle hoop op een ereplaats.’; ‘In de achtergrond nam Versluys Willy te veel risico’s zodat hij driemaal ten val kwam.’
Nam ikzelf aan die veldrit deel? Ik denk het wel. Ik word zelfs, zij het onrechtstreeks, vermeld in de slotzin van het stuk: ‘De rest eindigde op verscheidene minuten.’ Confronterend, maar herkenbaar.
We weten erg veel over deze foto. Toch roept het beeld bij mij nog vragen op. Wie heeft die foto gemaakt? En ook onderstaande beelden, die overduidelijk tijdens dezelfde middag geschoten werden? Zit de fotoclub, waarover ik daar eerder al iets schreef, er voor iets tussen? En wat ik me evenmin herinner is dit. Waar, wanneer en hoe is onze makker Roger Rys eigenlijk om het leven gekomen? [Willy Vanhooren heeft een beter geheugen dan ik, druk op onderstaande reacties, er zijn er trouwens nog die gereageerd hebben.]
Ten slotte moet ik nog iets over de titel zeggen. ‘Je moest een fiets hebben (1)’ verwijst naar een sociologisch feit uit mijn tienerjaren. Wie niet over een fiets beschikte, had een sociale handicap. Tal van activiteiten werden de fietsloze onthouden. En het cijfer tussen haakjes duidt op mijn voornemen om over dat fietsgebeuren van mijn jeugd nog een aantal stukjes te schrijven. Hopelijk is dat goede voornemen niet het zoveelste plaveistel dat me richting hel leidt.
Flor Vandekerckhove 
— Roland Vanmassenhove tijdens de jeugdveldrit. —
— Het erepodium. Van links naar rechts: Erik Poppe, Ivan Schamp, Roland Vanmassenhove. Het krantenknipsel luidt: 'Hoe Poppe en Van Massenhove zich ook inspanden, zij konden de pijlsnelle Schamp niet meer bedreigen.' —

dinsdag 17 mei 2016

De parabel van de ijscoman

De vallei stroomde vol mensen en toen die voldoende aaneengeklonterd waren, beklom de voorganger het spreekgestoelte. Aldaar sprak hij de menigte toe. Hij zeide: ‘Iedereen bevindt zich rond de berg. Wij, de katholieken, bevinden ons alhier, terwijl de joden zich aan gene zijde ophouden. De boeddhisten staan links, de protestanten rechts en de moslims ginder achter.’ Zijn armen gingen alle richtingen uit om de vele kanten van de berg aan te wijzen.
Na een korte stonde van gewijde stilte vervolgde hij als volgt: ‘Allen gaan wij een eigen weg, verschillend van de andere. Maar al die wegen leiden naar de top. De wegen zijn voorwaar verschillend, maar het einddoel is voor allen gelijk. Uiteindelijk zullen wij — boeddhisten, protestanten, joden, katholieken en moslims — elkaar ontmoeten, daar op de top, in de nabijheid van God.’ Alle hoofden draaiden zich naar de bergtop.
Mij viel het op dat de voorman de atheïsten onvermeld gelaten had, ongetwijfeld een vergetelheid. Ik baande me een weg door de menigte en beklom op mijn beurt het spreekgestoelte. Aldaar aangekomen schraapte ik mijn keel en sprak als volgt: ‘Ook wij, de atheïsten’, zei ik met luide stemme, ‘beklimmen via onze eigen weg de berg, net als gij, alsmede de boeddhisten, de joden, protestanten en de moslims.’ Zoals de voorman dat eerder ook gedaan had, wachtte ik nu een wijl in gewijde stilte, waarna ik deze gevleugelde woorden uitsprak: ‘Het enige verschil is, waarde gelovigen, dat wij weten dat er boven op die berg niets te zien valt.’
Over het vervolg van het valleigebeuren verschillen de meningen. Sommigen beweren dat er een ijzige stilte over de menigte nederdaalde. Anderen zeggen daarentegen dat er geweeklaag opsteeg, geween en tandengeknars.
Zelf zou ik het niet weten, want op dat spreekgestoelte werd mijn aandacht ten volle opgeëist door ijscoman Florencia die in de verte, vanachter de berg, met zijn triporteur de vallei kwam binnen gereden. Aan mij verscheen op dat moment zowaar de drie-eenheid van chocola, speculaas en mokka, een visioen gevat in een hoorntje. Het was een openbaring zonder slagroom, want ik moest een beetje op mijn suiker letten.

