vrijdag 31 mei 2019

Cantus op latere leeftijd


— Ivan Schamp en Mauricette Willaert animeren de zangstonde in woonzorgcentrum Jacky Maes. —

We noemen hen vrijwilligers. In Vlaanderen zijn dat er zo’n 750.000. Daarvan zijn er 73 actief in het Bredense woonzorgcentrum Jacky Maes. Daar rijden ze met boeken rond of met de koffiekan, ze gaan op wandel met residenten, animeren een zangstonde … Minstens twee ervan zijn jeugdvrienden van me: wijlen Roland Vanmassenhove en Ivan Schamp.
Schamp doet het al zes jaar. Hij animeert er regelmatig een zangstonde. Omdat ikzelf nog cantor van een studentenclub geweest ben, vraag ik hoe het er bij hem aan toegaat. Neen, er wordt niet gesalamanderd. En ja, hij heeft er zijn pluk aan: ‘Vooraf zoek ik uit wie jarig is en er moet ook een liedjeslijst gemaakt worden. Tussen die liedjes door vertel ik anekdotes, ook dat vraagt een beetje voorbereiding. De zangstonde zelf gebeurt in team. Mauricette Willaert is een goede voorzangster en ex-marineofficier Martin staat in voor de muzikale begeleiding.’
Die vrijdagmorgen ga ik het met eigen ogen bekijken. Ik maak foto’s, zing mee met De boerinnekesdans en spreek met residenten over Jan Thijs en De tijd van toen.
Thuis denk ik nog een beetje na over de belangeloze inzet van mijn medeburgers. En ik moet zeggen … Menslievendheid… ‘t is iets waarmee ik het altijd een beetje moeilijk heb. Steeds weer denk ik: daar moet iets achter zitten, iets wat ik niet ken, een geheim bijvoorbeeld.

Het geheim (°)
Ik vraag Schamp naar het geheim. Hij antwoordt: ‘Emoties zijn niet alleen passieve belevingen, ze kunnen ook opgevat worden als actie-tendenties : een drijfveer om een bepaald doel te bereiken.’ Olala, daar begrijp ik niets van, ik zal ‘t zelf moeten uitzoeken.
- Het Sparrenbosje van Bredene, waar het wonder zich voltrekt. —
Nog dezelfde dag begeef ik me naar het hoogste duin van ’t Sparrenbosje. Van verre zie ik de wandeling met rolstoelpatiënten naderen. Op de gezichten staat bittere ernst, zowel op die van de rolstoelgebruikers als op de gezichten van de vrijwilligers, want de tocht gaat niet over rozen — eerder over kiezelstenen, losgeraakte stoeptegel en kasseien.
Zodra de sliert het duinengebied betreedt, gebeurt echter iets ongeziens. Op het wandelpad, in de bedding van het oude tramspoor, houdt de stoet halt. De rolstoelgebruikers maken zich van hun karren los. De ene doet dat al wat kwieker dan de andere, maar op den duur staan ze allemaal recht. Daarna nemen de vrijwilligers de vrijgekomen zitplaatsen in. De residenten van het woonzorgcentrum stellen zich op achter de rolstoelen en de stoet komt weer in beweging. Ik geloof haast mijn ogen niet, de rollen zijn waarlijk omgekeerd: de rolstoelgebruikers duwen nu de vrijwilligers! Niets dan blije gezichten: de enen omdat ze eens mogen neerzitten, de anderen omdat ze op miraculeuze wijze weer lopen. Ze roepen, ze lachen en er worden gore moppen verteld. Sommigen maken er een race van en proberen elkaar af te troeven.
Op ’t einde van dat pad gebeurt hetzelfde, maar omgekeerd: weer wordt er van plaats gewisseld. En als de sliert uit de duinen tevoorschijn komt, is het aan niets meer te merken wat daar gebeurd is. Van de gezichten valt alleen nog bittere ernst af te lezen, want de tocht gaat niet over rozen — eerder over kiezelstenen, losgeraakte stoeptegels en kasseien.
Flor Vandekerckhove


(°) Het verhaal werd in gang gestoken door de zin die Ivan Schamp me opstuurde: Emoties zijn niet alleen passieve belevingen, ze kunnen ook opgevat worden als actie-tendenties : een drijfveer om een bepaald doel te bereiken.Hij deed dat in het kader van een experiment dat ik enige tijd geleden aanvatte. Daarbij vroeg ik lezers of ze me een zin wilden geven. In ruil beloofde ik hun aan verhaal. Meer erover staat hier. Het experiment is bijlange niet afgelopen. Nog tal van zinnen zitten in de pijplijn om verwerkt te worden. ’t Is overigens niet te laat om deel te nemen en me uw zin op te sturen. Wel dan!


