vrijdag 14 november 2014

Lurre


Ik had nooit gedacht dat ik nog aan hem herinnerd zou worden, maar toen ik beroepshalve een stukje over Oostendse vislossers aan ’t samenstellen was, stootte ik op zijn naam. Een bijnaam uiteraard, en veel vislossers waren alleen maar zo bekend. Ik had het in dat stuk over De Benne, Sonny Boy (Kamiel Deledicque), Frans De Hamers, Leize, bennenbaas Tuur Lenaers, Dove Pier, Fons de Eenarm, Lange Frans, De Witten, De Bennenpoeper (!)… En dan was er ook een vislosser die Lurre heette.
Die Lurre had ik gekend. Hij woonde in die tijd in Bredene. Bij zijn zuster, zei men. Hij passeerde ons huis wanneer hij op stap ging. En dat deed hij veel, want Lurre had een drankprobleem; hij wàs een drankprobleem. ‘Kijk naar Lurre’, riep hij altijd weer, ‘Lurre is een sukkelaar’.
Wij waren jong en lachten om die oude man die er te pas en te onpas de oorlog bij haalde, waarin hij bunkers voor de bezetter gebouwd had. ‘De Duitsers waren smeerlappen, maar ze hadden lekkere soep.’ De logica van de proletariër. En wij maar lachen.
Hij vertelde over de jaren vijftig in de Oostendse vismijn, over een tijd waarin de dagen meer uren leken te tellen, werkdagen die om zes uur ’s morgens begonnen en tot zeven, acht uur ’s avonds konden uitlopen. En wij maar lachen. Tussen het vele werk door, tijdens de werkuren, mocht hij er vlug een gaan kraken in de kantine; niemand sprak hem daarop aan. En wij maar lachen.

Het ging van kwaad naar erger en Lurre besloot er zelf een punt achter te zetten. Op een dag nam hij de fiets, reed ermee het staketsel op, fietste tot helemaal op ‘t einde van die pier en hield niet op met trappen toen de diepe zee het van het land overnam. En wij maar lachen.
Flor Vandekerckhove

Een reactie plaatsen