Flor Vandekerckhove

maandag 16 mei 2016

Om ter kortst

— Van l. nr r.: A.L. Snijders, Isaak Babel, Ernest Hemingway, Fenix Fénéon, Franz Kafka, Bertolt Brecht. —

A.L. Snijders heeft de term geijkt, maar hij is er niet de eerste beoefenaar van. Omdat ik ook mezelf in het zeer korte verhaal wil bekwamen ontdek ik gaandeweg degenen die ons in dat genre voorgegaan zijn.
Zo heb ik Isaak Babel leren kennen, een van de weinigen waarvan ik de verhalen herlees, herlees en herlees. In mijn subjectieve beoordeling is Babel de beste schrijver ooit. in een stuk dat niet voor niets Leren schrijven met Isaak Babel heet, heb ik hier al over mijn bewondering voor die mens verteld. Hij schrijft verhalen die soms maar twee bladzijden lang zijn, iets waar ze in het land van dikke Tolstojboeken ongetwijfeld raar van opgekeken hebben.
Misschien heeft Ernest Hemingway het kortste verhaal ooit geschreven. Het dateert van in de jaren twintig: ‘Te koop: kinderschoentjes. Nooit gedragen.’  Slechts vijf woorden (in ’t Engels zes), maar er zijn sindsdien wel duizenden woorden aan gewijd. Waar heeft Hemingway het geschreven? Was er een weddingschap mee gemoeid? Heeft hij het uit de krant gepikt? Is het dan plagiaat? Heeft hij het überhaupt wel geschreven? Meer daarover vind je hier.
Feit is dat al de voorwaarden aanwezig zijn om het een klassiek verhaal te noemen: protagonist, conflict, uitkomst. Het personage in dit verhaal is de persoon die de advertentie schrijft. Het conflict is dat van een ouder die een misval te verwerken krijgt of het overlijden van een kind dat te jong was om die babyschoentjes te dragen. En de uitkomst bestaat erin dat de schoentjes verkocht worden zodat de ouder met zijn/haar leven kan verdergaan.
Het verhaal heeft zelfs school gemaakt. Er is een obscuur genre dat Six-Word Memoirs heet en daar bestaat een bloemlezing van. Daarin staan pareltjes als: ‘I asked. They answered. I wrote.’ en ‘Seventy years, few tears, hairy ears.’ De titel van die bundel is niet te evenaren: Not Quite What I Was Planning. Het leven kan niet beter samengevat worden.
Een ware ontdekking is voor mij ook Félix Fénéon geweest, een Franse anarchist die in 1906 de korte berichten van een krant verzorgt. Hij maakt er parels van: ‘Mevrouw Fournier, M. Voisin, M. Septeuil hebben zich opgehangen: zenuwziekte, kanker, werkloosheid.’ en ‘Brand, boulevard Voltaire. Een korporaal werd gewond. Twee luitenanten kregen op hun hoofd, de ene een balk, de andere een pompier.’ Wie er meer wil lezen, klikt hier.
In 1910 begon Franz Kafka een verhaal te schrijven dat Het verlangen indiaan te worden heet. Ik vind er op 't internet een Nederlandse vertaling van: Als je toch eens een Indiaan was, meteen op je hoede, en op het hollende paard, scheef in de lucht, altijd weer trilde over de trillende grond, tot je de sporen vergat, want er waren geen sporen, tot je de teugels wegsmeet, want er waren geen teugels en nauwelijks het land voor je als glad gemaaide heide zag, al zonder paardennek en zonder paardenhoofd.’ Het verhaal gaat over de kracht van de verbeelding. Het telt, zoals u ziet, een enkele zin. In 1912 was hij ermee klaar.
En nu, in dit pinksterweekend, ontdek ik de zeer korte verhalen van Bertolt Brecht. De protagonist is telkens ene meneer Keuner, soms afgekort tot K. Onder de titel De besten hebben het moeilijk staat dit verhaal: ‘Waaraan werkt u?’ vroeg men meneer K. Meneer K. antwoordde: ‘Ik heb het erg druk, ik bereid mijn volgende vergissing voor.’
En laat me nu verder lezen, want ook ik heb nog tal van vergissingen voor te bereiden.
Flor Vandekerckhove

