vrijdag 30 augustus 2019

In memoriam Marcel Velo (°1939 - †2019)


Mij bereikt het bericht dat Marcel Van Campenhout, in Oostende wereldbekend als Marcel Velo, gisteren, op 29 augustus, in familiekring overleden is. 
Op de lijst van Oostendse kunstenaars wordt Van Campenhout vermeld als kunstschilder en politiek activist. Een lezer meldt me dat Marcel in Stene geboren is op 6 november 1939. Stefaan Struyve herinnert zich 's mans verkiezingslijst uit 1994 en 2000: 'Die heette Vrij En Leefbaar Oostende: V.E.L.O. Hij haalde bijna geen stemmen en Marcel had naar eigen zeggen ook niet voor zichzelf gestemd.’ 
Componist Dimer Geedts, die Marcel tijdens diens laatste publieke optreden op de piano begeleid heeft, spreekt over ‘een groot man, een groot leven.’ Anderen zijn minder lovend: Gepassioneerd verteller, maar ook een fantast. Hij stelde ooit schilderijen tentoon. Dat het meestal afdankertjes van een opkoper waren kon hem niet deren. Hij plaatste er zijn eigen naam op en klaar was Marcel. Jarenlang was hij vaste klant tijdens optredens op de Paulusfeesten, waar ze er soms de stekker moesten uittrekken omdat hij niet kon stoppen.’ De Marcel Velo Show mag inderdaad berucht genoemd worden.
Op youtube staat het eerste deel van een interview waarin Van Campenhout over zijn leven vertelt, o.m. over zijn ontmoeting met James Ensor en over de roemrijke dag dat hij met zijn danspartner kampioen van de twist geworden is. Ik plaats het filmpje hieronder.
De afscheidsplechtigheid gaat door in de aula van Uitvaartzorg Marote, Oostende op vrijdag 6 september om 11 uur.
Flor Vandekerckhove

woensdag 28 augustus 2019

Drie stukjes in de vorm van een kweepeer (drie variaties op de ‘male gaze’)

(1) — Ze is een en al zinnelijkheid. Ik kijk toe hoe ze me haar billen toont. In de hitte van de nacht mengt de champagne zich met ons vers zweet. Mijn handen maken een reis over het landschap van haar lichaam. Eerst haar schouders, dan haar rug en vervolgens gaat het onbeschaamd naar beneden, waar ik haar kont opzoek. Terwijl de olie overdadig in haar bilnaad loopt, maakt lust zich van mij meester. Ik zeg dat ik geil ben, maar zij verstaat heil. Ze keert zich om, zegt Don’t mention the war, staat op en stapt in ganzenpas de kamer uit.

(2) — Ik kom achter haar staan en leg mijn hand op haar kont. Terwijl we samen door het raam naar het straatgebeuren kijken, begin ik haar rok omhoog te schuiven. Ze geeft geen krimp. Buiten gaan twee vechtersbazen elkaar te lijf. Ik trek haar broekje weg. Daar, voor dat raam, neem ik haar van achteren. Tegen de tijd dat de politie de vechtersbazen van elkaar komt scheiden, zijn we beiden klaargekomen. Schaars gekleed blijven we voor het raam staan en zwaaien goedkeurend naar de flikken, die de vechtersbazen in de combi gooien, om hen mee naar het bureau te nemen.

(3) — Buiten gaat de storm tekeer, binnen brandt het houtvuur. Ze keert zich om, toont me haar billen. Terwijl ik mijn pik omklem om haar te penetreren valt me een tattoo op. In het schijnsel van het vlammenspel lees ik op haar rechterbil HashtagMeToo. Ik schrik hevig. Het houtvuur mag nog wel hevig branden, mijn lust is wel compleet geblust. Uit het lood geslagen keer ik op mijn schreden terug. Ik scharrel mijn kleren bij elkaar, trek de deur achter me dicht en haast me naar de bushalte, waar men me meldt dat de Avondlijn omwille van de storm is afgeschaft.