Voor de podcast koos ik een verhaal 
dat stamt uit de tijd dat mijn moeder 
in het woonzorgcentrum resideerde, 
dat toen trouwens nog Wackerbout heette. 
In die tijd heb ik het mogen meemaken 
dat er een ‘wave’ over de rolstoelen trok. 
Zo’n gave ‘wave’ had ik nog op geen enkele
voetbaltribune zien passeren. 
Wie dat verhaal wil horen klikt hier.

donderdag 30 mei 2019

Een jonge Cubaan over 'Trotski in Cuba'


— Rechtstaand, rechts: Frank García Hernández,
de organisator van de conferentie. Zittend van l. nr r.
Robert BrennerSuzi Weissman, Paul Le Blanc 
en Eric Toussaint. De jongeman vooraan vertaalt. —

Van 6 tot 8 mei ging in Havana op Cuba de ‘Eerste Internationale Academische Conferentie over Leon Trotski’ door. Over dat gebeuren berichtte ik eerder al
De organisatie was in handen van Frank García Hernández, een jonge Cubaanse intellectueel die daar, vind ik na enig googelen, aan een instituut werkt dat naar Juan Marinello genoemd werd. (°)
Left Voice (°) interviewde de man. Frank García Hernández maakt in dat vraaggesprek de balans op van de conferentie. (°°)
Dat zo’n bijeenkomst in Cuba kon doorgaan is niet zonder politiek belang, maar de praktische problemen waren er niet minder om. Tal van geïnteresseerden konden niet ontvangen worden: ‘Michael Lowy en Tariq Ali wilden ook aanwezig zijn en ten minste tien andere deelnemers. De gebeurtenis had eigenlijk vier dagen moeten duren, maar het was onmogelijk (…) We hadden een zeer moeilijke logistieke situatie, dus we konden veel mensen niet ontvangen. (…) Als we de 192 aanvragen voor publieke deelname aanvaard hadden, zouden we ingestort zijn. Je zag dat ze, in de kamer waar we waren, geen ruimte hadden gehad.’ Veel Cubanen waren er evenmin: ‘Dat was, denk ik, te wijten aan slecht management, dat is onze verantwoordelijkheid, en het zou de verkeerde idee kunnen geven dat er in Cuba geen interesse is om Trotski te leren kennen.’
Ondanks alles is Frank García Hernández een tevreden man. Het Instituut voor Filosofie zal de referaten publiceren: ‘Als dit gebeurt zal het de eerste keer zijn dat er in Cuba een boek verschijnt dat aan Trotski gewijd wordt en aan de sociaal-politiek-culturele fenomenen die rond hem ontstaan zijn (°°°) (…) Dus, als we dat boek publiceren, zal er een voor en na in Cuba bestaan (…) en gaan we het politieke taboe dat Trotski is passeren. (…)  Na de val van de Sovjet-Unie wisten we allemaal van Stalins misdaden, maar niemand heeft ons hier ooit gezegd dat Trotski niet schuldig was aan datgene waarvan hij beschuldigd werd. Dat is het eerste belang van het evenement: in Cuba zeggen dat alles wat destijds over Trotski beweerd werd, niet waar is.’
Flor Vandekerckhove


(°) Als ik dat goed inschat dan is Left Voice het Amerikaanse internetkrantje is van een van de splinters van de fel verhakkelde trotskistische boom. Ik denk dat wij hen destijds ‘Morenisten’ noemden.
(°°) In Left Voice op 27 mei 2019. ‘In Cuba we needed Trotsky to understand what happened in the Soviet Union’ — Interview with Frank García. Het volledige interview staat hier: https://www.leftvoice.org/in-cuba-we-needed-trotsky-to-understand-what-happened-in-the-soviet-union-interview-with-frank-garcia
(°°°) In de jaren zestig probeerde een andere trotskistische splinter, strekking Posadas, in Cuba een boek over Trotski te publiceren, maar dat werd meteen geconfisqueerd.



