vrijdag 14 november 2014

Lurre

Veel van mijn herinneringen spelen zich af in Bredene, de plek waar ik mijn jeugd doorgebracht heb. Ik ben er lange tijd weggebleven, maar nu woon ik weer in de wijk waar alles mij aan vroeger herinnert. Ik schrijf daar graag over. Sommigen noemen het nostalgie, maar dat is ten onrechte. Ik mag die stukjes omwille van de schoonschrijverij een beetje romantiseren, maar ik verlang niet naar die tijd, integendeel, ik ben blij dat hij voorbij is. William Trevor, een Ierse auteur, die een boek met soortgelijke herinneringen publiceerde, zegt iets soortgelijks wanneer hij het strand van zijn jeugd afwandelt: There is no nostalgia here, only remembered facts — and the point that passing time had made: the strand is still the strand, taking change and another set of mores in its stride, as people and houses cannot. While you walk its length, there is something comforting in that.(*) Het is een beetje moeilijk om dat citaat raprap te vertalen, maar je begrijpt dat het gaat om herinneringen, strand en troost. En 't strand van Ierland is daarin niet anders dan dat van Bredene.
Maar goed, een huis dat afgebroken wordt of dat is blijven staan, iemand die je op straat ontmoet of net niet meer, een anekdote die opgerakeld wordt, een oude foto waarvan je dacht dat hij voorgoed verloren was, een madeleinekoekje… Je weet hoe ’t gaat. Het ene woord brengt het andere mee en op ’t einde heb je een verhaal, zoals het onderstaande.
Ik had nooit gedacht dat ik nog eens aan hem herinnerd zou worden. Maar toen ik beroepshalve een stukje over Oostendse vislossers aan ’t samenstellen was, stootte ik op zijn naam; een bijnaam uiteraard, want veel vislossers waren alleen maar zo bekend. Ik had het in dat stuk over De Benne, Sonny Boy (Kamiel Deledicque), Frans De Hamers, Leize, bennenbaas Tuur Lenaers, Dove Pier, Fons de Eenarm, Lange Frans, De Witten, De Bennenpoeper (!)… En dan was er ook een vislosser die Lurre heette.
Die Lurre kende ik. Hij woonde in Bredene. Bij zijn zuster, zei men. Hij passeerde ons huis wanneer hij op stap ging. En dat deed hij veel. Lurre had immers een drankprobleem in de overtreffende trap; hij wàs een drankprobleem. Zo ervoer hij dat ook zelf. ‘Kijk naar Lurre’, riep hij altijd weer, ‘Lurre is een sukkelaar’. Wij waren jong en lachten om die oude man die er te pas en te onpas de oorlog bij haalde, een oorlog waarin hij bunkers voor de bezetter gebouwd had: ‘De Duitsers waren smeerlappen, maar ze hadden lekkere soep.’ De logica van de proletariër. En wij maar lachen. Of hij vertelde over de jaren vijftig in de Oostendse vismijn, over een tijd waarin de dagen meer uren leken te tellen, werkdagen die om zes uur ’s morgens begonnen en tot zeven, acht uur ’s avonds konden uitlopen. En wij maar lachen. Tussen het vele werk door, tijdens de werkuren, mocht hij er vlug een gaan kraken in de kantine; niemand sprak hem daarop aan. En wij maar lachen.
Het ging van kwaad naar erger en Lurre besloot er zelf een punt achter te zetten. Op een dag nam hij zijn fiets, reed ermee het staketsel op, fietste tot helemaal op ‘t einde van die pier en hield niet op met trappen toen de diepe zee het van het land overnam. En wij maar lachen.
Flor Vandekerckhove

(*) William Trevor. Excursions in the Real World. 182 ps. Pinguinbooks. 1995.

Een reactie plaatsen