De male gaze! Tot voor kort had ik er nog nooit van gehoord. Ik lees de term voor ’t eerst wanneer ik een stukje over de film La Vie d’Adèle wil schrijven. Als ik het thema kort daarna ook nog aantref op een schilderijententoonstelling beslis ik om er zelf iets mee te doen. Zelf een man zijnde en altijd schrijvend vanuit mijn eigen, mannelijke standpunt ben ik ten slotte een ervaringsdeskundige. Ik ben in mijn eigen oeuvre op zoek gegaan naar de vermaledijde mannelijke blik en selecteerde er drie verhalen uit die er niet om liegen. In elk van die drie verhalen is de mannelijke blik op de vrouwelijke kont gericht. Ik herschrijf ze tot alleen de kern ervan overblijft en dit is het resultaat. Zelf ben ik blij dat de verhalen ook lichtvoetig zijn en dat ze van Mijn persoonlijke poëtica getuigen.
 

— Dimer Geedts toont de partituur van 
Drie stukjes in de vorm van een kweepeer —
En nu: muziek ! Drie stukjes in de vorm van een kweepeer maakt inmiddels deel uit van het repertoire van de poëzieband OSC Avondgenoegen. Dimer Geedts heeft er een muziekstukje bij bedacht dat net als de verhalen Drie stukjes in de vorm van een kweepeer heet. Ja, de geest van Erik Satie waart over ons gemeenschappelijke werkstuk. Tekst en muziek zijn gezamenlijk te beluisteren op de podcast. Je moet dat zeker eens doen: klik hier !

Flor Vandekerckhove

dinsdag 27 augustus 2019

De oppergaai afschieten in de Persepit (°)

In Wenduine kom ik de duinbossen uit. Ik passeer de Molen van Hubert, steek het plantsoen over dat naar sabelsleper Alphonse Lange genoemd werd en trek een duinpad op dat me naar de Persepit leidt, een duinpan die deze zomer met beeldhouwwerk gevuld wordt.



In de luwte van het toeristische geweld toont de Persepit me mooie beelden. Een ervan is me een raadsel. Geen naam, noch van het werk, noch van de maker, alle duiding ontbreekt. Een gebogen figuur, in verschillende materialen (gips, schroot, textiel…), erg gehavend door de elementen. Aan de mansfiguur is een touw verbonden. Het beeld suggereert iemand die een visnet over het dak van het achterliggende gebouwtje sjouwt. Maakt dat gebouwtje deel uit van het kunstwerk? Menig interpretatie dient zich aan. En ze vergroten het raadsel.
Zie ik een mythische duinbewoner die door middel van noeste arbeid een huis, een thuis, een bestaan uit zee zeult? Een mooie gedachte voorwaar. Mag ik aan een visser denken? Dan pas concentreer ik me op de tweede figuur. Het raadsel groeit. Een vrouwfiguur? Probeert ze, met inzet van haar lijf, de man tegen te houden? Waarom zou een vissersvrouw zoiets doen?
Misschien is het omgekeerd. Moet ik bij de mansfiguur denken aan iemand die het huisje in de vernieling trekt? En probeert de vrouw de zaak overeind te houden? (Het leven zoals het al eens is.) Ook dat is een mooie gedachte.
Het hoofddeksel van de sjouwer doet me aan de helm van Don Quichot denken. Zijn we getuige van een maritieme interpretatie van dat verhaal? Wil Sancho Panza de dolende ridder voor het zoveelste zinloze gevecht behoeden? Ook dat is een mooie gedachte, maar ze ontsnapt, denk ik, net als de vorige, aan de bedoeling van de maker.
Het beeld maakt deel uit van een groepstentoonstelling. De deelnemers zijn leden van Artslag. Via de website geraak ik bij secretaris Henk Korthuys. Hij antwoordt: Het visnet op het dak is een kunstwerk van Manon Huguenin. De twee figuren zijn van Joseph Berkers. De werken zijn met elkaar verbonden en hebben met elkaar van doen.’ Twee werken, twee kunstenaars. Korthuys bezorgt me de mailadressen. Ik contacteer hen. Geen antwoord. Ik blijf verweesd achter met drie vergezochte interpretaties: vissersgezin, disfunctionele familie, historische evocatie. Geeft niet, het verhaal is mooi rond en past perfect in mijn poëtica.
Flor Vandekerckhove

(°) Ik heb het moeten vragen. Daardoor weet ik nu dat Persepit de duinpan (een put) is waar destijds een apparaat stond om kleiduiven te schieten. Het gebouwtje was destijds clubhuis van de schietvereniging. De ‘perse’ is uit de duinpan weggehaald, de naam is gebleven. 
De ‘oppergaai afschieten’, zegt Het Vlaams Woordenboek betekent ‘een goede prestatie leveren’, wat op mijn waardering voor het kunstwerk slaat. Maar, zegt datzelfde woordenboek, in ironische zin betekent het juist het omgekeerde: ‘een flater, domheid of stommiteit begaan.’ En dat kan dan weer op mijn interpretatie van dat werk slaan.

