dinsdag 29 december 2020

Pasters, flaminganten, dichters




Tania volhardt en zo volhard ook ik. Zij blijft wandelen en ik blijf haar over en weer brengen. Omdat corona belet dat ik de tussentijd in de kroeg vergooi, meet ik mezelf een nieuwe opdracht aan: Vlaamsche koppen. (°) Ik word daarin voorafgegaan door Hugo Verriest die in 1901 onder soortgelijke titel een eigen canon publiceert. Ik haal diens Twintig Vlaamsche koppen van ’t net en vraag me al lezend nog niet weinig keren af waarom hij deze en gene illustre inconnu in z’n dichterscanon opneemt: Pieter Busschaert, Gustaaf Delescluze, Renaat Adriaens, Kamiel Watteeuw, D. van Haute, Alfred Weustenraad, Amaat Vyncke, Hendrik Persyn…  En waarom anderen ontbreken: Cyriel Buysse bijvoorbeeld of Virginie Loveling, Lode Baekelmans, Mauritz Sabbe… Komt het doordat pastoor Hugo Verriest uitsluitend in de katholieke vijver vist? Daardoor komt het wellicht ook dat zijn canon overdadig veel pasters telt.
Verriests koppen terzijde schuivend, valt het ook in ’t algemeen wel op dat Vlaanderen massaal veel dichtende pasters produceert. En ’t zijn ook altijd flaminganten. Pasters die dichten! Hugo Verriest zelf natuurlijk, voorafgegaan door Guido Gezelle en achternagezeten door Cyriel Verschaeve, op zijn beurt gevolgd door Anton Van Wilderode. Zijn dat goede dichters? Van Hugo Verriest kan ik dat wel zeggen, ja: 
’t Wordt laat, en ’t zwijgen zinkt met stillen avond neder, 
En stille navond dringt me in ’t eindloos diepe hert, 
En ’t eindloos herte, moe van ’t wentlen weg en weder, 
Staakt ’t wentelen en rust in stille zoete smert.
 Dat Verriest ‘stillen avond’ naar de volgende regel meeneemt en dat daarna overdoet met ‘eindeloos hert’ en dan nóg eens met ‘wentelen’: bravo, goed gedaan, meneer de paster! 
Dat Guido Gezelle een groot dichter is, zal iedereen beamen, behalve misschien Benno Barnard, in zijn krantenstuk Ons groot nationaal dichtertje. Eerwaarde Heer Cyriel Verschaeve laat ik buiten beschouwing omdat ik nu even geen zin heb om me met zo’n onversneden nazi onledig te houden. En over Anton Van Wilderode ga ik het een volgende keer hebben, binnenkort moet ik Tania in Moerbeke afzetten, waar haar wandeling start. In dat dorp ligt het voor de hand dat je je een wijl bij dichter Van Wilderode ophoudt, hij heeft daar een museum.


(°) Eerder heb ik al in Vlaamse grenssteden naar de Vlaamse identiteit gezocht en toen Tania in de Eifel ging wandelen liet ik me door die streek inspireren. In de Eifel ging dat onder meer alzo:


www.youtube.com/watch?v=hoPKMiIUFxA

2 opmerkingen:

Luc Blomme zei

Boeiend!
Ik zag van Wilderode eens in een goedkope meubelwinkel langs de Maalsesteenweg in Brugge. Die mens moest, naast zijn poëtische bevliegingen, ook gewoon met beide voeten op de grond in het leven staan. Die ontmoeting (ik heb hem niet gesproken) maakte zo'n indruk op mij dat ik diezelfde avond nog een "van Wilderode-achtig" gedicht schreef...
Als verten rood worden gekleurd
't Verbrande loof naar wierook geurt
En nevels zweven over 't veld
Dan is de zomer uitgeteld.

Ik hoor het hem zo zeggen met zijn hese stem.

Philippe Clerick zei

Mooi stukje!