Al enige tijd wil ik een prozagedicht schrijven.
Ik profiteer van deze gelegenheid
om er eentje over Cuba te maken;
een experiment.
De vrouw van Castro leidt de productie’
bestaat voorlopig alleen op podcast.
Voor ik een geschreven versie publiceer
wil ik er eerst nog een beetje aan schaven.

Luister ernaar, klik hier !

dinsdag 28 mei 2019

Ik, de kleinste zwijgende minderheid

— Geert Van Istendael kijkt met nauwelijks verholen minachting naar de bakfiets in de rechterbenedenhoek. Links boven: zijn nieuwe boek. —   

In De grote verkilling gaat Geert Van Istendael hard te keer tegen christen- en sociaaldemocraten die meegaan in het verhaal van het neoliberalisme. Door hun schuld keren mensen de Europese Unie de rug toe.
Ook de ‘progressief, liberale spraakmakende gemeente’ krijgt ervanlangs: goedverdieners; mooi wonend in een aangename buurt; kinderen op een grotendeels blanke school; diep overtuigd van eigen superioriteit; bodemloze minachting voor het volksdeel dat hun denkbeelden niet deelt; ontkenners van de culturele en religieuze breuklijnen; allergisch voor elke kritiek op de islam; bakfietsers.
Van die opsomming mag ik veruit het meeste schrappen. Een bodemloze minachting voor het volksdeel dat mijn denkbeelden niet deelt. Hoe zou ik dat moeten doen? Dat volksdeel omvat omzeggens heel het volk. Diep overtuigd van mijn eigen superioriteit? ’t is eerder omgekeerd: dat overgrote volksdeel weet altijd alles beter. Vroeger heette het de zwijgende meerderheid, maar die term is terecht verdwenen, want de meerderheid zwijgt godver nooit. En tegenover al dat getater sta ik altijd met mijn mond vol tanden. Ik ben een zwijgende minderheid, ik ben al heel mijn leven de kleinste zwijgende minderheid ooit, een piepkleine minderheid waarover niemand het ooit heeft.
Gehuld in stilte troost ik me telkens weer met twee citaten die twee keer ’t zelfde zeggen. Het eerste is van Bertrand Russell, het tweede van Charles Bukowski. Misschien kan Van Istendael die Russell nog tot de progressieve spraakmakende gemeente rekenen. Maar Bukowski? Je mag het toch niet gedroomd hebben dat die mens destijds met zo’n bakfiets rondreed?!
Flor Vandekerckhove

Geert Van Istendael. De grote verkilling. 2019. Atlas Contact. 256 pp.




Luister ook eens naar de podcast 
van De Laatste Vuurtorenwachter.
Hier past wel een poëem van voornoemde Bukowski, 
vind ik. 
Ik kies eentje dat over de schrijversgilde gaat, 
waartoe zowel Geert Van Istendael als ikzelf behoren, 
hij aan de bovenkant en ik helemaal onderaan. 
Het gedicht heet my comrades. 
Mijn vertaling hoor je hier!

maandag 27 mei 2019

Blijf nog wat bij ons (°)