zondag 15 mei 2016

Moeilijk te overtreffen

Elke week gaan we wandelen. We hebben al de kust gedaan, de Polders, het Brugse Ommeland en de Ieperboog. Thans bevinden we ons al vele weken in het grensoverschrijdende heuvelland, waarvan we inmiddels de verste Frans-Vlaamse uithoeken aan het afstappen zijn, want ja, we doen het grondig.
Wandelen is een bezigheid die maar moeilijk te overtreffen valt. Dat zegt ook de dichter William Wordsworth: ‘Ik houd van wegen: weinig slechts van wat ik heb gezien/ Schonk mij meer blijdschap — zij leidden mijn/ Verbeelding al sinds mijn prille kindertijd…’
Voor de wandelaar heeft elk seizoen zijn charme, maar de lente is toch ’t charmantst van al. Niets oogt zo hoopvol als het kiemen van de dingen en er is maar weinig dat kan tippen aan de geur van vers gemaaid gras. En dan zijn er nog de geluiden: De lente komt van ver, ik hoor hem komen’, dichtte Gezelle al en ook die zin kan nauwelijks overtroffen worden of het zou door het geluid van vogels moeten zijn.
De nesten zijn gemaakt. Dat heb ik verleden week gezien aan een houtduif die wel nog een takje in zijn bek geklemd hield, maar er voor de rest geen raad meer mee wist. De kievit heb ik enkele weken geleden al voor het eerst weer kunnen horen, maar hoe hij het nest beschermt, daar valt nu door niemand meer naast te kijken. Van nestbescherming heeft de koekoek dan weer geen last, maar ook hem heb ik verleden week voor het eerst weer kunnen horen. Die koekoek maakt het zich al te gemakkelijk, hoor ik u zeggen, maar ook de merels zijn tegen ‘s middags al lang klaar met het werk. Ze fluiten, zo hoor ik al wandelend, vrolijk de rest van de dag vol, net zoals de leeuwerik die almaar hoger ’t zwerk in schiet om daar van jetje te geven.
Zo heeft elke vogel zijn geluid, maar ik ken er geen die de kroet evenaart. Die soort leer ik in 1980 kennen, dank zij een ornitholoog die zich in dat diertje gespecialiseerd heeft. Ik weet niet of het geluid van de kroet u bekend is, maar als u de moeite neemt om onderstaand filmpje te bekijken, zult u het met mij eens zijn: dit is waarlijk onovertrefbaar.
Flor Vandekerckhove


donderdag 12 mei 2016

Krijt op tijd (2)