zondag 25 augustus 2019

Voer voor psychologen

Tijdens de zomermaanden loopt Cinema Canvas. Je zegt niet O, die film hebben we al gezien, we kijken vlug naar iets anders. Neen, je kijkt. En achteraf zeg je dat die lukraak bekeken film zeker nog eens het bekijken waard was. Geldt het ook voor een lukraak uit de kast gehaald boek? Ik doe de test.
 
Zoals de dichter laat ik de vinger van de inquisitie over de plank lopen. Ha! Daar blijft mijn inquisitievinger haperen aan Voer voor psychologen. (°) Ik heb er twee sterke herinneringen aan. De vroegste betreft de titel. Die heb ik voor het eerst op een wc-deur gelezen, een graffiticommentaar, toegevoegd aan de rest van de graffiti. De wc-deur is er een van de unief, het jaar is 1969. Sterke herinnering, misschien wel veroorzaakt door de sterke geur. De latere herinnering betreft het boek zelve. Uit dat boek blijft me een passage bij, een stukje dat me, veel jaren later, tot een beslissing dwingt. Met die zinnen in het achterhoofd heb ik in 1988 tegen mezelf gezegd: ‘Als je het nu niet doet doe je het nooit meer.’
Over die beslissing heb ik in 2015 een verhaal geschreven, een soort allegorie, waaruit ik nu eens uitgebreid zal citeren zie:
‘Je haakt af en verdwijnt in het diepste gat van Vlaanderen, een negorij wellicht, een plek waar de kerk op zondag vol zit, waarna iedereen het met iedereen doet, een gemeenschap waar de mensen een haast onverstaanbaar West-Vlaams dialect spreken, een volk dat stamt van foorkramers en circusgasten, rondtrekkende dievenbendes en muzikanten gespecialiseerd in zigeunermuziek. Een bastion van vergeten beroepen, een reservoir van oude verhalen over getalenteerde waarzegsters, rijk geworden scharenslijpers die ook kruidenkenners waren en befaamde paardenmenners die nu van ’t oud ijzer leven. Daar in dat gehucht, waar de vrouwen een gevaarlijk goedje stoken en sigaren van zelfgekweekte tabaksblaren op hun dijen rollen, word je haar minnaar, haar slaaf, haar lustobject, haar schandknaap en op ’t einde van ’t verhaal schrijf je in één geut van driehonderd bladzijden dat verhaal neer, waarna het haar beurt is om je naar de trein te brengen, die je van ergens nergens wegvoert naar ergens anders, waar je uit de trein stapt als de schrijver die je anders nooit had kunt worden.
Ik ben benieuwd of ik die stimulerende passage in Voer voor psychologen weervind. Lang zoeken hoeft niet. Op pagina 77 heb ik al prijs: 'De schrijver trouwt een vrouw, krijgt kinderen, wordt journalist en schrijft niet meer. De schrijver wordt ziek en kan niet meer schrijven. De schrijver wordt op de tramrails door een meteoor getroffen en is dood. Dat alles is een gebrek aan talent.'
Flor Vandekerckhove

(°) Harry Mulisch. Voer voor psychologen. Eerste druk in 1961. Mijn editie stamt van 1978. De Bezige Bij A’dam. 231 pp.

Het gedicht my comrades 
van Charles Bukowski 
komt uit de bundel 
Love Is A Dog From Hell.
Ik heb het gedicht vertaald. 
Die vertaling kun je op podcast beluisteren. 