We rijden een indrukwekkend groot autokerkhof op, een doolhof van wel vijfhonderd wrakken. Terwijl papa op zoek gaat naar dat ene stuk dat bruikbaar is, mag ik mijn kinderlijke fantasie botvieren. Vooral de grote Amerikanen trekken me aan. Dodge, Buick, Cadillac… Ik open portieren, kruip door openstaande raampjes, zoek in handschoenkastjes en in kofferbakken. Van die ene Oldsmobile gaat het naar de andere Chrysler. Een Corvette brengt me naar een Ford Fairlane en vandaar gaat het naar een Pontiac die nog een sleutel in ’t contact heeft zitten. Ik draai die om, de motor geeft geen kik. Ik probeer het nog eens en nog. En net als ik naar een GMC wil verkassen, werpt iemand me vanaf de achterbank een stuk van vijftig frank toe. Op ’t zelfde moment hoor ik een stem die zegt: ‘Je moet eerst een beetje choke geven.’ Dat is al akelig genoeg, maar pas als ik het hoofd draai krijgt de schrik me goed te pakken. Op de achterbank zit een fel bebloede man met gebarsten schedel. Hij draagt een verscheurd soldatenuniform, zijn handen zijn half weggevreten. Ik hoor de zombie — want ja, hoe moet je zo’n wezen anders noemen? — klaaglijk roepen: ‘Blijf nog wat bij ons, want het is zo triestig te sterven in de lente.’
Ik roep om mijn vader — papa! papa! papa! — maar die is kweetniewaar met een stuk ijzer in de weer. In paniek vlucht ik uit de Pontiac weg en raak almaar dieper verdwaald in de wirwar van auto’s.
Het is al aan ’t duisteren wanneer mijn vader me weet te vinden. Ik lig te slapen op de achterbank van een Checker. Papa schudt me wakker. Hij is erg kwaad, zegt hij, want hij heeft door mij veel tijd verloren. Ik vertel hem wenend wat er gebeurd is. Hij snuift en zegt: ‘Gauw, we zijn weg.’ Samen lopen we naar de uitgang, hij met reuzenpassen en ik met korte beentjes. Papa houdt mijn hand stevig omklemd. Zelf omklem ik een stuk van vijftig.
Flor Vandekerckhove


(°) Dit verhaal werd in gang gestoken door de zin een Lieve Melis me meedeelde. Die luidde: ‘Blijf nog wat bij ons, want het is zo triestig te sterven in de lente.’  Zij deed dat in het kader van een experiment dat ik enige tijd geleden aanvatte. Daarbij vroeg ik lezers of ze me een zin wilden geven. In ruil beloofde ik hun een verhaal. Meer erover staat hier.

zondag 26 mei 2019

breien of tekenen

[Ik heb enige tijd geëxperimenteerd met iets wat drabble heet. Zo’n verhaal is altijd honderd woorden lang, niet 99, niet 101, exact honderd, titel niet inbegrepen. In onderstaand experiment heb ik eerst naar een waar gebeurd verhaal uit mijn prille kindertijd gezocht — Breien of tekenen — en daarna ging ik ermee aan de slag. Het leverde een aantal stijloefeningen op in de geest van Raymond Queneau die in 1947 Exercices de Style publiceert. Bij hem gaat het telkens over hetzelfde tramverhaal, bij mij is dat 'breien of tekenen'. (Flor Vandekerckhove)]

Kiezen — Onze jassen hangen in de gang aan de kapstok. We dragen een schortje, we zijn klaar voor de dingen die gaan komen. ‘Ge moogt kiezen,’ zegt de non luid, ‘tekenen of breien.’
De ene wil tekenen, de andere breien. Wie voor ’t tekenen kiest krijgt een stuk behangselpapier en mag op de achterkant ervan aan de slag. Wie voor ’t breien kiest krijgt het breiplankje waaruit onderaan het stuk sjaal komt dat eerder al afgewerkt is. Zelf heb ik luid, vol overtuiging en als eerste TEKENEN geroepen. ‘Gij moet breien,’ zegt de non. Mijn protest valt op de koude vloer.

Multatuli — De non vraagt of ik wil tekenen of breien. Ik antwoord: ‘Ik hoop mijn kennis door de uwe te vermeerderen, want zij is niet zo groot als ik wenste. En ik heb wel de braafheid lief, maar dikwijls bespeur ik dat er in mijn gemoed fouten zijn, die de braafheid overschaduwen, en daaraan de groei benemen ... gij weet hoe de grote boom de kleine verdringt en doodt. Daarom zal ik letten op degenen onder u, die uitstekend zijn in deugd, om te trachten beter te worden dan ik ben.’ Ze repliceert: ‘Als ik ’t goed begrijp wil je breien.’

