zaterdag 8 november 2014

Hoe de duivel vanuit Gent naar Bredene kwam

Heel lang geleden, toen het op Allerheiligen nog ijskoud placht te zijn, trokken mijn ouders en ik jaarlijks naar de begraafplaatsen. Daar gingen we dan overleden familieleden begroeten. Aan vaderskant lagen die in Westkerke, moeders familie leidde ons naar Gent. Aan die verschillende werelden hield ik indrukken over die me gevoelig gemaakt hebben voor het verschil tussen dorp en stad, natuur en cultuur, dorpelingen en stadsmensen, zee- en stadslucht, veel en weinig plaats, West-Vlaams en Gents. Er waren ook neveneffecten. Een ervan betreft de wisselwerking tussen verbeelding & werkelijkheid, die bij mij groot genoemd mag worden. Over die wisselwerking gaat dit stuk.
Het winteruur bestaat nog niet, maar desalniettemin wordt het op Allerheiligen ook in die tijd al vroeg donker. Bovendien hangt er mist, en mijn vader verkiest de goed verlichte Gentse Steenweg boven de onverlichte snelweg. We doorkruisen de stad, op zoek naar de binnenbaan die ons naar huis zal leiden. Ik tuur aandachtig door het zijraampje, want ik weet dat we op onze tocht door het stadscentrum het kasteel van Geeraard de Duivel passeren. Ik ken dat gebouw, want mijn stripheld Nero heeft daar een avontuur beleefd dat met een toverhoed te maken heeft, waarop zowel hij als die Geeraard aanspraak maken.
Ik ben een kind en de suspension of disbelief heeft bij mij vrij spel. Maar in de wereld van Madam Pheip, Jan Spier en detective Van Zwam neemt Geeraard de Duivel qua geloofwaardigheid een aparte, vooraanstaande plaats in. Het kasteel waarin hij woont, de gracht waarin Nero valt… Marc Sleen heeft het naar waarheid getekend. De naam van de kasteelheer, de kwalijke reputatie die hij torst… Het bestaat ook náást het stripverhaal. Marc Sleen noemt Geeraard een duivel, maar dat is geen verbeelding. In Gent wordt Geeraard door iedereen zo genoemd. De Duivel heeft daar zelfs een straat. Nero komt in die strip in ‘t water terecht, maar dat is de historische figuur evengoed overkomen, zo vertelt mijn moeder me. 
Kijk, zegt ze opeens. Naast me doemt het sombere steen op. Daar woont hij, zegt mijn moeder, en kijk, daar, vanuit dat raam wordt hij in ’t water gegooid. Ze wijst omhoog, ik probeer de afstand te schatten en kom tot de conclusie dat het een ferme plets opgeleverd heeft; ook dat heeft Marc Sleen goed getekend. Nu nog, voegt moeder eraan toe, horen de mensen hoe Geeraard ’s nachts, telkens weer, in ’t water terechtkomt. Ik geloof haar, want ik mag jong zijn, ik weet toch al dat de dingen altijd weerkomen, net zoals ook wij jaarlijks weer van Bredene naar Gent rijden om daar op dat immens grote kerkhof de weg te verliezen. 
Het strafste argument houdt moeder evenwel voor ’t laatst. Toen ze klein was, zegt ze, is ze eens in dat gebouw geweest, en… het riekt er naar solfer. Ik weet niet wat solfer is, maar ik geloof haar. Zo ziet dat steen er ook uit, als een gebouw dat naar solfer ruikt. Geen twijfel mogelijk: hier woont de duivel.
Daar op dat moment, heel lang geleden, toen het op Allerheiligen nog ijskoud was, heeft de duivel zich in mijn fantasie genesteld. Jawel, uitgerekend op Allerheiligen. Vanuit het Duivelsteen heb ik hem, in de mist, via de Gentse Steenweg, naar de kust gebracht, alwaar hij zich sindsdien in menig appartement garni à louer opgehouden heeft. Dat is niet zonder gevolgen gebleven, al kan ik u, om allerlei redenen, niet zeggen welke dat zijn. Maar dat die gevolgen veel verhalen opgeleverd hebben is een feit. Zoals de vertelling die u zopas gelezen hebt er een is, een verhaal waarin werkelijkheid & verbeelding zodanig haasje over spelen dat ik inmiddels niet meer weet wat echt gebeurd is en wat ik er gaandeweg bij bedacht heb.
Flor Vandekerckhove


Een reactie posten