Klik hier !

vrijdag 23 augustus 2019

OSC Avondgenoegen


Oostende viert z'n Paulusfeesten en Dimer Geedts voert er eigen pianocomposities uit. Niet op het grote plein, evenmin op ‘t kleine, maar in een zijstraat, op de stoep. Niet op een stuk elektronica, maar op een zware buffetpiano. De pianist is omgeven door geparkeerde auto’s, bouwwerf met keet, pissijn en lawaai. Voorwaar ik zeg u: alleen Iwein Scheer kan dit bedenken, die mens verdient echt een anarchistisch monument. Iwein komt tijdens Geedts' spel trouwens nog vlug twee bloempotjes op de piano plaatsen. Stof, bouwkeet, lawaai, pissijn en dan … Twee bloempotjes! Woorden schieten hier te kort, maar ze passen wel perfect in mijn poëtica.
Enkele dagen later loop ik verloren in straten die Spaarzaamheid, Goedheid, Eendracht, Nijverheid en Vereniging heten: het Oostendse Westerkwartier. Zelf zoek ik de Gelijkheidstraat, daar woont Dimer Geedts (52).
Stel je een krappe sociale rijwoning voor, scherp berekende ruimtes, hofje, berghok. Hoe krijg je daar vier piano’s in? In de living: twee piano’s, waaronder een vleugel; in het tuintje: een piano (‘Als ’t mooi weer is speel ik buiten.’); in het hok, waar aan mens normaliter patatten zou bewaren: een piano. Die is van geen kanten in dat hok te krijgen, Geedts heeft hem gedemonteerd en daarna weer samengesteld: ‘Daar speel ik ’s nachts, om de buren niet te storen.’ Ik realiseer me dat ik, zoals Alice in Wonderland, in een vreemd universum terechtgekomen ben.
Over elk van die piano’s spreekt Geedts met liefde. Hij noemt bouwjaren, zegt iets over klankkleuren, vindplaatsen, snaarlengten … Al die piano’s stemt hij zelf, en ze zelf herstellen doet hij ook. In het hok staat een piano die hij zijn 'Amerikaanse Mason & Hamlin' noemt, oorspronkelijk een autoplayer, waaruit dat automechanisme weggehaald is: ‘Door de overgrote, nu lege kast en de lange snaren heeft die piano een apart geluid.’ De buffetpiano in de living heeft dan weer ‘een monsterachtig goede techniek’  
Dimer Geedts is een simpele mens — ‘Een interview, wat is dat?’ — maar hij is ook muziekkunstenaar, pianist, componist en uitvoerder van eigen werk. ‘Het pianospelen kan hier nogal uit de hand lopen, soms twaalf, veertien uur lang.’  Oefenen, eigen werk creëren, dat werk inoefenen: ‘Ik denk dat ik wel veertig eigen composities liggen heb.’
Dimer wil dat we samen dingen doen, hij en ik: hij de muziek, ik de woorden; niet afwisselend, maar tegelijk, en met die combinatie, hop, de boer op. ‘Dat zal goed lukken,’ zegt hij, ‘ik hoor dat je een stem in Fa hebt en ik heb composities in Fa. We gaan dat uitzoeken.’  Hij zegt wel meer dingen die ik nooit eerder gehoord heb.
— Dimer Geedts —
Hij haalt referenties aan: Isabelle Vandemaele, Marcel Velo en Douvie. Die twee laatsten ken ik, en ja, ik merk aan zijn doen wel dat hij tot die stal behoort. Mag ik hen omschrijven als ‘proletarische, marginale grootheden die zichzelf in de weg staan’? ’t Is niet dat ik me graag in die rij opstel, maar de omschrijving is me toch niet vreemd. ‘Wat denk je’, vraag ik aan Dimer, ‘zijn wij van het soort dat zichzelf in de weg staat?’ Hij heeft geen idee.
We oefenen. Dat gaat zo. Ik declameer een gedicht, Dimer zoekt er het pianoritme bij. Omgekeerd: Dimer speelt een compositie, ik probeer een van mijn gedichten in zijn ritme te krijgen. Na een uur vinden we een poëem dat op wonderbaarlijke wijze bij een muziekje past. En daarna nog een. Stilaan geraak ik overtuigd: dit kan lukken! Als Geedts maar goed weet dat ik niet van plan ben om op mijn leeftijd nog piano’s omhoog te tillen.