Schaap — Dat begrijp ik niet. Eerst zegt ze dat we mogen kiezen: breien of tekenen. Als ik haar vervolgens zeg dat ik wil tekenen, antwoordt ze dat ik moet breien. Heb ik haar niet duidelijk gemaakt dat niet wil breien? Nu niet en anders ook niet? Nooit! Dat is zelfs te zien aan mijn breiplankje waaruit onderaan nauwelijks een klein stukje sjaal komt, terwijl andere kinderen al lange stukken bij elkaar gebreid hebben. Kijk me hier nu zitten met dat breiplankje. Door mijn tranen heen zie ik de wolken tergend traag voorbijschuiven. Een van die wolken lijkt goed op een schaap.

Compromis ­— ‘Ge moogt kiezen,’ zegt de non luid, ‘tekenen of breien.’ Ik kies voor tekenen, maar dat gaat niet, want anders, zegt de non, geraakt mijn sjaal niet af. Ze probeert mij te overtuigen, maar ik hou voet bij stuk: ik wil tekenen. Zij daarentegen wil dat ik een sjaal brei. We proberen een compromis te vinden, maar de onderhandelingen verlopen stroef, vooral omdat ik nog niet goed ter tale ben, want ik ben tenslotte nog maar vijf. Omdat de schooldag in zo’n kleuterklas niet kan blijven duren komen de non en ik uiteindelijk overeen dat ik een sjaal zal tekenen.

If — Ik heb ervoor gekozen te tekenen en toch moet ik breien. Heel de klas is kwaad omwille de reactie van de non. Spontaan vormt zich een spreekkoor: hij wil te-ke-nen / hij wil te-ke-nen / hij wil te-ke-nen. Iemand roept dat we een kleutersovjet moeten oprichten. We weten niet wat dat is, maar vinden het toch een goed idee. We zingen luid van O bella ciao, bella ciao, bella ciao, ciao, ciao… Geen idee van waar we die woorden halen of wat ze willen zeggen, maar ze komen wel degelijk uit onze mond. Er is later een film van gemaakt.

Palto ‘Gij moet breien, zegt de non.’ Ik antwoord: ‘Zijt ge doof of wat? Ik heb juist gezegd dat ik wil tekenen!’ Zoveel assertiviteit verwacht ze niet, want we bevinden ons nog in de vroege jaren vijftig en niemand spreekt het gezag tegen, zeker wij niet, kleuters van de nonnenschool. Ze trekt me aan mijn oor uit de bank en laat pas los als ik in de gang sta. ‘En nu naar moeder overste’, zegt ze en ze slaat de deur achter zich dicht. Ik ga tegen de muur zitten waar onze jassen hangen en verberg me half achter mijn palto.

Hoek — Omdat ik niet wil breien heeft de non me naar moeder-overste gestuurd, de schrik van de kleuterschool. In mijn herinnering heet ze Marie-Céline. Ze vraagt me wat er gebeurd is. Ik leg het haar uit en voeg eraan toe dat ik niet begrijp dat je niet mag kiezen als iemand je eerst vraagt om te kiezen. Zuster Marie-Céline zegt dat ze het probleem zal oplossen. Ze wijst me een hoek aan waar ik op mijn knieën mag gaan zitten, met mijn gezicht naar de muur en mijn handen op mijn hoofd. Oké, denk ik, als ik maar niet moet breien.

Hoofddoeken — Het zal mij niet meer overkomen, zeg ik tegen mezelf. Als de non weer vraagt of ik wil breien of tekenen, dan antwoord ik breien en dan zal ze zeggen dat ik moet tekenen. Of het een goeie strategie gebleken is weet ik niet, want ik denk niet dat het me daarna nog gevraagd is. Evenmin herinner ik me of die sjaal afgeraakt is. Wat ik me ook niet herinner is of er in die tijd sprake was van een debat over de aanwezigheid van hoofddoeken in de school. Wellicht wel, want in die nonnenschool waren er echt wel veel.

Genie ‘Waarom,’ vraagt de non mij, ‘wilt gij nooit breien?’ Ik antwoord gezwind: ‘omdat ik een kunstenaar ben die bekend zal worden voor zijn spel met wiskundige principes.’ En om mijn bewering enigszins te nuanceren voeg ik eraan toe: ‘In wording dan toch, een mens moet ergens beginnen.’ Dat begrijpt ze niet goed. Om het uit te leggen vertel ik haar mijn inzichten betreffende studies van oneindigheid en in elkaar passende patronen ontworpen rond onmogelijke objecten zoals de penrose-trap. ‘Precies,’ antwoordt ze zegevierend, ‘juist daarom is het belangrijk dat je ook leert breien’ en ze steekt me het breiplankje in handen.