We hebben al eerder een zoektocht ondernomen naar namen van biljartende Bredenaars uit lang vervlogen dagen en we hebben er toen meer gevonden dan we redelijkerwijze konden verwachten. Deze keer gaat het evenwel moeizamer, wat vreemd is, want deze foto’s zijn recenter.
Die eerste zoektocht was, net als nu, gebaseerd op twee foto’s. Het waren beelden uit het familiearchief. Er stond geen datum op, maar ze moeten van rond 1950 dateren. Ze werden gemaakt naar aanleiding van vieringen in een plaatselijke biljartclub. De ene keer was Robert Vansieleghem de kampioen en de andere keer was het zijn schoonbroer Marcel Vandekerckhove. In het stukje sprak ik mijn verwondering uit over het feit dat zo’n kleine familie twee biljartkampioenen voortgebracht had. U moet er hier maar eens naar kijken.
De groepsfoto bovenaan dit stuk heb ik in de fotoblog van Glenn Vermoortel gevonden, een absolute aanrader die Bredenaars hier zeker eens moeten bezoeken. De onderste foto komt uit het familiearchief. We weten niet heel zeker of beide beelden tijdens hetzelfde evenement gemaakt zijn, maar het zou best kunnen, want we zien dat mensen van de ene foto ook op de andere voorkomen.
Weer betreft het een kampioenschap en weer is het een familielid dat met de beker gaat lopen. Deze keer is dat Camiel Vandekerckhove, de jongere broer van Marcel. Weer weten we niet in welk jaar de foto’s gemaakt werden, maar we weten wel dat deze club in café De Meiboom gevestigd was.
En nu de namen. Deze die we meteen herkend hebben, plaatsen we in 't zwart, met een lichte schaduw over. Namen die we achteraf toegestuurd krijgen, staan in 't rood.  Zelf herkende ik meteen Liliane Doumen (2) en Camiel Vandekerckhove (3). Maar wat (2) betreft zit ik er al ferm naast, zo zult u enkele zinnen verder lezen. 
Roland Vanloo herkent ook Camiel Gunst (5), Gerard Callewaert (11), Roger Bruyneel (18) en Oscar Bultinck (20). Roland vraagt zich af of de uitbater van De Meiboom toentertijd Vanwanzele was of Derinck
Mij valt nu voor het eerst een vergetelheid op. Tussen 15 en 16 staat een gebrilde mens die van mij geen nummer gekregen heeft. In uw en mijn gedachten wordt hij nu het nummer 23.
Op het ogenblik dat ik de foto’s publiceer hebben we nog maar zes van de drieëntwintig mensen thuisgebracht. Voorwaar een pover resultaat, maar wel een die nog fel verbeterd kan worden, want ik zie een aantal mensen van wie ik me het gezicht herinner. Het kan haast niet anders dan dat u daar enige namen aan toevoegt. Ik zal ze desgevallend, zoals gezegd, in 't rood vermelden.
En hopla, mijn woorden zijn nog niet koud en we hebben al een nagekomen naam: nr 7 zou, volgens Patrick Bruyneel Romain Decouter kunnen zijn. Ivan Steen herkent onder voorbehoud: op (1) Diane, echtgenote van de jonge Ceasar, uitbater van café des Dunes, beter bekend als 'De trapjes op' en op (9) Henri Bogaert, wat al meteen ontkend wordt: 'Nr 9 is zeker en vast NIET Henri Bogaert', antwoordt Roland Van Loo. Verder meent Ivan Steen nog Maurice Jonckheere (13)  te herkennen en de echtgenote van die Maurice (op 16); en ten slotte ook Henri Denolf, de uitbater van de toenmalige buurtwinkel van Delhaize (22). Roland Van Loo herkent in de persoon die ik vergeten ben te nummeren, en die we onder een denkbeeldige 23 plaatsen, Pol Coopman, de vader van Willy Coopman.
En nu een hele straffe: Luc Blomme weet heel zeker dat (2) niemand anders dan Adrienne Delanghe is, de echtgenote van Oscar Bultynck. Dat is straf, want Luc brengt daarmee niet alleen mezelf aan 't twijfelen, maar ook mijn kozijn Dirk Vandekerckhove, en Dirk is de zoon van … Liliane Doumen. Is de vrouw onder (2) Liliane of is 't Adrienne? Dirk zal zijn moeder vragen om deze kwestie te beslechten. ('t Is toch wel een merkwaardige familie waarin ik terechtgekomen ben.) De kwestie wordt trouwens langs twee kanten beslecht, want Roland Van Loo zal eens polsen bij Henriette, de dochter van Adrienne Delanghe, misschien herkent zij wel haar moeder. We wachten met spanning op wat gaat komen.
Op 14 mei, om kwart voor twee, wordt de zaak definitief opgelost. Achter nummer (2) bevindt zich Adrienne Delanghe en niemand anders. Hoe ik het opeens zo zeker weet? Roland Van Loo is het intussen inderdaad gaan vragen aan Henriette, Adriennes dochter, die meteen haar moeder herkend heeft, zoals het hoort. Ik beken nederig mijn vergissing, die wellicht voortgekomen is uit het feit dat Adrienne Delanghe enige gelijkenis met Liliane Doumen vertoont, althans op deze foto die alles behalve glasscherp genoemd kan worden.
Ik sluit dit biljartstuk af met enige mijmeringen. Camiel is de laatste biljartkampioen die de familie voortgebracht heeft. Vandaag zul je te onzent het droge tikken van de ballen niet meer horen. Ik weet niet hoe dat komt. Verzorgen we onze keu wel goed? Missen we de stootkracht van onze vaderen? Waren zij begaafder in 't pikeren? Of… we krijgen in deze jachtige tijden onze pomerans niet goed gekrijt, dat kan ook.