Flor Vandekerckhove


— Dimer Geedts aan de piano —

donderdag 22 augustus 2019

Een super korte bijdrage tot het pensioendebat


‘Allereerst: wat is werk? Er zijn twee soorten werk: de eerste soort omvormt materie op of nabij het aardoppervlak in andere materie; de tweede soort bestaat erin andere mensen te zeggen dat ze dat moeten doen. De eerste soort is onaangenaam en slecht betaald; de tweede is prettig en goed betaald. De tweede soort kan onbeperkt uitgebreid worden: er zijn niet alleen degenen die bevelen geven, maar ook degenen die advies geven over welke bevelen moeten worden gegeven. Gewoonlijk worden gelijktijdig twee tegengestelde adviezen gegeven door twee georganiseerde instanties van mensen; dit wordt politiek genoemd. De vereiste vaardigheid voor dit soort werk is niet kennis van de onderwerpen waarover advies wordt gegeven, maar kennis van de kunst van het overtuigend spreken en schrijven (…)’

't Zijn woorden die ik uit een essay van Bertrand Russell vertaal. Het essay heet In Praise of Idleness en je kunt het hier lezen, downloaden en naar bed meenemenIn die paragraaf weet Russell de perversie van het huidige pensioendebat te vatten. Wijst hij niet op de olifant in de kamer? Wie adviseert er over de pensioenleeftijd van slecht betaalde mensen die onaangenaam werk verrichten? Zijn dat niet bijzonder goed betaalde mensen die prettig werk hebben? Die goed betaalde mensen zijn van mening dat de slecht betaalden hun onaangenaam werk langer moeten volhouden.
Flor Vandekerckhove


Op zoek naar een passend gedicht 
voor dit pensioenstukje 
herinner ik me een gedicht 
van Philip Levine, 
dat ik vertaald heb als 
Wat werk is. 
Je hoort die vertaling
op de podcast: 
klik  hier !

dinsdag 20 augustus 2019

De boekenkast van Jeff Tweedy

De Amerikaanse rocker Jeff Tweedy begin ik nu toch wel een beetje te kennen. In de blog is hij hier en daar al zijdelings ter sprake gekomen, in stukjes waarin ik ook Walt Whitman, Woody Guthrie, Bob Dylan, Billy Bragg en zelfs Hugo Claus’ nichtje laat aandraven. Meer: ik heb Jeff Tweedy, en zijn groep Wilco, al twee keer in levende lijve zien optreden, zoals dit jaar nog in de AB.
Aan dat laatste heb ikzelf geen verdienste; al wat ik moet doen is mijn vriendin vergezellen. Zij zorgt niet alleen voor de tickets, ze schaft zich daar ook een T-shirt aan en een boek waarin deze Tweedy ons zijn leven vertelt.
’t Is over die memoires dat ik hier iets kwijt wil. (°)
Vooraf dit. De kaft, de papiersoort en -tint, de druk, het lettertype, de bladschikking, de interlinie … Alles zorgt ervoor dat dit boek een tactiel genoegen is. Ik zeg dat met nadruk omdat ik van mening ben dat uitgevers zich vandaag ter zake weinig inspannen. Is dat tactiele genoegen niet een van de weinig resterende pluspunten die het papieren boekbedrijf in deze digitale tijden aanbrengt? Wel dan, dames & heren uitgevers, u kunt beter! (Maar niet beter dan wat Penguin hier doet.)
Ik vermoed dat Tweedy daar zelf voor iets tussen zit, want hij is hetzelfde soort boekenmens als ik. Ook dit delen we: ‘Ik denk dat het even inspirerend kan zijn om in te beelden waarover het boek gaat. Ik kan het openbreken en een tweetal zinnen lezen om de taal te proeven, maar ik heb niet altijd een bredere context nodig. Ik vind het niet nodig om ze van het begin tot ’t einde te lezen. Mijn verwantschap ermee is meestal mijn verbeelding van hun potentie. (…)’  Ik herken daar de broederschap van de barbaren in, maar inmiddels weet ik dat het ook bij lieden van de highbrow voorkomt, dat heeft Lydia Davis me in Een andere manier van lezen geleerd. 
Bij Jeff Tweedy vinden zo’n zinnen soms hun weg naar zijn songs. Hij haalt in zijn boek concrete inspiratiebronnen aan: William H. Gass en Henry Miller. De passage waarin hij over die schrijvers spreekt, is interessant, want ze verheldert de manier waarop zijn songteksten tot stand komen.
Ik heb nog iets met Jeff Tweedy gemeen: ‘Ik vermoed dat bijna iedereen die beweert Finnegans Wake te hebben gelezen een leugenaar is, maar het is zeker een leuk boek om met je mee te dragen, alleen al omwille van het gewicht in je handen. ‘t Is een krachtig ding om aan je vingertoppen toegang James Joyces geest te hebben. Ik heb niet alles nodig. Het is al spannend genoeg om het op een willekeurige bladzijde open te slaan, daar een gekke lange zin te vinden en te zien welke betekenis je daaraan kunt geven.’  Godver ja, dat is zó wáár! Waarom heb ik anders van Finnegans Wake een integraal Engels exemplaar staan, naast een verkorte Engelse en een integrale Nederlandse vertaling? Al twintig jaar haal ik deze of gene Wake uit de kast om er even van te proeven. Deugd dat dat doet, ge hebt daar geen gedacht van!
Flor Vandekerckhove