Martens — De valse non steekt me tegen mijn wil het breiplankje in handen. Ik ontdek een van de valkuilen van de democratie. Ze laten u wel kiezen tussen breien en tekenen, zo gaat het door mijn kleuterhoofd, maar als je keuze hen niet aanstaat vegen ze de democratie onder de mat. Dertig jaar later, in 1985, moet ik daar weer aan denken. In een antirakettenbetoging, maakt de bevolking de regering duidelijk dat de NAVO hier niet langer raketten mag plaatsen. Heimelijk heeft premier Wilfried Martens daar enkele dagen eerder toch zijn toestemming voor gegeven. Martens is een valse non in mannenvacht.

klik hier !


vrijdag 24 mei 2019

Waarom ik op de PVDA stem

Aan mijn brievenbus hangt een klever waarop staat dat ik géén ongeadresseerde post wens te ontvangen; rode achtergrond, witte letters, waarop NEE in kapitalen. Géén reclame!
Veel distributeurs houden zich daar niet aan, zelfs niet als ik in mijn deurgat, vlak naast die brievenbus, naar ’t weer sta te kijken. Ik probeer hen daarover dan wel aan te spreken, maar hun tegenkantingen maken me meer dan eens sprakeloos. ‘Ja maar, ’t is iets van de middenstand.’ Of: ‘Het is voor sinterklaas. Heel sterk vind ik deze: ‘’t is voor de opening van een viswinkel.’  Iemand werd kwaad en zei dat mijn sticker zijn broodwinning in gevaar bracht. Ja, er loopt wat rond.
Politieke activisten vinden dan weer dat reclame voor een politieke partij geen reclame is. Dat is, zeggen ze, propaganda, en zoiets mag huns inziens wél in mijn brievenbus. Om dergelijk sofisme te counteren heb ik een extra boodschap aangebracht: Wij stemmen NIET voor wie ongevraagd papier in onze brievenbus gooit.
Je zou denken: die propagandisten zijn niet dwaas, ze gaan hun best doen om mijn stem niet te verliezen, ze gaan mijn brievenbus onberoerd laten. Niets van! Van alle mij bekende partijen heeft alleen de PVDA geen papier in mijn brievenbus gegooid.
U kunt tegenwerpen dat de PVDA wellicht niet tot aan mijn brievenbus geraakt is. Daarin kunt u gelijk hebben, maar het feit blijft overeind: alleen de PVDA heeft mijn brievenbus niet gepenetreerd. Wat mij betreft is de teerling geworpen.
Misschien vindt u dat mijn stemgedrag dan niet op politieke gronden rust, maar daarin moet ik u toch tegenspreken. Ik wil de politieke macht echt niet in handen leggen van lieden die zo’n duidelijke boodschap negeren, en me vlakaf zeggen: ‘U mag schrijven wat u wilt, we vegen daar toch onze kloten aan!’  Iemand die schrijft, zoals ik, ontwaart daar groot politiek gevaar in. Ik ga niet zeggen dat wat in mijn brievenbus begint potentieel in een boekverbranding eindigt, maar kijk, ik heb het nu toch gezegd.
Ter afsluiting had ik hier nog een spetterend citaat van Trotski willen plaatsen, maar ik vond niet meteen iets over brievenbussen. En nu vlug naar ’t Lentefeest van een mijner talrijke kleindochters.
Flor Vandekerckhove


Hier past wel een politiek poëem bij. 
Mijn keuze valt op ‘Zijt ge niet beschaamd’, 
een gedicht dat ik geschreven heb 
naar aanleiding van de dood van de kleine Mawda, 
en wel nadat ik de daaropvolgende reactie gehoord had 
van de burgemeester van Antwerpen. 
Luister op de podcast van De Laatste Vuurtorenwachter 
naar het gedicht: klik hier !