Flor Vandekerckhove

woensdag 11 mei 2016

Iemand anders

Toen hij jong was woonde hij op het platteland. Dat land was in de greep van de vooruitgang gekomen en nu woonde hij aan de rand van een stad die traag maar gestaag zijn huis genaderd was. Eerst had hij zich nog tegen die stadsuitbreiding verzet, maar inmiddels had hij er zich bij neergelegd.
Met de kijker, waarmee hij vroeger naar de vogels placht te turen, keek hij nu naar de ramen van een flatgebouw dat de plaats van zijn landelijke uitzicht ingenomen had. Eerst was dat pure verveling, dat kijken naar die ramen, want het leven van de stedelingen was zo te zien erg saai. Dat veranderde nadat hij iemand anders in ’t oog gekregen had.
Zij was anders dan de anderen, ook anders dan de man die met haar leefde. Ze was niet jachtig, niet schichtig, niet gesloten, niet beschaamd. Ze gedroeg zich als de vogelen des hemels die hij destijds aanschouwd had. Zij zaaide niet en maaide niet en bracht niets bijeen in schuren. Ze had de naam die hij haar gegeven had — iemand anders — derhalve niet gestolen.
Niet alleen omwille van die vogels liet ze hem aan zijn jeugd denken. Ze was ook zoals de leliën des velds en niet bezorgd om kleding. Ze ontkleedde zich voor het raam waar hij naar tuurde en bekommerde zich niet om de blikken van een oude man die van op afstand naar de dingen keek.
Iemand anders werd, dat begrijpt u wel, een kleine obsessie voor de oude man. Hij keek alleen nog maar naar haar. Hij keek toe hoe ze vlak voor dat raam van lingerie wisselde en hij werd al kijkend blij verrast door de merkwaardige kledij van stadsvrouwen. Hij keek toe wanneer ze haar boezem waste en haar oogschaduw oplegde.
Zich schuldig voelen deed hij niet, want het was niet hij die naar de stad getrokken was om naar iemand anders te kijken, het was de stad zelf die in zijn blikveld was gekomen. Evenmin was hij bezorgd voor de gevolgen van zijn daad, want, zo wist hij, elke dag had al genoeg aan zijn eigen kwaad.
Dat laatste was maar al te waar. Dat ondervond hij toen de echtgenoot bij hem aanbelde. Dat had de oude man kunnen voorzien, maar hij had de tekenen niet begrepen. Die dag had iemand anders wild voor ’t raam staan zwaaien. Dat had ze nooit eerder gedaan. Hij had teruggezwaaid.
Vooral dat laatste nam de echtgenoot hem kwalijk, want hij zei: ‘Het huwelijk is eerlijk onder allen, en het bed onbevlekt, maar hoereerders en overspelers zal God oordelen.’
Omdat stadsmensen erg gehaast zijn, kon die man uiteraard niet op Gods oordeel wachten. Hij nam de plaats in van de Allerhoogste en sloeg zelf de verrekijker stuk. Bij het buitengaan schreeuwde hij nog: ‘Dat zal u leren naar iemand anders te gluren!’
Ha, dacht de oude man, ook haar echtgenoot noemt haar zo.

Flor Vandekerckhove