(°) Jeff Tweedy. Let’s go (so we can get back) A memoir of recording and discording with Wilco, etc. 2018. NewYork. Uitg. Dutton, An Imprint of Penguin Random House LLC. 293 pp.


Jeff Tweedy heeft het 
in zijn memoires ook over 
Finnegans Wake van James Joyce (foto). 
Ik ken een leuke anekdote 
over diens verblijf 
in Oostende. 
Die heb ik 
op de podcast ingesproken: 

zondag 18 augustus 2019

Mijn bijdrage tot de Vlaamse canon

Hieronder staat een stripscenario bestaande uit 22 platen. Het is vrij van copyright (¢), en mag bijgevolg door elkeen op om het even welke manier gebruikt worden … Als ge maar mijn naam vermeldt, want zo gaat het eraan toe in de economie van de gift . Misschien kan iemand er iets mee aanvangen, ik vraag niet liever.
Flor Vandekerckhove


De terugkeer van
Machteld van Vlaanderen,
De Coninck Pieter,
Breydel Jan
en Johan de tekenaar
(Scenario)

— Het is niet voor ’t eerst dat ik Machteld uit Consciences Leeuw van Vlaanderen weghaal. Ik heb dat eerder gedaan in een langlopend feuilleton dat op ’t einde van voorgaande eeuw in Het Visserijblad gepubliceerd werd. Later heb daar er een (gelukkig nooit gepubliceerde) roman van gemaakt. Nog later treedt ze op als Rooie Machteld in een socialistisch-realistisch scenario, waarvoor Jo Clauwaert enkele prachtige tekeningen gemaakt heeft, zoals deze. Het stripverhaal is er evenwel niet gekomen, wegens wat men omstandigheden noemt. En zie: heden staat Machteld voor de zoveelste keer op, in een proeve van kapitalistisch surrealisme, ten behoeve van de Vlaamse canon. —   


Plaat 1 — Ik zeg u: zo ziet een grote Vlaamse stad er na de onafhankelijkheid uit — the day after! We trekken voorbij een merkwaardig stuk lintbebouwing, een lange rij futuristische bouwsels: nachtclubs, kapsalons, casino’s, hotels, tearooms, gokkantoren, bars, casino’s en boetieks … Vlaanderen lijkt wel volledig uit fun te bestaan. Zou het kunnen dat Marc Coucke III alles opgekocht heeft? Hoe dan ook, bij deze aanblik vraagt een mens zich af waar de mensen wonen die deze preteconomie draaiende houden. Een ding is zeker: dit kunnen ze niet betalen.

Plaat 2 — Langs die futuristische rij lopen Machteld en Johan. Bij Machteld moogt ge zeker aan de dochter van Robrecht denken, de roemrijke Leeuw van Vlaanderen. Ze draagt een lange gothic mantel, want ze komt van vroeger. Haar gezel, Johan, is van een ander kaliber. Hij is de striptekenaar van dit verhaal. Hoe hij zich kleedt moet hijzelf maar weten. Vreemd koppel toch. Machteld zegt: ‘Dat is hier nogal veranderd, zeg.’ En Johan antwoordt: ‘Dat komt door onze pas verworven onafhankelijkheid hé. Alles is opeens anders.’

Plaat 3 — Aan de overkant van deze rij, en ervan gescheiden door een kanaal, staan vervallen industriegebouwen. Het contrast met deze kant is indrukwekkend. Ook daar hangen wel collaboratievlaggen, maar ze zijn vuil en tot op de draad versleten. Zo luxueus als de ene oever is, zo strontvuil is de andere. Dat valt zelfs Machteld op, die nochtans uit de Middeleeuwen komt, en qua strontvuil een en ander gewoon is. Ze schrikt van de aanblik en vraagt: ‘Wat is dat daar?’ Johan antwoordt naar waarheid: ‘Daar bevinden zich degenen die de Vlaamse welvaart produceren, in de volksmond heten ze de uitgezogenen.’