woensdag 22 mei 2019

Inleiding tot het surrealisme


— Links: Zelfportret van Leonore Carrington (1938/1939). Rechts een gille loopt op paaszaterdag met zijn vrouwtje gewoon voorbij mijn huis. Het koppel wordt, zoals de regel het wellicht voorschrijft, begeleid voor een trommelaar. —

Paaszaterdag — Weer thuis na een verblijf in de Languedoc. De lange rit heeft me vermoeid. Ik wacht op de avond, nestel me in de sofa en neem een boek ter hand, verhalen van Leonora Carrington, surrealiste pur sang.
De kaft toont me haar zelfportret en dat staat daar goed op zijn plaats, want al in het eerste verhaal, De debutante, vertelt Carrington over de aldaar afgebeelde hyena: ‘Het dier dat ik daar het beste kende, was een hyenavrouwtje. Zij kende mij ook. Ze was heel intelligent. Ik leerde haar Frans en om iets terug te doen, leerde zij mij haar taal. Zo brachten we heel wat aangename uurtjes door.’ En in het tweede verschijnt het hobbelpaard: ‘Lucretia liep op een hobbelpaard af dat ondanks zijn leeftijd, die toch in de buurt van de honderd jaar moest liggen, in galophouding was versteend.’ Ook het paard dat in het zelfportret buiten loopt, is al van de partij: ‘Ze was mooi, verblindend wit, had vier ranke benen en manen die als water langs haar gezicht stroomden. Ze lachte vrolijk en danste als een waanzinnige door de sneeuw.’
In haar verhalen komen nogal wat paarden voor die de gave van het woord bezitten. Bij Carrington is dat normaal, want planten, dieren en mensen zijn inwisselbaar, iets wat ook blijkt uit het verhaal met de toch wel merkwaardige titel: Mijn moeder is een koe.
Stilaan wordt de vermoeidheid me de baas, de lange rit naar huis wreekt zich. Woorden vervagen, zinnen ontsnappen, oogleden … In de droom die volgt zie ik een wit paard dansen. In de verte nadert een trommelaar. Het paard verstijft en wordt hobbelpaard. Het tromgeroffel is op den duur zo opdringerig dat het me uit de slaap rukt. Verdwaasd kijk ik naar buiten en zie net op tijd hoe een gille de hoek omdraait. Naast hem loopt zijn vrouwtje. Roffelend begeleidt een trommelaar het koppel. De kat zit naast me, op de vensterbank en zegt: ‘Ik ben sprakeloos.’ Ik antwoord: ‘Wees daar maar niet zeker van, Leonore Carrington is in de stad!’
Flor Vandekerckhove

(°) Leonora Carrington. Alle verhalen. Vertaald door Lisette Graswinckel en Nelleke Maarten. Met een inleiding door Arjan Peters. 2018. Uitgeverij Orlando. 224 pp.


Soms neigen mijn eigen verhalen naar realisme, 
soms naar het surrealisme. 
Het valt me blijkbaar moeilijk om daar een keuze tussen te maken, 
want ik blijf op die twee poten hinken. 
Bij dit stukje over Leonora Carrington past wel een surrealistische verhaal 
dat ik ook zo genoemd heb: Surrealistisch verhaal



Luister ernaar op de podcast van De Laatste Vuurtorenwachter: klik hier !

maandag 20 mei 2019

Rob Tas: een geleerde, geëngageerde christenmens



De laatste keer dat ik hem zag sprak hij met een Nederlands accent en elk woord werd vergezeld van rookwalmen die hij eerst geïnhaleerd had. In Nederland kon hij toen, via de ‘spiriteinen’, drie jaar studeren aan het Theologisch Instituut van Eindhoven. Ik wist niet beter dan dat hij pater geworden was. Nu zie ik hem weer, hij is een van de mensen die ik opspoor nadat ik hen eerst een halve eeuw lang uit het oog verloren ben.  
Neen, Rob Tas (°1947) is geen pater geworden, wel echtgenoot, vader van drie en grootvader van zeven. Dat Hollandse accent is hij kwijt, van de tabak is hij af, maar de Nederlandse ervaring is wel aan hem blijven kleven: Nederland gidsland
Wanneer Rob naar België terugkeert is dat om hier verder te studeren. Eerst werk zoeken, er is geen geld, maar de studies komen er wel. Hij heeft het over godsdienstwetenschappen en theologie, filosofie en psychotherapie.
Zo spreekt hij nu ook. Als een godsdienstwetenschapper, theoloog, filosoof en therapeut: de verlichting is in de zevende eeuw voor Christus ontstaan, Maria is de eerste geëmancipeerde vrouw, een ondergrondse grot is een vulva, de iconoclasten waren niet eens zo’n beeldenstormers … Sigmund Freud, Carl Rogers, Karl Marx, Martin Heidegger, Samuel IJsseling … 
Rob is een mens waarvan ik geneigd ben te zeggen dat hij te veel boeken gelezen heeft (‘for ever reading, never to be read!’). Maar dat is onterecht, want in de Kempen, waar hij woont, heeft hij, tussen het verorberen van al die boeken, ook 33 jaar lesgegeven. In harmonie met Marijke, zijn echtgenote, leidt hij daarenboven een toch wel sterk geëngageerd leven. Schrijven voor Amnestie International, actief bij Christenen voor het socialisme, op weg voor AMIE (op de website van die organisatie vind je Rob als contactpersoon.) Als ik hem in één zin moet vatten: een geleerde, geëngageerde christenmens.
— De twee iconen die Rob Tas aan de kerk
van Bredene Duinen schonk.
(°)
Ik moet een beetje kort zijn, want er valt nog iets heel anders te zeggen. Alsof ze onze nakende afspraak geroken heeft stuurt Jeannot me enkele dagen geleden een bericht: Ik mocht deze week 2 iconen in ontvangst nemen, voor onze kerk, geschilderd en geschonken door Robert Tas, een oud-Bredenaar. Zou je een stukje over hem kunnen schrijven? Hij woont nu in Geel en ik denk dat je hem beter hebt gekend dan ik. Ik zou dan dit stukje willen "lenen" voor de website en het blaadje van onze federatie (parochiebad). Wil je dat doen?’
Dat ik dát nog mag meemaken! Dat men uitgerekend mij — oude trotskist, antiklerikaal en atheïst — vraagt iets voor het parochieblad te maken! Iemand moet dit zeker melden aan Dirk Demaeght, de destijds door mij veelbelaagde aalmoezenier ter zeevisserij. 
Maar goed, voor Jeannot wil ik dat wel doen. Helaas, driewerf helaas: ik moet me wellicht onbekwaam verklaren. In de foto’s van Robs iconen zie ik alleen maar santjes. Dat komt natuurlijk doordat ik er niets van ken. Tas legt me uit dat het schilderen van zo'n icoon een ritueel is. Je respecteert strenge, eeuwenoude regels van techniek, vorm en inhoud. Je kopieert. Elke mens, waar ook ter wereld, moet direct het beeld herkennen: geen meerduidigheid! Waaruit ik besluit dat het geen kunst is. Het is er zelfs het tegendeel van: kunst kan juist niet ingekapseld worden in één concept of één omschrijving. (Volgt een kort gesprek over de 28 verschillende definities van kunst.)
Nog een geluk dat we met een praktisch voorbeeld kunnen afsluiten. Mary Oliver is een Amerikaanse dichteres. Ze is onlangs gestorven. Haar gedicht The Swan is ongetwijfeld kunst. Ik plaats het hieronder: lees dat! En vervolgens moet ge daar een beetje over nadenken, want in deze is het zoals Rob Tas het ons, in een door hem gekozen zin, meegeeft: Denken is na-denken omtrent die-/datgene die/wat ons te denken wordt gegeven.’ En ge zult begrijpen dat Rob dat gedicht anders leest dan u, zijn echtgenote Marijke anders dan Jeannot, aalmoezenier Demaeght anders dan ik, de ene anders dan de andere. En dat, niettegenstaande al dat verschil, we toch allemaal van onze sokken geblazen worden door zoveel schoonheid.
Flor Vandekerckhove

(°) De iconen die Rob Tas schonk worden feestelijk ingehuldigd in de kerk van Bredene Duinen, tijdens de avondmis van zaterdag 29 juni om 18,30 u. Daarna is er een kleine receptie. Zelf zal ik daar niet zijn, maar Rob Tas wellicht wel.