Plaat 4 — Onze helden stappen een luxueus hotel binnen. De gevel vermeldt de naam: Hotel In De Vlaamse Canon. Gaan die twee daar kameren? Meer moet ik daar niet aan toevoegen, ge ziet het allemaal zo voor uw ogen. Inclusief de twijfels die de plaat oproept.

Plaat 5 — Een luxueuze hotelkamer. Tegen de uitbater, die blijkbaar mee naar boven gekomen is (ik weet ook niet waarom) zegt Machteld: ‘Oké, ik neem hem.’ Met hem bedoelt ze natuurlijk niet Johan, maar de kamer. De uitbater antwoordt: ‘Da’s dan 5250 francken (*), mevrouw.’  Johan haalt de lappen uit de portefeuille, want hij is ten slotte de mens die Machteld in deze strip tekent, zonder de tekenaar heeft Machteld geen contouren en zonder contouren hebt ge ook geen hotelkamer nodig.

(*) De francken is de munteenheid van de nieuwe Vlaamse staat. Genoemd naar een nationalistisch politicus uit het begin van de XXIste eeuw.

Plaat 6 — Machteld staat op het balkon van de hotelkamer. Ze kijkt uit over het kanaal, aan de overkant ziet ze de uitzuiggebouwen staan. In een gedachteballonnetje denkt ze: ‘Is het daarvoor dat we in 1302 zo hard gestreden hebben?’ Misschien is dit wel het gepaste ogenblik om uzelf ook eens die vraag te stellen. Hebt gij dat al eens gedaan? Die vraag gesteld? ‘Is het daarvoor dat we zo hard gestreden hebben?’ Het is nog niet te laat hé: stel ze nu maar, terwijl ge verder dit scenario tot u neemt !

Plaat 7 — Aan de overkant, naast zo’n uitzuiggebouw, trekt Machteld de aandacht van twee ongure types, de ene heet De Coninck Pieter en de andere Breydel Jan. De eerste draagt een opzichtig Italiaans pak, ge ziet zo dat die mens in de stoffen zit. Zijn linkeroog is afgedekt, vraag me niet waarom. Jan is een heel andere man, hij is klein en gespierd, laat ons zeggen dat hij meer van het slagerstype is. Zij zien de jonge vrouw op het balkon staan. De Coninck wijst en zegt: ‘Kijk, daar!’ Jan antwoordt in een tekstwolkje: ‘Als dat de dochter van Robrecht niet is!’  De Coninck weer: ‘Ze komt als geroepen. Net wat we nodig hebben: vers bloed.’ Deze laatste woorden kunnen u vreemd overkomen, maar wees geduldig, alles zal u duidelijk gemaakt worden, zeker in woord en misschien ook in beeld, maar dat hangt niet van mij af, maar van de tekenaar.

Plaat 8 — Waarna De Coninck en Jan het uitzuiggebouw binnengaan. Waardoor de lezer vermoedt dat we in plaat 9 een inkijk gaan krijgen. En … Jawel hoor.

Plaat 9 — In dat uitzuiggebouw staan massaal veel mensen: hardwerkende Vlamingen (er zijn geen andere), maar ook Afrikanen, gesluierde IS-weduwen, Chinezen, Walinnen, allerlei volkstypes. Deze plaat toont voorwaar de realiteit van de globalisering. In dat uitzuiggebouw staan de mensen, met neerhangende schouders, in rijen, te wachten om nog meer uitgezogen te worden; ja nog meer dan ze al zijn, wat je haast niet voor mogelijk houdt, want ze zien er bijzonder bloedeloos uit. Voor lezers die aan de tekening niet genoeg hebben is er een tekstblok voorzien: ‘De uitgezogenen wachten geduldig om nog meer uitgezogen te worden.’

Plaat 10 — De Coninck zegt: ‘Jan, kunt gij het hier alleen aan? Dan ga ik eens tot bij Machteld.’ Voor Jan is de praktijk van het uitzuigen geen probleem, gewoon routine. ‘Oké’, zegt hij. Ge merkt: die twee hebben niet veel woorden nodig om elkaar te verstaan. Dat komt mij goed uit, dan moet ik niet zoveel schrijven.

Plaat 11 — Via de dienstingang van hotel In De Vlaamse Canon glipt De Coninck naar binnen. Wellicht vraagt deze plaat enige inventiviteit van Johan de tekenaar. Hij moet op deze plaat duidelijk maken dat het niet de hoofdingang betreft, want het personeel is in de Vlaamse natie compleet gescheiden van de elite. Ik weet niet hoe Johan dat zal realiseren, ik ben dan ook geen tekenaar. Hier zal zijn talent moeten blijken. Of haar talent, want Johan kan wat mij betreft ook een vrouw zijn of een transgender in deze of gene richting; mocht ik nog soorten mensen vergeten zijn dan moogt ge die van mij zelf invullen.

Plaat 12 — De Coninck gaat een lange diensttrap op, in kikvorsperspectief, zodat we zien dat hij van beneden komt en naar boven gaat. ’t Zou ook kunnen in vogelperspectief, maar ik zie dat niet op die manier voor mijn ogen. Johan zal er wel ’t zijne/hare mee doen zeker.

Plaat 13 — Hij gaat de lange trap verder op, maar nu in vogelperspectief, zodat we zien dat hij naar boven gaat. ’t Zou ook kunnen in kikvorsperspectief, maar ik zie dat nu niet op die manier voor mijn ogen. Johan zal er wel ’t zijne/hare mee doen zeker.

Plaat 14 — De Coninck klopt op een kamerdeur (deze van Machteld uiteraard, anders leidt ons dat te ver.) Een tekstballon geeft aan dat Machteld van achter de deur antwoordt: ‘Binnen!’

Plaat 15 — In de kamer staan Machteld en De Coninck tegenover elkaar. De Coninck zegt: ‘Heil Machteld, herkent gij me nog? Ik heb destijds uw vader goed gekend. En ik moet zeggen dat gij als geroepen komt, want de Vlaamse bodem heeft u nodig. De uitgezogenen hebben dringend behoefte aan vers bloed.’ Ge ziet Machteld denken: ‘O neen, daar gaan ze weer met hun bloed & bodem.’

Plaat 16 — In de badkamer heeft tekenaar Johan juist een kakje gedaan. Nu staat zhij met haar/zijn oor tegen de deur. Zhij probeert te verstaan wat er in de kamer gezegd wordt. Dat valt te begrijpen, want als zhij deze strip wil tekenen dan moet zhij weten hoe ’t verhaal verder gaat.

Plaat 17 —  De Coninck vezelt Machteld iets in het oor. Ze kijkt verschrikt en roept: ‘Nu al? Zoveel?’

Plaat 18 — We zien De Coninck die alweer de trap afgaat. In zijn GSM zegt hij: ‘Jan? ’t Is geregeld hoor. Stuur maar een eerste lading.’

Plaat 19 — Jan stuwt zoveel mogelijk uitgezogenen op een scheepje om die het kanaal over te krijgen. Ik wil me niet met de tekeningen bemoeien, maar ik vermoed dat Johan zich daarbij laat inspireren door de klimaatvluchtelingen.

Plaat 20 — Deze plaat maakt al ietwat duidelijk welke opdracht De Coninck in Machtelds oor gevezeld heeft. Heel de diensttrap staat vol bloedeloze uitgezogenen uit het scheepje. Ze staan tot vlak voor Machtelds deur. Ze wachten hun beurt af om zich bij Machteld van nieuw bloed te voorzien. Heb ik u trouwens al gezegd dat dit verhaal over de Vlaamse natievorming pure horror is? Ha ja, ’t Is een vampierverhaal hé: onze Vlaamse helden zijn uitzuigers hé.

Plaat 21 — Vlak voor de kamerdeur zien we gedetailleerd een eerste bloedeloze uitgezogen man staan. (Johan, laat u maar eens goed gaan hé. Laat ons maar zien hoe akelig zo’n bloedeloze uitgezogene eruitziet.) Machteld roept van achter de deur: ‘Binnen!’

Plaat 22 — Machteld biedt de bloedloze uitgezogen man haar nek aan. Terwijl hij er zijn tanden in zet, om haar bloed te zuigen, zodat hij weer productief wordt, denkt ze in zo’n wolkje: ‘Hier ons bloed, wanneer ons recht.’

Einde


Mocht iemand zich afvragen
waarom dit scenario 
zo kort is,
alsmede zo lichtvoetig,
dan moet hzij zeker 
mijn poëtica aanhoren.